VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN

Algemeen handelsrecht

Les circonstances qui ont présidé à la naissance d’un droit ne peuvent pas être constitutives d’un abus de ce droit

· Jonas Vansevenant

Dans un arrêt du 20 décembre 2019 , la Cour de Cassation a eu l'occasion de préciser quelles circonstances peuvent être prises en compte lorsque le juge apprecie l’existence d'un abus de droit. L'aquéreur d'actions d'une société avait invoqué certaines garanties contractuelles à l'encontre des cédants, visant à obtenir un remboursement du prix. La cour d’appel de Liège avait rejeté la demande, au motif qu'elle constituait un abus de droit. Les éléments que l’aquéreur invoquait pour fonder son appel à la garantie, lui étaient en effet parfaitement connus lorsqu’il avait signé la convention de cession d'actions, et l'acquéreur savait pertinemment bien lors des négociations que certaines déclarations des cédants n’étaient pas conformes à la réalité.  La circonstance que l’acquéreur avait en plus pris soin d'insérer dans la convention une clause qui lui permetait de faire appel aux garanties des cédants "alors même qu’il pourrait connaître l’inexactitude des déclarations au terme d’une due diligence préalable à la cession des actions", confirmait sa mauvaise foi. ...

Lees de bijdrage

Algemeen handelsrecht

Het Hof van Cassatie bevestigt: de opschortende voorwaarde van het bekomen van krediet is niet zuiver potestatief

· Jonas Vansevenant

In een arrest van 30 januari 2019 diende het hof van beroep te Antwerpen zich uit te spreken over de geldigheid van een aankoopoptie. In het contractuele document was opgenomen dat de betalingsverbintenis zou worden uitgevoerd nadat een krediet van 10.000.000 EUR werd bekomen bij een bankinstelling. Het hof van beroep achtte deze voorwaarde nietig omdat ze zuiver potestatief was. In zijn arrest van 5 december 2019 (C.19.0220.N) vernietigde het Hof van Cassatie dit arrest. Het Hof van Cassatie herinnerde er daarbij aan dat krachtens artikel 1174 Burgerlijk Wetboek weliswaar iedere verbintenis die is aangegaan onder een potestatieve voorwaarde aan de zijde van degene die zich verbindt, nietig is. Dit geldt echter enkel voor de voorwaarde die uitsluitend afhangt van zijn wil, d.w.z. de zuiver potestatieve voorwaarde. Het Hof van Cassatie vernietigde het bestreden arrest, aangezien de vervulling van de voorwaarde “nadat voormeld krediet van 10.000.000 EUR werd bekomen bij een bankinstelling” volgens het Hof van Cassatie niet uitsluitend afhangt van de wil van de partij die zich verbonden heeft.     ...

Lees de bijdrage

Algemeen handelsrecht

Het Hof van Cassatie opent de deur naar de erkenning van het verweermiddel "verlies van verrijking" (en dit tevens voor de vordering uit onverschuldigde betaling)

· Jonas Vansevenant

In een bestreden arrest van het Brusselse hof van beroep werd uitspraak gedaan over een vordering tot terugbetaling van een onverschuldigde betaling. Het geschil had betrekking op een bijdrage voor het Fonds voor de Gezondheid en Productie van Dieren, die geïnd was door een slachthuis t.a.v. de producent, en vervolgens doorgestort aan de Belgische Staat.  De wettelijke basis voor deze bijdrageplicht (voor het verleden) werd in arresten van het Hof van Cassatie en het Hof van Justitie onrechtmatig geacht. Bijgevolg trachtte de producent zijn bijdrage terug te vorderen van het slachthuis.  Het Brusselse hof van beroep wees de vordering af omdat de betaling reeds uit het vermogen van het slachthuis was verdwenen, en deze verarming te goeder trouw was nu het slachthuis in het kader van de toenmalige wettelijke regeling slechts handelde als een tussenschakel. Het hof van beroep wees daarbij op artikel 1377, tweede lid; artikel 1379 en artikel 1380 B.W, waaruit zou moeten volgen dat de accipiens enkel tot restitutie kan worden gehouden indien de betaling zich nog in zijn vermogen bevindt. ...

Lees de bijdrage

Algemeen handelsrecht

Verduidelijkingen van het Hof van Cassatie inzake de beoordelingsvrijheid van de bodemrechter bij het begin van bewijs door geschrift en de gedingbeslissende eed

· Jonas Vansevenant

In een arrest van 7 juni 2019 oordeelde het Hof van Cassatie over de appreciatie van bewijsmiddelen door de bodemrechter. Artikel 1347, tweede lid, Burgerlijk Wetboek beschouwt als begin van bewijs door geschrift elk geschrift dat is uitgegaan van degene tegen wie de vordering  wordt ingesteld en waardoor het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt. Het bodemgeschil had betrekking op een leningsovereenkomst en de vraag in welke mate het verschafte krediet was terugbetaald. Bij de leningsovereenkomst zat een aflossingstabel gevoegd waarbij de kredietverschaffer voor een bepaalde periode op de tabel betalingstermijnen doorstreepte en parafeerde voor ontvangst van de betaling terwijl voor een tweede periode alleen op de tabel van de kredietnemer diagonale strepen werden aangebracht doorheen de verschuldigde bedragen, maar zonder dat die doorstreping gepaard ging of bevestigd werd  door een paraaf van de kredietverschaffer. Het hof van beroep te Antwerpen oordeelde dat dit geen begin van bewijs door geschrift kon uitmaken in de zin van artikel 1347 BW voor de betalingen binnen de tweede periode. De kredietnemer vocht dit oordeel aan wegens vermeende miskenning van de bewijswaarde van het stuk. ...

Lees de bijdrage