Article

Actualité : Hof van Justitie, 12/11/2014, R.D.C.-T.B.H., 2015/5, p. 475-476

Hof van Justitie 12 november 2014

Prejudiciële vraag betreffende de uitlegging van artikel 54 van richtlijn nr. 2004/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de richtlijnen nrs. 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van richtlijn nr. 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van richtlijn nr. 93/22/EG van de Raad
Zaak: C-140/13
FINANCIEEL RECHT
Financiële instellingen en tussenpersonen - Beleggingsonderneming - Toezicht


DROIT FINANCIER
Institutions et intermédiaires financiers - Entreprise d'investissement - Surveillance


In een Duitse zaak met betrekking tot de geheimhoudingsplicht van nationale toezichtautoriteiten in de financiële sector besliste het Hof van Justitie dat artikel 54, 1. en 4. van richtlijn nr. 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële middelen zo moeten worden uitgelegd dat een nationale toezichthoudende autoriteit zich ten aanzien van een persoon die haar heeft verzocht om inzage te verlenen in informatie betreffende een beleggingsonderneming die zich intussen in staat van gerechtelijke vereffening bevindt, zonder dat het geval onder het strafrecht valt of er sprake is van een burgerlijke of handelsrechtelijke procedure, op haar beroepsgeheim mag beroepen om deze informatieverstrekking te weigeren, zelfs wanneer deze beleggingsonderneming bewust, ten nadele van haar beleggers, grootschalige fraude heeft gepleegd.