Actualités

Droit commercial général

De bewijslastverdeling tussen hij die de uitvoering van een verbintenis vordert en hij die de bevrijding van zijn verbintenis vordert - Cass. 7 september 2020

· Olivier Vanden Berghe & Charlotte Dillemans

Artikel 1315 B.W. bepaalt: "Hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, moet het bestaan daarvan bewijzen. Omgekeerd moet hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht." In een arrest van 7 september 2020 (C.19.0147.N) sprak het Hof van Cassatie zich impliciet uit over de verhouding tussen de twee zinnen van artikel 1315 B.W. Het onderliggende geschil betrof een aannemingsgeschil waarbij de aannemer de betaling vorderde van vermeendelijk overeengekomen meerwerken en de opdrachtgever op zijn beurt beweerde dat deze werken of een gedeelte ervan niet werden uitgevoerd. Het Antwerpse hof van beroep kende de vordering van de aannemer toe aangezien "de opdrachtgever niet aantoont dat de aangerekende meerwerken niet werden uitgevoerd, noch dat de aangerekende prijs niet overeenstemt met de daadwerkelijk uitgevoerde werken aan de overeengekomen eenheidsprijzen". Om tot deze beslissing te komen hadden de appelrechters enerzijds vastgesteld dat de uitvoering van de uiteindelijke werken door de opdrachtgever aanvaard werden, maar anderzijds dat de opdrachtgever zowel de vorderingsstaat als de eindafrekening van de meer- en minderwerken geprotesteerd had. ...

Lire l’article

Droit commercial général

Aanvangspunt interesten in geval van ontbinding koopovereenkomst - Cass. 18 juni 2020

· Olivier Vanden Berghe & Charlotte Dillemans

In een arrest van 18 juni 2020 (C.19.0505/N) werd het Hof van Cassatie verzocht zich uit te spreken over het ogenblik waarop de nalatigheidsinteresten bij terugbetaling van de koopprijs wegens ontbinding van een koopovereenkomst beginnen te lopen. De verkoper voerde aan dat zij slechts gehouden is tot betaling van de interesten vanaf de ingebrekestelling, en bij gebreke daaraan, vanaf de dagvaarding. De kopers daarentegen meenden dat de verkoper zich reeds bij het sluiten van de koopoverenkomst schuldig gemaakt had aan de ernstige wanprestatie  door zich voor te doen als enige aandeelhouder-verkoper en de interesten derhalve vanaf dat ogenblik verschuldigd zijn. ...

Lire l’article

Droit commercial général

De derde-medeplichtige aan andermans contractbreuk hoeft niet noodzakelijk rechtstreeks gecontracteerd te hebben met de schuldige – Cass. 4 juni 2020

· Olivier Vanden Berghe & Charlotte Dillemans

In een arrest van 4 juni 2020 (C.19.0070.N) boog het Hof van Cassatie zich over de voorwaarden voor derde medeplichtigheid aan andermans contractbreuk. De vennootschap NACO had met een uitbater van een café een overeenkomst gesloten voor het plaatsen van een aantal speelautomaten en in de overeenkomst een exclusiviteitsclausule opgenomen, die o.a. inhield dat de uitbater geen andere gelijkaardige of aanverwante toestellen zou (laten) plaatsen. De uitbater verbond zich ertoe om bij een eventuele overdracht de verbintenissen vervat in de overeenkomst op te leggen aan de nieuwe uitbater. Bij overdracht liet de uitbater echter na om deze verbintenissen op te leggen aan de nieuwe uitbaatster, die vervolgens een exclusieve overeenkomst sloot voor de plaatsing van spelautomaten met een andere vennootschap, de NV Reflexion. NACO ging over tot dagvaarding van enerzijds de vorige uitbater wegens contractbreuk, en anderzijds  de nieuwe uitbaatster en Reflexion wegens derde-medeplichtigheid aan contractbreuk. ...

Lire l’article

Droit commercial général

Geen post-contractueel concurrentieverbod besloten in de loyauteitsplicht van een bestuurder – Cass. 25 juni 2020

· Olivier Vanden Berghe & Charlotte Dillemans

In een cassatiearrest van 25 juni 2020 (nr. C.18.0144.N) boog het Hof van Cassatie zich over de vraag of er op een bestuurder van een vennootschap een post-contractueel concurrentieverbod rust op grond van een loyauteitsplicht die volgt uit de verplichting het mandaat van bestuurder te goeder trouw uit te voeren. Aan de grondslag van het arrest ligt een geschil tussen een vennootschap en haar gewezen bestuurders. Weldra meteen na de beëindiging van hun mandaat benaderden de gewezen bestuurders de klanten van de vennootschap met de bedoeling om met deze klanten een klantenrelatie aan te gaan. Het Hof van beroep te Antwerpen stelde dat het concurrentieverbod in principe eindigt wanneer de bestuurdersovereenkomst beëindigd wordt, maar dat er ook na de beëindiging van deze overeenkomst een zekere nawerking van de goede trouw is, zodat in die periode de loyauteitsplicht met inbegrip van het concurrentieverbod behouden blijft. Het Hof van beroep stelde de periode van nawerking van het concurrentieverbod vast op twaalf maanden na het einde van de overeenkomst en verantwoordde dit “verbod van beperkte omvang” door te verwijzen naar de nauwe betrokkenheid van de gewezen bestuurders bij het bestuur van de vennootschap, een kleine vennootschap met intuitu personae karakter. ...

Lire l’article

Droit commercial général

Concessie van alleenverkoop kan in onderling akkoord worden beëindigd - Cass. 21 september 2020

· Olivier Vanden Berghe

In een arrest van 21 september 2020 (C.19.0510.N) bevestigt het Hof van Cassatie dat de dwingende bepalingen van de Wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop (nu Boek X, Titel III WER) niet verhinderen dat de partijen dergelijke overeenkomst in onderlinge overeenstemming beëindigen. ...

Lire l’article

Droit commercial général

Wet tot invoering van "collaboratieve onderhandelingen" niet ongrondwettig - Grondwettelijk Hof 24 september 2020

· Olivier Vanden Berghe

Door de zgn. Waterzooiwet van 18 juni 2018 werd in het Gerechtelijk Wetboek (art. 1738 e.v.) de "collaboratieve onderhandelingen" ingevoerd, een vrijwillige en vertrouwelijke procedure van geschillenoplossing door onderhandeling, waarbij “collaboratieve advocaten” van de partijen optreden in het kader van een exclusief en beperkt mandaat met het oog op een minnelijke regeling. Het verschil tussen de bemiddeling en de collaboratieve onderhandelingsprocedure bestaat erin dat bemiddeling door een derde wordt geleid, de bemiddelaar, terwijl bij collaboratieve onderhandelingen in beginsel geen derde aanwezig is. Het zijn in dat geval de collaboratieve advocaten van de conflicterende partijen die de onderhandelingen voeren. Optreden als "collaboratief advocaat" vereist een specifieke erkenning. Na het einde van de collaboratieve onderhandeling (met of zonder akkoord) mogen collaboratieve advocaten  niet meer tussenkomen in het geschil. Dit verbod geldt daarenboven voor iedere advocaat die van hun advocatenkantoor deel uitmaakt.

Tegen deze regeling werden een aantal beroepen tot vernietiging ingesteld, die verworpen werden door het Grondwettelijk Hof in een arrest van 24 september 2020 (116/2020).

De verzoekers hekelden dat de bijstand in collaboratieve onderhandelingen werd voorbehouden aan advocaten ...

Lire l’article

Insolvabilité

Cass. 4 september 2020, nr. C.20.0011.N/4

· Inge Vandeplas

Tijdens de faillissementsprocedure mag de curator beslissen om een overeenkomst al dan niet verder uit te voeren (art. 46 Faill. W., thans, art. XX.139 WER). ...

Lire l’article

Droit commercial général

La perte d'une chance et la preuve de la probabilité - Cass. 10 septembre 2020

· Olivier Vanden Berghe

La perte d'une chance est un  dommage indemnisable si elle est certaine, c'est à dire si, à cause de la faute reprochée (qu'elle soit contractuelle ou extra-contractuelle), il y a la perte d'un avantage probable. Lorsqu'un avocat est tenu responsable de la perte d'une chance pour avoir omis d'introduire une action, le juge doit examiner quelle était la probabilité de succès de l'action si elle avait été introduite. En l'occurrence, un avocat qui avait omis d'introduire une action en responsabilité sur base des articles 1382 et 1383 du Code civil contre l'Etat belge, avait été condamné par la cour d'appel de Liège à indemniser son client de la perte de la chance de prospérer dans l’action souhaitée. Dans un arrêt du 10 septembre 2020 (C.19.0357.F) la Cour de cassation a cassé cette décision, qui n'identifiait aucune faute de l’État belge qui aurait pu être probablement établie si l'action avait été introduite, et qui n'établissait dès lors pas la probabilité de l'avantage perdu. ...

Lire l’article

Droit commercial général

L'étendue des dommages et intérêts en cas de résolution d'une convention - Cass. 10 septembre 2020

· Olivier Vanden Berghe

Dans un arrêt du 10 septembre 2020 la Cour de cassation a rappelé qu'en cas de résolution d'une convention, celui qui en obtient le bénéfice a droit à des dommages et intérêts destinés à le replacer dans la même situation que si le contrat avait été exécuté, et ce en application de l’article 1149 du Code civil, selon lequel les dommages et intérêts dus au créancier sont de la perte qu’il a faite et du gain dont il a été privé. Le fait qu'en règle la résolution d'un contrat opère ex tunc ne signifie donc pas que la victime du manquement devrait se contenter de dommages et intérêts visant à le replacer dans la même situation que si les parties n’avaient pas conclu le contrat. Les éventuelles restitutions ne font pas obstacle à une indemnisation intégrale des conséquences du manquement en application des articles 1149 et 1150 du Code civil. La Cour de cassation confirme l'arrêt de la cour d'appel de Bruxelles qui, après résolution d'un contrat de vente d'actions aux torts de l'acheteur, avait accordé comme dommages et intérêts  aux vendeurs la différence entre le prix convenu dans le contrat résolu et le prix auquel ils ont finalement vendu ces actions à un tiers, prix réduit presque de moitié en raison de la crise financière qui avait sévi entre-temps. ...

Lire l’article

Droit international privé

Entrée en vigueur de la Convention de Singapour sur la médiation

· Guillaume Croisant

Adoptée en décembre 2018 et ouverte à la signature le 7 août 2019, la Convention des Nations Unies sur les accords de règlement internationaux issus de la médiation, communément dénommée « Convention de Singapour sur la médiation », est entrée en vigueur le 12 septembre 2020 après que le Qatar ait déposé ses instruments de ratification le 12 mars 2020. ...

Lire l’article