Article

Actualiteit : Hof van Cassatie, 24/11/2016, C.15.0409.F, R.D.C.-T.B.H., 2017/3, p. 326

Hof van Cassatie 24 november 2016

Zaak: C.15.0409.F
BANK- EN KREDIETWEZEN
Bankverrichtingen - Algemeen - Investeringskrediet


BANQUE ET CRÉDIT
Opérations bancaires - Généralités - Crédit d'investissement


Dit arrest van het Hof van Cassatie betreft het materiële toepassingsgebied van artikel 1907bis van het Burgerlijk Wetboek. Krachtens deze bepaling kan, in geval van gehele of gedeeltelijke terugbetaling van een lening op interest, in geen geval van de schuldenaar, buiten het terugbetaalde kapitaal en de vervallen interest, een vergoeding voor wederbelegging worden gevorderd groter dan 6 maanden interest, berekend over de terugbetaalde som en naar de in de overeenkomst bepaalde rentevoet.

Met dit arrest lijkt het Hof van Cassatie te hebben aangegeven, enerzijds, dat investeringskredieten te beschouwen zijn als een lening op interest en, anderzijds, dat artikel 1907bis van het Burgerlijk Wetboek ook toepassing vindt indien niet conventioneel werd voorzien in de voortijdige beëindiging van een investeringskrediet mits betaling van een vergoeding voor wederbelegging.

De kredietbegunstigde opende bij de bank een investeringskrediet. Hoewel de algemene voorwaarden de vrijwillige vervroegde terugbetaling verboden, bracht de kredietbegunstigde op 13 juli 2010 haar wil tot uiting de kredietovereenkomst te willen beëindigen. De bank antwoordde dat ze de vervroegde terugbetaling, niettegenstaande het contractuele verbod, zou aanvaarden mits betaling van een vergoeding voor wederbelegging.

In het bestreden arrest van 24 april 2015 had het Hof van Beroep te Brussel geoordeeld dat de bank, gelet op haar contractuele mogelijkheid om het investeringskrediet te laten doorlopen voor de contractueel overeengekomen termijn, het recht had om de betaling van een actuarieel geraamde vergoeding voor wederbelegging te eisen die haar vergoedt zowel voor haar afstand van recht als voor het, door haar geschatte, geleden verlies. Volgens het Hof van Beroep betrof de door de bank geëiste vergoeding geen vergoeding voor wederbelegging sensu stricto - hiervan is volgens het hof van beroep enkel sprake wanneer de partijen contractueel in een opzegrecht van de ontlener hebben voorzien - maar van een vergoeding voor “funding loss”. Het Hof van Cassatie ging echter niet mee in deze redenering.

In het arrest benadrukt het Hof van Cassatie immers dat de beperking waarin artikel 1907bis BW voorziet, toepassing vindt op iedere vergoeding die de ontlener eist in geval van gehele of gedeeltelijke terugbetaling van een lening op interest. Bijgevolg oordeelde het Hof dat het bestreden arrest de voormelde wettelijke bepaling schendt door, op grond van de overweging dat geen enkele gehele of gedeeltelijke terugbetaling was toegelaten, te beslissen dat de geëiste vergoeding niet onderworpen moet worden aan de beperking waarin artikel 1907bis BW voorziet.