Article

[Strekt de niet-tegenstelbaarheid volgend op de pauliaanse vordering (art. XX.114 WER) zich uit tot het zakelijk zekerheidsrecht dat een derde heeft verworven volgend op de frauduleuze handeling van de gefailleerde ?] Noot onder Cassatie, 07/02/2019, C.18.0304.F, R.D.C.-T.B.H., 2019/4, p. 556-557

FAILLITE
Faillite - Insolvabilité frauduleuse - Action paulienne
Le jugement attaqué, qui, sans constater la mauvaise foi de la demanderesse, considère que « le rétablissement du statu quo ante implique [que] le patrimoine [du failli et de son épouse] soit pour le curateur (créancier paulien) replacé dans la position qui était la sienne avant que l'acte frauduleux ne lui soit déclaré inopposable” et que “cela implique que l'hypothèque consentie en conséquence d'un acte frauduleux est inopposable au créancier paulien et que [les] inscriptions hypothécaires, commandements [et] saisies sont inopposables à la masse faillie, au curateur”, ne justifie pas légalement sa décision de déclarer non fondée la tierce opposition de la demanderesse aux ordonnances précitées.
FAILLISSEMENT
Faillissement - Bedrieglijk onvermogen - Pauliaanse vordering
De rechter verantwoordt zijn beslissing niet naar recht wanneer deze, zonder vaststelling van de kwade trouw van eiseres, oordeelt dat het herstel van het vermogen van de gefailleerde naar de status quo ante veronderstelt dat de curator (schuldeiser van de pauliaanse vordering) wordt geplaatst in de positie die hij had voordat de frauduleuze handeling niet tegenstelbaar werd verklaard en dat dit herstel impliceert dat de hypotheek als gevolg van deze frauduleuze handeling niet tegenstelbaar is aan de schuldeisers van de pauliaanse schuldvordering en dat de hypothecaire inschrijving en beslagen niet tegenstelbaar zijn aan de faillissementsboedel en de curator.

1.Het Hof van Cassatie moet in dit arrest beoordelen of de niet-tegenstelbaarheid volgend op de pauliaanse vordering (art. XX.114 WER) [1] zich uitstrekt tot het zakelijk zekerheidsrecht, in dit geval een hypotheek, dat een derde heeft verworven volgend op de frauduleuze handeling van de gefailleerde.

In dit arrest betrof de betwiste handeling een overdracht van een onroerend goed van de gefailleerde en zijn echtgenote aan hun dochter. Deze overdracht ging gepaard met een verplichting tot aanzuivering van het passief van de gefailleerde. Deze aanzuivering van het passief werd gefinancierd door een hypothecair krediet bij Record Crédits. Na de opening van de faillissementsprocedure werd een pauliaanse vordering ingesteld tegen de overdracht van het onroerend goed. Het hof van beroep te Luik oordeelde dat deze handeling was gesteld met de intentie tot benadeling van de schuldeisers en met de medewerking van de begunstigde. Bijgevolg werd de handeling niet-tegenstelbaar verklaard ten aanzien van de betrokken schuldeiser en de faillissementsboedel vertegenwoordigd door de curator. Vervolgens vestigde de curator zelf een wettelijke hypotheek op het onroerend goed en stelde de rechter-commissaris een notaris aan om de openbare verkoop van het onroerend goed te organiseren.

Vervolgens stelde Record Crédits derdenverzet in tegen de openbare verkoop van het onroerend goed in opdracht van de rechter-commissaris aangesteld in het faillissement. Dit derdenverzet werd afgewezen door de rechtbank van koophandel (thans ondernemingsrechtbank) te Luik in een vonnis van 13 september 2017. De rechtbank beschouwde het derdenverzet als ongegrond, omdat de niet-tegenstelbaarheid inzake de overdracht betekent dat de curator terug in de positie wordt geplaatst waarin hij zich bevond voor de frauduleuze handeling had plaatsvonden. Bijgevolg oordeelde de rechtbank dat de hypotheek volgend uit de frauduleuze handeling eveneens niet-tegenstelbaar was en het derdenverzet tegen deze niet-tegenstelbaarheid ongegrond. Record Bank tekent cassatieberoep aan tegen dit vonnis.

2.Het Hof van Cassatie heeft reeds in 2001 beslist over de impact van de pauliaanse vordering op de zakelijke (zekerheids)rechten van een derde. In dit arrest stelde het Hof uitdrukkelijk dat “artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek aan de schuldeiser een persoonlijke vordering tegenover zijn schuldenaar verleent met een relatieve werking tussen de schuldeiser en de schuldenaar; dat het bestaan van een dergelijke vordering er niet aan in de weg staat dat de schuldeisers met een zakelijk recht op een bestanddeel van het vermogen van de schuldenaar, zoals de hypothecaire schuldeiser, hun onderpand desondanks kunnen uitwinnen” [2]. Het ijkpunt bij de uitwerking van de pauliaanse vordering ten aanzien van zakelijke rechten verkregen door derden op een onroerend goed is het moment waarop de pauliaanse vordering wordt gekantmeld [3]. In principe zullen handelingen gesteld voor de kantmelding vermoed worden te goeder trouw te zijn. Echter, indien blijkt dat de derde niet te goeder trouw was, dan zal een afwezigheid van kantmelding zijn handeling niet beschermen tegen een pauliaanse vordering [4].

In casu oordeelt het Hof van Cassatie met betrekking tot deze feiten dat de beslissing waarbij het derdenverzet tegen de niet-tegenstelbaarheid van een hypotheekvestiging en hypothecaire inschrijving volgend uit een frauduleuze handeling niet naar recht wordt verantwoord, indien bij deze beoordeling niet de kwade trouw van de hypothecaire schuldeiser in beschouwing wordt genomen. Immers de vestiging en inschrijving van de hypotheek kunnen maar niet-tegenstelbaar worden verklaard, indien voor de derde met het zakelijk zekerheidsrecht eveneens kan worden aangetoond dat hij te kwader trouw was en wist of minstens op de hoogte moest zijn van de abnormaliteit van de handeling [5]. Aangezien de beoordeling van de kwade trouw ontbrak bij de beoordeling van het derdenverzet van de hypothecaire schuldeiser, verantwoordt de rechtbank van koophandel haar beslissing niet naar recht en wordt het vonnis verbroken.

Inge Van de Plas

Deelredactie insolventierecht

[1] De faillissementspauliana staat de curator toe om alle handelingen of betalingen aan te vechten die de nadien gefailleerde schuldenaar heeft verricht met “bedrieglijke” benadeling van de schuldeisers, ongeacht op welke datum zij hebben plaatsgevonden (art. XX.114 WER). Zie ook G. Lindemans, Actio pauliana: remedie met toekomst voor schuldeisers van rechtspersonen, onuitg. doctoraatsthesis, Rechten KULeuven, 2018, p. 530.
[2] Cass. 25 oktober 2001, Arr.Cass. 2001, 1771. Zie ook C. Van Heuverswyn, “Pauliana beslag op onroerend goed en pauliaanse vordering” (noot onder Gent 19 december 1995), T.Not. 1996, 227.
[3] C. Cauffman, “Pauliaanse vordering” in E. Dirix en A. Van Oevelen (eds.), Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, losbl.
[4] C. Cauffman, “Pauliaanse vordering” in E. Dirix en A. Van Oevelen (eds.), Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, losbl.; F. Top, “De pauliaanse vordering kan in beginsel geen afbreuk doen aan de rechten van derden te goeder trouw verkregen op het door die vordering geviseerde onroerend goed”, T.Not. 2006, (175) 186.
[5] P. Wéry, “L'action paulienne: sa nature juridique et ses rapports avec la réparation en nature en matière extracontractuelle”, RCJB 2015, (66) 72; G. Lindemans, “Verdachte periode” in H. Braeckmans, F. De Tandt, E. Dirix, E. Van Camp en T. Lysens, Faillissement en reorganisatie, Mechelen, Kluwer, losbl., 50; H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, vol. VII, Brussel, Bruylant, 1962, 982.