|
INSOLVENTIE
Vennootschapsgroep
Bij de toepassing van het insolventierecht moet elke vennootschap binnen een groep als een aparte entiteit behandeld worden.
Een onderscheid moet gemaakt worden tussen procedurele coördinatie enerzijds en substantiële consolidatie anderzijds.
De homologatie van elk reorganisatieplan moet afzonderlijk beoordeeld worden.
|
INSOLVABILITÉ
Groupe de sociétés
Aux fins de l'application du droit de l'insolvabilité, chaque société d'un groupe doit être traitée comme une entité distincte.
Il convient de faire une distinction entre la coordination procédurale d'une part, et la consolidation substantielle d'autre part.
L'homologation de chaque plan de réorganisation doit être évaluée individuellement.
|
1.In de praktijk komt het niet zelden voor dat verschillende groepsvennootschappen gelijktijdig het voorwerp van “een” procedure van gerechtelijke reorganisatie uitmaken. Het hierboven gepubliceerde arrest biedt de gelegenheid om enkele principes inzake de vennootschapsgroep en het insolventierecht in herinnering te brengen [2].
2.In eerste aanleg werd het reorganisatieplan van een (groeps)vennootschap met de door de wetgever vereiste dubbele meerderheid goedgekeurd door de schuldeisers (art. XX.78, tweede lid WER). De daaropvolgende homologatie werd echter geweigerd. Volgens de rechter in eerste aanleg schond het reorganisatieplan de openbare orde (zie art. XX.79, tweede lid WER). De centrale overweging van de eerste rechter luidde als volgt:
“Aangezien de schuldenaar in casu een gezamenlijk reorganisatieplan voorstelt voor de groep [F] dient het reorganisatieplan te worden beoordeeld a.d.h.v. deze dubbele maatstaf (schuldeiser van de groepsvennootschap en schuldeiser van de groep) voor elke vennootschap van de groep, en impliceert de weigering tot homologatie voor één schuldenaar tevens de onuitvoerbaarheid van het plan voor de overige schuldenaren van de groep. Het gaat immers niet op een reorganisatieplan te homologeren voor één verbonden vennootschap, als het herstelplan uitsluitend op een geconsolideerde basis is uitgewerkt, en de schuldeisers van de overige groepsvennootschappen daartoe niet gebonden zijn.”
3.Om de weigering van de homologatie, wegens strijdigheid met de openbare orde, nader te verantwoorden haalde de eerste rechter twee specifieke argumenten aan (andere argumenten waren minder relevant). Het eerste argument had betrekking op de verschillende behandeling van schuldeisers. Het tweede argument had betrekking op een in het vooruitzicht gestelde fusie van de betrokken groepsvennootschappen. De argumenten van de eerste rechter worden hierna weergegeven:
- “In de mate een schuldeiser van de ene vennootschap de consolidatie van het reorganisatieplan voor de volledige groep moet ondergaan, kan evenwel niet worden ingezien op welke objectieve, proportionele en functionele gronden de gewone schuldeiser/leverancier van de ene vennootschap 80% schuldreductie moet ondergaan, en de gewone schuldeiser/leverancier van de overige groepsvennootschappen slechts 75%.”;
- “Het reorganisatieplan een fusie vooropstelt tussen (…) waarbij de intragroepsschulden verdwijnen. Hierdoor geven deze vennootschappen te kennen dat zij onderling geen schuldeiser/schuldenaar meer zullen zijn. Met de fusie verliezen de betrokken dochtervennootschappen hun aparte juridische entiteit. De vooropgestelde fusie maakt de toestemming van deze verbonden vennootschappen met een 'schuldreductie' zinloos. De schuldreductie van het plan heeft geen weerslag op de rechten van de verbonden vennootschappen als het de bedoeling is de verbonden vennootschappen te fuseren. Aldus is het niet correct om deze verbonden ondernemingen te laten meestemmen.”
4.Het hof van beroep hervormt het vonnis is eerste aanleg. En passant brengt het hof van beroep enkele principes in herinnering.
5.Bij de toepassing van het insolventierecht moet elke groepsvennootschap als een aparte entiteit behandeld worden. De vennootschapsgroep is geen onderneming in de zin van artikel I.1, 1° WER. Meer specifiek kan de onderneming niet beschouwd worden als een “organisatie zonder rechtspersoonlijkheid” [3]. Mocht dit wel het geval zijn, dan zou het insolventierecht haaks komen te staan op de uitgangspunten van het vennootschapsrecht, namelijk rechtspersoonlijkheid en beperkte aansprakelijkheid. Immers, indien een vennootschapsgroep beschouwd zou worden als een onderneming vindt er ipso facto een substantiële consolidatie van activa en passiva plaats [4]. Het insolventierecht zou, zonder redelijke verantwoording, wegnemen wat het vennootschapsrecht eerder gegeven heeft.
6.Het behoud van de zelfstandigheid van de groepsvennootschappen hoeft echter niet te leiden tot een geïsoleerde benadering van de insolventie daarvan. De wetgever heeft dit goed ingezien en heeft in artikel XX.13 WER twee instrumenten voor procedurele coördinatie voorzien, namelijk de mogelijkheid tot territoriale concentratie en de aanstelling van een gemeenschappelijke insolventiefunctionaris. Deze instrumenten van procedurele coördinatie leiden geenszins tot substantiële consolidatie. De groepsvennootschappen blijven afzonderlijk van elkaar bestaan, met eigen activa en passiva. Het principe één schuldenaar - één vermogen - één insolventieprocedure blijft overeind. Bovenop deze instrumenten is het mogelijk voor de schuldenaar (beter: de schuldenaren) om in het kader van een gerechtelijke reorganisatie een reorganisatie op groepsniveau in het vooruitzicht te stellen (vaak is een globale reorganisatie ook de enige zinvolle reorganisatie). Hierbij geldt dan wel de regel dat de doelstellingen op groepsniveau duidelijk juridisch vertaald moeten worden op het niveau van de afzonderlijke groepsvennootschappen. Het reorganisatieplan van de onderscheiden groepsvennootschappen kan kaderen in en opgesteld zijn in functie van een meer globale reorganisatie (beschrijvend gedeelte). Het bepalend gedeelte van het reorganisatieplan kan echter enkel betrekking op de activa en passiva van de afzonderlijke groepsvennootschappen, zonder spill-over-effecten.
7.Uit het voorgaande volgt dat de homologatie van het reorganisatieplan per groepsvennootschap beoordeeld moet worden. De (niet-)homologatie van één reorganisatieplan heeft geen gevolgen voor de (niet-)homologatie van een ander reorganisatieplan. Ofschoon reorganisatieplannen economisch met elkaar verbonden kunnen zijn, staan zij juridisch los van elkaar. Dit is een loutere vertaling van de economische en juridische veelheid van de vennootschapsgroep naar het insolventierecht.
8.Het lot van de schuldeisers moet dan ook per schuldenaar en per reorganisatieplan beoordeeld worden. Of er sprake is van toegelaten differentiatie dan wel verboden discriminatie tussen schuldeisers wordt beoordeeld op het niveau van de groepsvennootschap, niet op het niveau van de vennootschapsgroep. Aldus kan een schuldeiser geen argument puren om de homologatie van het reorganisatieplan te voorkomen uit de behandeling van een andere (zelfs vergelijkbare) schuldeiser in het reorganisatieplan van een andere vennootschap.
9.Een gevolg van het feit dat naar Belgisch recht de vennootschapsgroep geen subject van insolventierecht is, is dat groepsvennootschappen zoals andere schuldeisers kunnen stemmen in het reorganisatieplan van andere groepsvennootschappen (in hun hoedanigheid van schuldeiser natuurlijk) [5]. Hier kunnen zeker vragen bij gesteld worden, maar de lege lata kan hier geen twijfel over bestaan. Zolang groepsvennootschappen afzonderlijk juridisch bestaan (in casu tot zolang er niet daadwerkelijk sprake is van een “geconsumeerde” fusie) kan niet gesteld worden dat een voorgenomen fusie maakt dat groepsvennootschappen hun hoedanigheid van schuldeiser die geraakt wordt door het reorganisatieplan verliezen.
10.Een hervorming van het vonnis in eerste aanleg drong zich dus terecht op. Het principe één schuldenaar - één vermogen - één insolventieprocedure werd terecht bevestigd.
| [1] | Advocaat, vrijwillig wetenschappelijk medewerker UA. |
| [2] | Zie eerder, A. Van Hoe, “De vennootschapsgroep (en) (in) het insolventierecht” (noot onder Kh. Antwerpen 26 oktober 2012), TBH 2013, 812-822. |
| [3] | D. De Marez en C. Stragier, Boek XX. Een commentaar bij het nieuwe insolventierecht, Brugge, die Keure, 2018, p. 52, nr. 93: “Een en ander ligt ook in de lijn met de vaststelling dat het Belgisch vennootschapsrecht als dusdanig geen groepsrecht kent en uitgaat van een zogeheten atomistische benadering van de vennootschapsgroep, hetgeen betekent dat elke groepsvennootschap als een afzonderlijke entiteit wordt behandeld.” |
| [4] | Zie anders, C. Alter en Z. Pletinckx, Insolvabilité des entreprises. Dépistage, mesures préventives et procédures de réorganisation judiciaire in RPDB, Brussel, Larcier, 2019, p. 38, nr. 15: “Nous sommes également d'avis qu'un groupe de sociétés peut, en tant que groupe, être qualifiée d'entreprise au sens de l'article I.1,1°, du Code de droit économique.” |
| [5] | A. Van Hoe, “Over verbonden schuldeisers en de gerechtelijke reorganisatie”, TRV 2013, 800-804. |

