Pest en recht
Over het contractenrecht, de voedselmarkt en de ziekenzorg tijdens een epidemie
INHOUD
1. De Zwarte Dood, een oorlog en verraste juristen
2. Juridische traktaten over de pestepidemie en haar gevolgen
3. De privilegia pestis en het contractenrecht 3.1. Versoepelingen van het contractenrecht voor lopende contractuele verhoudingen
3.2. De netelige kwestie van het huurrecht
3.3. Contracten gesloten tijdens een pestepidemie
4. De continuïteit van de landbouw en de voedselvoorziening 4.1. Hongersnood en ongewenste bedelarij
4.2. De landbouwer, een beschermenswaardig beroep
4.4. De openbare voedselbedeling
5. De ziekenzorg en haar financiering 5.1. De organisatie van de ziekenzorg bij een pestepidemie
5.2. De vergoeding van de zorgverleners
| 1. | De Zwarte Dood, een oorlog en verraste juristen | ![]() |
Sinds begin 2020 worden we allen geconfronteerd met een pandemie. De burgerlijke overheden zien zich genoodzaakt om zeer strenge maatregelen te nemen om de verdere verspreiding van het coronavirus te vertragen, maar zetten zich tegelijk in om de meest noodzakelijke diensten in de samenleving te laten functioneren. Voor onze Europese generatiegenoten is dit (en blijft dit hopelijk ook) een unicum. Toch is het niet de eerste keer dat onze regio's te maken krijgen met zulke grootschalige uitbraken. Denk maar aan de Spaanse griep in de nadagen van de Eerste Wereldoorlog of aan de geregelde uitbraken van de pest tussen de XIVde en de XVIde eeuw. De huidige bijdrage staat stil bij hoe middeleeuwse en vroegmoderne juristen reageerden op pestepidemieën.
De Zwarte Dood, de “haastige ziekte”, de koningin aller ziekten (regina omnium aegritudinum), de builenpest: het zijn maar enkele van de namen voor de hoogbesmettelijke en erg dodelijke ziekte die het Europese continent rond het midden van de XIVde eeuw bereikte. Zieken overleden vaak binnen de kortste keren. [2] Ook de Nederlanden werden niet gespaard. [3] Wanhopig gingen de middeleeuwers op zoek naar verklaringen. Het zondige gedrag stond daarbij met stip op één. Volgens velen had de mensheid de epidemie als een straf van God over zich uitgeroepen. De theologen spoorden aan tot vasten, gebed, boetedoening en bekering. [4] Ook de medici zochten naar verklaringen voor de epidemische uitbraken en wezen - zonder de theologische redenen af te wijzen - ook nog op het hoogst besmettelijke karakter bij intermenselijk contact, zelfs na het overlijden, op de onzuivere watertoevoer in vele steden en op de verspreiding via verontreinigde lucht. [5]
Een epidemie leidde uiteraard ook, net als vandaag, tot vele juridische vragen. De middeleeuwse en vroegmoderne juristen waren op de hoogte van de basislijnen van de theologische en medische traktaten. [6] Naar goede gewoonte gingen zij voor antwoorden op de juridische problemen echter in de eerste plaats te rade bij de corpora iuris, die aan de basis lagen van de rechtenstudie aan de toenmalige universiteiten. Het ging dan enerzijds om het Corpus iuris civilis van de Oost-Romeinse keizer Justinianus en anderzijds om de basisteksten uit de kerkrechtelijke traditie. Beide corpora bevatten echter weinig specifieke bepalingen rond epidemieën, ook al had Justinianus zelf in 541-543 in Constantinopel nog met een pestepidemie te kampen gehad. [7] Bij de beoordeling van pestgerelateerde gevallen werd dan ook vaak een beroep gedaan op analogieredeneringen, gebaseerd op de fragmenten over toeval (casus fortuitus), noodtoestand (necessitas) of oorlog. In bepaalde werken over juridische argumentatiemethoden (topica) is er zelfs uitdrukkelijk sprake van een “redenering van oorlog naar de pest” (argumentum a bello ad pestem). [8] Bepalingen die golden in geval van oorlog, werden dus toegepast op de pest als een “oorlog tussen God en de mensen”. [9]
De antwoorden van geleerde juristen op de hen gestelde vragen werden vaak weergegeven in raadgevingen. Vele adviezen werden later opgenomen en verspreid in zogenaamde consilia-verzamelingen, een erg invloedrijk literatuurtype in het middeleeuwse geleerde recht (ius commune). In die consultaties pasten juristen het aan de universiteiten gedoceerde recht toe op de concrete rechtspraktijk. De gepubliceerde consilia-literatuur gold als een gezaghebbende bron voor latere adviezen, waarnaar gretig verwezen werd, soms nog tot vele eeuwen nadien. [10] Ze voedde eveneens de academische commentaarliteratuur. Verspreid over de laatmiddeleeuwse commentaren kwamen inderdaad ook verwijzingen naar de omgang met pestepidemieën voor, zij het op een erg disparate manier, verspreid over de vele titels van de corpora iuris. [11]
| 2. | Juridische traktaten over de pestepidemie en haar gevolgen | ![]() |
Toen in de jaren 1520 de pestepidemieën opnieuw uitbraken in het Heilig Roomse Rijk, in Zwitserland, in de Nederlanden, op Sicilië, maar ook in Frankrijk, schreven enkele juristen onafhankelijk van elkaar afzonderlijke traktaten over de omgang met zulke epidemieën. De eerste die op die idee kwam, was Gianfrancesco Sannazzari della Ripa (1480-ca. 1535), actief als professor aan de rechtenfaculteit van Avignon. Della Ripa was een humanist, gediplomeerd in de beide rechten, maar dankt zijn bekendheid toch voornamelijk aan zijn boeken over de pest, voor het eerst gepubliceerd te Avignon in 1522. [12] Ongeveer gelijktijdig aan della Ripa kwam Girolamo Previdelli, lector en later professor in de rechten te Bologna, op dezelfde idee. Zijn Tractatus legalis de peste verscheen voor het eerst in 1524 te Bologna bij de drukker Giovanni Battista Faelli, en opnieuw in 1528. [13] In 1584 werd dat werk van Previdelli ook opgenomen in een Venetiaanse verzameling juridische traktaten. [14] Toch genoot vooral della Ripa's traktaat - dat ook veel systematischer is opgebouwd - een ruime verspreiding, met diverse herdrukken in Lyon, Venetië, Turijn en Leipzig. [15] In de Leipzigse editie van 1598 voorzag Joannes Neldelius (Jan Neidel), een rechtenprofessor aan de universiteit van Leipzig die afkomstig was uit Glogau in Silezië, della Ripa's traktaat van een eigen, vrij uitgebreide samenvatting. [16]
Della Ripa's en Previdelli's traktaten hadden een ruimer doelpubliek dan enkel de juristen. Eigenlijk wilden ze ten aanzien van alle maatschappelijke actoren het belang onderstrepen van juristen voor het bestuur, nu de stem van die geleerde juristen hier en daar op de achtergrond dreigde te belanden. [17] De traktaten van della Ripa en Previdelli zijn vrij uniek in hun genre. Uit onze streken zijn geen dergelijke werken bekend. Wel werden deze traktaten, zeker dat van della Ripa, ook in de Nederlanden gelezen, zoals blijkt uit de verwijzingen in de Nederlandse consilia-verzamelingen, bijvoorbeeld bij de Leuvense rechtenprofessor Joannes Wamesius (1524-1590). [18]
Het juridische antwoord van della Ripa en Previdelli kan ruwweg worden opgedeeld in een drietal categorieën aan maatregelen. (i) Ten eerste waren er maatregelen om de pest te voorkomen of in te dijken. Het ging om allerhande initiatieven die een veilige watertoevoer wilden verzekeren, een propere stad nastreefden (o.m. door in te zetten op spoedige begrafenissen buiten de stadsmuren) en de voedselveiligheid trachtten te verbeteren. Inreisbeperkingen en andere vormen van toegangscontrole moesten vermijden dat de ziekte werd geïmporteerd. “Abjecte” personen (bv. zwervers, prostituees en ketters) werden uit de steden verbannen. (ii) Ten tweede onderzochten de juristen of en in welke mate er in pesttijden uitzonderingen op de gangbare regelgeving met betrekking tot het erfrecht en het procesrecht konden worden gemaakt. Hoewel juristen voor erfrechtelijke aangelegenheden ook tijdens een pestepidemie erg behoedzaam bleven en de bestaande vormvereisten zo veel mogelijk in stand wensten te houden om misbruiken te vermijden, aanvaardden ze wel dat van bepaalde procesrechtelijke vormvereisten of termijnen werd afgeweken. Zo werd er in het procesrecht soepeler omgesprongen met het precieze aantal vereiste getuigen. Ook werd het mogelijk om recht te spreken vanuit een venster (eerder dan in de rechtszaal zelf). In het contractenrecht speelden dergelijke versoepelingen van het strikte recht in pesttijden, de zogenaamde privilegia pestis, tevens een belangrijke rol. (iii) Ten derde wezen de juristen op het belang van het opvangen van de socio-economische problemen die met zo'n pestepidemie samenhingen. De continuïteit van de landbouw en de financiering van de armenzorg en de ziekenzorg stonden daarbij centraal.
In deze bijdrage worden uit deze lange lijst aan maatregelen drie aspecten uitgelicht, met name de privilegia pestis en het contractenrecht (3.), de maatregelen ter verzekering van de continuïteit van de landbouw en de voedselvoorziening (4.) en de organisatie en financiering van de ziekenzorg (5.). [19]
| 3. | De privilegia pestis en het contractenrecht | ![]() |
| 3.1. | Versoepelingen van het contractenrecht voor lopende contractuele verhoudingen | ![]() |
Wanneer een epidemie uitbreekt, is het vaak niet eenvoudig om bestaande contractuele verplichtingen naar behoren te vervullen. Heel wat vragen dienen zich aan. Geraakt een schuldenaar uit een door pest geteisterde stad - gezien de inreisbeperkingen - nog wel op de plaats waar er geleverd dient te worden? Kan een schuldenaar gedwongen worden om in een door de epidemie getroffen regio te leveren? Kan er tegemoet gekomen worden aan huurders van handels- of horecapanden die hun omzet sterk zien dalen? In sommige gevallen hadden de partijen de mogelijkheid van zo'n uitbraak van de pest al voorzien en een specifieke clausule opgenomen ingeval het risico (periculum pestis) zich zou verwerkelijken. [20] Vele contractanten waren echter niet zo vooruitziend geweest. De juristen moesten nagaan in hoeverre ook in dergelijke gevallen rekening kon worden gehouden met de uitzonderlijke omstandigheden.
Vanaf het einde van de XIVde eeuw kwamen verschillende invloedrijke juristen - zowel civielrechtelijke juristen als canonisten - op voor de inclusie van een impliciete clausula rebus sic stantibus (of een soortgelijke formulering) in alle overeenkomsten. De clausule werd ontwikkeld in het kader van een vraagstelling rond een revindicatie van een bruidsschat en op basis van een interpretatie van een fragment van Sint-Augustinus, maar werd door Baldus de Ubaldis (1327-1400) veralgemeend, minstens voor wat de beloften (promissiones) aanging. [21] In de loop van de XVIde eeuw werd het toepassingsgebied van deze bepaling zelfs uitgebreid naar alle overeenkomsten, soms zelfs naar alle rechtshandelingen. Het is pas vanaf de XVIIde eeuw - bij Hugo Grotius en de Rooms-Hollandse School - dat de ruime toepassing van de clausule rebus sic stantibus in het contractenrecht op weerstand botste. [22]
Het verwondert dus niet dat de XIVde- en XVIde-eeuwse juristen bij een onverwachte pestepidemie bereid waren tot heel wat afwijkingen van het strikte contractenrecht. Della Ripa bespreekt in zijn traktaat maar liefst drieëntwintig verschillende privilegia pestis in het contractenrecht (of voluit: privilegia contractuum causa pestis), al moet contractenrecht hier wel in de zeer ruime zin begrepen worden. [23] De mogelijkheid van een rector van een kerk om zijn parochie te verlaten en dus de zielzorg van zijn parochianen tijdelijk op te geven, wordt er zo ook besproken, net als de gelegenheid tot uitstel van de eenjarige termijn die een vazal werd toegekend om de investituur van een nieuwe leen te bekomen. Zelfs de geldigheid van een verkiezing van een prelaat of een keizerskroning op een andere plaats dan gewoonlijk, wordt gezien als een privilegium contractuum, net als de mogelijkheid om een doopsel in een privaat huis (en dus niet in de kerk) toe te dienen. Ook de vrijstelling van de samenwoningsplicht onder echtgenoten in geval dat één van de gehuwden aan de pest lijdt (en mits er voorzien wordt in voldoende medische zorg), komt er aan de orde. In wat volgt, ligt de focus op enkele privileges die we vandaag nog altijd tot het contractenrecht zouden rekenen.
Wanneer een pestepidemie heerst, zal een schuldenaar bij niet-tijdige nakoming minder snel tot moratoire interesten gehouden worden. Pestis excusat a mora, heet het in het Latijn. Tenzij een bepaalde verbintenis omwille van de pest (propter pestem) werd aangegaan, kon een schuldenaar niet verplicht worden te leveren in een door de ziekte geteisterde stad. Uiteraard kon hij evenmin aangezet worden om een vertegenwoordiger te sturen; die liep immers eveneens gevaar. Wel kon de schuldeiser de schuldenaar in dergelijk geval verplichten om elders te betalen, op voorwaarde dat hij de schuldenaar voor diens extra kosten vergoedde.
Op dezelfde manier was een schuldenaar die om een aan de pest gerelateerde reden een onder ede aangegane verbintenis niet naleefde in principe niet schuldig aan meineed. Dat was zelfs het geval indien de schuldenaar uitdrukkelijk gezworen had om ook bij een pestuitbraak te zullen blijven leveren. Een eed mag immers niet leiden tot schade voor lichaam of ziel. Met een kwinkslag voegde della Ripa er nog een analogie aan toe: Fransen die gezworen hadden ook in de warme augustusmaand in Rome te zullen betalen, waren niet tot naleving van zulke eed gehouden, omdat een dergelijk verblijf gezien de hete Romeinse zomerlucht voor hen schadelijk zou zijn. Let wel: als de mogelijkheid bestond om te betalen middels wisselbrieven of andere technieken die geen fysieke aanwezigheid vereisten, bleef de schuldenaar wel gehouden. [24]
Boetebedingen die verbonden waren aan de niet-nakoming van een bepaalde verplichting die omwille van de pest niet kon worden vervuld, waren evenmin afdwingbaar. Ook strafbepalingen in stedelijke wetgeving waren niet bindend in tijden van pest. Denk maar aan de verplichting van handelaren op doorreis om de nodige toelatingen en documenten te verkrijgen van de lokale overheden, of om transitbelastingen te betalen. In tijden van pest konden handelaren niet verplicht worden in de steden dergelijke documenten aan te vragen of belastingen te voldoen. Als de steden dergelijke administratie echter ergens buiten de stad op een veilige manier organiseerden, waren de handelaren wel gehouden. [25] Handelaren moesten ook actief onderzoeken waar de administratie precies gevestigd was. Hetzelfde gold bij belastingkantoren.
De pestepidemie had nog andere gevolgen voor de handel, vaak van zeer diverse aard. Zo werden ten tijde van een pestuitbraak lopende verjaringstermijnen geschorst als de rechterlijke instanties in de door pest geteisterde stad hun activiteiten onderbraken, of als de schuldeiser buiten de betrokken stad verbleef. Represaillemaatregelen - zoals de gevangenzetting van een Antwerpse burger omwille van een schuld van een andere Antwerpenaar - mochten niet getroffen worden jegens wie noodgedwongen vluchtte voor de pest. Of nog: bij een pestuitbraak was het bankiers toegestaan om hun boekhouding en contanten naar een andere regio te verhuizen. [26]
| 3.2. | De netelige kwestie van het huurrecht | ![]() |
Eén van de meest bediscussieerde problemen betrof het huurrecht. Quid met de huurtermijnen bij het uitbreken van een pestepidemie? Het Romeinse recht bevatte hiertoe een handig instrument: de “(gehele of gedeeltelijke) kwijtschelding van huurtermijn” (remissio mercedis) voor een conductor (een huurder, een pachter, maar ook een werkgever van handarbeiders). De interpretatie van die rechtsfiguur van de remissio mercedis speelde voor dit leerstuk een cruciale rol. [27]
In geval van een reële vrees voor de pest mocht een huurder de stad waarin zijn huurwoning zich bevond, verlaten. Hoewel er wat discussie was over de vraag of een huurder, eenmaal de pestepidemie weer was gaan liggen, verplicht kon worden zijn huurverbintenissen opnieuw na te komen, bestond er geen twijfel over dat de huurder zich minstens voor de periode van gewettigde afwezigheid op de remissio mercedis kon beroepen. De huurder die de stad wenste te ontvluchten, deed er wel goed aan de sleutels aan zijn verhuurder terug te geven. Anders zou de verhuurder nadien kunnen beweren dat hij schade geleden had, nu hij misschien een andere huurder had moeten teleurstellen.
Er waren echter ook moeilijkere kwesties, in het bijzonder bij verminderd (maar nog altijd reëel) huurgenot. Zo'n kwestie van verminderd huurgenot kwam aan bod in een consultatie van Walter de Beecka, een Leuvense rechtenprofessor uit de late XVde eeuw, in het voordeel van een pachter van “craengelt” van de stad Antwerpen. De consultatie werd door de Antwerpse notaris Adriaen van der Blict opgenomen in diens verzamelbundel aan (voornamelijk) Nederlandse consilia. [28] Door de tijdelijke sluiting van de Schelde kon die pachter veel minder kraangeld innen dan voorzien was. Nu hij daarenboven ook nog eens moest instaan voor de kosten van de paarden en de bedienden, bleef er haast niets meer over. De pachter hoopte zich daarom te kunnen beroepen op de remissio mercedis. Ofschoon er nog steeds in beperkte mate belasting geïnd werd, steunde de Beecka deze eis.
Naar middeleeuws ius commune kon op de instelling van de remissio mercedis een beroep gedaan worden in geval van onvruchtbaarheid (sterilitas) van het gehuurde goed. In zijn prima facie-redenering gaf de Beecka eerst, onder verwijzing naar Bartolus' commentaar bij D. 19.2.25.6, aan dat er sprake was van dergelijke onvruchtbaarheid indien de pachter - na aftrek van zijn kosten (waartoe de pachtsom zelf niet gerekend werd) - geen vruchten ontving. Volgens de Beecka was die opvatting echter te streng en moesten de pachtsommen pro rata van de onvruchtbaarheid kwijtgescholden worden. Bartolus zelf sprak zich overigens tegen, nu hij in zijn commentaar bij C. 4.65.8 een benadeling voor meer dan de helft van de gerechte prijs voldoende achtte voor een beroep op de remissio mercedis. Ook de canonist Nicolò de' Tedeschi (ook gekend als Abbas Panormitanus, 1386-1445) gaf aan dat kwijtschelding van (een gedeelte van) de pachtsom op haar plaats was als de pachter nauwelijks een derde van het gewoonlijke bedrag inde. Interessant is nog de Beecka's verwijzing naar Bartolus' commentaar bij D. 19.2.60. In dat fragment verhaalde Bartolus over een koopman die in Gubbio in vredestijd een groot huis huurde met de bedoeling er een gastenhuis in te richten. Toen er echter oorlog uitbrak waardoor de kooplui niet in de stad geraakten, woonde de pachter er alleen met zijn gezin. Volgens Bartolus kon de uitbater met reden een kwijtschelding van de huurgelden vorderen. Hoewel hij er met zijn gezin woonde en dus nog wel een zeker genot had van de zaak, was het verlies aan genot en opbrengsten zo groot dat kwijtschelding toegestaan moest worden. [29]
De Italiaanse rechtsgeleerden pasten gelijkaardige redeneringen ook toe op pestgerelateerde gevallen. Het onderscheidende criterium was volgens della Ripa (in navolging van Bartolus) of de huurder het gehuurde goed hoofdzakelijk ter wille van een herbergiersactiviteit huurde, dan wel of de ontvangst van gasten slechts een bijzaak was. [30] In geval van twijfel diende te worden gekeken naar de vroegere beroepsactiviteit van de huurder. Een opmerkelijke uitzondering dient wel te worden vermeld: indien de stad in het algemeen gespaard bleef van de pest, maar er zich toch één geval van pest in de betrokken herberg had voorgedaan (waardoor die herberg gesloten moest worden), zal er maar sprake zijn van gedeeltelijke kwijtschelding als de huurder geen openbare woekeraar was en aldaar evenmin een bordeel huisvestte. Wie woeker en prostitutie bevorderde, werd immers geacht zelf schuldig te zijn aan de pest als straf van God. Hetzelfde gold overigens voor wie de tiendenbelasting niet had betaald en zo Gods toorn over zich had afgeroepen. Ook wie het risico genomen had ondanks de geldende reisbeperkingen toch een vreemde stad te bezoeken, moest - als hij dan de ziekte de thuisstad weer binnenbracht - met de negatieve gevolgen van zijn daden leven.
Soms gingen overheden nog verder en vereisten zij zelfs niet dat huurders het verminderde huurgenot aantoonden. Zo besliste de Nederlander Adriaen Florisz. Boeyens in de zomer van 1522 als paus Adrianus VI dat alle Romeinse huurders voor de duur van de pestepidemie slechts de helft van de huurgelden moesten betalen. [31]
Naast de locatio-conductio van goederen kende het ius commune (in navolging van het Romeins recht) eveneens een categorie van huur-verhuur van diensten (locatio conductio operarum). Een epidemie kon ook de uitvoering van dergelijke contracten danig bemoeilijken. Della Ripa geeft het voorbeeld van professoren die omwille van de pestepidemie geen colleges kunnen geven en vraagt zich af of zij moeten worden doorbetaald. Meteen nadien wordt de vraag echter al genuanceerd en echt toegespitst op de situatie van professoren; vele rechtsgeleerden menen immers dat professoren geen verhuurders van diensten (locatores operarum) zijn waarvoor een salaris verschuldigd is. Professoren verdienen - net zoals advocaten en medici (waarover later meer) - erelonen (honoraria). Die erelonen zijn verschuldigd voor het intellectuele werk, ook al konden de colleges door de pestepidemie niet doorgaan. Let wel: als de opdrachtgever (de stad of de universiteit) voorstelde om op een andere (pestvrije) plaats te doceren, moest de professor daaraan gevolg geven. Ook een prof die na het uitbreken van de epidemie uit eigen beweging naar een andere universiteit getrokken was en daar colleges verzorgde, kon geen salaris noch ereloon meer eisen van zijn voormalige universiteit.
| 3.3. | Contracten gesloten tijdens een pestepidemie | ![]() |
Het spreekt voor zich dat de bovenstaande privilegia pestis niet konden worden ingeroepen voor contracten die pas na de uitbraak van de pestepidemie in de betrokken regio of stad gesloten waren. Voor hen was de pestuitbraak immers niet meer onvoorzienbaar, wel integendeel. Toch leidden dergelijke contracten ook tot eigen vraagstellingen, zeker in het kader van de geleide economie die de late middeleeuwen en de vroege nieuwe tijden kenmerkte. Bij de gereglementeerde beroepen vroeg men zich af of een “pesttoeslag” kon gevraagd worden, bovenop de normale “gerechte prijs”. In essentie was het antwoord daarop bevestigend. Volgens de vroegXVIIde-eeuwse Antwerpse canonist Franciscus Zypaeus (1580-1650) was het risico op besmetting met de pest (periculum infectionis pestis) bijvoorbeeld een geldige reden voor de houder van een pandjeshuis om hogere interesten te vorderen. [32]
Vormvereisten van bepaalde plechtige contracten werden versoepeld. Wanneer een stedelijk statuut bijvoorbeeld bepaalde dat daden van beschikking door een vrouw of een minderjarige pas geldig waren bij aanwezigheid van minstens twee notarissen, volstond tijdens een pestepidemie ook de tussenkomst van één notaris. [33] Wie bij een overdracht van onroerend goed omwille van een pestuitbraak niet ter plaatse durfde te gaan, mocht tezamen met de overdrager een heuvel in de buurt beklimmen om van daaruit door het zien van het goed het bezit ervan te verwerven (per aspectum possessionem apprehendere). Wie goederen uit een door de pest geteisterde stad exporteerde, was dan weer niet gehouden tot de betaling van exportbelastingen.
| 4. | De continuïteit van de landbouw en de voedselvoorziening | ![]() |
| 4.1. | Hongersnood en ongewenste bedelarij | ![]() |
Een pestepidemie leidde ook tot aanzienlijke sociaal-economische problemen. In normale tijden waren er in de middeleeuwen en vroegmoderne periode sowieso al vele bedelaars. In tijden van pest werd de situatie nog vele malen ernstiger. Een epidemie ging immers vaak gepaard met een hongersnood. Dat leidde tot schrijnende taferelen. Zo deden sommige armen zich blijkbaar onterecht aan de poorten van een hospitaal voor als pestlijders om aan eten te kunnen komen, zelfs al riskeerden ze zo door hun opname in een hospitaal zelf te worden besmet. De juristen toonden echter weinig genade voor deze wanhopige mensen: volgens Previdelli moesten zij worden gestraft als “vervalsers” (falsarii), want zij maakten misbruik van de collectieve solidariteit. [34] Ook bij della Ripa hoefden de gezonde bedelaars (validi mendicantes) niet op veel welwillendheid te rekenen. Hij waarschuwde bovendien dat gezonde bedelaars die zichzelf of hun kind verminkten, zwaar zouden gestraft worden. Ook medici die bedelaars tips gaven om zulke handicap te veinzen, riskeerden ernstige sancties. Previdelli en della Ripa stonden overigens niet alleen in deze overtuiging. Deze opinie werd ook gedeeld in de Nederlanden, bijvoorbeeld door de Brugse humanist Juan Luis Vives (1493-1540) in diens veelgeprezen werk over de armenzorg, De subventione pauperum. [35]
| 4.2. | De landbouwer, een beschermenswaardig beroep | ![]() |
Ondanks die strenge vermaningen hoeft het niet te verwonderen dat de zorg om de continuïteit van de voedselvoorziening ten tijde van pestepidemieën hoog op het prioriteitenlijstje stond. [36] Er kwamen dan ook zware sancties - zelfs kapitale straffen - tegen wie veldvruchten “betoverde”, omdat men vreesde dat die magie tot misoogsten zou leiden. Er werden echter ook nog vele andere maatregelen (met een meer wereldse inslag) getroffen. Hierna volgt een overzicht van de belangrijkste inspanningen.
Een eerste reeks initiatieven was erop gericht de landbouwers toe te laten zich volledig op de landbouw toe te leggen. [37] Processen waarbij landbouwers partij waren, moesten worden bespoedigd zodat zij zo snel mogelijk weer op hun akkers aan het werk konden gaan. Bovendien genoten landbouwers omwille van hun eenvoud (propter simplicitatem) vaak het voordeel van de twijfel bij de niet-naleving van bepaalde wettelijke vereisten. [38] Een landbouwer kon zich in principe niet aan “contempt of court” (vera contumacia) bezondigen, aangezien er mocht worden vermoed dat een landbouwer op zijn akkers moest blijven. Landbouwwerktuigen konden niet in beslag genomen en evenmin verpand worden, landbouwers waren zelfs bij insolventie vrijgesteld van de schuldgevangenis. Wie een landbouwer of diens dienaren of trekdieren voor een andere taak opvorderde (en zo dus onttrok aan de landbouw), riskeerde verbanning. Soldaten en rechters mochten niet zomaar bij landbouwers voedingsmiddelen opeisen, noch hen dwingen om hun paarden te voederen. Landbouwers waren verder ook vrijgesteld van militaire dienst. Als zij door de overheid verplicht werden om hun landbouwgoederen op een bepaalde dag naar de markt te brengen, maar niet onmiddellijk kopers vonden, mochten landbouwers hun goederen overlaten aan een door de overheid aangeduide inwoner van de stad die de verkoop dan verder waarnam, zodat zijzelf terug konden naar hun akkers.
Een tweede reeks initiatieven beoogde de financiële stabiliteit van landbouwbedrijven te verbeteren. Voor graanleningen (noodzakelijk voor de inzaaiingen) werd er een erg lage maximumrente bepaald. De juristen raadden verder renteloze graanleningen aan financieel getroffen boeren aan. Ze traden ook strenger op tegen graanschuldenaren: uitstel van betaling van graanschulden was onmogelijk. Evenmin mochten zij zich op schuldvergelijking met andere graanschulden beroepen. Erfpachters en pachters die landbouwgronden met gunstig gevolg bewerkt hadden en zo de waarde van hun landbouwgronden verhoogd hadden, mochten niet geconfronteerd worden met een hogere canon of huurtermijn.
Met een derde reeks maatregelen trachtte men ervoor te zorgen dat de landbouwgrond optimaal benut werd. Zo kon een grondeigenaar pachters en erfpachters uitzetten die akkers braak lieten liggen. Erfpachters van kerkelijke goederen die hun braakliggende gronden bewerkten en beplantten, werden beloond: hun recht van erfpacht kon worden geërfd door hun erfgenamen, ook al was dat naar strikt recht bij een erfpacht op kerkelijke goederen niet mogelijk. Het is zelfs zo dat elkeen het initiatief kon nemen om braakliggende akkers te bewerken, te bebouwen en te beplanten. Als de eigenaar (dominus) dat merkte, kon hij binnen 2 jaar nog reageren en de kosten vergoeden. Reageerde hij niet binnen 2 jaar, dan gold er zelfs een regime van versnelde verkrijgende verjaring, precies om die continuïteit van de landbouw en de daaruit voortvloeiende continuïteit van de voedselbedeling te verzekeren. De bezitter kon in deze niet van kwade trouw (mala fides) beticht worden, ook al was hij op de hoogte van de identiteit van de eigenaar (dominus). [39]
| 4.3. | De voedselmarkt | ![]() |
Eenmaal de continuïteit van de landbouw verzekerd was, moest er natuurlijk ook voor gezorgd worden dat het voedsel beschikbaar en ook betaalbaar was voor de inwoners van de getroffen stad. De voedselprijzen dienden onder controle gehouden te worden. Hamsteraars werd de verplichting opgelegd om zeker in tijden van schaarste levensmiddelen te blijven verkopen. Er kwamen ook vaste voedselprijzen (in ieder geval voor de basisproducten), die lager konden liggen dan de werkelijke waarde van dat voedsel: in tijden van nood konden de rijkeren zelfs tot aalmoezen verplicht worden. Belangrijk was dat bij de verkoop van voedsel aan vluchtelingen geen hogere prijzen mochten worden gehanteerd dan ten aanzien van de eigen bevolking, tenzij de stedelijke overheid daartoe om uitzonderlijke redenen toch toelating verleend had. [40]
Een stad kon eveneens een exportverbod opleggen: in eerste instantie moesten de landbouwgoederen - zelfs de voortbrengselen van kerkelijke goederen die normaal niet onder de wereldlijke verordeningen vielen - voor de eigen regio voorbehouden worden. Dergelijke exportverboden dienden overigens ruim te worden geïnterpreteerd: een verbod op de export van graan hield bijvoorbeeld ook een exportverbod van bloem en brood in. [41] Anderzijds werd invoer uit naburige streken wel gestimuleerd, o.m. door vrijstelling van overdrachttaksen (gabellen) of door het beschermen tegen eventuele represailles die de verkopers nog in de betrokken stad riskeerden. Op al die manieren werd gezorgd voor een zo ruim mogelijk aanbod aan voedingsmiddelen; dat hoge aanbod moest ook de prijs drukken.
Hoewel grote samenscholingen in tijden van een pestepidemie vermeden moesten worden (en daarom bv. toernooien werden afgelast), bleven de markten open, zeker voor voedingsmiddelen en voor benodigdheden voor de landbouw. Op de voedselmarkt moest wel bijzondere aandacht aan de voedselveiligheid besteed worden. Op verscheidene plaatsen waren daar zelfs bijzondere ambtenaren voor aangeduid. [42] Rotte of vervallen voedingsmiddelen mochten niet meer verkocht worden. Wie vervallen graan en vers graan vermengde, riskeerde zware straffen. Medische traktaten hadden er immers op gewezen dat het consumeren van brood dat met zulk graan gemaakt was, mensen erg vatbaar maakte voor de pest. [43]
| 4.4. | De openbare voedselbedeling | ![]() |
De reguliere voedingsmarkt was echter voor vele armen niet toegankelijk. Daarom zetten de juristen eveneens in op de ontwikkeling van een openbare graanvoorziening (annona). [44] Tijdens het Ancien Régime speelde daarbij de overtuiging dat armen uit naastenliefde moesten onderhouden worden, nu het in het algemeen belang was dat de armen niet stierven: zonder armen was een stad naar middeleeuwse opvatting niet volmaakt (sine pauperibus non est civitas perfecta). [45]
Aan het hoofd van de annona dienden zorgvuldige en ervaren bestuurslieden te worden aangesteld, die telkens voor één jaar benoemd werden, in principe gevolgd door een jaar waarin ze verantwoording moesten afleggen voor hun bestuur. De penningmeesters moesten dan ook heel secuur te werk gaan en riskeerden strenge straffen bij verduistering van middelen. [46] Ze dienden er eveneens over te waken dat de voedingsmiddelen goed bewaard werden. Als er een tekort aan voedingsmiddelen in de eigen regio dreigde, stuurden de bestuursleden enkele ervaren mannen uit om elders graan aan te kopen. Die gezanten hadden recht op een billijke vergoeding.
Della Ripa gaf ook nog een aantal praktische tips aan deze bestuurders. Bij de voedselbedeling moest er strikt over gewaakt worden dat de middelen enkel werden aangewend voor wie er écht nood aan had. Daarom raadde hij hen aan om brood uit te delen eerder dan graan, om te vermijden dat de ontvangers het graan zouden verkopen eerder dan brood voor het eigen levensonderhoud. Bovendien werden de voedselpakketten aan huis bedeeld om grote samenscholingen bij de voedselbanken en rondzwervende bedelaars in pesttijden te vermijden. Voorrang bij de voedselbedeling werd gegeven aan de armen van de eigen stad; vreemdelingen konden pas geholpen worden als er nog wat over was. [47]
Uiteraard moest zo'n annona gefinancierd worden. Die financiering gebeurde in Italiaanse stadsstaten vaak in natura; welstellende families met grote landerijen werden verzocht (soms verplicht) om graan en andere voedingsmiddelen aan de annona te schenken. Bovendien werden de rijkeren soms eveneens verplicht tot renteloze leningen. Er kwamen ook noodbelastingen, vaak in de vorm van een vermogensbelasting (collecta secundum ratam patrimonii), waarvan niemand vrijgesteld was, zelfs de clerus niet. [48] Belastingen op erfenissen of bruidsschatten - in het ius commune een zeldzaamheid - waren niet uitgesloten. Ook kerkelijke beneficies werden - zij het enkel mits goedkeuring van de paus of een kardinaal-legaat - gedeeltelijk voor de annona (of soms voor hospitalen) aangewend.
| 5. | De ziekenzorg en haar financiering | ![]() |
| 5.1. | De organisatie van de ziekenzorg bij een pestepidemie [49] | ![]() |
Pestzieken konden uiteraard niet zomaar vrij bewegen. [50] Wie zich als besmette persoon bewust in een menigte begaf, riskeerde na zijn eventuele genezing de doodstraf. [51] Zelfs uit het raam hangen mocht een pestzieke niet, om te vermijden dat de lucht zou worden verontreinigd. [52] In principe stond het een stad vrij om dergelijke zieken - ter voorkoming van een uitbreiding van de epidemie - uit de stad te verbannen, al werd zulke maatregel bij naburige steden niet geapprecieerd. Juristen beseften dat dit een wel heel drastische maatregel was en vroegen zich af of er geen mildere, doch even efficiënte oplossingen bestonden. Volgens hen moest zieken de keuze gelaten worden tot een thuisquarantaine, eventueel ook in het buitenverblijf te lande, maar dan wel op voorwaarde dat ze niemand anders in gevaar brachten. Als de besmette persoon samenleefde met niet-besmette huisgenoten, dan moest hij de woning verlaten, zelfs al waren de niet-besmette huisgenoten bereid het risico te nemen: niemand werd immers geacht meester te zijn van het eigen lichaam (cum non sint domini corporum suorum).
De stad kon eveneens beslissen om besmette personen die thuis niet veilig in quarantaine konden gaan, gedwongen onder te brengen in grote daartoe bestemde hallen. Bevestigde en vermoede gevallen van de ziekte moesten van elkaar worden gescheiden. Ook mannen en vrouwen werden - ter vermijding van promiscu gedrag - in onderscheiden hallen ondergebracht. Beschikte de stad niet over voldoende grote ruimten, dan kon ze ook buiten de stadsmuren gesloten inrichtingen bouwen, afgesloten door grachten, muren en bewaakte poorten. Eventueel konden daartoe ook privépersonen verplicht worden om gronden of gebouwen ter beschikking te stellen aan de stad. In principe konden de eigenaren na de pestepidemie hun landen terug in bezit nemen. [53] De voor deze hospitalen noodzakelijke kosten konden worden gefinancierd middels een vermogensbelasting of een erfbelasting.
Er moest gezorgd worden voor een degelijke medische verzorging. Kwakzalvers die schadelijke medicijnen verkochten, werden streng bestraft. [54] In vele stadsstaten en streken werden medici door de overheid zelf aangesteld. Volgens della Ripa moest de overheid er zorg voor dragen dat ze ervaren mannen aanstelde, evenals enkele jonge doctors in de geneeskunde. Geheel opgaand in het dominante antijudaïsme, herinnerde della Ripa er wel aan dat het christenen in principe verboden was om de hulp van joodse artsen in te roepen, al werd er in een uitzondering voorzien indien er werkelijk geen enkele christelijke arts beschikbaar was. [55]
Liep het toch mis, dan werd nagegaan of de arts aansprakelijk was. Bij die beoordeling stonden vier criteria centraal: (i) of de arts over de vereiste opleiding en ervaring beschikte; (ii) of hij gehandeld had volgens de overgeleverde geneeskunde; (iii) of hij de nodige zorgvuldigheid aan de dag gelegd had; en (iv) of hij de zieke had ingelicht over de risico's van de behandeling. [56] Was aan die voorwaarden voldaan, dan kon een arts niet verantwoordelijk gehouden worden voor het sterven van de patiënt. Bij overlijden moest uiteraard ook gezorgd worden voor een spoedige begrafenis. Na een overlijden werden de kleding, de bedden en de dekens verbrand. De stad hoefde daarvoor geen compensatie aan de familieleden te betalen. Deze goederen waren immers schadelijk voor het algemene belang.
| 5.2. | De vergoeding van de zorgverleners | ![]() |
Medici die door de overheid aangesteld werden, werden eveneens door de overheid betaald, voor de duur van hun aanstelling. Zij mochten geen verdere verloning vorderen van hun patiënten, noch schenkingen of legaten ontvangen, al was er wat discussie over spontane giften uit dankbaarheid na volledige genezing. Een arts die na afloop van zijn oorspronkelijke aanstellingstermijn en zonder nieuwe overeenkomst met de overheid zijn activiteiten gewoon voortzette, kon zich niet beroepen op een stilzwijgende hernieuwing van de overeenkomst. Hij moest sinds de afloop van zijn publieke aanstelling beschouwd worden als een private arts, tenzij uit de omstandigheden van de zaak een stilzwijgende instemming van de overheid met een verlengde aanstelling bleek. Giften aan medici met een privépraktijk konden wel als loon (merx) beschouwd worden, op voorwaarde dat ze gedaan werden door wie genezen was. [57]
De geneesheren namen bij de behandeling van pestzieken soms grote risico's, zij het vaak zonder garantie op succes. Patiënten en hun familie waren niet steeds uit eigen beweging geneigd de medici te vergoeden. Er ontwikkelde zich dan een discussie rond de mogelijkheid van een medicus om via juridische weg betaling van een overeengekomen loon (salarium) te eisen. Genezing beloven tegen betaling, mocht een medicus niet, nu genezing in laatste instantie een goddelijke genade was. Wie Gods genadegaven verkocht, beging het misdrijf van simonie. Voor arme patiënten en op kerkelijke feestdagen moesten medici ook sowieso pro bono optreden.
Van rijkere patiënten mocht een arts voor verzorging op gewone weekdagen wel een salaris of honorarium overeenkomen. Belangrijk om te benadrukken is evenwel dat een patiënt zijn arts niets verschuldigd was omwille van zijn genezing (pro sanitate), maar louter voor diens arbeid (pro suo labore), of correcter nog voor diens ereambt (pro honore). Er kon een hoger salaris bedongen worden in geval van genezing (een soort “succespremie”). Bij wijze van salaris kon een uur- of dagloon worden afgesproken, dan wel één forfait voor de gehele behandeling van de ziekte. In dat laatste geval rees er soms betwisting bij herval na genezing. In de mate dat de patiënt echt genezen was, moest voor de behandeling na herval een nieuw salaris afgesproken worden. Volgde het herval echter spoedig op de vermeende genezing, dan werd vermoed dat de patiënt nooit genezen was en moest de medicus dus zijn diensten verder leveren zonder extra salaris te kunnen vorderen. [58]
Wanbetalingen waren schering en inslag. Onder Italiaanse artsen deed het gezegde de ronde dat de vergoeding best bij aanvang van de verzorging al geïnd werd om latere wanbetalingen te vermijden, want passato lo ponto, gabbato è lo santo. [59] Ook in de Nederlanden werden artsen geconfronteerd met wanbetalingen van patiënten. De consultatieverzameling van de Leuvense rechtenprofessor Joannes Wamesius (1524-1590) geeft een unieke inkijk in hoe geleerde juristen in onze streken omgingen met dergelijke aan een pestuitbraak gerelateerde vraagstukken. Meer nog dan della Ripa en Previdelli benadrukte Wamesius dat medici in principe slechts een ereloon (honorarium) ontvingen. Zulk ereloon was niet opeisbaar met een civiele rechtsvordering (actio). Toch kon een arts wel steeds een beroep doen op de ambtsplicht van de rechter (officium iudicis) die dan een eerlijk salaris (honestum salarium) moest toekennen. Bij de bepaling van dat eerlijke salaris kon de rechter ook rekening houden met een eventuele overeenkomst tussen de arts en de patiënt (of diens familie).
In het najaar van 1573 werd Wamesius geraadpleegd door de arts Gregorius Boone. Boone had eerder, in 1571, bij de schepenen van Kraainem een rechtsvordering ingeleid tegen de weduwe van Jan Thiebouts tot betaling van een salaris voor haar behandeling en die van enkele van haar familieleden, allen pestlijders. [60] Boone was voor die behandeling (beweerdelijk [61]) zowaar twaalf keer van Brussel naar Kraainem afgereisd en dat op risico van zijn eigen gezondheid. De schepenen van Kraainem hadden hem op 10 april 1573 slechts een laag salaris toegekend. [62] Boone diende op 11 april hoger beroep in. Volgens Wamesius was het door de schepenen van Kraainem opgelegde bedrag buitensporig laag, zeker gezien de aard van de ziekte, de pest, die als de “koningin aller ziekten” (regina omnium aegritudinum) gold. De tegenpartijen beweerden dat zij de ziekte uiteindelijk overleefd hadden dankzij enkele zusters, niet dankzij de medische behandeling van Boone. Die bewering werd echter door Wamesius betwist: de aderlatingen, de toediening van medicamenten en het aanbrengen van pleisters door Boone hadden wel degelijk het verschil gemaakt. [63] Snelle actie was bij deze ziekte immers onontbeerlijk: in het Nederlands sprak men niet zonder reden van de “haastige ziekte”. [64] Bovendien - zo voegde de Leuvense rechtenprofessor er nog aan toe - was er geen enkele regel die stelde dat een medicus niet zou moeten worden vergoed als een doodzieke, ondanks de goede zorgen van de medicus, toch stierf.
De pest had de Nederlanden in de jaren 1570 stevig in de greep. In een andere consultatie verhaalt Wamesius hoe een zekere Gerardus Cuypers in 1575 als pestzieke voor verzorging naar het convent van de grauwzusters van Diest gebracht was. Op last van de spirituaal van de grauwzusters werd hij echter eveneens verzorgd door cellebroeder Antonius Focqué. Bij aankomst bij de grauwzusters was afgesproken dat in geval van genezing 40 florijnen verschuldigd zouden zijn, bij overlijden slechts 15. [65] Cuypers herstelde, waarop het convent betaling vorderde. De genezen patiënt vond het geëiste bedrag echter buitensporig hoog en minimaliseerde in het bijzonder de bijdrage van broeder Antonius. Wamesius was het niet eens met die voorstelling van zaken. Cuypers' ziekte vereiste immers het aanbrengen van pleisters in de schaamstreek, een taak die men niet aan de zusters kon overlaten. De bijdrage van fr. Antonius was dan ook belangrijk. [66] De Leuvense rechtenprofessor gaf wel toe dat het geëiste bedrag hoger was dan bij een andere ziekte, maar hij vond dat normaal gezien het grotere risico dat met de pest samenhing. Er mocht ook een prijs voor dat gelopen risico (pretium periculi) gevraagd worden. Daartoe verwees Wamesius overigens naar de regelgeving rond de zeelening (foenus nauticum), waarbij - gezien het grotere risico dat aan een zeereis verbonden was - jaarlijkse interesten tot 12% konden worden gevorderd in plaats van de gebruikelijke 6%.
| 6. | Conclusie | ![]() |
De huidige bijdrage bestudeerde de juridische omgang met pestepidemieën door laatmiddeleeuwse en vroegmoderne juristen. Centraal stonden daarbij de vroegXVIde-eeuwse traktaten van Girolamo Previdelli en Gianfrancesco Sannazzari della Ripa, aangevuld met verwijzingen naar Nederlandse literatuur uit de betrokken periode. De in het Latijn opgestelde en op diverse plaatsen gedrukte traktaten met voortdurende referenties naar de geleerde literatuur, getuigen van een Europese dialoog, waarbij naast theologen en medici ook juristen betrokken werden. Dat Europese karakter was uiteraard eveneens eigen aan het ius commune, het geleerde recht dat de middeleeuwse en vroegmoderne universiteiten op het Continent met elkaar verbond. De focus in dit artikel lag in het bijzonder op drie domeinen, met name de privilegia pestis en het contractenrecht, de continuïteit van de landbouw en de voedselvoorziening, evenals de ziekenzorg en haar organisatie.
De juristen die geconfronteerd werden met pestepidemieën, waren in de eerste plaats kinderen van een andere tijd. Het was een tijd waarin er nog geen aparte rechtstakken bestonden, waardoor zelfs de locatie van een keizerskroning onder de privilegia contractuum gerekend werd. Het was een tijd waarin de epidemie in de eerste plaats als een straf van God en een oorlog tussen God en de zondige mensheid werd beschouwd; het zondige gedrag moest uit de wereld geholpen worden, prostituees en bedelaars verbannen. Het was een tijd waarin mensen niet werden beschouwd als meesters van hun eigen lichaam; thuisquarantaine was bijvoorbeeld niet mogelijk als er nog familieleden in hetzelfde huis woonden, ook al waren die bereid het risico te nemen. Het was een tijd zonder grondrechtencatalogi, waarbij eigenaren van braakliggende velden hun gronden konden verliezen zonder compensatie. Het was een tijd waarin armen geholpen moesten worden omdat ze noodzakelijk waren voor de samenleving door God gewild, niet vanuit een streven naar het wegwerken van armoede als dusdanig.
Ondanks die grote verschillen vallen natuurlijk ook enkele belangrijke gelijkenissen in de getroffen maatregelen op. Denk maar aan de afzondering van zieken, aan inreisbeperkingen, aan de zorg om de voedselvoorziening in stand te houden, enz. Interessant in het kader van de actuele discussie rond de handelshuur is wellicht ook de redenering van de middeleeuwse juristen waarvolgens bij een aanzienlijke vermindering van de opbrengsten voor de huurder door een onvoorziene omstandigheid buiten diens wil (zoals een oorlog of een pestepidemie) een gedeeltelijke kwijtschelding van de huurgelden (remissio mercedis) werd toegestaan. De onmogelijkheid voor een herbergier-handelshuurder om een gehuurd goed te gebruiken als herberg, werd eigenlijk geïnterpreteerd als een vermindering van het huurgenot. De last van de pestepidemie hoefde niet enkel door de huurder te worden gedragen. Deze concrete oplossing voor het huurrecht sloot aan bij een meer algemeen aanvoelen: in tijden van pestepidemie stond eenieders collectieve verantwoordelijkheid centraal. De ziekte raakte iedereen, ongeacht ieders stand. Allen hadden ze belang bij de beëindiging van de pestepidemie. Allen moesten ze dan ook pro rata van hun vermogen bijdragen aan de noodbelastingen ter financiering van de armen- en ziekenzorg. Privileges en belastingvrijstellingen uit normale tijden golden niet bij de uitbraak van een pestepidemie.
Een studie van deze vroegmoderne juridische literatuur noopt vooral tot een relativering van onze huidige situatie. Wat voor ons uitzonderlijk is, hoeft het vanuit een historische blik niet te zijn. De traktaten van Previdelli en della Ripa uit de jaren 1520 waren gebaseerd op eeuwenoude discussies. Ze stonden bol van verwijzingen naar XIVde- en XVde-eeuwse juristen die over gelijkaardige thema's hadden nagedacht. Wegens de blijvende actualiteit werden de traktaten tot in de jaren 1590 herdrukt en van inleidingen en commentaar voorzien. Zelfs in de XVIIde eeuw werd er nog inspiratie uit die traktaten geput. Laten we hopen dat dat voor onze bijdragen rond de coronacrisis niet nodig zal zijn, dat zij over enkele jaren hun actualiteit verloren zullen hebben en dat wij dus de komende decennia van een nieuwe pandemie gespaard blijven.
| [1] | Dit onderzoek kwam tot stand dankzij de financiële ondersteuning van KULeuven - Interne Fondsen. Wouter Druwé is Docent Romeins recht en rechtsgeschiedenis (KU Leuven - Faculteit Rechtsgeleerdheid). |
| [2] | De jurist Girolamo Previdelli vertelt hoe sterke mannen 's avonds nog in goede gezondheid het avondmaal genoten en plots de volgende morgen aan de builenpest overleden. Zie: Hieronymus Previdelli, Tractatus legalis de peste, Bologna, 1528, f. 25r.: Videmus enim homines robustissimos recte convalescentes sero optime cenatos, mane autem mortuos reperiri. Est nempe morbus nimis contagiosus et inficiens. |
| [3] | Voor de Nederlanden, zie bv.: J. Vermeersch, 1349. Hoe de Zwarte Dood Vlaanderen en Europa veranderde, Antwerpen, Vrijdag, 2019; H. van Werveke, “De Zwarte Dood in de Zuidelijke Nederlanden (1349-1351)”, Mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, 1950, 134-166; Idem, “Nogmaals: de Zwarte Dood in de Nederlanden”, Bijdragen voor de Geschiedenis van de Nederlanden, 1954, 251-258; J. Roosen, “De 'geringe impact' van de Zwarte Dood in de Nederlanden. Een epidemiologisch vraagstuk”, Ex tempore, 2018, 112-123; Idem en D.R. Curtis, “The 'light touch' of the Black Death in the Southern Netherlands: an urban trick?”, The Economic History Review, 2019, 32-56. |
| [4] | Er kwamen ook enkele traktaten rond moraaltheologische vraagstukken, bv. of het geoorloofd was om door de pest getroffen regio's te ontvluchten. Voor een affirmatief antwoord op die vraag, zie: D. de' Domenichi (1416-1478), Quod liceat pestilentiam fugere, 1468. Zie ook: D.M. Schullian, “A Manuscript of Dominici in the Army Medical Library”, Journal of the History of Medicine and Allied Sciences, 1948, 395-399; H. Smolinski, “Dominici, Domenico”, Dizionario Biografico degli Italiani, 1991, www.treccani.it. Voor een negatief antwoord op dezelfde vraag, zie: R. Sánchez de Arévalo (1404/5-1470), Libellus in quo principaliter agitur an fidelibus liceat sine peccato fugere a locis in quibus pestilentia viget. |
| [5] | Bekende medische traktaten zijn de volgende: B. de' Bonetti, De peste, Bologna, 1479; A. Guainerio, De peste, Venetië, 1517; E. Celebrino, De peste, Venetië, 1524. De meeste traktaten over de pest van medici uit de Nederlanden dateren van latere datum. Zo kan onder andere gedacht worden aan de Tractatus de peste van Petrus Pauw uit Amsterdam, dat voor het eerst in Leiden gepubliceerd werd in 1636, en aan het gelijknamige traktaat van Isenbrandus van Diemerbroeck, voor het eerst gepubliceerd in Amsterdam in 1665. |
| [6] | Bv. voor het besef dat de pest een straf van God is voor het zondige gedrag van de mensheid: H. Previdelli, Tractatus legalis de peste, Bologna, 1528, f. 3r.: Homo propter delicta affligitur, et si quando fames, pestis et rerum omnium egestas opprimit mundum, sciamus hoc ex ira Dei procedere. De juristen begrepen ook dat het vermijden en indijken van de pest bepaalde maatregelen vereiste, zoals een zorg voor een goede riolering, een zuivere watertoevoer, een afzondering van zieke personen, volgens velen ook een zuivering van de lucht en een vermijden van seksueel promiscu gedrag. Zie voor een overzicht van de causae pestis volgens de jurist della Ripa: Ripae, De peste tractatus iuridicus ac politicus, Leipzig, 1598, 3-4. |
| [7] | Deze justiniaanse pestepidemie heeft de Oost-Romeinse samenleving fundamenteel veranderd. Zie bv., voor een bespreking van de culturele en religieuze omslag als gevolg van de gezondheidscrisis: M. Meier, “The 'Justinianic Plague': The Economic Consequences of the Pandemic in the Eastern Roman Empire and its Cultural and Religious Effects”, Early Medieval Europe, 2016, 267-292. |
| [8] | Zie bv.: A. Barbosa (1589-1649), Tractatus locorum communium argumentorum iuris, in Idem, Tractatus varii, Lyon, 1699, locus 13. |
| [9] | De pest werd immers vaak omschreven als een oorlog tussen God en de mensen. Zie bv. een consultatie van de Nederlandse jurist Nicolaas Everaerts, die daartoe verwijst naar een passage van Bartolus de Saxoferrato: N. Everardi, Responsa sive Consilia, Leuven, 1554, cons. 61: “Cum ergo tempus guerrae vigentis inter homines, et tempus mortalitatis seu pestis aequiparentur: cum tunc censeatur bellum inter Deum et homines, ut notat Bar[tolus] in [D. 41.3.5] et canonistae in [X. 2.26.10].” Een soortgelijke opmerking treffen we ook aan bij: J. de Damhouder (1507-1581), Enchiridion parium aut similium utriusque iuris, Antwerpen, 1569, ad verbum “pestis”, p. 147: “Pestis aequiparatur hostilitati.” Zie ook: H. Previdelli, Tractatus legalis de peste, Bologna, 1528, f. 21v. Het argument ging evenwel niet altijd op. Zo konden rechtsgeleerden ten tijde van een pestepidemie niet gedwongen worden om de bewaking van de stadspoorten op zich te nemen, terwijl dat privilege niet kon worden ingeroepen bij een daadwerkelijke oorlog. Zie: o.c., f. 3v. |
| [10] | Zo vinden we bv. consilia rond pestgerelateerde vraagstukken in de verzamelingen met raadgevingen van Mariano en Bartolomeo Socini, van Alessandro Tartagni de Imola en van Pierfilippo della Corgna. Voor een bespreking van de oorsprong en ontwikkeling van de consilia-literatuur, zie, met vele verdere verwijzingen: W. Druwé, Loans and Credit in Consilia and Decisiones (c. 1500-1650), Leiden, Brill, 2020, 33-52 (algemeen) en 76-118 (in de Nederlanden). |
| [11] | Voor één van de vroege vermeldingen van de pest in de juridische commentaarliteratuur, zie: B. de Saxoferrato (1313-1357), ad [D. 41.3.5, Naturaliter], Basel, 1588, p. 295, nr. 23: “Idem forte dicendum esset ex eadem aequitate, quod tempore mortalitatis instantis de anno Domini 1348. prout scitis, erat tanta pestilentia, quod iura non reddebantur in civitatibus, et moriebantur infiniti homines, quod tempore illo usucapio dormiebat: argu. [X. 2.26.10], et fuit illa hostilitas Dei fortior, quam hostilitas hominum.” |
| [12] | J.F. de Sancto-Nazario Ripae, De peste libri tres, Avignon, 1522. Het traktaat werd voor het eerst gepubliceerd te Avignon in 1522 bij de drukker Jean de Channey. |
| [13] | H. Previdellus, Tractatus legalis de peste, in quo continetur quid de Iure fieri debeat et possit, tam circa ea, quae salubritatem ciuitatum respiciunt, quam circa ultimas uoluntates, iudicia, et ceteros actus inter uiuos tempore quo peste affligimur, Bologna, 1524. Voor een introductie tot deze twee traktaten, zie: M. Ascheri, Rimedi contro le epidemie. I consigli di diritto europeo dei giuristi (secoli XIV-XVI), Ariccia, Aracne, 14-32. Vanaf p. 33 volgt dan een inhoudelijke bespreking van de traktaten. |
| [14] | H. Previdellus, De peste et eius privilegiis, in Tractatus universi iuris, Venetië, 1584, vol. 13, f. 171. |
| [15] | Er kwamen herdrukken in Lyon in 1538 en 1542 (telkens bij drukker Vincent de Portonaris), in Venetië in 1551 (ex officina Coronae) en 1569 (bij Lucantonio II Giunta), in Turijn in 1574 (bij de erfgenamen van Nicolaus Bevilaqua) en opnieuw in Lyon in 1585 (bij de Compagnie des Librairies). In 1598 werd het werk herdrukt te Leipzig door Jakob Apel. Voor dit artikel werd de editie van 1598 geraadpleegd. Ripae, De peste tractatus iuridicus ac politicus, Leipzig, 1598. |
| [16] | Leipzig werd in 1598 opnieuw geconfronteerd met een epidemische uitbraak. Op het titelblad van de Leipzigse uitgave van della Ripa's traktaat over de pest wordt dan ook verwezen naar de zeer gevaarlijke tijd (hoc tempore periculosissimo). Deze uitgave wordt voorafgegaan door Joannes Neldelius' eorum omnium, quae et in praeludiis, et in subiectis Tractatus de Peste capitibus luculente declarantur. Het gaat hierbij om een erg leesbare en overzichtelijke samenvatting van della Ripa's traktaat. In totaal beslaat deze samenvatting achtenveertig (niet genummerde) pagina's. |
| [17] | M. Ascheri, Rimedi contro le epidemie, 14: “Insomma, il mondo del diritto con questi trattati e con tanti altri interventi su temi scottanti, non rispondeva soltanto alla domanda professionale di giudici e di avvocati, ma parlava ai ceti e gruppi che contavano per rivendicare di saper servire ancor sempre le istituzioni.” |
| [18] | Zie bv. de verwijzing naar della Ripa's traktaat over de pest door Joannes Wamesius, Responsorum sive consiliorum ad ius forumque civile pertinentium centuria tertia, Leuven, 1631, cons. 82, f. 254-255. Over Wamesius, zie ook mijn eerdere publicatie: W. Druwé, “Loans and Credit in the Canon Law Consilia of Wamesius (1524-1590)”, Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis, 85/1 (2017), 230-271. |
| [19] | Voor een uitgebreidere bespreking van de andere maatregelen, zie eerder reeds: W. Druwé, “De rechtsgeleerde omgang met pestepidemieën”, Pro Memorie. Bijdragen tot de rechtsgeschiedenis der Nederlanden, 22/2 (2020), 83-102. |
| [20] | Ook contracten waarbij “het risico van eender welke tegenspoed” (periculum cuiuslibet adversi casus) aan één van de partijen werd toegewezen, werden door de Italiaanse rechtsgeleerden besproken, net als vele andere verwante vraagstukken. Over het algemeen waren de rechtsgeleerden terughoudend om een uitbraak van pest onder die noemer te vatten. Zie voor een gedetailleerder overzicht: M. Ascheri, Rimedi contro le epidemie, 91-94. |
| [21] | Baldus de Ubaldis ad [D. 46.3.38 pr.], Lyon, 1585: “(…) omnis promissio intelligitur rebus sic se habentibus.” Een belangrijke rol speelde ook een fragment van Sint-Augustinus, opgenomen in het Decretum Gratiani van ca. 1140 (C. 22 q. 2 c. 14) en de Liber Extra van 1234 (X. 2.24.25). |
| [22] | Voor een overzicht van de diverse stappen in de ontwikkeling van de clausula rebus sic stantibus, zie: A. Wijffels,“La validité rebus sic stantibus des conventions: quelques étapes du développement historique (Moyen Âge - Temps Modernes)” in F. Ost en M. Van Hoecke (eds.), Temps et droit. Le droit a-t-il pour vocation de durer?, Brussel, Bruylant, 1998, 247-270; P. Pichonnaz, “From clausula rebus sic stantibus to hardship: aspects of the evolution of the judge's role”, Fundamina, 17/1 (2011), 125-143. |
| [23] | Zie voor het overzicht en de behandeling van de privilegia contractuum causa pestis: Ripae, De peste tractatus iuridicus ac politicus, Leipzig, 1598, 5-76. Behalve voor zover hieronder anders aangegeven, is de bespreking in deze paragraaf gebaseerd op deze passages. |
| [24] | Zie ook: H. Previdelli, Tractatus legalis de peste, Bologna, 1528, f. 25r. Previdelli vermeldt ook het geval van “ultramontani” (vanuit zijn perspectief zijn dat o.m. de Fransen) die gezworen hebben in augustus in Rome te verblijven, al geeft hij aan dat hij zijn twijfels heeft bij de oplossing in dat specifieke geval. Bij een pestuitbraak is er volgens hem echter evenmin twijfel dat de belover niet gehouden was tot naleving van zijn eed. |
| [25] | Individuen die gedreven door de honger naar een molenaar gingen zonder eerst de vereiste belastingen te voldoen, waren echter verontschuldigd, op voorwaarde dat ze de belastingen na afloop van de pestepidemie alsnog betaalden. Zie: H. Previdelli, Tractatus legalis de peste, Bologna, 1528, f. 19v. |
| [26] | H. Previdelli, Tractatus legalis de peste, Bologna, 1528, f. 24v.-26r. |
| [27] | M. Ascheri, Rimedi contro le epidemie, 96-98. Zie, voor een overzicht van deze juridische instelling: P.J. du Plessis, A history of remissio mercedis and related legal institutions, Rotterdam, Erasmus Universiteit, 2003. |
| [28] | Het gaat om de volgende bundel: Antwerpen, FelixArchief, Fonds Notariaat, ms. 3692. Voor een introductie tot deze bundel, zie: D. van den Auweele en M. Oosterbosch, “Consilia juridica lovaniensia. A propos de trois recueils d'avis juridiques du XVe siècle” in F. Stevens en D. van den Auweele (reds.), Houd voet bij stuk. Xenia iuris historiae G. van Dievoet oblata, Leuven, KULeuven, 1990, 105-148. |
| [29] | FelixArchief, Fonds Notariaat, ms. 3692, f. 136r.-v. |
| [30] | Ook Previdelli was dezelfde mening toegedaan. Hij verwees naar een consultatie van Petrus de Ancharano naar aanleiding van het jubileumjaar 1390. Zulk jubileum bracht altijd veel pelgrims op de been, die van heinde en verre naar Rome reisden. Een man had daarom een grote woning gehuurd op de route naar Rome om pelgrims op doorreis onderdak te bieden. Door de uitbraak van een pestepidemie leed hij grote schade. Hij kon zich volgens deze Italiaanse rechtsgeleerden op de remissio mercedis beroepen. Zie: H. Previdelli, Tractatus legalis de peste, Bologna, 1528, f. 27r.-v. |
| [31] | H. Previdelli, Tractatus legalis de peste, Bologna, 1528, f. 21r.-v.: “Et ex predictis etiam dignoscitur an recte fecerit Adrianus vi. Pont[ifex] max[imus] quod estate preterita, quando Urbs peste vexabatur, dimidiam pensionis domorum locatarum conductoribus per dominos remitti voluit nam hoc videtur rationabiliter factum fuisse.” |
| [32] | Zie F. Zypaeus, Iuris pontificii novi analytica enarratio, Antwerpen, 1675, lib. 5: De usuris, nr. 11, p. 216-217. |
| [33] | Zie ook: J. de Damhouder, Enchiridion parium aut similium utriusque iuris, Antwerpen, 1569, ad verbum “pestis”, p. 147. |
| [34] | H. Previdelli, Tractatus legalis de peste, Bologna, 1528, f. 31r.: “Dictum est pro morbosis pauperibus construenda esse hospitalia et pro eis facienda victualium munitiones. Queritur ergo de uno: quod audio his temporibus pestiferis a pluribus factum fuisse Florentie: quidam finxerunt se esse pestilentes: et hoc ex industria: ut ipsi cum tota familia ex publico alerentur: quero an sint puniendi et qua pena (…).” |
| [35] | Zie voor een uitgave en Engelse vertaling door C. Matheeussen en J. De Landtsheer: J.L. Vives, De subventione pauperum sive De humanis necessitatibus, Leiden, Brill, 2002, in het bijzonder p. 98-109 (= liber 2, titulus 3: Qua ratione eis omnibus prospiciatur victus). |
| [36] | M. Ascheri, Rimedi contro le epidemie, 44-48. Voedzame spijzen waren immers noodzakelijk, zozeer dat in tijden van een pestepidemie de regels rond de vasten konden worden gewijzigd (zonder evenwel de vasten geheel af te schaffen). Zie: H. Previdelli, Tractatus legalis de peste, Bologna, 1528, f. 31v. |
| [37] | Zie hiertoe: Ripae, De peste tractatus iuridicus ac politicus, Leipzig, 1598, 156-164. |
| [38] | Over rusticitas als grond voor een uitzondering op het beginsel nemo ius ignorare censetur, zie o.a. T. Mayer-Maly, “Rusticitas” in Studi in onore di Cesare Sanfilippo, vol. 1, 1982, 309-347. |
| [39] | Ripae, De peste tractatus iuridicus ac politicus, Leipzig, 1598, 165-170. |
| [40] | O.c., 151-153. |
| [41] | O.c., 189-211, met een uitgebreide bespreking en interpretatie van enkele lokale strafrechtelijke verordeningen tot het opleggen van een exportverbod. |
| [42] | O.c., 144-145. |
| [43] | H. Previdelli, Tractatus legalis de peste, Bologna, 1528, f. 33v.: “Ne fructus corrupti etiam si fuerint cum incorruptis immixti vendantur: et presertim frumentum, quia panis ex tritico corrupto confectus secundum medicos ex eo comedentes ad pestem mirabiliter disponit.” |
| [44] | M. Ascheri, Rimedi contro le epidemie, 57-60. |
| [45] | Ripae, De peste tractatus iuridicus ac politicus, Leipzig, 1598, 149. |
| [46] | O.c., 180-185. |
| [47] | O.c., 214-224. |
| [48] | O.c., 149 en 229-232 (met als enige uitzondering het geval waarbij de belastingvrijstelling ten tijde van de pestepidemie zelf was toegestaan); H. Previdelli, Tractatus legalis de peste, Bologna, 1528, f. 29r.-30v. |
| [49] | Deze paragraaf is hoofdzakelijk gebaseerd op: Ripae, De peste tractatus iuridicus ac politicus, Leipzig, 1598, 250-294. Andere bronnen worden aangegeven in de hiernavolgende voetnoten. |
| [50] | M. Ascheri, Rimedi contro le epidemie, 52-54. |
| [51] | H. Previdelli, Tractatus legalis de peste, Bologna, 1528, f. 28r., die verhaalt over een pestzieke uit Bologna die zich in 1522 naar een drukke marktplaats begaf, vermoedelijk uit wanhoop of uit haat voor de mensheid om anderen mee in de dood te nemen (vel desperatione vel odio humani generis ut quia moriendo vellet alios secum perire). |
| [52] | O.c., f. 34r. |
| [53] | O.c., f. 27r. |
| [54] | Ripae, De peste tractatus iuridicus ac politicus, Leipzig, 1598, 145. |
| [55] | O.c., 267-273. |
| [56] | O.c., 274-279. |
| [57] | H. Previdelli, Tractatus legalis de peste, Bologna, 1528, f. 20r. |
| [58] | Ripae, De peste tractatus iuridicus ac politicus, Leipzig, 1598, 280-294. |
| [59] | O.c., 288. |
| [60] | Zie ook: W. Druwé, “De rechtsgeleerde omgang met pestepidemieën”, Pro Memorie. Bijdragen tot de rechtsgeschiedenis der Nederlanden, 22/2 (2020), 89-91. |
| [61] | Er bestond discussie over het precieze aantal huisbezoeken. Eén getuige, Arnold Crabbeels, bevestigde dat het om twaalf bezoeken ging. Een tweede getuige werd echter niet gevonden. Wamesius pleitte in zijn consultatie voor enige procedurele soepelheid gezien de bijzondere omstandigheden van een pestepidemie. Zie daarover verderop in deze bijdrage. |
| [62] | Wamesius' gedrukte consultatie bevat geen verwijzingen naar het precieze tijdstip. Die gegevens vindt men wel in het archief van de schepenbank van Kraainem. Aanvankelijk werd het proces gevoerd met de weduwe zelf, maar toen zij in 1572 hertrouwde met Aerd van Duytsvoirt hernam die het proces als “resumant”. Voor het vonnis, zie: Rijksarchief Leuven, Schepenbank Kraainem (BE-A0518.983), nr. 8: vonnisboek van criminele en civiele zaken (1560-1577, 1646-1696 en 1716-1757). Voor een kortere versie (met enkel het beschikkende gedeelte) en met de mededeling dat hoger beroep werd ingesteld, zie: Rijksarchief Leuven, Schepenbank Kraainem (BE-A0518.983), nr. 4: rollen van criminele en civiele zaken (1560-1577, 1646-1696, 1716-1757). |
| [63] | Wamesius, Responsorum … centuria tertia, cons. 81, nr. 5: “Cum enim hic morbus acutissimus sit, et brevissimo temporis spatio hominem conficiat, nisi bona et tempestiua medicina adhibeatur; consequens est dictas Reas toties (…) ab Actore visitatas sectis venis ab ulteriore malo praeseruatas, et adhibita cura per pharmaca et emplastra ad tot dies a momento contracti morbi in vivis productas nullaque postea secuta morte, a nullo alio in rei veritate curatas et sanatas esse, nisi ab ipso Actore.” |
| [64] | Het vonnis van de schepenbank van Kraainem vermeldt uitdrukkelijk de term “haistige sieckte”. Zie bv. ook: Hollandsche Consultatien, II, cons. 36, p. 70 (een consultatie van Joan van Andel, Franciscus Vossius en J. Kuyster, vermoedelijk van 3 juli 1631). |
| [65] | De overeenkomst was eigenlijk gesloten tussen het convent en Laurentius Cuypers, de broer van de pestzieke Gerardus, in afwezigheid van die laatste. In de consultatie gaat Wamesius in op de precieze kwalificatie van deze rechtsverhouding. Ook rond de eventuele minderjarigheid van Laurentius op het ogenblik van het aangaan van de overeenkomst bestond er onduidelijkheid. Zie daartoe: Wamesius, Responsorum sive consiliorum ad ius forumque civile pertinentium centuria tertia, Leuven, 1631, cons.77, nr. 4-11. |
| [66] | O.c., nr. 1: “Praesertim quod eam partem corporis pestis infecerit, cui manum et emplastra adhibere dictis sororibus verecundum fuit.” |


