Article

Hof van Beroep Brussel (8ste k.), 19/02/2019, 2018/KR/41, R.D.C.-T.B.H., 2020/3, p. 366-371

Hof van Beroep Brussel (8ste k.)19 februari 2019

BESLAG EN EXECUTIE
Bewarend beslag - Beslag inzake namaak - Ontvankelijkheid derdenverzet en dagvaardingstermijn - Informatieplicht van de beslagleggende partij - Bescherming vertrouwelijke informatie
De termijn van dagvaarding bij de betekening van een dagvaarding in derdenverzet tegen een beschikking waarbij een beslag inzake namaak werd toegestaan, bedraagt minstens 2 dagen zoals bepaald in artikel 1035, alinea 2 Ger.W.
Op de partij die verzoekt om een beslag inzake namaak rust de verplichting om de voorzitter correct, volledig en objectief te informeren. Bij de beoordeling of aan deze verplichting is voldaan, mag men aannemen dat de voorzitter bekend en vertrouwd is met de procedure van het beslag inzake namaak en met de eventuele procedure op derdenverzet. De voorzitter heeft bovendien steeds de mogelijkheid om het verzoek verder te onderzoeken, bijvoorbeeld door de verzoeker in raadkamer te horen, alvorens uitspraak te doen.
De beslagleggende partij heeft geen recht op toegang tot het deel van de door de deskundige verzamelde informatie, dat als vertrouwelijk werd aangemerkt en onder gesloten omslag werd neergelegd ter griffie zonder deze aan partijen mee te delen, indien het niet gaat om informatie die de rechter nodig heeft om de beweerde inbreuk te beoordelen.
SAISIE ET EXÉCUTION
Saisie conservatoire - Saisie-contrefaçon - Recevabilité de la tierce opposition et délai de citation - Obligation d'information de partie saisissante - Protection des informations confidentielles
Le délai de citation pour une citation en tierce opposition dirigée contre une ordonnance autorisant une saisie en matière de contrefaçon, est au moins de 2 jours, conformément à l'article 1035, alinéa 2, C. jud.
La partie qui demande une mesure de saisie en matière de contrefaçon est tenue de l'obligation d'informer le président de manière correcte, complète et objective. Lorsque le président apprécie s'il a été satisfait à cette obligation, on peut supposer qu'il a connaissance de la procédure de saisie en matière de contrefaçon et, le cas échéant, de la procédure en tierce opposition. Le président a, en outre, toujours la possibilité d'analyser plus en détail la requête, par exemple en entendant le demandeur en chambre du conseil, avant de prononcer son jugement.
La partie saisissante n'a pas de droit d'accès aux informations rassemblées par l'expert, qui sont marquées comme confidentielles et déposées au greffe sous scellé sans être communiquées aux parties, s'il ne s'agit pas d'informations dont le juge a besoin pour apprécier l'atteinte alléguée.

K. NV en S.C. BVBA / S.H. Comm.VA

Zet.: B. Lybeer (voorzitter), C. Van Santvliet en E. Herregodts (raadsheren)
Pl.: Mrs. D. Delarue, J.-D. Lindemans en J. Bussé
Zaak: 2018/KR/41

Het hoger beroep is gericht tegen een beschikking die op 11 juli 2018 werd uitgesproken door de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van koophandel te Brussel, zetelend in kort geding.

Er wordt geen akte van betekening van deze beschikking voorgelegd.

Het verzoekschrift tot hoger beroep van appellanten werd tijdig neergelegd ter griffie van het hof op 23 juli 2018. Het is regelmatig naar de vorm.

De partijen werden gehoord op de zitting van het hof van 5 februari 2019.

Het debat werd op voormelde zitting beperkt tot de betwisting aangaande (1) de ontvankelijkheid van het derdenverzet van appellanten, (2) het middel van deze laatsten geput uit een beweerde schending door geïntimeerde van haar plicht om de eerste rechter te informeren, en (3) de vordering in ondergeschikte orde gesteld door appellanten, die ertoe strekt om voor recht te horen verklaren dat geïntimeerde geen toegang krijgt tot de door de deskundige onder gesloten omslag neergelegde documenten, tot de stakingsrechter het bestaan van een inbreuk op de intellectuele eigendomsrechten van S. zal hebben vastgesteld en bij een in kracht van gewijsde getreden beslissing de vrijgave van deze documenten zal hebben bevolen.

I. De bestreden beslissing

1. Bij de bestreden beschikking werd het derdenverzet van appellanten niet ontvankelijk verklaard en werden zij veroordeeld in de kosten.

II. De vorderingen van de partijen voor het hof, behandeld op de zitting van 5 februari 2019

2. Appellanten, K. NV en S.C. BVBA, samen kortweg “K.”, verzoeken het hof bij hun tweede syntheseconclusie:

Het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

De aangevochten beschikking te vernietigen, en bijgevolg;

- het derdenverzet van K. ontvankelijk en gegrond te verklaren; en dienvolgens,

- in hoofdorde, voor recht te verklaren dat S. zijn informatieplicht heeft geschonden en bijgevolg de beschikking van 22 maart 2018 gekend onder rolnr. EV/18/00046 te vernietigen;

- De aangestelde deskundige te bevelen alle informatie, documentatie en stukken die hij in het kader van de uitvoering van zijn opdracht verzameld heeft, terug te bezorgen aan K.; en

- S. te verbieden om op welke manier dan ook gebruik te maken van alle, rechtstreeks of onrechtstreeks, via het beslag inzake namaak vergaarde documenten of bevindingen, onder verbeurte van een dwangsom van 10.000 EUR per inbreuk op dit verbod;

- in ondergeschikte orde, voor recht te verklaren dat S. geen toegang krijgt tot de door de deskundige onder gesloten omslag neergelegde documenten tot de stakingsrechter het bestaan van een IE-inbreuk heeft vastgesteld en bij een in kracht van gewijsde getreden beslissing de vrijgave van deze documenten heeft bevolen;

- in ieder geval K. voorbehoud te verlenen van het recht om een vordering tot schadevergoeding in te stellen; en

- S. te veroordelen tot het betalen van de kosten van het derdenverzet, incluis de dagvaardingskosten en de rechtsplegingsvergoeding voor beide aanleggen, telkens begroot op 1.440 EUR (basisbedrag).

3. Geïntimeerde, S.H. Comm.VA, kortweg “S.”, verzoekt het hof:

Het hoger beroep van K. en S.C. af te wijzen, en bijgevolg,

Het derdenverzet te verklaren wegens het niet respecteren van de dagvaardingstermijn;

In elk geval het derdenverzet volledig ongegrond te verklaren, en;

Bijgevolg de beschikking tot beschrijvend beslag van de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van koophandel te Brussel d.d. 22 maart 2018 in haar geheel te bevestigen en de griffie van de ondernemingsrechtbank te Brussel te bevelen de onder gesloten omslag door de deskundige meegedeelde stukken (minstens een kopie daarvan) op eerste verzoek vrij te geven aan S.;

In ieder geval, K. te veroordelen tot de gerechtskosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding ten belope van 1.440 EUR.

III. De feiten en de procedurevoorgaanden

4. K. en S. leggen diverse commerciële activiteiten aan de dag. Zij commercialiseren onder meer vrachtwagens waarin paarden worden vervoerd. Zij zijn elkaars concurrenten.

5. Door S. werd op 21 april 2017 een verzoekschrift tot beslag inzake namaak neergelegd voor de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van koophandel te Brussel.

Dit verzoekschrift was gesteund op een aantal intellectuele eigendomsrechten waarvan S. beweert houder te zijn, met name een ingeschreven gemeenschapsmodel en beweerde auteursrechten op paardenvrachtwagens, op de plannen en ontwerpen daarvan en op de inhoud en de vormgeving van een website.

Krachtens een beschikking uitgesproken op 25 april 2017 werd S. gemachtigd om over te gaan tot beslag inzake namaak op de maatschappelijke zetel van K. NV of op eender welke andere locatie waar de beweerdelijk inbreukmakende paardenvrachtwagens van K. zich zouden kunnen bevinden.

Rechtdoend op een derdenverzet van K., werd bij beschikking uitgesproken op 28 november 2017 de beschikking van 25 april 2017 herroepen.

6. Op 20 maart 2018 werd door S. een tweede verzoekschrift tot beslag inzake namaak (beschrijvende maatregelen) neergelegd voor de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van koophandel te Brussel.

Dit verzoekschrift was gesteund op de volgende intellectuele eigendomsrechten ingeroepen door S.:

- een ingeschreven gemeenschapsmodel nr. 001718479-0001;

- beweerde auteursrechten op de vormgeving en indeling van de lichte vrachtwagens voor twee paarden die beschikbaar zijn in twee versies (“single cab” en “double cab”);

- beweerde auteursrechten op de vormgeving en indeling van zware vrachtwagens voor meerdere paarden;

- beweerde auteursrechten op de plannen en ontwerpen van paardenvrachtwagens;

- beweerde auteursrechten op de vormgeving en inhoud van de websites van S.

Bij beschikking uitgesproken op 22 maart 2018 werd gemachtigd om over te gaan tot:

- be beschrijving van de beweerde namaak van de producten van S. en van alle informatie die van die aard is om de omvang, de oorsprong van de beweerde namaak te bepalen (hierna “de relevante Informatie”);

- zich toegang te verschaffen op het adres van de maatschappelijke zetel van K., in alle lokalen, opslagdepots, magazijnen, ateliers, showroom, burelen, parking of op eender welke andere locatie waar zich relevante informatie zou bevinden;

- over te gaan tot beschrijving van:

o elk voorwerp, element, bestand of document dat relevant kan zijn voor het bepalen van de verschillende betrokken actoren betrokken bij de eventuele namaak, in het bijzonder van de e-mailcorrespondentie die wordt aangetroffen op de servers van K. en die één of meerdere van de zoektermen bevat die opgesomd worden in de beschikking van 22 maart 2018;

o alle inkooporders, leveringsbonnen, invoer- en Ieveringsdocumenten, inkomende en uitgaande facturen en eventuele andere relevante documenten inzake de commercialisering van de desbetreffende goederen en de omvang daarvan, te verzamelen;

o in het algemeen, alle andere relevante vaststellingen te doen of alle documenten, papieren, bestanden (inclusief computerbestanden), rapporten, voorwerpen en geschriften op te vragen die nodig of nuttig zijn om de invoer, de opslag, het gebruik, de toepassing, het aanbieden of de levering van de litigieuze paardenvrachtwagens aan te tonen, alsook de omvang, de oorsprong en de bestemming van de vermeende inbreuk en foto's te nemen of te laten nemen, alsook kopieën (elektronisch of anderszins) of afschriften te maken van alle relevante Informatie;

o voor zover relevant om het bestaan, de omvang, de oorsprong en de bestemming van de inbreuk te beoordelen, deze documenten als bijlage bij zijn verslag te voegen, waar nodig bewerkt om irrelevante vertrouwelijke informatie te beschermen;

- alle maatregelen te nemen die nuttig zijn bij de uitvoering van zijn opdracht binnen de grenzen ervan, zoals kopiename, opslag op externe dragers van welke aard ook;

- een beroep te doen op één of meerdere medewerkers, zoals IT en/of financiële deskundigen.

De heer P.T. werd aangestelde als deskundige.

7. Op 12 april 2018 werd de beschikking van 22 maart 2018 op verzoek van S. aan K. betekend en onmiddellijk werd overgegaan tot de verrichtingen van beslag inzake namaak.

De deskundige stelde zijn verslag op op 22 mei 2018.

Uit dit verslag blijkt dat hij een deel van de informatie die hij vergaarde ter gelegenheid van het beslag inzake namaak niet heeft meegedeeld aan de partijen, doch onder gesloten omslag heeft neergelegd ter griffie van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel. Het gaat om informatie (stukken) die de deskundige als vertrouwelijke informatie van K. heeft beschouwd.

Het betreft de volgende stukken, vermeld op de inventaris met bijlagen aan het verslag:

17. S.C.: overzicht facturen zware vrachtwagens;

18. S.C.: facturen voor zware vrachtwagens voor 2016, 2017, 2018;

19. K.: facturen voor zware vrachtwagens voor 2013, 2014, 2015, 2016;

20, S.C.: overzicht facturen lichte vrachtwagens;

21. S.C.: facturen voor lichte vrachtwagens voor 2016, 2017, 2018.

8. Door middel van een e-mail van 8 mei 2018 werd door de raadslieden van K. een dagvaarding in derdenverzet ter kennis gebracht van de raadslieden van S. Er werd aangekondigd dat deze dagvaarding op 9 mei 2018 aan hun cliënt zou worden betekend.

Het derdenverzet van K. werd op 9 mei 2018 aan S. betekend, met dagvaarding om te verschijnen op de zitting van 15 mei 2018 van de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van koophandel te Brussel, zetelend in kort geding.

9. Bij de bestreden beschikking van 11 juli 2018, uitgesproken door de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van koophandel Brussel, zetelend in kort geding, werd het derdenverzet van K. onontvankelijk verklaard.

10. Het hoger beroep van K. tegen deze beschikking werd ingeleid voor het hof op de zitting van 17 september 2018, waarop partijen conclusietermijnen afspraken.

Teneinde op korte termijn een pleitdatum te bekomen, kwamen partijen op de zitting van het hof van 3 december 2018 overeen om het debat te beperken en rekening houdend daarmee een tweede syntheseconclusie neer te leggen.

Rekening houdend met hetgeen voorafgaat en met het gegeven dat de vordering tot staking die door S. werd aanhangig gemaakt tegen K., staat vastgesteld voor pleidooien op een zitting van 14 maart 2019 van de voorzitter van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank, zetelend zoals in kort geding, werd het door partijen beperkte debat op de zitting van het hof van 17 december 2018 vastgesteld op de zitting van het hof van 5 februari 2019.

IV. Bespreking
De ontvankelijkheid van het derdenverzet van K.

11. S. stelt dat de dagvaarding op derdenverzet die haar werd betekend op 9 mei 2018, om te verschijnen op de zitting van 15 mei 2018 voor de voorzitter van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel, zetelend in kort geding, nietig is. Het hoger beroep van K. zou om die reden onontvankelijk zijn.

Volgens S. dienden er immers 8 vrije dagen gelaten te worden tussen de dag van de betekening van de dagvaarding en de dag waarop zij voor de eerste rechter diende te verschijnen. In casu waren er tussen beide slechts 5 vrije dagen.

K. betwist hetgeen voorafgaat. Zij voert aan dat er slechts 2 vrije dagen dienden gelaten te worden tussen de dag van de betekening van de dagvaarding aan S. en de dag waarop zij voor de eerste rechter diende te verschijnen.

12. Het verzoekschrift tot beslag inzake namaak neergelegd door S. op 20 maart 2018 is een eenzijdig verzoekschrift, conform artikel 1369bis /1 tot en met 1369bis /10 Ger.W.

De voormelde bepalingen zijn de gedeeltelijke omzetting van richtlijn nr. 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten, kortweg “handhavingsrichtlijn”.

De uit een richtlijn voortvloeiende verplichting der lidstaten om het daarmee beoogde doel te verwezenlijken, alsook de verplichting krachtens artikel 5 EEG-Verdrag, thans artikel 4, 3. van het verdrag betreffende de Europese Unie, kortweg “VEU” om alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van die verplichting te verzekeren, geldt voor alle met overheidsgezag beklede instanties in de lidstaten, en dus, binnen het kader van hun bevoegdheden, ook voor de rechterlijke instanties. Hieruit volgt dat de nationale rechter bij de toepassing van het nationaal recht, ongeacht of het daarbij gaat om bepalingen die dateren van eerdere of latere datum dan de richtlijn, dit zoveel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn, ten einde het hiermee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 189, derde alinea EEG-Verdrag, thans artikel 288 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, kortweg “VWEU”, te voldoen (HvJ 30 november 1990, C-106/89, Marleasing SA, ECLI:EU/C/1990; 395).

Artikel 9, 4. van de handhavingsrichtlijn luidt als volgt:

“4. De lidstaten dragen er zorg voor dat de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen in passende gevallen kunnen worden genomen zonder dat de wederpartij is gehoord, met name indien uitstel onherstelbare schade voor de rechthebbende zou veroorzaken. In dit geval worden de partijen uiterlijk onmiddellijk na de uitvoering van de maatregelen hiervan in kennis gesteld. Op verzoek van de verweerder vindt een herziening plaats, met inbegrip van het recht te worden gehoord, teneinde te beslissen, binnen een redelijke termijn na de kennisgeving van de maatregelen, of deze maatregelen dienen te worden gewijzigd, herroepen of bevestigd.”

Uit de consideransen 20 en 22 van de handhavingsrichtlijn blijkt dat de rechten van de verdediging (in casu deze van de partij bij wie tot beslag inzake namaak werd overgegaan) dienen geëerbiedigd te worden.

Een verzoekschrift tot beslag inzake namaak krachtens artikelen 1369bis /1 en volgende Ger.W., wordt behandeld door de voorzitter van de ondernemingsrechtbank of de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg (wanneer het ingeroepen intellectueel eigendomsrecht een auteursrecht is).

Het eenzijdig verzoekschrift tot beslag inzake namaak laat toe binnen de kortst mogelijke termijn een beschikking te bekomen.

Krachtens artikel 1369bis /1, § 7 Ger.W. staat tegen een beschikking beslag inzake namaak voorziening open zoals bepaald in de artikelen 1031 tot 1034 Ger.W.

Artikel 1033 Ger.W. bepaalt dat al wie niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussengekomen, verzet kan doen tegen de beslissing die zijn rechten benadeelt.

Een derdenverzet tegen een beschikking waarbij een beslag inzake namaak werd toegestaan, wordt krachtens artikel 1125 Ger.W. met dagvaarding gebracht voor de rechter die de beslissing heeft gewezen, met name de voorzitter, zetelend in kort geding.

Krachtens artikel 1035, alinea 2 Ger.W., bedraagt de termijn van dagvaarding voor de inleiding en de behandeling van vorderingen in kort geding, ten minste 2 dagen.

Het recht van verdediging waarvan sprake in artikel 6 EVRM impliceert dat de partij bij wie tot beslag inzake namaak werd overgegaan, binnen dezelfde termijn als deze waarover de beslaglegger beschikte, de mogelijkheid moet hebben om ter vrijwaring van zijn rechten tegenspraak te voeren tegen de op eenzijdig verzoekschrift uitgesproken beschikking.

Op grond van de voorgaande overwegingen oordeelt het hof dat bij de betekening van een dagvaarding in derdenverzet tegen een beschikking waarbij krachtens artikel 1369bis /1 en volgende Ger.W. machtiging wordt verleend om over te gaan tot beslag inzake namaak, de termijn van dagvaarding minstens 2 dagen bedraagt, zoals bepaald in artikel 1035, alinea 2 Ger.W.

De dagvaarding houdende derdenverzet die K. op 9 mei 2018 liet betekenen aan S., om te verschijnen op de zitting van de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van koophandel te Brussel van 15 mei 2018, voldoet aan de voormelde voorwaarde.

Het hof besluit tot de ongegrondheid van de exceptie van nietigheid van de dagvaarding op derdenverzet die op 9 mei 2018 aan S. werd betekend.

13. Het hof besluit tot de ontvankelijkheid van het derdenverzet van K.

De gegrondheid van het middel van K. volgens hetwelk S. is tekortgekomen aan haar informatieplicht

14. Het debat voor het hof werd op de zitting van 5 februari 2019 beperkt zoals hiervoor uiteengezet.

K. voert aan dat op 22 maart 2018, datum waarop de eerste rechter de bestreden beschikking heeft uitgesproken, deze niet ter dege was ingelicht door S., die schromelijk is tekortgekomen aan haar plicht tot het verstrekken aan de voorzitter van correcte, volledige en objectieve informatie.

K. stelt uitdrukkelijk in haar tweede syntheseconclusie neergelegd op 14 december 2018 dat zij met klem betwist dat er sprake is van (prima facie) geldige rechten en een (prima facie) inbreuk, doch dat zij ervan overtuigd is dat er zich in deze zaak een fundamenteler probleem stelt, met name een manifeste schending van de informatieplicht. Zij vraagt uitdrukkelijk aan het hof om zich slechts daarover uit te spreken, en dus niet over het bestaan van de (prima facie) geldige rechten of een (prima facie) inbreuk.

15. Het hof stelt vast dat S. met haar verzoekschrift tot beslag inzake namaak van 20 maart 2018 de eerste rechter heeft ingelicht over het eerdere verzoekschrift tot beslag inzake namaak dat door haar was neergelegd, met name dat van 21 april 2017, en van het derdenverzet dat werd ingesteld door K. tegen de beschikking van 25 april 2017 die voormeld verzoekschrift gegrond had verklaard (stuk 11.3, randnr. 8, van S.). Tevens werd melding gemaakt van de beschikking van 28 november 2017, waarmee het middel van onontvankelijkheid van het verzoek van S. van 21 april 2017, opgeworpen door K. in het kader van de procedure op derdenverzet, gegrond werd verklaard.

De voorzitter van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel (vroeger Nederlandstalige rechtbank van koophandel te Brussel) is bekend en vertrouwd met de procedure van beslag inzake namaak en met de procedures op derdenverzet die daartegen desgevallend worden gevoerd. Minstens mag redelijkerwijze verwacht worden dat dit het geval is.

Het volstaat zodoende dat de voorzitter zou worden ingelicht over een derdenverzet tegen een eerdere beschikking die een beslag inzake namaak toestond, om te veronderstellen dat door de beslagene in het kader daarvan misschien niet alleen betwisting werd gevoerd aangaande de ontvankelijkheid van het verzoek tot beslag inzake namaak doch tevens aangaande de gegrondheid daarvan, of met andere woorden over het vervuld zijn van minstens één van de wettelijke voorwaarden om tot beslag inzake namaak te worden gemachtigd. In de hypothese van beschrijvende maatregelen, zoals in casu, betreft het de wettelijke voorwaarden van artikel 1369bis /1, § 3, 1) en 2) Ger.W.

De voorzitter is dan in de mogelijkheid om dit verder te onderzoeken (bv. door de verzoeker van een tweede beslag inzake namaak hierover in raadkamer te horen) alvorens uitspraak te doen, indien hij dit opportuun acht.

In die omstandigheden kan niet redelijkerwijze worden voorgehouden dat S. is tekortgekomen aan haar informatieplicht ten overstaan van de eerste rechter, laat staan dat zij daar schromelijk zou aan zijn tekortgekomen, zoals K. voorhoudt.

Om de eerste rechter voldoende in te lichten teneinde te oordelen over het verzoek tot beslag inzake namaak van S. van 20 maart 2018, was niet vereist dat deze laatste aan de voorzitter één of meer procedurestukken zou overleggen van de procedure op derdenverzet gevoerd door K. tegen de beschikking van 25 april 2017. Het volstond voor S. om, zoals zij deed, melding te maken van een eerder verzoek tot beslag inzake namaak, van de beschikking die daarop werd gewezen, van het derdenverzet dat daartegen werd ingesteld door K. en van de beschikking die, rechtdoende daarop, werd uitgesproken.

In casu achtte de voorzitter het blijkbaar niet nuttig om nadere informatie bij S. in te winnen om uitspraak te kunnen doen over het verzoekschrift van 20 maart 2018.

Het middel van K. is ongegrond.

De gegrondheid van de vordering in ondergeschikte orde van K.

16. Uit het verslag dat werd neergelegd door deskundige P.T., blijkt dat deze ter gelegenheid van het beslag inzake namaak bij K. vertrouwelijke informatie, eigen aan deze laatste, heeft aangetroffen.

Deze vertrouwelijke informatie (cf. het feitenrelaas) werd door de deskundige onder gesloten omslag neergelegd ter griffie van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel.

S. betwist niet dat het gaat om informatie die de rechter niet nodig heeft om haar vordering tot staking te beoordelen, zoals K. aanvoert.

In die omstandigheden is het verzoek van S. dat ertoe strekt te bevelen dat de onder gesloten omslag door de deskundige meegedeelde stukken (minstens een kopie daarvan) op eerste verzoek zouden worden vrijgegeven aan S., ongegrond en is het verzoek van K. dat ertoe strekt te horen verklaren dat S. geen toegang krijgt tot de door de deskundige onder gesloten omslag neergelegde documenten, tot de stakingsrechter het bestaan van een inbreuk op de intellectuele eigendomsrechten van S. zal hebben vastgesteld en bij een in kracht van gewijsde getreden beslissing de vrijgave van deze documenten zal hebben bevolen, gegrond.

Het hof herinnert er in dit verband aan dat er geen schadevergoeding kan worden gevorderd door middel van een vordering tot staking wegens een vermeende inbreuk op intellectuele eigendomsrechten. S. maakt niet aannemelijk, laat staan bewijst, dat zij de door de deskundige als vertrouwelijk bestempelde informatie nodig heeft teneinde het bewijs te leveren van de gegrondheid van haar vordering tot staking.

OM DEZE REDENEN:

HET HOF, rechtdoende na tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep van K. NV ontvankelijk en gegrond in de hierna bepaalde mate:

Doet de bestreden beschikking teniet;

Opnieuw rechtdoende;

Verklaart het derdenverzet van K. NV ontvankelijk;

Verklaart het derdenverzet van K. slechts gegrond in de volgende mate:

Zegt dat S.H. Comm.VA. geen toegang krijgt tot de door de deskundige onder gesloten omslag neergelegde documenten, tot de stakingsrechter het bestaan van een inbreuk op de intellectuele eigendomsrechten van S. zal hebben vastgesteld en bij een in kracht van gewijsde getreden beslissing de vrijgave van deze documenten zal zijn bevolen;

Wijst het door K. NV en S.C. BVBA meer gevorderde af;

Verklaart de nieuwe vordering van S.H. Comm.VA. ontvankelijk doch ongegrond;

Veroordeelt K. NV en S.C. BVBA, enerzijds, en S.H. Comm.VA., anderzijds, elk in de helft van de kosten van de dagvaarding in derdenverzet, vastgesteld in hoofde van K. NV en S.C. BVBA op 417,46 EUR en in de helft van de kosten van het verzoekschrift tot hoger beroep, vastgesteld in hoofde van K. NV en S.C. BVBA op 160 EUR + 40 EUR;

Slaat de rechtsplegingsvergoedingen om van de procedure in derdenverzet voor de eerste rechter en van deze van de procedure in hoger beroep.