Article

De onderzoeksbevoegdheid van de rechter bij een beslag inzake namaak, R.D.C.-T.B.H., 2020/3, p. 371-379

BESLAG EN EXECUTIE
Bewarend beslag - Beslag inzake namaak - Ontvankelijkheid derdenverzet en dagvaardingstermijn - Informatieplicht van de beslagleggende partij - Bescherming vertrouwelijke informatie
De termijn van dagvaarding bij de betekening van een dagvaarding in derdenverzet tegen een beschikking waarbij een beslag inzake namaak werd toegestaan, bedraagt minstens 2 dagen zoals bepaald in artikel 1035, alinea 2 Ger.W.
Op de partij die verzoekt om een beslag inzake namaak rust de verplichting om de voorzitter correct, volledig en objectief te informeren. Bij de beoordeling of aan deze verplichting is voldaan, mag men aannemen dat de voorzitter bekend en vertrouwd is met de procedure van het beslag inzake namaak en met de eventuele procedure op derdenverzet. De voorzitter heeft bovendien steeds de mogelijkheid om het verzoek verder te onderzoeken, bijvoorbeeld door de verzoeker in raadkamer te horen, alvorens uitspraak te doen.
De beslagleggende partij heeft geen recht op toegang tot het deel van de door de deskundige verzamelde informatie, dat als vertrouwelijk werd aangemerkt en onder gesloten omslag werd neergelegd ter griffie zonder deze aan partijen mee te delen, indien het niet gaat om informatie die de rechter nodig heeft om de beweerde inbreuk te beoordelen.
SAISIE ET EXÉCUTION
Saisie conservatoire - Saisie-contrefaçon - Recevabilité de la tierce opposition et délai de citation - Obligation d'information de partie saisissante - Protection des informations confidentielles
Le délai de citation pour une citation en tierce opposition dirigée contre une ordonnance autorisant une saisie en matière de contrefaçon, est au moins de 2 jours, conformément à l'article 1035, alinéa 2, C. jud.
La partie qui demande une mesure de saisie en matière de contrefaçon est tenue de l'obligation d'informer le président de manière correcte, complète et objective. Lorsque le président apprécie s'il a été satisfait à cette obligation, on peut supposer qu'il a connaissance de la procédure de saisie en matière de contrefaçon et, le cas échéant, de la procédure en tierce opposition. Le président a, en outre, toujours la possibilité d'analyser plus en détail la requête, par exemple en entendant le demandeur en chambre du conseil, avant de prononcer son jugement.
La partie saisissante n'a pas de droit d'accès aux informations rassemblées par l'expert, qui sont marquées comme confidentielles et déposées au greffe sous scellé sans être communiquées aux parties, s'il ne s'agit pas d'informations dont le juge a besoin pour apprécier l'atteinte alléguée.
De onderzoeksbevoegdheid van de rechter bij een beslag inzake namaak
Christian Dekoninck [1]

1.Het hierboven gepubliceerde arrest is relatief kort, maar om verschillende redenen interessant.

2.Allereerst bevestigt het hof van beroep van Brussel uitdrukkelijk dat bij de betekening van een dagvaarding in derdenverzet tegen een beschikking waarbij toelating werd verleend tot een beslag inzake namaak, de termijn van dagvaarding minstens 2 vrije dagen bedraagt conform artikel 1035, alinea 2 Ger.W., en dus geen 8 vrije dagen. Hiermee neemt het hof duidelijk standpunt in de controverse die hierover bestaat [2]. In eerste aanleg werd het derdenverzet immers om deze reden nog onontvankelijk verklaard.

3.Verder verduidelijkt het hof hoe ver de informatieplicht van de verzoeker bij een beslag inzake namaak reikt en herinnert het hof eraan dat de voorzitter steeds de mogelijkheid heeft om het verzoek verder te onderzoeken, bijvoorbeeld door de verzoeker in raadkamer te horen.

4.Over de informatieplicht die rust op de verzoekende partij in het kader van een beslag inzake namaak is zowel de rechtspraak [3] als de rechtsleer [4] vrij duidelijk: de voorzitter dient in het verzoekschrift correct, volledig en objectief geïnformeerd te worden over alle relevante omstandigheden van de zaak. Deze bijzondere informatieverplichting geldt als tegengewicht voor het eenzijdige karakter van de procedure en is een toepassing van de loyauteitsplicht bij procedures op eenzijdig verzoekschrift [5]. Dit is trouwens de reden waarom artikel 1026 Ger.W. uitdrukkelijk vereist dat het verzoekschrift - op straffe van nietigheid - wordt ondertekend door een advocaat en waarom artikel 1027 Ger.W. bepaalt dat enkel een advocaat (behoudens wettelijke uitzondering) zulk verzoekschrift kan indienen: deze bepalingen brengen geen verplichte wettelijke vertegenwoordiging van een partij tot stand, maar hebben enkel tot doel, dankzij de deontologische regelen waaraan de leden van de balie onderworpen zijn, de belangen van derden bij een rechtspleging op eenzijdig verzoekschrift te waarborgen [6]. Indien de verzoeker relevante informatie heeft achtergehouden, geniet de voorzitter over een ruime beoordelingsmarge om een sanctie op maat van de overtreding op te leggen [7]. In de eerste plaats kan de rechter de betrokken beschikking geheel of gedeeltelijk vernietigen [8], vervolgens kan ook een schadevergoeding worden opgelegd op grond van artikel 1382 BW of een geldboete op grond van artikel 780bis Ger.W. Tot slot kunnen aan de betrokken advocaat [9] ook deontologische sancties worden opgelegd [10].

5.Over de onderzoeksbevoegdheid van de voorzitter bij de beoordeling van een beslag inzake namaak is er daarentegen veel minder verschenen [11]. In deze noot wil ik hier kort op ingaan.

Samenvatting van de feiten en voorgaanden

6.De feiten die aan het arrest ten grondslag liggen kunnen kort als volgt worden samengevat. Stephex Holding (hierna “Stephex”) maakt deel uit van een groep van ondernemingen actief in de sector van de paardensport en legt diverse commerciële activiteiten aan de dag. Zo ontwerpt en commercialiseert deze groep onder meer vrachtwagens waarin paarden worden vervoerd. Stephex meent houder te zijn van verschillende intellectuele eigendomsrechten, waaronder een ingeschreven gemeenschapsmodel en beweerde auteursrechten op paardenvrachtwagens, op de plannen en ontwerpen daarvan en op de inhoud en vormgeving van een website.

7.Krismar is actief in dezelfde sector en commercialiseert eveneens paardenvrachtwagens. Volgens Stephex pleegt Krismar op verschillende manieren inbreuk op de intellectuele eigendomsrechten van Stephex. Teneinde hierover bewijsmateriaal te vergaren gaat Stephex in 2017 over tot een beslag inzake namaak. Bij beschikking van 25 april 2017 wordt door de voorzitter van de Nederlandstalige (toen) rechtbank van koophandel te Brussel toestemming verleend tot het leggen van een beslag inzake namaak bij Krismar. Stephex gaat over tot het leggen van dit beslag, waarna Krismar derdenverzet aantekent. Met succes, want bij beschikking van 28 november 2017 wordt de beschikking van 25 april 2017 vernietigd.

8.Stephex laat het hier echter niet bij en legt een tweede verzoekschrift tot beslag inzake namaak neer. Bij beschikking van 22 maart 2018 wordt door de voorzitter van de Nederlandstalige (toen) rechtbank van koophandel te Brussel (opnieuw) toestemming verleend tot het leggen van een beschrijvend beslag inzake namaak en (opnieuw) tekent Krismar derdenverzet aan. Deze keer is haar derdenverzet minder succesvol want bij beschikking van 11 juli 2018 wordt haar derdenverzet onontvankelijk verklaard. Tegen deze beschikking tekent Krismar hoger beroep aan, wat aanleiding heeft gegeven tot het geannoteerde arrest.

9.Om sneller een pleitdatum te bekomen, komen partijen in de loop van de procedure voor het hof van beroep overeen om het debat te beperken. Een van de vragen die dient beantwoord te worden, is of Stephex haar verplichting om de voorzitter volledig te informeren al dan niet heeft geschonden. Krismar was inderdaad van oordeel dat er sprake was van een manifeste schending van deze informatieplicht doordat Stephex in haar tweede verzoekschrift tot beslag inzake namaak niet voldoende duidelijk had gemaakt dat er in het kader van het derdenverzet tegen het eerste beslag inzake namaak niet alleen betwisting werd gevoerd over de ontvankelijkheid van het verzoek tot beslag inzake namaak, maar ook over de gegrondheid ervan. Doordat Stephex in haar tweede verzoekschrift enkel melding had gemaakt van haar eerdere verzoek tot beslag inzake namaak, van de beschikking die daarop werd gewezen, van het derdenverzet dat daartegen werd ingesteld door Krismar en van de beschikking die werd uitgesproken waarbij het derdenverzet gegrond werd geacht, zonder al deze stukken als dusdanig bij te voegen, zou er twijfel kunnen bestaan over de aard van de betwisting gevoerd door Krismar.

10.In zijn arrest wijst het hof van beroep dit argument van de hand. Het hof is van oordeel dat het niet nodig was voor Stephex om bij haar tweede verzoek tot beslag inzake namaak één of meer procedurestukken van de eerste procedure op derdenverzet over te maken om de voorzitter voldoende in te lichten, maar dat het volstond om hiervan melding te maken. Deze beslissing is gesteund op twee vaststellingen:

  1. de voorzitter van de Nederlandstalige (nu) ondernemingsrechtbank Brussel kan redelijkerwijze worden geacht bekend en vertrouwd te zijn met de procedure van het beslag inzake namaak en met de procedures op derdenverzet die daartegen worden gevoerd.
    Het volstaat dus om deze voorzitter in te lichten over het derdenverzet tegen een eerdere beschikking die een beslag inzake namaak toestond, opdat hij of zij zou veronderstellen dat in het kader daarvan betwisting werd gevoerd, niet alleen over de (on)ontvankelijkheid, maar ook over de gegrondheid ervan;
  • het hof wijst er ook op dat de voorzitter ook de mogelijkheid heeft om dit alles verder te onderzoeken (“bijvoorbeeld door de verzoeker van een tweede beslag inzake namaak hierover in raadkamer te horen”) alvorens uitspraak te doen, indien hij of zij dit opportuun acht.

Het hof vervolgt dat in deze zaak de voorzitter het blijkbaar niet nuttig heeft geacht om nadere informatie bij Stephex in te winnen om uitspraak te kunnen doen, wat aantoont dat deze zich voldoende geïnformeerd achtte.

11.Het hof van beroep van Brussel vult de informatieplicht die rust op de verzoekende partij in het kader van een beslag inzake namaak dus op pragmatische wijze in, waarbij het bevestigt dat partijen kunnen uitgaan van een zekere vertrouwdheid met de procedure van het beslag inzake namaak en, zo neem ik aan, met het intellectuele eigendomsrecht in het algemeen. Het volstaat dus om melding te maken van eerdere procedures op derdenverzet om de voorzitter voldoende in te lichten zonder dat alle procedurestukken moeten worden bijgevoegd.

12.Bovendien, zo stelt het hof in deze zaak die louter beschrijvende maatregelen betrof, heeft de voorzitter steeds de mogelijkheid om het verzoek tot beslag inzake namaak verder te onderzoeken, bijvoorbeeld door de verzoekende partij in raadkamer te horen alvorens uitspraak te doen. Bij deze herinnert het hof er dus aan dat de voorzitter in het kader van een beslag inzake namaak niet alleen de mogelijkheid heeft om, vooraleer beslagmaatregelen toe te staan, de door de beslagmaatregelen beoogde persoon te horen in aanwezigheid van de verzoeker [12], maar ook nog andere onderzoeksmogelijkheden heeft. Hierna wordt kort nagegaan wat de wettelijke grond is voor deze onderzoeksbevoegdheid en hoe deze in het kader van een beslag inzake namaak zou kunnen worden ingevuld.

Onderzoek van een vordering op eenzijdig verzoekschrift

13.De procedure van beslag inzake namaak wordt ingeleid op eenzijdig verzoekschrift, essentieel om tot een verrassingseffect te komen. De term “verzoekschrift” in artikel 1369bis /1, § 1 Ger.W. verwijst inderdaad naar het eenzijdig verzoekschrift en de procedure verloopt dus overeenkomstig de artikelen 1025 et seq. Ger.W. [13].

14.Met betrekking tot het onderzoek van een eenzijdig verzoekschrift bepaalt artikel 1028, eerste lid Ger.W. dat de voorzitter de vordering “onderzoekt”. Wat de voorzitter juist moet onderzoeken, wordt niet nader toegelicht. De rechtsleer neemt in elk geval aan dat het eenzijdige karakter van de procedure in ieder geval ruimere bevoegdheden van de rechter rechtvaardigt dan bij een tegensprekelijke procedure [14]. Op dit punt verschilt de taak van de voorzitter dus duidelijk van deze in een procedure op tegenspraak. Zo beschikt de rechter over ruimere bevoegdheden om ambtshalve middelen op te werpen, althans zolang de procedure eenzijdig blijft [15]. Boularbah benadrukt terecht dat deze ruime onderzoeksbevoegdheid enkel gerechtvaardigd is indien de beschikking op eenzijdig verzoekschrift uitvoerbaar bij voorraad is: indien dit niet het geval is [16], lijkt een verruimde onderzoeksbevoegdheid excessief [17]. In de meeste gevallen is een beschikking op eenzijdig verzoekschrift wel degelijk uitvoerbaar bij voorraad en kan deze beschikking dus niet worden verleend “sans un contrôle attentif et rigoureux du juge, en tenant compte bien entendu des éventuels impératifs d'urgence et d'efficacité” [18]. De vaak ingrijpende gevolgen verbonden aan dergelijke beschikkingen rechtvaardigen inderdaad een grondig onderzoek van het verzoekschrift.

15.Deze verruimde bevoegdheid van de voorzitter werd voorheen vergeleken met de taak van de rechter bij verstek. Hoewel algemeen werd aanvaard dat de rechter in dat geval in de eerste plaats een diepgaand processueel onderzoek diende te voeren, bestond er geen eensgezindheid over de vraag of de rechter ook de grond van de zaak al dan niet moest onderzoeken [19]. De wet van 19 oktober 2015 [20] voerde echter een volledig nieuw artikel 806 Ger.W. in volgens hetwelk de rechter in een verstekvonnis “de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij [inwilligt], behalve in zoverre de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde, met inbegrip van de rechtsregels die de rechter krachtens de wet ambtshalve kan toepassen”. Met andere woorden, wanneer de verschijnende partij verstek vordert, moet de rechter de eisen zonder meer inwilligen, tenzij de regels van openbare orde zich daartegen verzetten. Met deze regel heeft de wetgever dus duidelijk voor de minimalistische strekking gekozen die meent dat de rechter bij verstek het gevraagde zonder meer dient toe te kennen [21]. Deze keuze voor de minimalistische strekking was duidelijk gesteund op de redenering dat het niet de bedoeling kan zijn dat de rechter meer rechten geeft aan een partij die ervoor kiest om niet te verschijnen dan aan een partij die wel verschijnt [22]. Deze keuze van de wetgever inzake de taak van de rechter bij verstek kan niet zonder meer worden gevolgd in een eenzijdige procedure: daar waar bij een verstek een partij niet verschijnt, hoewel deze partij was opgeroepen en een tegensprekelijk debat dus mogelijk was geweest, is het uitgangspunt bij een eenzijdige procedure net dat er geen tegensprekelijk debat kan zijn. De partij die wordt geviseerd door het eenzijdige verzoekschrift heeft dus per definitie niet de mogelijkheid gehad om zich te verweren. De nieuwe regeling van artikel 806 Ger.W. doet m.i. dus op geen enkele wijze afbreuk aan de vaststelling hierboven dat een eenzijdig verzoekschrift in principe grondig onderzocht moet worden.

16.Dit grondig onderzoek door de voorzitter van een eenzijdig verzoekschrift betreft in de eerste plaats verschillende processuele aspecten:

    • eerst dient de voorzitter ambtshalve te onderzoeken of de vordering wel met een eenzijdig verzoekschrift kan worden ingesteld. Is dit niet het geval, dan is de vordering niet-ontvankelijk [23] dan wel nietig [24];
    • de voorzitter dient dan te onderzoeken of hij rechtsmacht heeft om van het geschil kennis te nemen, met andere woorden of het voorwerp van de eis tot het imperium van de rechterlijke macht behoort [25]: is dit niet het geval, moet hij de zaak uit handen geven. Of de voorzitter dit ambtshalve kan onderzoeken, is nog niet duidelijk [26]. M.i. zou het eigenaardig zijn dat de voorzitter dit niet ambtshalve kan onderzoeken, in tegenstelling tot de andere processuele aspecten die wel ambtshalve kunnen (en moeten) onderzocht worden;
    • vervolgens moet de voorzitter zijn materiële en territoriale bevoegdheid onderzoeken. Daar de bepalingen inzake materiële bevoegdheid van openbare orde zijn [27], leidt het geen twijfel dat deze vraag ambtshalve onderzocht moet worden. Hetzelfde geldt voor de regels van territoriale bevoegdheid die van openbare orde zijn (art. 632-633decies Ger.W.). Ook als de territoriale bevoegdheidsregels de openbare orde niet raken, neemt men aan dat de voorzitter de exceptie van onbevoegdheid ambtshalve kan opwerpen [28], hoewel er hier discussie over bestaat [29]. M.i. terecht wijzen Raes en Van Den Bossche er in dit verband op dat de niet-tussengekomen partij die verzet doet overeenkomstig de artikelen 1033 en 1034 Ger.W. niet onttrokken mag worden aan de rechter die de wet hem toekent, wat een ambtshalve onderzoek van alle territoriale bevoegdheidsregels rechtvaardigt [30].

    Bevoegdheidsincidenten dienen in principe te worden geregeld door de arrondissementsrechtbank (conform art. 640 Ger.W.) dan wel door de voorzitter van de rechtbank (conform art. 88, § 2 Ger.W.) indien het incident de verdeling van burgerlijke zaken onder de afdelingen, kamers of rechters van eenzelfde rechtbank betreft. Hoewel niet uitdrukkelijk voorzien door de wet, neemt men in geval van (extreme) urgentie aan dat de betrokken voorzitter het incident zelf kan regelen: de verwijzing naar de arrondissementsrechtbank is immers onverenigbaar met de urgentie [31];

    - een laatste processueel aspect betreft de toelaatbaarheidsvereisten van de vordering. Meer in het bijzonder dient de voorzitter ambtshalve te onderzoeken of de verzoeker het vereiste belang en de vereiste hoedanigheid heeft om de vordering in te stellen (art. 17 en 18 Ger.W.) [32].

    17.Over het onderzoek van de grond van de zaak, is er minder discussie. Gelet op het eenzijdige karakter van de procedure is het immers vanzelfsprekend dat de voorzitter de vordering van de verzoekende partij grondig onderzoekt: “(…) une telle procédure n'est tolérable que si elle est corrigée par de très larges pouvoirs d'investigation reconnus au juge (…)” [33]. De bedoeling is duidelijk: een grondig onderzoek dient te voorkomen dat lichtzinnige vorderingen op eenzijdig verzoekschrift worden toegestaan. De voorzitter onderzoekt de vordering in de eerste plaats op basis van de stukken die werden overgelegd. Artikel 1027 Ger.W. schrijft in dit verband trouwens voor dat onderaan het verzoekschrift de inventaris “van de genummerde en gebundelde stukken” moet worden overgeschreven. Deze vermelding is weliswaar niet op straffe van nietigheid voorgeschreven, maar zonder toevoeging van de stukken zal de rechter de vordering veelal onmogelijk kunnen beoordelen [34].

    18.De voorzitter dient hierbij de door de verzoeker aangehaalde feiten te controleren, kan eventueel onderzoeksmaatregelen bevelen en dient in het algemeen ambtshalve alle middelen op te werpen die passend lijken [35]. Indien onderzoeksmaatregelen worden bevolen, moet uiteraard rekening worden gehouden met de “proceseconomische richtlijn” opgenomen in artikel 875bis Ger.W. dat het subsidiariteitsbeginsel vooropstelt [36]. Toegepast op de beoordeling van een vordering op eenzijdig verzoekschrift betekent dit m.i. in de eerste plaats dat rekening moet worden gehouden met de eventuele urgentie van de vordering. Het is hoe dan ook duidelijk dat de voorzitter een ruime onderzoeksbevoegdheid geniet om de vordering op eenzijdig verzoekschrift te onderzoeken. Voor sommige procedures, zoals het beslag inzake namaak, bepaalt de wet overigens uitdrukkelijk welke elementen de voorzitter zeker dient te onderzoeken (cf. infra).

    19.De procedure op eenzijdig verzoekschrift betreft in wezen een schriftelijke rechtspleging, waarbij de voorzitter de vordering enkel op stukken onderzoekt [37]. Artikel 1028, tweede lid Ger.W. verduidelijkt evenwel dat de voorzitter in het kader van zijn onderzoek de verzoeker (en eventueel de tussenkomende partijen [38]) in raadkamer kan horen. De voorzitter heeft dus steeds de mogelijkheid om de verzoeker of een tussenkomende partij te horen, maar is hiertoe in principe [39] geenszins verplicht.

    20.In dit verband kan gewezen op de praktijk in sommige rechtbanken waarbij de voorzitter, voorafgaand aan de neerlegging van het verzoekschrift, kennis neemt van het (ontwerp van) verzoekschrift en de verzoeker effectief bevraagt omtrent de stellingen weergegeven in het verzoekschrift. Volgens het hof van beroep van Antwerpen is deze praktijk om proceseconomische redenen aanbevelenswaardig daar “dergelijke bevraging (al dan niet voorafgaandelijk de effectieve neerlegging) er net op geënt [is] om misbruiken te voorkomen en de rechten van de beslagene te vrijwaren” [40]. Volgens het hof kan uit dergelijke contacten geen “schijn van partijdigheid” worden afgeleid die de wraking van de betrokken voorzitter zou rechtvaardigen. Het hof benadrukt evenwel terecht dat het belangrijk is dat, indien tijdens dergelijke contacten elementen worden aangereikt die niet werden aangereikt in het verzoekschrift, de voorzitter hiervan melding moet maken in de beschikking. Derden die later geconfronteerd worden met de betrokken beschikking, moeten inderdaad weten op basis van welke informatie de beschikking werd gewezen. Indien de voorzitter, naast de inhoud van het verzoekschrift zelf, zijn beslissing steunt op eventueel mondelinge toelichtingen van de verzoeker, moet dit dus duidelijk vermeld worden in de beschikking.

    21.De conclusie is duidelijk. Bij de beoordeling van een vordering op eenzijdig verzoekschrift verschilt de taak van de voorzitter duidelijk van deze in een procedure op tegenspraak [41]. Teneinde misbruiken te voorkomen en de belangen van de derden (in het bijzonder van de door het verzoekschrift geviseerde partijen) te vrijwaren, dient de voorzitter bij afwezigheid van elke mogelijkheid tot tegenspraak een eenzijdig verzoekschrift grondig te onderzoeken waarbij zij ambtshalve alle middelen zal kunnen opwerpen die zij passend acht. Dit geldt zowel voor de verschillende processuele aspecten als voor de grond van de zaak. Deze ruime onderzoeksbevoegdheid kan niet los gezien worden van de bijzondere informatieverplichting die rust op de verzoeker: beide aspecten gelden als tegengewicht voor het eenzijdige karakter van de procedure.

    Onderzoek van een verzoek tot beslag inzake namaak

    22.De voorgaande principes gelden ook voor de voorzitter die een eenzijdig verzoek tot beslag inzake namaak dient te beoordelen, waarbij hij/zij uiteraard ook rekening dient te houden met de specifieke bepalingen over het beslag inzake namaak (art. 1369bis /1 et seq. Ger.W.). Het ingrijpende karakter van het beslag inzake namaak, ook van een louter beschrijvend beslag inzake namaak [42], rechtvaardigt inderdaad zonder twijfel zowel de bijzondere informatieverplichting van de verzoeker als de ruime onderzoeksbevoegdheid van de voorzitter.

    23.Wat betreft het onderzoek van de processuele aspecten, wijs ik in dit verband op volgende elementen die eigen zijn aan het beslag inzake namaak:

      • wat betreft de territoriale en materiële bevoegdheid, dient de voorzitter zijn bevoegdheid te onderzoeken op grond van artikel 633quinquies, § 3 Ger.W.

      Deze bepalingen zijn vrij duidelijk en zorgen voor een zekere centralisatie van de materie. Voor bepaalde materies [43] zijn enkel de voorzitters van de Nederlands- en Franstalige ondernemingsrechtbanken Brussel bevoegd, terwijl voor de andere materies de voorzitters van de ondernemingsrechtbanken [44] gevestigd in de zetel van een hof van beroep bevoegd zijn. Bedoeling van de wetgever was om aldus te zorgen voor een zekere specialisatie wat inderdaad gelukt is. In de praktijk geven deze regels relatief weinig aanleiding tot discussie [45].

      Sinds de hervorming van het gerechtelijk landschap met ingang vanaf 1 april 2014 werd de arrondissementele indeling van de (toen) rechtbanken van koophandel evenwel doorbroken om deze rechtbanken in principe te organiseren op het niveau van de rechtsgebieden van de hoven van beroep [46]. Dit heeft als gevolg dat bijvoorbeeld de ondernemingsrechtbank Gent bevoegd is voor de arrondissementen Oost- en West-Vlaanderen en de ondernemingsrechtbank Henegouwen voor het arrondissement Henegouwen, wat overeenstemt met het rechtsgebied van het hof van beroep van Gent respectievelijk Bergen. Vraag is of dit tot gevolg heeft dat men bij elk van de afdelingen van deze rechtbanken nu een verzoek tot beslag inzake namaak zou kunnen indienen, daar ze deel uitmaken van een rechtbank “gevestigd in de zetel van een hof van beroep”. Mij lijkt dit hoe dan ook in strijd te zijn met de wil van de wetgever om tot een zekere vorm van centralisatie en specialisatie te komen [47], maar een verduidelijking is wenselijk.

      Ook wat betreft de toelaatbaarheidsvereisten zijn de wettelijke bepalingen over het beslag inzake namaak relatief duidelijk [48]. Op grond van artikel 1369bis /1, § 1 Ger.W. is deze procedure voorbehouden aan de personen die op grond van de in dat artikel (op limitatieve wijze) opgesomde rechten een vordering inzake namaak kunnen instellen [49].

      De voorzitter zal in dit verband dienen na te gaan of de verzoeker de vereiste hoedanigheid heeft om een beslag inzake namaak in te dienen. Voor intellectuele eigendomsrechten die een inschrijving vereisen (zoals een merk of een octrooi) zal dit vrij eenvoudig kunnen worden onderzocht aan de hand van de betrokken inschrijving. Voor intellectuele eigendomsrechten die daarentegen vormvrij tot stand komen, zoals het auteursrecht, zal dit soms een uitgebreider onderzoek vereisen van de zogenaamde chain of title, tenzij de verzoeker een beroep kan doen op het vermoeden van artikel XI.170, tweede lid WER. Daar de wetgever deze procedure uitdrukkelijk heeft voorbehouden aan personen die een vordering inzake namaak kunnen instellen, zal de verzoeker de vereiste hoedanigheid in elk geval op basis van de overgemaakte stukken zonder twijfel moeten kunnen aantonen. Indien er twijfel bestaat over de vereiste hoedanigheid, zelfs na een bijkomend onderzoek, zal de vordering als ontoelaatbaar moeten worden afgewezen [50]. Niets belet echter dat dezelfde vordering later opnieuw wordt ingesteld indien de vereiste hoedanigheid op dat moment wel kan worden aangetoond [51].

      Het hof van beroep van Antwerpen [52] oordeelde echter dat de vraag of de verzoeker al dan niet gerechtigd is om een beslag inzake namaak in te stellen, ogenschijnlijk (prima facie) beoordeeld moet worden, onder andere om de toegang tot het beslag inzake namaak niet al te veel te hypothekeren. Verder wordt deze beslissing ook gesteund op de vaststelling dat de handhavingsrichtlijn deze voorwaarde niet stelt om een vordering in te stellen. Dit is volgens mij in strijd met de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever om de eenzijdige en ingrijpende procedure van het beslag inzake namaak voor te behouden aan een welbepaalde categorie van personen, zoals ook blijkt uit de tekst van zowel de Belgische wet als de Handhavingsrichtlijn [53]. Het volstaat m.i. dus niet dat prima facie blijkt dat de verzoeker tot deze categorie behoort: indien na onderzoek van door de verzoeker neergelegde stukken en inlichtingen niet met voldoende zekerheid blijkt dat hij een vordering inzake namaak kan instellen, moet de vordering worden afgewezen als ontoelaatbaar. Zoals hierboven aangegeven, belet niets dat dezelfde vordering nadien opnieuw wordt ingesteld (met meer bewijselementen). Een eventuele afwijzing van het gevraagde beslag inzake namaak bij gebrek aan hoedanigheid belet a fortiori niet dat een bodemprocedure wordt opgestart, in de eerste plaats om duidelijkheid te verkrijgen over het houderschap.

      24.Wat de grond van de zaak betreft, bepalen de betrokken artikelen welke voorwaarden onderzocht moeten worden opdat beschrijvende [54] dan wel bewarende [55] maatregelen bevolen kunnen worden. Het lijkt me in het licht van het voorgaande vanzelfsprekend dat de voorzitter ruime onderzoeksbevoegdheden heeft om na te gaan of aan deze voorwaarden is voldaan.

      25.Dit betekent voor alle duidelijkheid niet dat aan die voorwaarden een andere (strengere) invulling moet worden gegeven, wel dat de voorzitter over ruime onderzoeksbevoegdheden beschikt om de feitelijke beweringen van de verzoeker effectief te controleren. Zo dient de verzoeker (onder meer) concrete of reële aanwijzingen van een inbreuk aan te brengen om beschrijvende maatregelen te bekomen [56]: deze aanwijzingen dient de voorzitter (uiteraard) grondig te onderzoeken, wat niet betekent dat hij aan deze voorwaarde daarom een strengere invulling moet geven.

      26.In de eerste plaats heeft het hof van beroep in het geannoteerde arrest er terecht aan herinnerd dat de voorzitter steeds de mogelijkheid heeft om de verzoeker te horen en dit conform artikel 1028, tweede lid Ger.W. Specifiek wat betreft het beslag inzake namaak bepaalt artikel 1369bis /1, § 4, tweede lid Ger.W. verder ook nog dat de voorzitter, vooraleer beslagmaatregelen toe te staan, de door de maatregelen beoogde persoon in raadkamer kan horen in aanwezigheid van de verzoeker. Met deze bijkomende mogelijkheid om de geviseerde persoon te horen wenste de wetgever de nadelen van het eenzijdig karakter te corrigeren en misbruiken te voorkomen [57]. Daar dit aan de beslagmaatregel elk verrassingseffect zou ontnemen, lijkt van deze mogelijkheid in de praktijk [58] weinig (tot nooit) gebruik te worden gemaakt. Hetzelfde geldt m.i. echter ook voor de mogelijkheid om de verzoeker te horen waarvan (te) weinig gebruik wordt gemaakt. Zulk verhoor van de verzoeker kan evenwel ook bijdragen tot het voorkomen van misbruiken. In deze kan verwezen worden naar de praktijk bij bijvoorbeeld de Antwerpse rechtbank om de verzoeker te bevragen omtrent de stellingen weergegeven in het verzoekschrift, al dan niet voorafgaand aan de neerlegging van het verzoekschrift. Zoals hierboven aangegeven, bevestigde het hof van beroep van Antwerpen dat een verhoor van de verzoeker kan helpen “om misbruiken te voorkomen en de rechten van de beslagene te vrijwaren” [59], op voorwaarde evenwel dat in de uiteindelijke beschikking duidelijk wordt vermeld welke bijkomende inlichtingen tijdens het verhoor werden meegedeeld.

      27.Vervolgens kan de voorzitter ook steeds een onderzoeksmaatregel bevelen indien er twijfel bestaat over de beweringen van de verzoeker. Indien het mogelijk is om in het kader van een octrooirechtelijke procedure in kort geding, wat urgentie veronderstelt, een deskundige aan te stellen [60], zie ik geen enkel bezwaar om dit ook niet te doen in het kader van de beoordeling van een beslag inzake namaak, waar urgentie niet eens wordt vereist. Het hoeft echter niet zo ver te gaan: het Gerechtelijk Wetboek somt immers verschillende onderzoeksmaatregelen op, naast het deskundigenonderzoek, die eventueel interessant kunnen zijn (bv. de overlegging van stukken, het getuigenverhoor of vaststelling door gerechtsdeurwaarders) [61].

      28.Deze ruime onderzoeksbevoegdheid van de voorzitter kan van pas komen bij de beoordeling van de verschillende voorwaarden voor het leggen van een beslag inzake namaak, in de eerste plaats voor wat betreft de beoordeling van de ogenschijnlijke geldigheid van het ingeroepen recht. Zeker indien het ingeroepen intellectueel eigendomsrecht zonder enige formaliteit tot stand komt, zoals een auteursrecht of een niet-ingeschreven gemeenschapsmodel, is een werkelijke beoordeling nodig waarbij de voorzitter over enige beoordelingsmarge beschikt [62]. Deze beoordeling, zeker voor bijvoorbeeld software, databanken of functionele werken, is niet steeds voor de hand liggend en kan dus bijkomende onderzoeksmaatregelen rechtvaardigen. In geval van ernstige twijfel over de vereiste originaliteit of eigen karakter, bijvoorbeeld bij gebrek aan duidelijke informatie hierover, dient de voorzitter m.i. niet te aarzelen om de verzoeker te horen dan wel een andere onderzoeksmaatregel te bevelen vooraleer het beslag inzake namaak toe te staan. Vermeden dient in elk geval te worden dat een beslag inzake namaak wordt toegestaan op basis van een verzoekschrift waaruit “op geen enkele wijze [blijkt] hoe en waarom de software waarvan [de verzoekers] auteursrechtelijke bescherming inroepen, origineel zou zijn. Zij geven hiertoe zelfs geen aanzet” [63].

      29.Ook bij de beoordeling van de beweerde inbreuk kan een verhoor van de verzoeker of een bijkomende onderzoeksmaatregel zeer relevant zijn. Om zelfs enkel beschrijvende maatregelen te bekomen, volstaat het immers niet dat namaak louter mogelijk is omwille van de omstandigheden van de zaak, maar is het wel degelijk noodzakelijk dat “de genoemde omstandigheden namaak waarschijnlijk maken, dat zij een vermoeden in deze zin doen ontstaan. In die zin moeten de vooropgestelde feiten van die aard zijn dat zij op zichzelf, of door een samenlezing van de verschillende feiten, een inbreuk, of een dreiging van een inbreuk, doen vermoeden” [64]. Om de beweringen en feiten weergegeven in een verzoekschrift te kunnen beoordelen en na te gaan of aan deze voorwaarde is voldaan, zou een verhoor van de verzoeker m.i. in veel gevallen nuttig kunnen zijn, al was het maar om de impact van het gevraagde beslag inzake namaak goed te kunnen inschatten. Dit is zeker zo in bepaalde sectoren (bv. de farmaceutische of biotechnologische sector) of voor bepaalde producten (bv. software) die een grote mate van gespecialiseerde (niet-juridische) kennis veronderstellen die de voorzitter niet noodzakelijkerwijze bezit. Daar de voorzitter over verschillende mogelijkheden beschikt om de feitelijke elementen in een verzoekschrift grondig te onderzoeken, wil ik hier voor alle zekerheid op wijzen om ten volle hiervan gebruik te maken teneinde misbruiken nog meer te kunnen voorkomen en de rechten van derden zoveel als mogelijk te vrijwaren, wat de uitdrukkelijke taak is van de voorzitter bij de beoordeling van een eenzijdig verzoekschrift.

      30.Tot slot nog volgende opmerking. Het feit dat een voorzitter gebruik maakt van de mogelijkheden tot bijkomend onderzoek van het verzoekschrift hoeft niet noodzakelijk te betekenen dat de verzoeker tekort is geschoten in de bijzondere informatieverplichting die op hem rust. Het loutere feit dat de voorzitter bepaalde veronderstellingen in het verzoekschrift wil toetsen of bevragen, betekent geenszins dat om die reden alleen de verzoeker zijn informatieverplichting niet heeft nageleefd.

      Besluit

      31.In het arrest hierboven heeft het hof van beroep van Brussel (onder andere) terecht herinnerd aan de mogelijkheid die de voorzitter steeds heeft om een partij die een verzoek tot beslag inzake namaak heeft neergelegd, te horen in raadkamer. Naast deze mogelijkheid om de verzoeker te horen kan de voorzitter ook andere onderzoeksmaatregelen bevelen om de beweringen van de verzoeker te onderzoeken en, in het algemeen, elk passend middel ambtshalve op te werpen. Het eenzijdige en ingrijpende karakter van het beslag inzake namaak rechtvaardigt deze ruime onderzoeksbevoegdheid van de voorzitter bij de beoordeling van een eenzijdig verzoekschrift tot beslag inzake namaak. Deze ruime onderzoeksbevoegdheid dient, samen met de bijzondere informatieverplichting die rust op de verzoeker, als tegengewicht te worden beschouwd voor het eenzijdige karakter van de procedure teneinde misbruiken te voorkomen en de rechten van de afwezige derden te vrijwaren.

      [1] Advocaat, Taylor Wessing.
      [2] Zie over de controverse betreffende de dagvaardingstermijn die bij derdenverzet in acht moet worden genomen bv. G. de Leval (ed.), Droit judiciaire, Tome 2, Manuel de procédure civile, Bruxelles, Larcier, 2015, 1120-1121 en K. Wagner, Burgerlijk procesrecht in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 2014, 959.
      [3] Zie bv. de rechtspraak aangehaald in Ph. de Jong, C. Ronse en K. Claeye, “Overzicht van rechtspraak. Evoluties in het octrooirecht (2014-2018)”, TBH 2018, 777.
      [4] Zie bv. K. Neefs, “De informatieplicht bij beslag inzake namaak” (oot onder Antwerpen 30 april 2014), IRDI 2014, 655-659 en C. Ronse en G. Froidbise, “Intellectuele rechten: beslag inzake namaak” in X, Bestendig Handboek Deskundigenonderzoek, Mechelen, Wolters Kluwer Belgium, losbl., VI.2-30.
      [5] H. Boularbah, Requête unilatérale et inversion du contentieux, Brussel, Larcier, 2010, 541-543.
      [6] Cass. 29 oktober 1976, BRH 1977, 107.
      [7] K. Neefs, “De informatieplicht bij beslag inzake namaak” (noot onder Antwerpen 30 april 2014), IRDI 2014, 658.
      [8] Het verschaffen van onvolledige informatie leidt evenwel niet noodzakelijkerwijze tot de intrekking van de beschikking: zie Brussel 3 november 2015, onuitg. aangehaald in Ph. de Jong, C. Ronse en K. Claeye, “Overzicht van rechtspraak. Evoluties in het octrooirecht (2014-2018)”, TBH 2018, 777.
      [9] Zoals al aangegeven, bepaalt art. 1027 Ger.W. dat een eenzijdig verzoekschrift enkel door een advocaat kan worden ingediend, behoudens uitzonderingen waarin de wet uitdrukkelijk voorziet.
      [10] Over deze mogelijke sancties, zie H. Boularbah, Requête unilatérale et inversion du contentieux, Brussel, Larcier, 2010, 545.
      [11] Hierbij moet er wel op gewezen worden dat afwijzende beslissingen (eventueel na een verhoor van de verzoekende partij) om evidente redenen meestal niet worden gepubliceerd.
      [12] Conform art. 1369bis /1, § 4, alinea 2 Ger.W. Over deze “procedurele curiositeit”, zie C. Ronse en G. Froidbise, “Intellectuele rechten: beslag inzake namaak” in X, Bestendig Handboek Deskundigenonderzoek, Mechelen, Wolters Kluwer Belgium, losbl., VI.2-44.
      [13] Parl.St. Kamer 2006-07, nrs. 51-2943/001 en 51/2944/001, 56.
      [14] Zie bv. A. Smets, “Inhoud van het eenzijdig verzoekschrift” in N. Clijmans (ed.), Bestendig Handboek Burgerlijk Procesrecht, Mechelen, Wolters Kluwer Belgium, losbl., VI.2-11.
      [15] S. Raes en M.-C. Van Den Bossche, “Commentaar bij artikel 1028 Ger.W.” in X, Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Wolters Kluwer Belgium, losbl., 1028-1.
      [16] Bv. bij de summiere rechtspleging om betaling te bevelen voorzien in de art. 1338 et seq. Ger.W.
      [17] H. Boularbah, Requête unilatérale et inversion du contentieux, Brussel, Larcier, 2010, 541.
      [18] H. Boularbah, Requête unilatérale et inversion du contentieux, Brussel, Larcier, 2010, 541.
      [19] J. Laenens, D. Scheers, P. Thiriar, S. Rutten en B. Vanlerberghe, Handboek Gerechtelijk Recht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 407 et seq.
      [20] Potpourri I (BS 22 oktober 2015).
      [21] Parl.St. Kamer 2014-15, nr. 54-1219/005, 97.
      [22] Zie bv. Parl.St. Kamer 2014-15, nr. 54-1219/005, 100.
      [23] Antwerpen 8 oktober 2014, P&B 2015, 204: art. 700 Ger.W. bepaalt weliswaar dat hoofdvorderingen “op straffe van nietigheid” bij dagvaardingen voor de rechter worden gebracht, maar het hof oordeelde dat “de nietigheidsleer van artikel 860 Ger.W. duidelijk niet bedoeld kan zijn voor gevallen als deze, waar een verkeerde rechtsingang impliceert dat geen tegenpartij voorhanden is en tegenspraak per definitie afwezig blijft”.
      [24] H. Boularbah, Requête unilatérale et inversion du contentieux, Brussel, Larcier, 2010, 548 en 551-553.
      [25] J. Laenens, D. Scheers, P. Thiriar, S. Rutten en B. Vanlerberghe, Handboek Gerechtelijk Recht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 237-238.
      [26] A. Smets, “Inhoud van het eenzijdig verzoekschrift” in N. Clijmans (ed.), Bestendig Handboek Burgerlijk Procesrecht, Mechelen, Wolters Kluwer Belgium, losbl., VI.2-13.
      [27] Cass. 2 april 2001, Soc.Kron. 2002, 324.
      [28] S. Raes en M.-C. Van Den Bossche, “Commentaar bij artikel 1028 Ger.W.” in X, Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Wolters Kluwer Belgium, losbl., 1028-1 en H. Boularbah, Requête unilatérale et inversion du contentieux, Brussel, Larcier, 2010, 548-549.
      [29] A. Smets, “Inhoud van het eenzijdig verzoekschrift” in N. Clijmans (ed.), Bestendig Handboek Burgerlijk Procesrecht, Mechelen, Wolters Kluwer Belgium, losbl., VI.2-13/14.
      [30] S. Raes en M.-C. Van Den Bossche, “Commentaar bij artikel 1028 Ger.W.” in X, Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Wolters Kl uwer Belgium, losbl., 1028-1. Zie ook H. Boularbah, Requête unilatérale et inversion du contentieux, Brussel, Larcier, 2010, 548, die uitdrukkelijk bevestigt dat de rechter ambtshalve dient te onderzoeken of zij materieel en territoriaal bevoegd is.
      [31] Zie bv. Vz. Kh. Brussel 5 juli 2013, Jaarboek Marktpraktijken 2013, 1188.
      [32] Er anders over oordelen “opent de deur voor onrechtmatig ingestelde vorderingen” (N. Clijmans (ed.), Bestendig Handboek Burgerlijk Procesrecht, Mechelen, Wolters Kluwer Belgium, losbl., VI.2-16.
      [33] H. Solus en R. Perrot, Droit judiciaire privé, Tome III, Parijs, Sirey, 1164, aangehaald door A. Smets, “Inhoud van het eenzijdig verzoekschrift” in N. Clijmans (ed.), Bestendig Handboek Burgerlijk Procesrecht, Mechelen, Wolters Kluwer Belgium, losbl., VI.2-16.
      [34] S. Raes en M.-C. Van Den Bossche, “Commentaar bij artikel 1027 Ger.W.” in X, Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Wolters Kluwer Belgium, losbl., 1027-1.
      [35] H. Boularbah, Requête unilatérale et inversion du contentieux, Brussel, Larcier, 2010, 554.
      [36] J. Laenens, D. Scheers, P. Thiriar, S. Rutten en B. Vanlerberghe, Handboek Gerechtelijk Recht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 619.
      [37] J. Laenens, D. Scheers, P. Thiriar, S. Rutten en B. Vanlerberghe, Handboek Gerechtelijk Recht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 383.
      [38] Over de (uitzonderlijke) tussenkomst van derden in een eenzijdige procedure vooraleer de beschikking is uitgesproken en de invloed hiervan op het eenzijdige karakter van de procedure, zie S. Raes en M.-C. Van Den Bossche, “Commentaar bij artikel 1027 Ger.W.” in X, Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Wolters Kluwer Belgium, losbl., 1028-2 en 3.
      [39] In sommige gevallen bepaalt de wet uitdrukkelijk dat bepaalde partijen dienen te worden gehoord; zie bv. art. 1245 Ger.W.
      [40] Antwerpen 11 juni 2018, IRDI 2018, 143.
      [41] S. Raes en M.-C. Van Den Bossche, “Commentaar bij artikel 1028 Ger.W.” in X, Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Wolters Kluwer Belgium, losbl., 1028-1.
      [42] Cappuyns heeft het in dit verband over “een explosief instrument dat in handen van een rechtstreekse concurrent aanzienlijke schade kan toebrengen” (P. Cappuyns, “Aanwijzingen van inbreuk voor een zuiver beschrijvend beslag inzake namaak: de octrooihouder moet eerst zijn huiswerk maken” (noot onder Brussel 24 mei 2016), IRDI 2016, 253.
      [43] Voor een beslag inzake namaak op grond van een octrooi, een aanvullende beschermingscertificaat, een uniemerk of een gemeenschapsmodel.
      [44] Voor een beslag inzake namaak op grond van het auteursrecht, de naburige rechten en het recht van de producenten van de databanken kunnen ook de voorzitters van de rechtbank van eerste aanleg bevoegd zijn.
      [45] Bv. Gent 18 juni 2018, 2018/RK/8, onuitg. (over een beslag inzake namaak op basis van een octrooi ingediend bij de voorzitter van de (toen) rechtbank van koophandel van Gent, terwijl enkel de voorzitter van de Brusselse ondernemingsrechtbanken hiervoor bevoegd zijn).
      [46] J. Laenens, D. Scheers, P. Thiriar, S. Rutten en B. Vanlerberghe, Handboek Gerechtelijk Recht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 176-177.
      [47] Contra: Vz. Orb. Henegouwen (afd. Doornik) 18 december 2019, C/19/00006, onuitg.
      [48] Voor een overzicht, zie C. Dekoninck, J. Figys en J. Busse, Het beslag inzake namaak. Een stand van zaken, Gent, Larcier, 2017, 5-9 en M.C. Janssens, “Wie kan de vordering(en) tot handhaving van de intellectuele rechten instellen?” in F. Brison (ed.), Sancties en procedures in intellectuele rechten, Brussel, Larcier, 2008, 29-65. Voor sommige rechten heeft de wetgever evenwel nagelaten duidelijk te identificeren wie een vordering inzake namaak kan instellen (topografie van halfgeleiderproducten, recht van producenten van databanken, geografische aanduidingen en benamingen van oorsprong). Janssens stelt m.i. terecht dat dit betekent dat enkel de houders van de betrokken rechten een vordering inzake namaak (en dus een beslag inzake namaak) kunnen instellen: zie M.C. Janssens, “Wie kan de vordering(en) tot handhaving van de intellectuele rechten instellen?” in F. Brison (ed.), Sancties en procedures in intellectuele rechten, Brussel, Larcier, 2008, 54-55. Ook voor het auteursrecht is de situatie nog niet helemaal duidelijk daar art. XVII.19, § 2 WER enkel bepaalt welke personen een stakingsvordering kunnen instellen. Het is niet duidelijk of deze ruime categorie van personen ook allemaal een vordering inzake namaak (en dus een beslag inzake namaak) kunnen instellen.
      [49] Deze vordering maakt aldus een zogenaamde voorbehouden of toegewezen vordering uit (“une action attitrée”) die door de wetgever aan welbepaalde personen is voorbehouden. Zie hierover P. Vanlersberghe,“Commentaar bij artikel 17 Ger.W.” in X, Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Wolters Kluwer Belgium, losbl., 17-34.
      [50] Zie bv. Brussel 21 februari 2017, RABG 2017, 1566 waarbij een octrooirechtelijke vordering in kort geding uitgaande van de Belgische dochteronderneming van een buitenlandse octrooihouder als ontoelaatbaar werd afgewezen.
      [51] G. de Leval (ed.), Droit judiciaire, Tome 2, Manuel de procédure civile, Brussel, Larcier, 2015, 96-97 (vn. 277).
      [52] Antwerpen 11 juni 2018, IRDI 2018, 143. Het hof maakt hierbij een onderscheid tussen hoedanigheid in procesrechtelijke zin en materieelrechtelijke vorderingsgerechtigdheid, wat de grond van de zaak zou betreffen.
      [53] Zo heeft art. 7, 1. van de Handhavingsrichtlijn betrekking op maatregelen om bewijsmateriaal “in verband met de vermeende inbreuk” op intellectuele eigendomsrechten te beschermen, wat losstaat van de beoordeling van het houderschap van de betrokken rechten. De art. 4 en 5 daarentegen bevatten wel bepalingen over de personen die bevoegd zijn de betrokken procedures op te starten en uit niets blijkt dat dit slechts ogenschijnlijk beoordeeld moet worden.
      [54] Om beschrijvende maatregelen toe te staan dient de voorzitter te onderzoeken (i) of het intellectueel eigendomsrecht waarvan de bescherming wordt ingeroepen, ogenschijnlijk geldig is en (ii) of er aanwijzingen zijn dat inbreuk zou zijn gemaakt op het intellectueel eigendomsrecht of dat een inbreuk dreigt (art. 1369bis /1, § 3 Ger.W.).
      [55] Om bewarende maatregelen toe te staan dient de voorzitter te onderzoeken (i) of het intellectueel eigendomsrecht waarvan de bescherming wordt ingeroepen, ogenschijnlijk geldig is, (ii) of de inbreuk op het betrokken intellectueel recht niet redelijkerwijze betwist kan worden en (iii) of, na de betrokken belangen, waaronder het algemene belang, te hebben afgewogen, de feiten en, in voorkomend geval, de stukken waarop de verzoeker zich baseert van dien aard zijn dat ze het beslag - dat tot de bescherming strekt van het ingeroepen recht - redelijkerwijze verantwoorden (art. 1369bis /1, § 5 Ger.W.).
      [56] Zie hierover P. Cappuyns,“Aanwijzingen van inbreuk voor een zuiver beschrijvend beslag inzake namaak: de octrooihouder moet eerst zijn huiswerk maken”, IRDI 2016, 259-264.
      [57] J.D. Lindemans, “Het verzoek om te worden gehoord van de partij die het voorwerp dreigt uit te maken van een beslag inzake namaak: voorkomen is beter dan genezen”, ICIP 2010, 504.
      [58] Daar niet alle beslissingen, en zeker niet de weigeringsbeslissingen, worden gepubliceerd, is het uiteraard moeilijk om een zicht te hebben op de “praktijk”.
      [59] Antwerpen 11 juni 2018, IRDI 2018, 143.
      [60] Zie bv. Vz. Kh. Brussel (Fr.) 27 februari 2018, C/17/00055, VZ. KH. Brussel (Fr.) 27 februari 2018, IRDI 2018, 159.
      [61] Zie hierover D. Mougenot, “Le charme discret des 'petites' mesures d'instruction”, P&B 2009, 239.
      [62] Zie bv. Beslagr. Brussel 16 juni 2004, IRDI 2004, 188.
      [63] Vz. Kh. Antwerpen (afd. Antwerpen) 20 december 2017, ICIP 2018, 502, grotendeels bevestigd in beroep, weliswaar op andere gronden (Antwerpen 11 juni 2018, IRDI 2018, 143).
      [64] C. Ronse en G. Froidbise, “[Gerechtelijk deskundigenonderzoek. Specifieke onderzoeken in handelsrechtelijke materies] Intellectuele rechten: beslag inzake namaak” in X, Bestendig Handboek Deskundigenonderzoek, Mechelen, Kluwer, losbl., VI.2-29.