Article

Procederen tegen niet-rechtspersonen : geen probleem (meer) ?, R.D.C.-T.B.H., 2020/4, p. 540-545

DROIT JUDICIAIRE - PRINCIPES GÉNÉRAUX
Sociétés civiles ou associations sans personnalité juridique - Recevabilité - Citation
L'absence de personnalité juridique peut être soulevée d'office par le juge.
L'action d'un employé en contestation de son licenciement, dirigée contre « l'Hôpital Erasme » ou ses mandataires généraux, est irrecevable dès lors que l'employeur n'est pas « l'Hôpital Erasme » mais l'ULB. La citation de « l'Hôpital Erasme » au lieu de l'ULB ne constitue pas une erreur matérielle donnant lieu à l'application de la théorie des nullités. L'action en intervention forcée dirigée contre l'ULB est irrecevable tandis que cette action est intervenue plus d'un an après le licenciement.
Une partie citée errnonément n'a pas l'obligation d'attirer l'attention du demandeur sur son erreur avant que n'échoie le délai de prescription.
GERECHTELIJK RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN
Burgerlijke vennootschappen of verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid - Ontvankelijkheid - Dagvaarding
Het gebrek aan rechtspersoonlijkheid kan door de rechter ambtshalve worden opgeworpen.
De vordering van een werknemer in betwisting van zijn ontslag, gericht tegen het “Hôpital Erasme” of zijn algemeen vertegenwoordigers, is onontvankelijk, aangezien de werkgever niet het “Hôpital Erasme” maar wel de ULB is. Het dagvaarden van het “Hôpital Erasme” in plaats van de ULB betreft geen materiële vergissing in de identificatie die aanleiding geeft tot toepassing van de nietigheidsleer. De vordering in gedwongen tussenkomst, gericht tegen de ULB, is eveneens onontvankelijk wanneer deze vordering meer dan een jaar na het ontslag is ingesteld.
Er rust geen verplichting op een verkeerdelijk gedagvaarde verweerder om de eiser binnen de verjaringstermijn attent te maken op zijn vergissing.
Procederen tegen niet-rechtspersonen: geen probleem (meer)?
Sven Sobrie [1]

1.Nog niet zo lang geleden was de procesvoering tegen groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid een gevaarlijk mijnenveld. Hoewel dergelijke groeperingen zonder al te veel problemen deelnemen aan het rechtsverkeer, en hun rechten en verplichtingen ook voor de rechter kunnen worden afgedwongen, brak menig eiser zijn tanden stuk op het formalisme dat het procesrecht tot voor kort oplegde om tot een ontvankelijke vordering te komen.

De wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht, heeft op dit punt veel verbetering gebracht [2]. Voortaan is procederen tegen (de meeste) groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid even eenvoudig als procederen tegen rechtspersonen. Die welgekomen ingreep is nog niet bij iedereen even gekend. Het bovenstaande vonnis vormt dan ook een uitgelezen gelegenheid om de belangrijkste krachtlijnen nog eens te schetsen.

2.De feiten die aan het vonnis ten grondslag liggen, zijn eenvoudig. Op 5 juli 2018 wordt een werknemer van het Brusselse Erasmusziekenhuis ontslagen. Voormeld ziekenhuis behoort tot de campus van de Université libre de Bruxelles (ULB).

De werknemer vecht zijn ontslag aan. Hij dagvaardt “l'Hôpital Erasme - Cliniques Universitaires de Bruxelles”. Dat is inderdaad de benaming onder dewelke het hospitaal als een groepering zonder rechtspersoonlijkheid is ingeschreven in de KBO.

Niettemin stelt de rechtbank ambtshalve vast dat er mogelijks een probleem rijst inzake rechtspersoonlijkheid, en zij nodigt partijen uit om dienaangaande stelling in te nemen. De werknemer, die nattigheid voelt, dagvaardt vervolgens de ULB in gedwongen tussenkomst. De ULB is de overkoepelende organisatie boven het ziekenhuis; zij heeft wél rechtspersoonlijkheid. Voorts richt de werknemer zich nog tegen de natuurlijke personen die in de KBO staan vermeld als “algemeen lasthebber” van het ziekenhuis. De vordering krijgt aldus een drieledig karakter: zij is gericht (i) tegen het ziekenhuis, (ii) tegen de natuurlijke personen die in de KBO staan ingeschreven als algemene lasthebbers van dit ziekenhuis, en (iii) tegen de ULB.

De rechtbank verklaart alle vorderingen onontvankelijk. En hoewel de afwijzing van de vordering terecht lijkt, althans op basis van de beperkte informatie die ons ter beschikking staat, doet de argumentatie af en toe de wenkbrauwen fronsen.

I. Problematiek inzake rechtspersoonlijkheid: ambtshalve op te werpen?

3.Een eerste interessante kwestie betreft het ambtshalve optreden van de rechtbank. Staat het aan de rechter om op eigen initiatief een probleem inzake rechtspersoonlijkheid op te werpen?

Klassiek neemt men aan dat het antwoord bevestigend luidt [3]. Rechtspersoonlijkheid zou een autonome ontvankelijkheidsvoorwaarde uitmaken waarbij de rechter desnoods ambtshalve moet nagaan of zij voldaan is.

Een recent arrest van het Hof van Cassatie zaait evenwel twijfel. In dat arrest stelde het Hof vast dat de rechtsvordering door of tegen verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid niet ontvankelijk is, nu zij “in de regel niet de vereiste hoedanigheid hebben om in rechte op te treden” [4]. Het Hof catalogeert het gebrek aan rechtspersoonlijkheid dus uitdrukkelijk onder het hoedanigheidsbegrip van artikel 17 Ger.W., veeleer dan het als een aparte ontvankelijkheidsvereiste te beschouwen. Welnu, het Hof van Cassatie heeft reeds bij herhaling geoordeeld dat de artikelen 17 en 18 Ger.W. inzake belang en hoedanigheid niet van openbare orde noch van dwingend recht zijn, zodat de rechter ze niet ambtshalve moet aftoetsen [5]. Van de weeromstuit lijkt ook het gebrek aan rechtspersoonlijkheid niet langer een ambtshalve door de rechter op te werpen exceptie - al rijst de vraag of het Hof het zo wel heeft bedoeld [6].

4.In het geannoteerde vonnis besteedt de rechtbank opmerkelijk veel inkt aan de vraag of zij de kwestie van rechtspersoonlijkheid ambtshalve kon opwerpen. Zij voert twee argumenten aan die haar (affirmatieve) stelling moeten ondersteunen. Beide argumenten zijn evenwel discutabel.

Vooreerst verwijst de rechtbank naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie inzake artikel 806 Ger.W. Krachtens dit befaamde artikel willigt de rechter in een verstekvonnis de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij in, behalve in zoverre de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde, met inbegrip van de rechtsregels die de rechter krachtens de wet ambtshalve kan toepassen. Het artikel omschrijft aldus de taak van de rechter bij verstek. Over deze regeling, ingevoerd bij Potpourri I en gewijzigd bij Potpourri V, zijn al boeken vol geschreven [7]. Onder meer rijst de vraag naar wat allemaal strijdig is met de “openbare orde” en bijgevolg tot de toetsingsmacht van de rechter op verstek behoort. Het Hof van Cassatie nam daarbij duidelijk standpunt in: “Een rechtsregel is van openbare orde in de zin van die bepaling [i.e. art. 806 Ger.W.], als hij de wezenlijke belangen van de Staat of van de gemeenschap raakt, of in het privaatrecht de juridische grondslagen vastlegt waarop de economische of morele orde van de samenleving berust. Het is strijdig met de aldus bedoelde openbare orde wanneer een rechter, zelfs als hij uitspraak doet bij verstek, een vordering of een verweermiddel inwilligt dat volgens de elementen die hij moet beoordelen, kennelijk niet ontvankelijk of niet gegrond is.” [8].

Met dit arrest toonde het Hof zich een voorstander van een ruime invulling van de taak van de rechter bij verstek. Het is evenwel gevaarlijk om dit arrest, en met name de definitie van “openbare orde” die er in te lezen valt, te veralgemenen. Niet voor niets overwoog het Hof: “Een rechtsregel is van openbare orde in de zin van die bepaling […]” Dit arrest mag dan ook niet uit zijn specifieke context worden gerukt. Die context is de taak van de rechter bij verstek. Dit arrest gaan gebruiken als een argument ter ondersteuning van het ambtshalve opwerpen van een ontvankelijkheidsexceptie in een contradictoire procedure, is uiterst dubieus.

Een tweede argument haalt de rechtbank uit de algemene verplichting die op de rechter rust om het recht toe te passen op de feiten. Krachtens vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie is de rechter gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels. Hij heeft met name de plicht ambtshalve de rechtsmiddelen op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die door de partijen in het bijzonder worden aangevoerd tot staving van hun eisen [9]. Het bestaan van een partij is volgens de rechtbank zonder meer een feit dat door de tegenpartij-eiser wordt aangevoerd tot staving van zijn eis, zodat de rechter ambtshalve het gebrek aan rechtspersoonlijkheid zou kunnen opwerpen.

Dit argument is al overtuigender, omdat de cassatierechtspraak waarnaar verwezen wordt inderdaad betrekking heeft op contradictoire procedures en niet op de bijzondere context van het verstekvonnis. Toch schuilt er opnieuw een addertje onder het gras. Voormelde cassatierechtspraak betreft immers de taak van de rechter bij het opwerpen van het materieel recht. Zij viseert niet de louter procedurele excepties, omdat die aan een afzonderlijk regime zijn onderworpen waarbij de wet vaak uitdrukkelijk voorschrijft of de rechter al dan niet ambtshalve mag optreden. Inzake de taak van de rechter bestaat er aldus een tweedeling tussen het materieel recht, waar het ambtshalve optreden krachtens voormelde rechtspraak de norm is (uiteraard met respect voor het recht van verdediging), en het procesrecht, waar exceptie per exceptie moet worden nagegaan of de rechter op eigen initiatief kan handelen [10]. Opnieuw lijkt de rechtbank dus cassatierechtspraak uit de context te rukken om haar eigen ambtshalve optreden te verantwoorden.

5.Was het ambtshalve optreden van de rechtbank nu foutief of niet? Dat is moeilijk te zeggen. De argumenten die de rechtbank aanhaalt, overtuigen niet. Dat neemt niet weg dat men tot voor kort vrij algemeen aannam dat de exceptie inzake het gebrek aan rechtspersoonlijkheid ambtshalve kon worden opgeworpen. Een recent cassatiearrest doet daar twijfel over ontstaan, doch eerder hebben wij reeds de stelling verdedigd dat dit arrest geen afbreuk doet aan het initiatiefrecht van de rechter [11]. Wij sluiten ons dus aan bij de rechtbank op dit punt, weze het op andere gronden.

Hoe dan ook heeft de vraag of de rechter het probleem inzake rechtspersoonlijkheid ambtshalve mag opwerpen, veel van zijn pluimen verloren. Sinds enkele jaren is er immers geen probleem meer inzake rechtspersoonlijkheid, althans in het gros van de gevallen. Daarmee is dan ook de rol van de rechter in die (non-)kwestie een grotendeels lege doos geworden.

II. Rechtspersoonlijkheid: een procedureel (non-)issue

6.Een groepering zonder rechtspersoonlijkheid is als zodanig geen rechtssubject. Zij kan - behoudens wettelijke uitzonderingen [12] - geen drager zijn van rechten en verplichtingen. Dat brengt onder meer met zich mee dat een dergelijke entiteit niet op ontvankelijke wijze als procespartij kan optreden: pas d'action sans personnalité, pas de personnalité sans loi  [13].

Toch kunnen dergelijke entiteiten deelnemen aan het rechtsverkeer. Dan zijn het evenwel de leden die zich in rechte verbinden, en niet de groepering als zodanig. Zo kan een werknemer geldig verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst met een feitelijke vereniging, begrepen als het geheel van haar leden [14]. Dat heeft tot gevolg dat, wanneer deze rechten en verplichtingen ter discussie staan, het de individuele leden zijn die als procespartij in rechte dienen op te treden. Het procesrecht is in dat opzicht een perfecte spiegel van het materieel recht [15].

Tot voor kort impliceerde dit een zeker formalisme. De eiser die optrad namens of tegen een groepering zonder rechtspersoonlijkheid, diende in zijn dagvaarding goed op zijn woorden te letten. Hij diende op te treden namens of tegen de individuele leden van de groepering, en niet namens of tegen de groepering zelf. Deze laatste bezit immers geen rechtspersoonlijkheid en kan dus als zodanig geen procespartij zijn. Op die manier hing alles af van de gebruikte bewoordingen. Wie onnauwkeurig was in de redactie van zijn gedinginleidende akte, riskeerde de onontvankelijkheid van zijn vordering [16].

Een bijkomend probleem was dat de individuele leden, die de eigenlijke procespartij(en) waren, in beginsel nominatim moesten worden opgesomd. Artikel 702 Ger.W. bepaalt immers dat de eiser en verweerder geïdentificeerd moeten worden in de gedinginleidende akte, op straffe van nietigheid. Deze identificatieplicht stelt weinig problemen wanneer de ene partij de andere partij dagvaardt, maar vormt een heikel punt wanneer een groepering van individuele leden in rechte optreedt. Een eiser zal immers vaak een derde zijn die niet over een ledenlijst beschikt. Bovendien tellen sommige groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid vele honderden of zelfs duizenden leden, of fluctueert het ledenbestand van dag tot dag. In die omstandigheden is het niet evident om elke individuele materiële procespartij te identificeren [17].

7.De wetgever heeft ingegrepen. Bij wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht, heeft hij een nieuwe § 2 ingevoegd in artikel 703 Ger.W. Indien een groepering zonder rechtspersoonlijkheid in de KBO is ingeschreven, volstaat voortaan de vermelding van haar benaming en zetel zoals die blijken uit de KBO, om te doen blijken van de identiteit van haar gezamenlijke deelgenoten [18].

Een groepering zonder rechtspersoonlijkheid kan dus voortaan in rechte worden gedagvaard, of zelf dagvaarden, onder de loutere vermelding van haar naam en haar zetel. De vermelding van de leden, laat staan de identiteit ervan, is niet langer vereist. In de memorie van toelichting wordt benadrukt dat het nog steeds die gezamenlijke deelgenoten zijn die de eigenlijke procespartij zijn [19]. De groepering verkrijgt dus geenszins rechtspersoonlijkheid: het zijn nog steeds de individuele leden die als partij in het geding zijn. Alleen hoeven zij niet meer nominatim te worden vermeld in de dagvaarding. De vermelding van de groepsnaam en de zetel volstaat.

Daarmee is de procesvoering namens of tegen een groepering zonder rechtspersoonlijkheid gelijkgesteld met de procesvoering namens of tegen een rechtspersoon. Artikel 703, § 1 Ger.W. bepaalt inzake rechtspersonen inderdaad dat, om van hun identiteit te doen blijken in de dagvaarding en in elke akte van rechtspleging, het voldoende is hun benaming, hun rechtskarakter en hun maatschappelijke zetel op te geven [20].

Een blijvend verschil met de rechtspersoon, is het feit dat de groepering zonder rechtspersoonlijkheid geen “organen” heeft. Dat is procedureel relevant, onder meer voor de persoonlijke verschijning. Een rechtspersoon kan “in persoon” verschijnen via zijn bevoegde orgaan [21]. De leden van een groepering zonder rechtspersoonlijkheid kunnen weliswaar een gemeenrechtelijke vertegenwoordiger aanduiden die hen in rechte zal vertegenwoordigen, maar dat heeft veel voeten in de aarde, onder meer op het vlak van het bewijs van dat mandaat [22]. Ook daaraan heeft de wetgever gedacht: voortaan kunnen groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid die in de KBO zijn ingeschreven, in de KBO de identificatiegegevens laten opnemen van een “algemeen lasthebber”. Indien dat is gebeurd, kan de groepering in rechte optreden, als eiser of als verweerder, en tevens in persoon verschijnen, door tussenkomst van die lasthebber. De “algemeen lasthebber” wordt dus, pour les besoins de la cause procédurale, als het ware een “orgaan” van de groepering zonder rechtspersoonlijkheid. Dat is dus vooral handig voor de groepering zelf, die dan via dit “orgaan” in persoon kan verschijnen, al is een dergelijke verschijning in persoon hoe dan ook eerder uitzonderlijk.

Voor de tegenpartij is het bestaan en de identiteit van de algemene lasthebber minder relevant, nu de tegenpartij zoals gezegd kan volstaan met de vermelding van de benaming en het adres van de groepering, zonder dat nog gewag moet worden gemaakt van individuele leden en/of vertegenwoordigers. Andermaal dringt de analogie met de rechtspersoon zich hier op. Net zoals rechtspersonen weliswaar in rechte treden door tussenkomst van hun bevoegde organen, maar zonder dat deze organen vermeld moeten worden en zonder dat de tegenpartij per se hun identiteit moet kennen, treden groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid weliswaar in rechte door tussenkomst van een bevoegde lasthebber, maar zonder dat deze lasthebber nog vermeld moet worden en zonder dat tegenpartij per se zijn identiteit moet kennen. Vanuit procesrechtelijk oogpunt zijn het orgaan en de lasthebber een grotendeels overbodige schakel geworden in de toerekening van proceshandelingen aan de rechtspersoon respectievelijk de (leden van de) groepering.

Daaruit vloeit ook voort dat de groepering zonder rechtspersoonlijkheid die optreedt via een advocaat, net zoals de rechtspersoon, voortaan kan genieten van het vermoeden van artikel 440, tweede lid Ger.W. De tegenpartij kan niet vragen om een bewijs dat de beslissing om in rechte op te treden op de juiste manier werd genomen. De advocaat wordt in dit geval vermoed hiertoe een regelmatige lastgeving te hebben ontvangen van de daartoe bevoegde vertegenwoordiger [23].

8.Een belangrijke kanttekening bij dit alles, is dat het toepassingsgebied van artikel 703, § 2 Ger.W. ratione personae beperkt is tot groeperingen die vermeld staan in de KBO. De reden is eenvoudig: het identificatie- en vertegenwoordigingsprobleem kan enkel worden opgelost door in een bepaalde vorm van publicatie te voorzien. Bij rechtspersonen is dat de verplichte publicatie van de statuten in het Belgisch Staatsblad. Bij groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid is dat een “publicatie-light” via opname van bepaalde gegevens in de KBO.

Terwijl het toepassingsgebied op het eerste gezicht aldus vrij beperkt lijkt, valt dat bij nader inzien nogal mee, zeker nu de wet van 15 april 2018 de verplichting tot inschrijving in de KBO aanzienlijk heeft uitgebreid. Voortaan zijn groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid inderdaad principieel inschrijvingsplichtig in de KBO, behoudens wanneer zij geen uitkeringsoogmerk hebben en ook in feite geen uitkeringen verrichten aan hun leden (art. III.49, § 1, 1° WER jo. art. I.1, 1° WER). Eveneens worden in de KBO gegevens bijgehouden over organisaties zonder rechtspersoonlijkheid die in België hetzij als werkgever aan de sociale zekerheid zijn onderworpen, hetzij aan de belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen (art. III.16 WER). Concreet betekent dit dat een groot deel van de (grotere) groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid inderdaad onder het toepassingsgebied van artikel 703, § 2 Ger.W. zal vallen.

9.Nieuw artikel 703, § 2 Ger.W. lijkt een onbenullig sneeuwvlokje in de lawine aan procedurele hervormingen van de afgelopen jaren. Toch is de aanpassing belangrijk.

Vanuit praktisch oogpunt betekent het een beduidende vereenvoudiging van de procesvoering namens of tegen groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid. Voortaan heeft het dagvaarden van een groepering zonder rechtspersoonlijkheid niet meer voeten in de aarde dan het dagvaarden van een rechtspersoon, op voorwaarde althans dat zij in de KBO is opgenomen. De deformaliseringtendens in het procesrecht zet zich ook hier door.

Vanuit fundamenteler oogpunt slaat de regeling een nieuwe bres in het klassieke onderscheid tussen organisaties mét en zónder rechtspersoonlijkheid. Dat onderscheid staat al langer onder druk. Al langer dan vandaag wordt aanvaard dat het gebrek aan rechtspersoonlijkheid niet belet dat er een zekere mate van vermogensafscheiding optreedt, in die mate zelfs dat “de boedeltechniek in veel opzichten het functionele equivalent is van de rechtspersoonstechniek” [24]. De toerekening aan rechtspersonen op basis van de orgaantheorie verschilt voorts niet wezenlijk van de gemeenrechtelijke toerekening via lastgeving zoals die bestaat bij organisaties zonder rechtspersoonlijkheid [25]. Weliswaar zijn er verschillen op fiscaal vlak en op het vlak van de aansprakelijkheid van de leden/vennoten, maar deze verschillen hebben op zich weinig met de rechtspersoonlijkheid an sich te maken [26]. In zekere zin was het formalistische procesrecht het laatste bastion waarin het dogmatische onderscheid tussen een rechtspersoon en (de leden van) een groepering zonder rechtspersoonlijkheid ten volle werd gehonoreerd. Dat bastion is nu gesloopt: de procesvoering door of tegen groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid is niet meer wezenlijk verschillend van de procesvoering door of tegen rechtspersonen. De ogenschijnlijk beperkte ingreep in het Gerechtelijk Wetboek is daarom verregaander dan zij op het eerste gezicht lijkt. Zij vormt de bevestiging van een nieuwe dogmatische realiteit, waarin de groepering zonder rechtspersoonlijkheid niet meer aanzien wordt als iets dat fundamenteel anders is dan een groepering mét rechtspersoonlijkheid, maar als een variant op hetzelfde thema. Tussen groeperingen met en zonder rechtspersoonlijkheid gaapt niet langer een breuklijn, maar slechts een verschil in gradatie.

III. Terug naar de casus

10.Wanneer we de blik terug naar het geannoteerde vonnis wenden, valt er iets op. De werknemer had een dagvaarding uitgebracht lastens “l'Hôpital Erasme - Cliniques Universitaires de Bruxelles”. Dat is, zoals reeds opgemerkt, de benaming onder dewelke het hospitaal als een groepering zonder rechtspersoonlijkheid is ingeschreven in de KBO. De dagvaarding dateert van ná de inwerkingtreding van de wet van 15 april 2018. Op zich voldoet de dagvaarding dus perfect aan de (nieuwe) regels van de kunst. En toch werd de vordering onontvankelijk verklaard. Quid?

De verklaring is eenvoudig: de rechtbank stelt vast dat de werknemer niét was tewerkgesteld door het Erasmushospitaal, maar wél door de overkoepelende ULB. Het probleem bleek dus niet zozeer te zijn dat een groepering zonder rechtspersoonlijkheid was gedagvaard - op dat vlak waren de (nieuwe) regels van de kunst perfect gerespecteerd, al komt dat in het vonnis niet al te duidelijk tot uiting - maar wel dat de verkeerde partij was gedagvaard. De arbeidsovereenkomst was afgesloten met de ULB, en niet met de gedagvaarde tegenpartij.

In haar motivering lijkt de rechtbank enigszins te suggereren dat het ziekenhuis zelf geen rechtspersoonlijkheid heeft en bijgevolg niet de werkgever kan zijn. Dit is in ieder geval incorrect: hierboven zagen we reeds dat een groepering zonder rechtspersoonlijkheid (begrepen als een collectief van individuele leden) kan deelnemen aan het rechtsverkeer en wel degelijk arbeidsovereenkomsten kan afsluiten. Het gebrek aan rechtspersoonlijkheid is dus niet voldoende om de kwalificatie als werkgever uit te sluiten. De rechtbank verwijst gelukkig nog naar andere elementen, zoals de vermeldingen in de arbeidsovereenkomst en op de loonbrieven van de werknemer.

11.De werknemer heeft hangende de procedure de “echte werkgever”, zijnde de ULB, gedagvaard in gedwongen tussenkomst. Helaas was op dat moment de korte verjaringstermijn reeds verstreken. Krachtens artikel 15 van de arbeidsovereenkomstenwet verjaren de rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, één jaar na het eindigen van deze overeenkomst of 5 jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden [27]. Het spreekt voor zich dat een dagvaarding die gericht wordt tegen de verkeerde persoon, de verjaringstermijn niet stuit.

De werknemer trachtte de meubelen nog te redden door aan te voeren dat hij eigenlijk van meet af aan de ULB had beoogd met zijn dagvaarding. Hoewel in de oorspronkelijke dagvaarding gewag was gemaakt van “l'Hôpital Erasme”, betrof het volgens hem een materiële vergissing. Inderdaad bestaat er een soms dunne grens tussen het dagvaarden van een verkeerde persoon, en het dagvaarden van de juiste persoon waarbij evenwel een materiële vergissing (in benaming, adres, KBO-nr., …) wordt gemaakt [28]. Het eerste leidt onherroepelijk tot de onontvankelijkheid van de vordering; het laatste kan worden geremedieerd [29]. De correcte vermelding van de identificatiegegevens betreft immers een nietigheidskwestie waarbij belangenschade is vereist om de nietigheid daadwerkelijk uit te spreken (art. 702 jo. 861 Ger.W.) [30]. Wie bijvoorbeeld een rechtspersoon dagvaardt op het juiste adres en met opgave van het juiste ondernemingsnummer en de juiste rechtsvorm, maar daarbij een schrijffout in de naam begaat, zonder dat die fout evenwel redelijke twijfel doet ontstaan over de identiteit van de geadresseerde, zal geen procedurele sanctie oplopen [31]. Ook dit argument werd evenwel verworpen door de rechtbank, nu er in alle redelijkheid niet kon worden betwist dat het dagvaarden van “l'Hôpital Erasme” in plaats van de “ULB” - elk met een verschillend KBO-nummer en adres - de grenzen van een loutere materiële vergissing in de identificatie te buiten gaat. Alle vermeldingen hadden immers betrekking op een andere persoon dan diegene die de werknemer had dienen te dagvaarden. In een dergelijk geval is wel degelijk sprake van een dagvaarding lastens een verkeerde persoon, hetgeen leidt tot de onontvankelijkheid van de vordering [32].

12.Tot slot beoogde de onfortuinlijke werknemer nog “l'Hôpital Erasme” aansprakelijk te stellen voor zijn vergissing. Met name verweet de werknemer het hospitaal dat het, na de dagvaarding, niet zelf bij wijze van verweer had opgemerkt dat het niet als werkgever kon worden beschouwd. Toen de rechtbank uiteindelijk zelf ambtshalve het euvel had opgemerkt, was de verjaringstermijn al verstreken, en het kalf bijgevolg verdronken. Door het stilzwijgen van de oorspronkelijk gedagvaarde verweerder had de werknemer naar eigen zeggen een kans verloren om alsnog de juiste partij te dagvaarden een veroordeling ten gronde te bekomen.

Andermaal krijgt de werknemer nul op het rekest. De verplichting tot loyale procesvoering reikt volgens de rechtbank niet zo ver dat zij een partij ertoe verplicht om haar tegenstrever tijdig te wijzen op zijn vergissingen [33]. Daar valt inderdaad iets voor te zeggen. Een loyale procesvoering impliceert dat het gedrag van de partijen een marginale toets van de billijkheid, de betamelijkheid en de redelijkheid kan doorstaan [34]. Daarbij mag weliswaar van de partijen verwacht worden dat zij zich in hun onderlinge verhoudingen mede door de gerechtvaardigde procedurele belangen van hun tegenstrever laten leiden, doch ook dit heeft zijn grenzen. Een procespartij is niet haar tegenstrevers hoeder. Wanneer de verkeerdelijk gedagvaarde partij de eiser actief een rad voor de ogen heeft gedraaid, is de situatie uiteraard anders en kan er desgevallend wél sprake zijn van deloyaal procesgedrag [35].

[1] Advocaat (Omega Law) en vrijwillig wetenschappelijk medewerker (KULeuven Centre for Public Law).
[2] BS 27 april 2018.
[3] J. Laenens et al., Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 77, nr. 125; E. Brewaeys, “Syndicaten en rechtspersoonlijkheid: de strijd gaat voort ...”, Soc.Kron. 2015, (253) 253; K. De Greve, “Gekraakt leven - processuele actiemogelijkheden in het burgerlijk procesrecht”, Huur 2014, afl. 1, (7) 11, nr. 16; K. Mortier, “Toegang tot rechter voor feitelijke verenigingen”, NJW 2008, afl. 191, (806) 810, nr. 22; J. Van Compernolle, “L'action en justice des sociétés et groupements”, TPR 1980, (94) 97. Zie ook Cass. 28 april 1966, Pas. 1966, I, p. 1087.
[4] Cass. 3 april 2017, RW 2017-18, afl. 29, 1134, noot H.B., TBBR 2018, afl. 7, 377, noot S. Sobrie en TRV 2018, afl. 4, 317, noot D. Van Gerven.
[5] Cass. 14 februari 2014, Arr.Cass. 2014, afl. 2, 435; Cass. 22 februari 2007, JT 2007, 482 (verkort), noot J.-F. Van Drooghenbroeck; Cass. 17 februari 1995, Pas. 1995, I, p. 188.
[6] Zie daarover S. Sobrie, “Vergissen is menselijk. Over het abusievelijk dagvaarden van een groepering zonder rechtspersoonlijkheid en de gevolgen daarvan”, TBBR 2018, afl. 7, (378) 379-380.
[7] Zie o.m. H. Boularbah en M. Van den Bossche, “Art. 806 Ger.W.: much ado about nothing?”, in J. Flo, L. Jansens en VPG (eds.), Smaakmakers in het procesrecht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 127-154; J.-F. Van Drooghenbroeck, “Réajustement de la protection du justiciable défaillant” in J.-F. Van Drooghenbroeck (ed.), Le Code judiciaire en pot-pourri. Promesses, réalités et perspectives, Brussel, Larcier , 2016, 197-250; P. Thiriar, “Het vermaledijde art. 806 Gerechtelijk Wetboek” in W. Van Biervliet (ed.), De Potpourri-wetten: een eerste evaluatie van de waaiers aan quick wins, reparaties en grondslagen voor organisatorische vernieuwingen, Brussel, Larcier, 2017, 85-104; S. Mosselmans, “Taak van de rechter bij verstek”, RW 2016-17, afl. 1, 3-23.
[8] Cass. 15 oktober 2018, JLMB 2019, afl. 37, 1753, JTT 2019, afl. 1343, 332.
[9] Zie o.m. Cass. 14 september 2017, RABG 2018, afl. 11, 1028, noten P. Thiriar en P. Bols; Cass. 31 oktober 2013, Pas. 2013, afl. 10, 2116; Cass. 9 mei 2008, RW 2008-09, 1765, noot S. Mosselmans; Cass. 14 april 2005, RABG 2005, 1663, noot R. Verbeke.
[10] Zie over deze “tweedeling” tussen het materieel recht en het procesrecht, C. Marquet, “Les défenses en droit judiciaire: vers un ordre public procédural” in H. Boularbah en J.-F. Van Drooghenbroeck (eds.), Les défenses en droit judiciaire, Brussel, Larcier, 2010, 40 et seq.; J.-F. Van Drooghenbroeck, “Le nouveau droit judiciaire, en principes” in G. de Leval en F. Georges (eds.), Le droit judiciaire en mutation - Hommage à Alphonse Kohl, Limal, Anthemis, 2007, 246-247.
[11] S. Sobrie, “Vergissen is menselijk. Over het abusievelijk dagvaarden van een groepering zonder rechtspersoonlijkheid en de gevolgen daarvan”, TBBR 2018, afl. 7, (378) 380, nr. 3.
[12] Op deze uitzonderingen wordt in deze noot niet verder ingegaan. Zie specifiek over de zgn. “functionele” rechtspersoonlijkheid van vakbonden: F. Dorssemont, Rechtspositie en syndicale actievrijheid van representatieve werknemersorganisaties, Brugge, die Keure, 2002, 361-372.
[13] Cass. 3 april 2017, RW 2017-18, afl. 29, 1134, noot H.B., TBBR 2018, afl. 7, 377, noot S. Sobrie en TRV 2018, afl. 4, 317, noot D. Van Gerven; Cass. 4 januari 2008, Arr.Cass. 2008, afl. 1, 29; Cass. 11 januari 1979, Arr.Cass. 1978-79, 524 en Cass. 12 november 1935, Pas. 1936, I, p. 49. Zie voorts o.m. J. Laenens et al., Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 77, nr. 124; K. Geens en M. Wyckaert, Verenigingen en vennootschappen, Deel II, De vennootschap. A. Algemeen deel , in Beginselen van Belgisch privaatrecht, IV, Mechelen, Kluwer, 2011, 747-748, nr. 453; K. Mortier, “Toegang tot rechter voor feitelijke verenigingen”, NJW 2008, afl. 191, (806) 810, nr. 23; T. Delvaux, “Représentation et comparution des sociétés devant les juridictions de l'ordre judiciaire”, Act.dr. 2002, (443) 452, nr. 8; P. Taelman, “Het optreden in rechte van (privaatrechtelijke) entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid en rechtspersonen voor de judiciele rechtscolleges” in W. Van Eeckhoutte (ed.), Rechtspersonenrecht, Gent, Mys & Breesch, 1999, (33) 35, nr. 2; B. Tilleman, Proceshandelingen van en tegen vennootschappen, Antwerpen, Maklu, 1997, 29, nr. 6; J. Van Compernolle, “L'action en justice des sociétés et groupements”, TPR 1980, (94) 96.
[14] Cass. 6 november 1961, Pas. 1961, I, p. 278; F. Dorssemont, “De rechtspositie van de representatieve werknemersorganisaties” in M. Rigaux en W. Van Eeckhoutte (eds.), Actuele problemen van het arbeidsrecht, 5, Gent, Mys & Breesch, 1997, (239) 285, nr. 554.
[15] K. Geens en M. Wyckaert, Verenigingen en vennootschappen, Deel II, De vennootschap. A. Algemeen deel , in Beginselen van Belgisch privaatrecht, IV, Mechelen, Kluwer, 2011, 747-748, nr. 453; M. Coipel, “L'association de fait: une notion juridique nébuleuse”, RPS 2013, afl. 1, (135) 152, nr. 19; P. Taelman, “Het optreden in rechte van (privaatrechtelijke) entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid en rechtspersonen voor de judiciele rechtscolleges” in W. Van Eeckhoutte (ed.), Rechtspersonenrecht, Gent, Mys & Breesch, 1999, (33) 40, nr. 4; B. Tilleman, Proceshandelingen van en tegen vennootschappen, Antwerpen, Maklu, 1997, 29-30, nr. 7; J. Van Compernolle, “L'action en justice des sociétés et groupements”, TPR 1980, (94) 96.
[16] Cass. 11 januari 1979, Pas. 1979, I, p. 521, Concl. J. Velu; Rb. Hasselt 6 januari 2000, AJT 2000-01, 418; Rb. Brugge 7 februari 1997, TVWR 1997, 105, noot; Beslagr. Mechelen 9 juni 1989, RW 1990-91, 372. Zie ook Cass. 6 december 1977, Arr.Cass. 1978, 414.
[17] Zie uitgebreid over deze problematiek, S. Sobrie, Procederen qualitate qua, Antwerpen, Intersentia, 2016, 235 et seq.
[18] Zie voor een uitgebreide bespreking van deze regeling, S. Sobrie, “Het optreden in rechte van organisaties zonder rechtspersoonlijkheid” in J. Vananroye en D. Van Gerven (eds.), Leerstukken ondernemingsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2020, (173) 179-188.
[19] Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 54-2828/001, 50.
[20] De aandachtige lezer zal opmerken dat bij rechtspersonen het rechtskarakter moet worden vermeld, terwijl dat niet het geval is bij groeperingen zonder rechtspersoonlijkheid. Dit ogenschijnlijke verschil in behandeling is bij nader inzien eerder beperkt. De niet-vermelding van het rechtskarakter bij rechtspersonen zal slechts zelden tot een nietigverklaring van de gedinginleidende akte leiden, eenvoudigweg omdat deze weglating doorgaans geen belangenschade zal hebben veroorzaakt (D. Van Gerven, Handboek vennootschappen. Algemeen deel, Gent, Larcier, 2016, 668). Slechts wanneer twee rechtspersonen bestaan met een identieke naam en desgevallend identiek adres, maar met een andere rechtsvorm, zou sprake kunnen zijn van identiteitsverwarring en bijgevolg van belangenschade. Omgekeerd staat niets eraan in de weg dat de groepering zonder rechtspersoonlijkheid wel degelijk nader wordt omschreven in de dagvaarding als zijnde een maatschap/feitelijke vereniging/…
[21] D. Van Gerven, Handboek vennootschappen. Algemeen deel, Gent, Larcier, 2016, 653; P. Dauw, “Het optreden in rechte van de rechtspersoon”, CABG, 2006/2, 39; B. Tilleman, Proceshandelingen van en tegen vennootschappen, Antwerpen, Maklu, 1997, 279-282.
[22] Zie daarover uitgebreid, S. Sobrie, Procederen qualitate qua, Antwerpen, Intersentia, 2016, 177 et seq.
[23] Dit in tegenstelling tot de situatie vóór de invoering van art. 703, § 2 Ger.W. J. Vananroye, Onverdeelde boedel en rechtspersoon: technieken van vermogensafscheiding, vermogensovergang en vermogensvereffening in het burgerlijk en ondernemingsrecht, Antwerpen, Biblio, 2014, 326-327, nr. 428; K. Mortier, “Toegang tot rechter voor feitelijke verenigingen”, NJW 2008, 814, nr. 44.
[24] J. Vananroye, Onverdeelde boedel en rechtspersoon: technieken van vermogensafscheiding, vermogensovergang en vermogensvereffening in het burgerlijk en ondernemingsrecht, Antwerpen, Biblio, 2014, 341, nr. 450.
[25] Zie daarover uitgebreid: J. Delvoie, Orgaantheorie in rechtspersonen van privaatrecht, Antwerpen, Intersentia, 2010, 171-314.
[26] H. De Wulf, “Flexibele en hybride besloten en personenvennootschappen: van klemmend corset tot kleurrijke veelvormigheid” in E. Wymeersch, R. Houben en E. Dirix (eds.), In het vennootschapsbelang: liber amicorum Herman Braeckmans, Antwerpen, Intersentia, 2017, 73-74, die m.b.t. de hervormingen van het ondernemingsrecht opmerkt dat men misschien beter de berg naar Mozes had doen komen door de rechtspersoonlijkheid van de maatschap uitdrukkelijk te erkennen, en tegelijk in de fiscale wet in te schrijven dat de maatschap niettemin fiscaal transparant blijft.
[27] Zie uitgebreid over deze korte verjaringstermijn: W. Rauws, “De verjaring in het arbeidsrecht” in CBR (ed.), De verjaring, Antwerpen, Intersentia, 2007, (1) 1-17.
[28] Zie hierover uitgebreid: A. Decroës, “Le défaut de qualité du défendeur et l'erreur dans la mention de son identité: irrecevabilité versus nullité”, JT 2009, 515-516; S. Sobrie, “De dunne grens tussen onontvankelijkheid ratione personae en nietigheid wegens verkeerde identificatie: een casestudy” (noot onder Cass. 27 september 2013), RW 2014-15, afl. 3, 113-115.
[29] Dit onderscheid is niet discriminerend: GwH 19 september 2014, nr. 125/2014, BS 5 november 2014, ed. 1, p. 84576.
[30] Cass. 27 september 2013, Arr.Cass. 2013, afl. 9, 1975 en RW 2014-15, afl. 3, 111, noot S. Sobrie.
[31] Cass. 30 september 1993, Arr.Cass. 1993, 781.
[32] Cass. 29 juni 2006, Arr.Cass. 2006, afl. 6-7-8, 1520.
[33] De rechtbank verwijst daarbij naar Arbh. Brussel 13 september 2017, JT 2017, afl. 6706, 715 en Soc.Kron. 2018, afl. 2-3, 91.
[34] P. Thion, “Deloyale procesvoering. Een toetssteen bij het concluderen”, NJW 2002, (50) 51, nr. 7; M.E. Storme, “De goede trouw in het geding? De invloed van de goede trouw in het privaat proces- en bewijsrecht”, TPR 1990, (353) 371, nr. 9.
[35] Vgl. B. Allemeersch, “Valsheid en andere leugens in burgerlijk proces en bewijs”, TPR 2004, afl. 1, 42-44.