Article

Hof van beroep Antwerpen, 03/10/2019, R.D.C.-T.B.H., 2020/5, p. 661-666

Hof van beroep Antwerpen 3 oktober 2019

VENNOOTSCHAPPEN
Bepalingen gemeenschappeliik aan de rechtspersonen - Bestuur - Individueel recht op informatie van de bestuurders - Regeling van de uitoefeningsmodaliteiten - Bevoegdheid van de raad van bestuur - Bevoegdheidsoverschrijding (neen) - Opschorting van de beslissing van de raad van bestuur (neen)
De raad van bestuur is bevoegd om door middel van een algemene methodologie de wijze te regelen waarop bestuurders hun individueel recht op informatie kunnen uitoefenen. Een dergelijke methodologie vormt een regeling van de modaliteiten voor de uitoefening van de rechten van een bestuurder om ervoor te zorgen dat deze rechten op een ordelijke wijze worden uitgeoefend en vormt op zich geen beperking van het recht op informatie.
Als de methodologie op zich niet ondoelmatig of disproportioneel is, zouden er beslissingen inzake concrete verzoeken om informatie kunnen worden genomen, maar als er geen dergelijke verzoeken zijn ingediend, is deze kwestie irrelevant.
Er is dus geen reden om de beslissing van de raad van bestuur tot vaststelling van de methodologie op te schorten.
SOCIÉTÉS
Dispositions communes aux personnes morales - Administration - Droit d'information individuel des administrateurs - Organisation des modalités d'exercice - Compétence du conseil d'administration - Excès de pouvoir (non) - Suspension de la décision du conseil d'administration (non)
Le conseil d'administration est compétent pour réglementer, au moyen d'une méthodologie générale, la manière dont les administrateurs peuvent exercer leur droit d'information individuel. Une telle méthodologie constitue une réglementation des modalités d'exercice des droits d'un administrateur dans le but de garantir que ces droits soient exercés de manière ordonnée et ne constitue pas en soi une restriction du droit à l'information.
Si la méthodologie n'est pas en soi inefficace ou disproportionnée, des décisions sur des demandes concrètes d'information pourraient l'être mais aucune demande n'ayant été introduite, cette question est sans objet.
Il n'y a donc pas lieu de suspendre la décision du conseil d'administration ayant adopté la méthodologie.

Sopraco NV en Cobenifond NV / Carino BVBA en W.O.

Carino BVBA en W.O. / Sopraco NV, Cobenifond NV, Osmana BVBA, Verherstraeten Peter BVBA, Fimaco-S BVBA, Cremacon BVBA

Zet.: K. Hulpiau (voorzitter)
Pl.: Mrs. C. Leermakers, L. Sas, Ph. Denys, H. Braeckmans, B. Simpelaere en B. De Groof loco J.-L. Schuermans
Zaken: 2019/RK/11 en 2019/RK/14
1. De antecedenten en de vorderingen

BVBA Carino en de heer W.O. hebben in een exploot van 8 februari 2019 de NV Sopraco, de NV Cobenifond, de BVBA Osmana, de BVBA Verherstraeten Peter, de BVBA Fimaco-S en de BVBA Cremacon laten dagvaarden.

Zij hebben daarbij uiteen gezet dat zij bestuurder (Carino) en vaste vertegenwoordiger daarvan (W.O.) waren van Sopraco en van Cobenifond en dat zij ingevolge een aantal opgesomde feitelijkheden verhinderd werden om dat bestuursmandaat normaal uit te oefenen.

Daarom lieten zij de beide vennootschappen in kwestie dagvaarden alsmede de overige bestuurders en vorderden zij voorlopige maatregelen om de uitoefening van hun rechten te verzekeren.

De raden van bestuur van Sopraco en van Cobenifond hebben op 19 februari 2019 besluiten aangenomen waarbij een methodologie van het verstrekken van informatie aan bestuurders (agendapunt 2) en regels inzake aanwezigheid van niet-bestuurders op de raad van bestuur (agendapunt 3) werden aangenomen.

Aangezien Carino en W.O. in de besluiten van 19 februari 2019 een verdere onrechtmatige beknotting van hun rechten als bestuurder zagen hebben zij met een exploot van 13 maart 2019 Sopraco en Cobenifond laten dagvaarden en vorderden zij de schorsing van die besluiten.

Sopraco en Cobenifond hebben een tegeneis gesteld waarbij zij op hun beurt voorlopige maatregelen vorderden om reden dat zij van oordeel waren dat Carino en W.O. handelingen stelden die verder reikten dan hun rechten als bestuurder (en vaste vertegenwoordiger).

De voorzitter van de ondernemingsrechtbank van Antwerpen, afdeling Antwerpen, heeft in de bestreden beschikking van 26 april 2019 de beide zaken samen gevoegd.

De eerste rechter verklaarde de vorderingen in zover gericht tegen de medebestuurders van Sopraco en Cobenifond (Osmana, Verherstraeten, Fimaco-S en Cremacon) ongegrond.

Hij verklaarde de eis van Carino en van W.O. ten overstaan van Sopraco en Cobenifond deels gegrond door hen bevel op te leggen om:

Vrije toegang te verlenen aan Carino/W.O. tot de maatschappelijke zetel van Sopraco en Cobenifond en tot alle plaatsen waar zich de boekhoudkundige stukken van deze vennootschappen en hun dochterondernemingen bevinden alsook tot alle andere (werk)plaatsen,

Aan Carino/W.O. inzage te verlenen in alle boeken, brieven, notulen en in het algemeen in alle documenten, geschriften, bescheiden en computerbestanden van Sopraco en Cobenifond en hun respectievelijke dochtervennootschappen, en in het bijzonder terug toegang te verlenen tot het Sopraco-netwerk en tot het programma Sharepoint,

Aan Carino/W.O. haar webaccount (…) ter beschikking te laten of indien dit account reeds zou zijn afgesloten opnieuw ter beschikking te stellen.

Deze bevelen werden opgelegd voor een periode tot 31 december 2019 of eerder in geval van beslissing ten gronde en onder verbeurte van een dwangsom van 5.000 EUR per dag vertraging met een maximum van 1.000.000 EUR.

Tevens schorste de eerste rechter de besluiten van de raden van bestuur van 19 februari 2019 van Sopraco en van Cobenifond inzake agendapunt 2, de regels in verband met de methodologie van het verstrekken van informatie aan bestuurders totdat de rechter ten gronde uitspraak zal hebben gedaan.

Het overige van de vordering van Carino en van W.O. werd ongegrond verklaard evenals de tegenvorderingen van Sopraco en van Cobenifond.

Sopraco en Cobenifond tekenden hoger beroep aan met een verzoekschrift neergelegd op 15 mei 2019 (2019/RK/ 11).

Carino en W.O. tekenden hoger beroep aan met een verzoekschrift neergelegd op 3 juni 2019 (2019/RK/14).

Sopraco en Cobenifond vorderen dat de vorderingen van Carino en van W.O. niet ontvankelijk, minstens ongegrond zouden worden verklaard.

Zij vorderen in hoger beroep dat hun tegenvordering gegrond zou worden verklaard en dat aan Carino en W.O. verbod zou worden opgelegd om rechtstreeks personeelsleden of medewerkers van andere vennootschappen binnen de groep te contacteren zonder voorafgaandelijke goedkeuring van de raad van bestuur of diens voorzitter.

Aan Carino en W.O. bevel zou worden opgelegd om zich in de uitoefening van het informatierecht steeds rechtstreeks tot de raad van bestuur of diens voorzitter te richten,

Aan Carino en aan W.O. te gebieden de methodologie van het verstrekken van informatie aan bestuurders zoals vastgesteld door de raden van bestuur van 19 februari 2019 na te leven,

Verbod op te leggen aan Carino en aan W.O. om vertrouwelijke informatie aan derden mee te delen, inclusief hun adviseurs.

Carino en W.O. vorderen de schorsing van de besluiten van de raden van bestuur van Sopraco en van Cobenifond van 19 februari 2019 inzake de vaststelling van de regels met betrekking tot de aanwezigheid van niet-bestuurders op de raden van bestuur (agendapunt 3).

Zij vorderen naast de bevestiging van de door de eerste rechter reeds bevolen maatregelen (vermeld onder nrs. 7, a, b, f, en j van het beschikkende gedeelte van de beroepsconclusies) dat aan Sopraco en aan Cobenifond ook zou worden opgelegd dagelijks de informatieoverzichten aangaande de diverse aspecten van de bedrijfsvoering (dashbords) over te maken of te doen overmaken per mail (nr. 7, c),

Aan Carino/W.O. toe te staan om vragen te stellen aan het management van Sopraco en Cobenifond en hun respectieve dochtervennootschappen en kopie te nemen van de betreffende informatie dan wel deze te doen toezenden per e-mail (nr. 7, d).

Aan Carino/W.O. spontaan melding te maken binnen de 24 uur van alle gebeurtenissen en alle feiten die een significante invloed hebben of kunnen hebben op de werking van Sopraco, Cobenifond en/of hun dochtervennootschappen dan wel op hun afzonderlijk of globale resultaat (nr. 7, e).

Zich te onthouden (ook binnen de dochtervennootschappen) van enige communicatie (op welke wijze ook) te voeren waarin de positie van Carino als bestuurder in twijfel wordt getrokken en/of waarin aan medewerkers verbod wordt opgelegd nog met Carino/W.O. te communiceren en om de eerdere onjuiste communicaties ten aanzien van personeel en eventueel andere stakeholders recht te zetten zulks binnen de 24 uren na betekening van de tussen te komen beschikking (nr. 7, g).

Er zich van onthouden om Carino te verhinderen zich op de raden van bestuur en algemene vergadering van Sopraco en Cobenifond te laten bijstaan door raadslieden en door een gerechtsdeurwaarder en dit minstens wanneer deze raden van bestuur rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op de persoon van of de uitoefening van mandaten door Carino en/of W.O. (nr. 7, h).

Toe te staan aan Carino /W.O. in haar hoedanigheid van bestuurder/vaste vertegenwoordiger bij de uitoefening van haar controle- en informatierecht te laten bijstaan door een bedrijfsrevisor van haar keuze (nr. 7, i).

Osmana concludeert tot de ongegrondheid van de vorderingen van Carino en W.O.

Ondergeschikt vordert zij dat de vorderingen van Carino en W.O. niet ontvankelijk zouden worden verklaard, minstens als ongegrond afgewezen.

Verherstraeten, Fimaco-S en Cremacon concluderen tot de niet-ontvankelijkheid minstens ongegrondheid van de vorderingen van Carino en van W.O.

2. Beoordeling

1. De beide hogere beroepen, gericht tegen dezelfde beschikking, worden samengevoegd.

2. Op grond van terechte motieven die het hof bijtreedt heeft de eerste rechter (Besch. nrs. 3-8) terecht besloten dat de vorderingen ontvankelijk zijn.

Het hof treedt die motieven bij. De middelen betreffen de gegrondheid van de vordering en niet de ontvankelijkheid.

3. Ook heeft de eerste rechter correct geoordeeld dat de zaak hoogdringend is.

De feitelijkheden die Carino en W.O. aan hun vordering ten grondslag leggen dateren van na het ontslag van Carino als gedelegeerd bestuurder op 22 januari 2019.

Samengevat waren (en zijn) Carino en W.O. als haar vaste vertegenwoordiger van oordeel dat het hen onmogelijk werd gemaakt om het mandaat als bestuurder uit te oefenen.

De aangevochten beslissingen van de raden van bestuur van de beide vennootschappen van 19 februari 2019 kaderen in die zelfde problematiek.

De bewering dat Carino geen gebruik zou hebben gemaakt van de mogelijkheid haar geboden in de methodologie zoals die beslist werd op die raden van bestuur ontneemt aan het geschil niet de vereiste hoogdringendheid. De geldigheid van die beslissingen maakt ingevolge de vordering tot schorsing deel uit van het geschil.

Wat aangevochten wordt is de verhindering in zijn algemeenheid tot de toegang tot het bedrijf, tot het inwinnen van informatie en tot de bijstand door externen.

De hoogdringendheid van de gevraagde maatregelen als element ter beoordeling van de gegrondheid van de vordering is niet afhankelijk van de hoogdringendheid van de gewenste informatie.

De vraag of het account van Carino in het netwerk moet hersteld worden betreft een geschil over de noodzaak om over dat account te beschikken ten einde het mandaat als bestuurder behoorlijk te kunnen uitoefenen. Indien dat het geval blijkt te zijn dan is dit onderdeel van de vordering even hoogdringend als de rest van de vorderingen.

De hogere beroepen zijn ontvankelijk.

4. De vorderingen van Carino en van W.O. omvatten twee luiken.

Enerzijds beklagen zij zich over een aantal feitelijkheden op grond waarvan zij menen dat zij hun rechten als bestuurder/vaste vertegenwoordiger niet kunnen uitoefenen.

Samengevat gaat het in essentie om de beweerde fysieke verhindering om toegang te krijgen tot de onderneming en tot de documenten met de onderneming van Sopraco en Cobenifond.

Anderzijds vorderen zij de schorsing van de besluiten van de raden van bestuur van Sopraco en van Cobenifond van 19 februari 2019.

5. De vorderingen werden ingeleid in februari en maart 2019 en derhalve vóór dat het WVV van kracht werd.

Hoewel in artikel 178 W.Venn. enkel sprake is van de nietigheid van beslissingen van de algemene vergadering kunnen ook beslissingen van de raad van bestuur van een NV nietig worden verklaard en desgevallend het voorwerp uitmaken van een vordering tot schorsing zoals thans geregeld krachtens artikelen 2:44 et seq. WVV.

De vordering tot nietigverklaring van beslissingen van een orgaan van de rechtspersoon moeten tegen de rechtspersoon worden ingesteld.

Die regel geldt ook ten aanzien van de vordering tot schorsing.

6. In zover de feitelijkheden waarop Carino en W.O. zich beroepen uitgaan van de individuele bestuurders die mee gedagvaard werden hebben die gehandeld krachtens hun mandaat als bestuurder en moeten die handelingen in beginsel toegerekend worden aan de rechtspersonen waarvoor zij optraden.

Er is prima facie niet aangetoond dat de feitelijke omstandigheden van dien aard zijn dat de betrokken bestuurders persoonlijk moeten instaan voor de handelingen die zij als bestuurder hebben gesteld. In dat verband stelt het hof vast dat de procedure die ten gronde werd ingeleid enkel gericht is tegen de betrokken vennootschappen.

Om die reden zijn de vorderingen overstaan van Osmana, Verherstraeten, Fimaco-S en Cremacon ongegrond.

7. Hoewel het voorwerp van de hiervoor vermelde twee luiken van de vorderingen van Carino en W.O. ten overstaan van Sopraco en van Cobenifond van elkaar verschillen gaat het in wezen om een zelfde onderliggende betwisting.

De weigeringen van deze beide vennootschappen tot het verschaffen van, onder meer, de toegang tot het bedrijf, tot informatie en tot bijstand van externen steunen impliciet op beslissingen met betrekking tot de wijze van uitoefening van het mandaat als bestuurder, regels die geformaliseerd werden in de besluiten van de raden van bestuur van deze vennootschappen van 19 februari 2019 (de zgn. methodologie).

De geldigheid van de beslissingen van 19 februari 2019 van de betrokken raden van bestuur zijn dan ook primordiaal ter beoordeling van huidig geschil. Indien immers de besluiten in kwestie niet geschorst worden dan kunnen de in kort geding gevraagde maatregelen niet ingaan tegen de regels vervat in de methodologie.

In die zin is ook het verweer van Sopraco en Cobenifond te verstaan dat slechts kan opgekomen worden tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van bestuur of van de voltallige raad waarbij een vraag tot toegang tot het bedrijf of tot het verschaffen van informatie geweigerd werd.

8. Geen wettelijke regeling is op dit ogenblik van kracht met betrekking tot de mogelijkheid voor de raad van bestuur van een NV om een besluit aan te nemen inzake een intern reglement waarin op algemeen wijze de regels worden vastgelegd over de wijze waarop de individuele bestuurders hun rechten kunnen uitoefenen.

Er bestaat geen wettelijk beletsel tot het opstellen van dergelijke regeling.

9. De besluiten van de raden van bestuur van de betrokken vennootschappen van 19 februari 2019, agendapunt 2, betreffen de “methodologie van het verstrekken van informatie aan bestuurders”.

Deze methodologie omvat 14 punten.

Samengevat moet de vraag om informatie gesteld worden aan de voorzitter van de raad van bestuur, aan de voltallige raad of aan de commissaris. Elke andere mogelijkheid voor het inwinnen van informatie wordt uitgesloten evenals (uitdrukkelijk) de persoonlijke aanmelding op de zetel van de vennootschap.

De vraag om informatie moet gemotiveerd en verantwoord worden.

De raad van bestuur beslist over de gegrondheid van het verzoek om informatie met als criteria de doelmatigheid, proportionaliteit en afwezigheid van belangenconflict en misbruik. Het is slechts nadat een positief gevolg is gegeven aan het verzoek om informatie dat de bestuurder aan de commissaris informatie kan vragen omtrent de boekhoudkundige en financiële aspecten van de meegedeelde informatie en aan de bedrijfsjurist omtrent de juridische aspecten. Die vraag om informatie moet ook meegedeeld worden aan de andere bestuurders.

Voor het overige is in de besluiten het gebruik van de informatie geregeld.

10. In de NV worden de bestuurders door de algemene vergadering benoemd (art. 518, § 2 W.Venn.).

In de regel is de algemene vergadering uitsluitend bevoegd om de voorwaarden vast te leggen waaronder de bestuurders hun mandaat uitoefenen, thans uitdrukkelijk voorzien in artikel 2:50 WVV.

Volgens Carino en W.O. komt de methodologie die de raden van bestuur in kwestie op 19 februari 2019 aannamen neer op een overschrijding van bevoegdheid.

11. Bij gebrek aan een op dit ogenblik in werking zijnde wettelijke regeling en bij afwezigheid van een andersluidende statutaire bepaling dient aangenomen te worden dat de raden van bestuur van de beide betrokken NV's bevoegd waren om autonoom een intern reglement uit te werken waarin bepaalde afspraken worden gemaakt over de wijze waarop de bestuurders hun mandaat concreet kunnen uitoefenen met betrekking tot het inwinnen van informatie, omschreven als “methodologie”.

Waar sinds de wet van 23 maart 2019 de wettelijke contouren (art. 2:59 WVV) zijn afgebakend waarbinnen het bestuursorgaan een intern reglement kan uitwerken ontbreekt dergelijke regeling op dit ogenblik.

Dit neemt niet weg dat in de huidige stand van de wetgeving kan geoordeeld worden dat de in de methodologie bepaalde wijze van uitoefening van het recht van de individuele bestuurder om zich te laten informeren dermate is opgesteld dat de methodologie moet aanzien worden als een bepaling van de voorwaarden waaronder een bestuurder zijn mandaat kan uitoefenen, bevoegdheid die is voorbehouden aan de algemene vergadering en aldus strijdig is met dwingende wetsbepalingen (cf. art. 2:59, 1° WVV).

12. Het is juist dat de betrokken methodologie maar werd opgesteld na het ontslag van Carino als gedelegeerd bestuurder op 22 januari 2019 en nadat er betwisting is ontstaan over de wijze waarop Carino haar rechten als bestuurder kon blijven uitoefenen, toegespitst voornamelijk op haar vermeende recht tot vrije toegang tot de onderneming, tot het personeel en tot informatie.

Ook het geschil (hangende voor een arbitraal college) dat ontstaan is aangaande de overdracht van de aandelen van einde augustus 2018 (de zogenaamde familiale overeenkomst) heeft wellicht een weerslag op de houding van de overige bestuurders ten overstaan van Carino en W.O.

Anderzijds verwijzen Sopraco en Cobenifond naar de verstoring van de normale werking van de onderneming door de bemoeienissen van Carino en W.O. onder meer door de ongepaste benadering van personeelsleden.

Het is niet aangetoond dat de methodologie in kwestie maar werd opgesteld met de bedoeling om de uitvoering van het mandaat van bestuurder door Carino onmogelijk te maken of dermate te bemoeilijken dat de uitoefening van haar rechten feitelijk onmogelijk wordt gemaakt.

Het staat vast dat tussen Carino/W.O. en de overige bestuurders fundamentele onenigheid is ontstaan.

In redelijkheid kan worden aangenomen dat de toestand dermate was geworden dat het verantwoord was om een methodologie omtrent de toegang tot het bedrijf en tot informatie formeel te regelen met de bedoeling om één en ander ordelijk te laten verlopen.

Geen doelafwending is bewezen.

Het impliciete standpunt van Carino/W.O. dat de toegang tot informatie en tot het bedrijf op geen enkele manier mag worden geregeld is onjuist.

Het behoort tot de wettelijke taak van de bestuurders om controle uit te oefenen over de wijze waarop de onderneming bestuurd wordt. Om dergelijke controle te kunnen uitoefenen moeten de bestuurders toegang hebben tot de nodige informatie.

In de methodologie in kwestie wordt, prima facie, de toegang tot informatie niet a priori uitgesloten.

Geredelijk moet ervan uit worden gegaan dat naar omstandigheden en de activiteiten van de onderneming bepaalde informatie afhankelijk te maken van de discretionaire beslissing van het bestuursorgaan verantwoord kan zijn.

Een beslissing tot weigering om in te gaan op het verzoek van een bestuurder moet wel met redenen omkleed worden en is in rechte aanvechtbaar.

In die omstandigheden is de methodologie in kwestie dan ook slechts te aanzien als een regeling van de modaliteiten voor de uitoefening van de rechten van de bestuurder met de enkele bedoeling om de rechten op ordelijke manier te laten uitoefenen en houdt op zich geen beperking in van het informatierecht. De afwijzingsbeslissing van het bestuursorgaan kan desgevallend wel beoordeeld worden als onwettelijk.

Het is prima facie dan ook niet bewezen dat door de methodologie de voorwaarden voor de uitoefening van het bestuursmandaat bepaald worden, bevoegdheid die toekomt aan de algemene vergadering.

De beweerde machtsoverschrijding is niet aangetoond.

13. Volgens Carino en W.O. kwamen de aangevochten besluiten onregelmatig tot stand.

Bij gebrek aan andersluidende statutaire bepaling kon de raad van bestuur bij eenvoudige meerderheid beslissen.

Uit de eigen toelichtingen van Carino en W.O. volgt dat de meerderheid van de bestuurders de beslissing hebben goedgekeurd. Het verwijt dat Verherstraeten en Belmans als “marionetten” van W.O. hebben ingestemd doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de beslissingen met meerderheid van de bestuurders genomen werden.

Voor het overige toont het tumultueus verloop van de bestuursvergaderingen van 19 februari 2019 aan dat Carino en W.O. hun verzet tegen de voorgenomen methodologie duidelijk hebben gemaakt zonder dat dit verzet de andere bestuurders blijkbaar kon overtuigen.

14. Volgens Carino en W.O. tast de methodologie de elementaire rechten aan van de bestuurder.

Hiervoor werd reeds geoordeeld dat de raad van bestuur bevoegd was om bij middel van een algemene methodologie te regelen hoe de individuele bestuurders hun recht op informatie konden uitoefenen en het ter zake niet meer dan om de regeling van de modaliteiten gaat.

De opgelegde regels zijn niet van aard om te doen besluiten dat van de bevoegdheid misbruik werd gemaakt waardoor de opgelegde regels de facto een inperking van het recht op informatie inhouden.

15. Hiervoor werd er reeds op gewezen dat elk verzoek van een individuele bestuurder om toegang te krijgen tot informatie het voorwerp moet uitmaken van een gemotiveerde beslissing.

De opmerkingen van Carino en W.O. in verband met de doelmatigheid en de proportionaliteit zijn maar relevant in het kader van een beoordeling van een concrete weigering om toegang te verlenen.

De methodologie in kwestie is op zich niet ondoelmatig of disproportioneel. De beslissingen inzake concrete verzoeken kunnen dat wel zijn.

Hetzelfde geldt met betrekking tot de bijstand die de bestuurder vraagt van externen bij de toegang tot informatie en met betrekking tot de kopiename van documenten.

16. Het hof verklaart de vordering tot schorsing van de besluiten van de raden van bestuur van Sopraco en van Cobenifond van 19 februari 2019 met betrekking tot agendapunt 2 ongegrond.

Daaruit volgt dat de vorderingen van Carino en W.O. hoger opgesomd onder de punten 7, a) tot 7, e) en 7, j) ongegrond zijn.

Carino/W.O. hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid die hen geboden wordt in de betrokken methodologie.

Vermits er geen reden is tot schorsing van die methodologie moeten de daarin opgenomen regels nageleefd worden en kan geen maatregel worden bevolen die die regels miskent.

17. Carino/W.O. vorderen dat het account dat zij hadden in het bedrijf zou hersteld worden (punt 7, f) van de vordering).

Uit de feitelijke toelichtingen volgt dat dit account met de daaraan verbonden toegang tot het interne netwerk voorbehouden is aan de bestuurders (en leidinggevenden) die belast werden met een operationele functie in de onderneming.

Spijts de beweringen van Carino en W.O. is niet bewezen dat na het ontslag als gedelegeerd bestuurder op 22 januari 2019 Carino of W.O. nog een operationele functie vervulden in de onderneming. De pogingen van W.O. om zich alsnog op te dringen verschaft hem geen rechten.

Aldus bewijzen Carino en W.O. niet over een ogenschijnlijk recht te beschikken tot het account in kwestie.

Dit onderdeel van de vordering is ongegrond.

18. Carino vordert dat verbod zou worden opgelegd om nog te communiceren over haar positie als bestuurder van Sopraco en Cobenifond (punt 7, g)).

Terecht heeft de eerste rechter die vordering afgewezen.

Gelet op de aanvechting in rechte van de familiale overeenkomst en van de daarin vervatte overdracht van aandelen is over de positie van Carino en W.O. als aandeelhouders op dit ogenblik onduidelijkheid.

De daardoor ontstane verwarring over het aandeelhouderschap is niet te verwijten aan Sopraco of Cobenifond evenmin als de uitbreiding van de verwarring tot het aanblijven als bestuurder.

De eerste rechter heeft correct vastgesteld dat niet bewezen is dat Sopraco en Cobenifond te kennen hebben gegeven dat Carino niet langer bestuurder was.

Voor het overige had het ontslag als gedelegeerd bestuurder wel tot gevolg dat Carino geen operationele functie meer vervulde met de beperkingen inzake toegang tot het bedrijf en tot het personeel tot gevolg.

Dit onderdeel van de vordering werd terecht ongegrond verklaard.

19. Carino en W.O. vorderen de schorsing van de besluiten van de raden van bestuur van Sopraco en Cobenifond van 19 februari 2019 met betrekking tot agendapunt 3.

Dat agendapunt betrof de vaststelling van regels inzake de aanwezigheid van niet-bestuurders op de raad van bestuur.

Niets belet dat de raad van bestuur de aanwezigheid van derden op de raden van bestuur regelt.

Op het eerste gezicht zijn de beperkingen ter zake, vervat in het besluit met betrekking tot agendapunt nr. 3, niet onredelijk.

Carino is geen degelegeerd bestuurder meer. Zij, en bij uitbreiding W.O., tonen niet aan een belang te hebben bij hun bewering dat geen bijstand mogelijk zou zijn ingeval een beslissing tot ontslag van een gedelegeerd bestuurder op de agenda staat.

De eerste rechter heeft dit onderdeel van de eis, nr. 7, h) en i), terecht afgewezen.

20. Het hoger beroep van Sopraco en van Cobenifond in zover de vorderingen van Carino en van W.O. deels gegrond werden verklaard in de bestreden beschikking is gegrond.

De vorderingen van Carino en van W.O. zijn in al hun onderdelen ongegrond.

21. Uit voorgaande motieven volgt dat de bestuurders zich in beginsel te houden hebben aan de regels die in de methodologie zijn opgenomen.

Vermits het hof, anders dan de eerste rechter, de besluiten in kwestie niet schorst zijn de partijen gebonden door die regels.

Er is op dit ogenblik geen gegronde reden om enig verbod op te leggen inzake miskenning van die regels.

De tegenvordering is ongegrond.

22. Carino en W.O. worden verwezen in 3/4 van de kosten van beide aanleggen en Sopraco en Cobenifond in 1/4 dezer kosten met inbegrip van de rolrechten, behoudens de kosten van de actie van Carino en W.O. ten overstaan van Osmana, Verherstraeten, Fimaco-S en Cremacon. Carino en W.O. worden verwezen in de kosten van die actie in beide aanleggen.

23. Met een verzoekschrift neergelegd op 25 september 2017 hebben Sopraco en Cobenifond om de heropening van de debatten verzocht. Dit verzoek is ongegrond.

Het feitelijk gegeven en stuk waarop het verzoek steunt is niet van overwegend belang.

3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

Het hof verklaart het verzoek tot heropening der debatten ongegrond.

Het hof voegt de zaken 2019/RK/11 en 2019/RK/14 samen,

Het hof verklaart het hoger beroep in de zaak 2019/RK/11 grotendeels gegrond,

Het hof verklaart het hoger beroep in de zaak 2019/RK/14 ongegrond,

Het hof wijzigt ten dele de bestreden beschikking,

Het hof verklaart de vorderingen van BVBA Carino en van W.O. ongegrond,

Het hof bevestigt de bestreden beschikking in zover de tegenvorderingen van NV Sopraco en van NV Cobenifond ongegrond werden verklaard.

Het hof verwijst BVBA Carino en W.O. in 3/4 van de kosten van beide aanleggen en NV Sopraco en NV Cobenifond in 1/4 dezer kosten met inbegrip van het rolrecht en de bijdrage voor het Fonds juridische tweedelijnsbijstand.

Het rolrecht in hoger beroep te voldoen aan de FOD Financiën, na uitnodiging hiertoe.

Behoudens de kosten van de actie van Carino en W.O. ten overstaan van Osmana, Verherstraeten, Fimaco-S en Cremacon, waarin Carino en W.O. worden verwezen in de kosten van die actie in beide aanleggen.

Het hof begroot de rechtsplegingsvergoeding van alle partijen per aanleg op 1.440 EUR.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.