Arrondissementsrechtbank Antwerpen 8 oktober 2019
|
ONDERNEMING, KLEINHANDELAAR, KOOPMAN
Begrip - Zaakvoerder van vennootschap
Voor zaakvoerders en bestuurders van vennootschappen en verenigingen die winstgevende activiteiten nastreven, geldt een weerlegbaar vermoeden dat zij een zelfstandige beroepsbezigheid uitoefenen. De kwalificatie als onderneming veronderstelt verder dat de ondernemer een duurzame beroepsactiviteit uitoefent. Dit moet worden afgeleid uit de feiten van de zaak.
|
ENTREPRISE, MARCHAND, COMMERÇANT
Définition - Mandataire de justice
Il existe une présomption réfragable selon laquelle les gérants et directeurs d'entreprises et d'associations qui exercent des activités à but lucratif sont des travailleurs indépendants. La qualification d'entreprise présuppose également que l'entrepreneur exerce une activité professionnelle permanente. Cela doit être déduit des faits de la cause. [1]
|
Selecta Belgium NV / S.A.K.
| Zet.: A.-M. Janssens (voorzitter), T. Van Houtte, K. Van Hoof en L. Potargent (rechters) |
| Pl.: Mrs. W. Dejosse en L. Noens loco B. Bert |
| Zaak: AR 19/20/E |
(…)
Artikel 573 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de ondernemingsrechtbank bevoegd is voor alle geschillen tussen ondernemingen in de zin van artikel I.1, 1° WER die niet onder de bijzondere bevoegdheden van andere rechtscolleges vallen.
Artikel I.1, 1° WER luidt als volgt:
“Behoudens andersluidende bepaling, wordt voor de toepassing van dit wetboek verstaan onder:
1° onderneming: elk van volgende organisaties:
(a) iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent;
(b) iedere rechtspersoon;
(c) iedere andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid.”
De vraag die zich nu stelt, is of de heer S.A.K. als zaakvoerder van de BVBA SHREE MAHARANI moet worden aanzien als een natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent en dus als een onderneming in de zin van artikel I.1, 1° WER.
Deze vraag moet worden beoordeeld op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst tussen partijen.
Uit artikel 3, § 1 van het KB nr. 38 houdende de inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, is iedere natuurlijke persoon die in België een beroepsbezigheid uitoefent uit hoofde waarvan hij niet door een arbeidsovereenkomst of een statuut is verbonden, een zelfstandige.
Voor zaakvoerders en bestuurders van vennootschappen en verenigingen die winstgevende activiteiten nastreven, geldt een weerlegbaar vermoeden dat zij een zelfstandige beroepsbezigheid uitoefenen.
Omdat partijen geen enkel stuk voorleggen dat dit vermoeden in hoofde van de heer S.A.K. zou kunnen weerleggen, moet aangenomen worden dat de heer S.A.K. een zelfstandige is.
Rest de vraag of de heer S.A.K. een beroepsactiviteit uitoefent.
Het staat vast dat de heer S.A.K. op het ogenblik waarop de overeenkomst d.d. 11 augustus 2017 werd gesloten zaakvoerder was van de BVBA SHREE MAHARANI, dat hij een contract sloot voor de huur van een koffiemachine en andere toestellen voor een duur van 60 maanden en met opname van een exclusieve afnameverplichting, dat deze toestellen geplaatst werden in de handelszaak “Taste of Himalayas” en dat de heer S.A.K. in het Rijksregister sedert 26 juni 2007 staat ingeschreven als restauranthouder (zoals blijkt uit de “Opvraging Rijksregister” die aan de dagvaarding is gehecht).
Uit de aard en de duur van de overeenkomst d.d. 11 augustus 2017 blijkt duidelijk dat de heer S.A.K. het mandaat van zaakvoerder op een duurzame manier uitoefende en daarbij een economische doelstelling nastreefde. De activiteiten kunnen geenszins beschouwd worden als een activiteit van “normaal beheer van het privévermogen”.
Daarmee is dan ook aangetoond dat het uitoefenen van het mandaat van zaakvoerder van de BVBA SHREE MAHARANI door de heer S.A.K. een zelfstandige beroepsactiviteit is.
De NV SELECTA BELGIUM had als contractpartij kennis van deze gegevens, die zij in huidige procedure zelf heeft aangevoerd, en kan dus moeilijk voorhouden dat zij niet op de hoogte was van het duurzame karakter van deze beroepsactiviteit.
Het geschil tussen de eisende en de verwerende partij is dan ook een geschil tussen twee ondernemingen in de zin van artikel I.1, 1° WER.
De ondernemingsrechtbank is bijgevolg materieel bevoegd. Partijen betwisten de territoriale bevoegdheid van het vredegerecht van het 7de kanton Antwerpen niet. Er zijn in huidig geschil geen regels inzake territoriale bevoegdheid toepasbaar die de rechter ambtshalve moet opwerpen. De ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, is dan ook territoriaal bevoegd.
(…)
| [1] | Zie dit nummer, N. Appermont, “De vennootschapsbestuurders als ondernemingsrechtelijke twistappel. Rechtspraak en beleidsmatige overwegingen”. |

