Hof van Cassatie 24 mei 2019
|
INSOLVENTIE
Gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag - Gevolgen voor natuurlijke persoon - Overdrager en kosteloze persoonlijke zekerheidssteller
Artikel 70, eerste lid WCO maakt geen onderscheid naar gelang de aard van de schulden van de natuurlijke persoon met een eenmanszaak zodat zowel de schulden die betrekking hebben op de overgedragen onderneming als de overige schulden van de natuurlijke persoon kunnen worden kwijtgescholden door de rechtbank. De hoofdelijke gehoudenheid bepaald bij artikel 442quater WIB 1992 die leidt tot een fiscale schuld in hoofde van de bestuurders van een vennootschap is een schuld die vatbaar is voor kwijtschelding in het raam van de procedure bepaald in artikel 70 WCO.
|
INSOLVABILITÉ
Réorganisation judiciaire par transfert judiciaire - Conséquences pour personne physique - Cédante et sûreté personnelle à titre gratuit
L'article 70, alinéa 1er, LCE ne fait aucune distinction selon la nature des dettes de la personne physique ayant une entreprise individuelle, de sorte que tant les dettes relatives à l'entreprise transférée que les autres dettes de la personne physique peuvent être annulées par le tribunal. La responsabilité solidaire prévue par l'article 442quater du CIR 1992 entraînant une dette fiscale de la part des administrateurs d'une société est une dette qui peut être annulée dans le cadre de la procédure prévue à l'article 70 LCE. [1]
|
C.V. / Belgische Staat
| Zet.: E. Dirix (voorzitter), B. Deconinck (eerste voorzitter), K. Mestdagh, B. Wylleman et K. Moens (raadsheren) |
| O.M.: J. Van der Fraenen (advocaat-generaal) |
| Pl.: Mrs. B. Bekaert en W. van Eeckhoutte |
| Zaak: F.17.0105.N |
(…)
| III. | Beslissing van het Hof |
| Beoordeling |
| Eerste middel |
1. Krachtens artikel 442quater WIB 1992 zijn, in geval van tekortkoming door een vennootschap aan haar verplichting tot het betalen van de bedrijfsvoorheffing, de bestuurder of bestuurders van de vennootschap of van de rechtspersoon die belast zijn met de dagelijkse leiding van de vennootschap of van de rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk voor de tekortkoming die te wijten is aan een fout in de zin van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek, die ze hebben begaan bij het besturen van de vennootschap of de rechtspersoon. De herhaalde niet-betaling van de bedrijfsvoorheffing door de vennootschap of door de rechtspersoon, wordt, behoudens tegenbewijs, vermoed voort te vloeien uit de bedoelde fout. De hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders van de vennootschap of van de rechtspersoon kan slechts worden ingeroepen voor de betaling, in hoofdsom en interesten, van de schulden inzake bedrijfsvoorheffing.
2. Krachtens artikel 70, eerste lid WCO, kan de natuurlijke persoon van wie de onderneming met toepassing van artikel 67 geheel werd overgedragen, door de rechtbank bevrijd worden van de schulden die bestaan op het ogenblik van het vonnis dat deze overdracht beveelt, indien deze persoon ongelukkig en te goeder trouw is.
Krachtens het vierde lid van die wetsbepaling kan de schuldenaar, indien hij bevrijd wordt, niet meer worden vervolgd door zijn schuldeisers. De echtgenoot, gewezen echtgenoot of wettelijk samenwonende partner van de schuldenaar, die samen verbonden is voor de schuld van zijn of haar echtgenoot, gewezen echtgenoot of wettelijk samenwonende partner, wordt ingevolge de bevrijding van die verplichting ontheven.
Uit de parlementaire voorbereiding van die wetsbepaling blijkt dat de wetgever met het oog op de continuïteit van de onderneming, en wegens analogie met de faillissementsprocedure, koos voor een stelsel van kwijtschelding van schulden onder rechterlijk gezag om te vermijden dat een natuurlijke persoon de voorkeur zou geven aan het faillissement van de onderneming omwille van het loutere bestaan van een verschoonbaarheidsregeling.
3. Artikel 70, eerste lid WCO maakt geen onderscheid naar gelang de aard van de schulden van de natuurlijke persoon met een eenmanszaak zodat zowel de schulden die betrekking hebben op de overgedragen onderneming als de overige schulden van de natuurlijke persoon kunnen worden kwijtgescholden door de rechtbank.
De hoofdelijke gehoudenheid bepaald bij artikel 442quater WIB 1992 die leidt tot een fiscale schuld in hoofde van de bestuurders van een vennootschap is een schuld die vatbaar is voor kwijtschelding in het raam van de procedure bepaald in artikel 70 WCO.
4. De appelrechters stellen vast dat:
- de eiseres op 19 november 2012 de vennootschap Ekapi Dienstencheques BVBA heeft opgericht;
- deze vennootschap drie aanslagen in de bedrijfsvoorheffing met betrekking tot het aanslagjaar 2012, een administratieve boete en een aanslag in de vennootschapsbelasting met betrekking tot aanslagjaar 2012 verschuldigd bleef;
- de eiseres bij vonnis van 27 april 2015 werd veroordeeld tot betaling aan de fiscus van de achterstallige bedrijfsvoorheffing in hoofde van Ekapi Dienstencheques BVBA voor het eerste en tweede kwartaal 2012;
- de eiseres op basis van de beschikbare en niet-betwiste gegevens de activiteit van de gefailleerde Ekapi Dienstencheques BVBA heeft overgenomen in een eenmanszaak;
- ook in de zelfstandige activiteit de schulden van de eiseres opliepen;
- bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Gent, afdeling Oudenaarde, van 5 augustus 2014 in hoofde van de eiseres een WCO werd geopend;
- de eiseres bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Gent, afdeling Oudenaarde, van 1 oktober 2015 werd “ontlast” van haar schulden in de volgende bewoordingen: “Verklaart de vordering van de verzoekende partij [de eiseres] toelaatbaar en gegrond. In toepassing van artikel 70 WCO ontlast verzoekende partij van de schulden die bestaan op het ogenblik van het vonnis dat de overdracht van de gehele onderneming beveelt, met uitzondering van de schuld ten aanzien van Record Bank NV en de schuld ten aanzien van de Belgische Staat, in de persoon van de ontvanger van de directe belastingen, in de mate dat deze schulden kunnen worden gekwalificeerd als buitengewone schulden in de opschorting.”
5. De appelrechters oordelen dat de litigieuze schuld die de eiseres heeft ten aanzien van de fiscus en die het gevolg is van haar hoofdelijke gehoudenheid tot betaling van de achterstallige bedrijfsvoorheffing van Ekapi Dienstencheques BVBA, niet in aanmerking komt voor kwijtschelding op grond van artikel 70 WCO omdat artikel 442quater WIB 1992 als een uitzondering moet worden aangemerkt op het beginsel uitgedrukt in artikel 70 WCO.
Zij schenden aldus artikel 70 WCO.
Het middel is gegrond.
(…)
| [1] | Zie dit nummer, D. Pasteger en P. Van de Weyer, “Examen de jurisprudence en matière d'effacement (et d'excusabilité): exorde (et épilogue)”. |

