Hof van beroep Brussel 5 maart 2020
|
VERZEKERINGEN
Landverzekering - Schadeverzekering - Zaakverzekering - Verzekering alle bouwplaatsrisico - Begrip beschadiging van een verzekerd bouwwerk - Bewijslast
Krachtens artikel 1315 BW behoort het aan de verzekerde die uitvoering van de verbintenis vordert om het bestaan van het schadegeval te bewijzen en om aan te tonen dat dit schadegeval binnen de dekking valt, zoals het voortvloeit uit de contractuele omschrijving van het risico. Vervolgens is het aan de verzekeraar om het bestaan van de ingeroepen uitsluitingsgrond te bewijzen of om aan te tonen dat de voorwaarden van een verval van recht op dekking verenigd zijn.
De beschadiging van het verzekerd bouwwerk is een essentieel element van de omschrijving van het risico en moet worden bewezen door de verzekerde.
Onder het begrip beschadiging moet naar algemeen spraakgebruik begrepen worden als “al wat de gaafheid van iets tenietdoet en (daardoor) de waarde ervan vermindert”.
Pas na het betonneren van de vloerplaten aan de centrale koker komt er een gave vloerstructuur tot stand die, voor wat de vloerplaten op de verdiepingen betreft, voor beschadiging in de zin van de ABR-verzekeringsovereenkomst in aanmerking komt. Technisch gezien konden de vloerplaten nooit gaaf zijn zonder hechting aan de centrale koker.
|
ASSURANCES
Assurance terrestre - Assurance de dommages - Assurance de choses - Assurance tous risques chantier - Notion de dommage à un ouvrage assuré - Charge de la preuve
En vertu de l'article 1315 C. civ., il appartient à l'assuré qui réclame l'exécution de l'obligation de prouver l'existence du sinistre et de prouver que ce sinistre entre dans le champ d'application de la garantie, tel qu'il résulte de la description contractuelle du risque. Ensuite, il appartient à l'assureur de prouver l'existence du motif d'exclusion invoqué ou de prouver que les conditions d'une déchéance du droit à la couverture sont réunies.
L'endommagement de l'ouvrage assuré est un élément essentiel de la définition du risque et doit être prouvé par l'assuré.
Le concept de dommage doit être compris dans le langage courant comme « tout ce qui détruit l'intégrité d'une chose et (par conséquent) réduit sa valeur ».
En ce qui concerne les plaques de sol aux étages, ce n'est qu'après le bétonnage des plaques de sol à la gaine centrale qu'il y a une véritable structure qui peut être sujette à détérioration au sens du contrat d'assurance TRC. D'un point de vue technique, les plaques de sol ne pourraient jamais être entièrement finalisées sans fixation à la gaine centrale.
|
NV KBC Verzekeringen / NV C.B.
| Zet.: B. Veeckmans (voorzitter), F. Gillijns en K. Van Herck (raadsheren) |
| Pl.: Mrs. J. Goedhuys, Op de Beeck loco M. Schoups |
| Zaak: 2015/AR/1810 |
(…)
| De procedure in eerste aanleg |
(…)
| De procedure in hoger beroep |
(…)
| De feiten |
De eerste rechter heeft de voor dit geschil relevante feiten op nauwkeurige en pertinente wijze als volgt weergegeven:
“De NV C.B. is een aannemer van ruwbouwwerken op de werf voor de bouw van een nieuw psychiatrisch ziekenhuis op de site Gasthuisberg te Leuven.
De bouwheer is de Katholieke Universiteit Leuven. De KULeuven sloot een polis 'Alle bouwplaatsrisico's' (ABR) af bij KBC, waarin, volgens de bijzondere voorwaarden van deze polis, de aannemers van de ruwbouwwerken mee verzekerd zijn.
C.B. plaatste o.m. de vloerplaten. Deze dienden (tijdelijk) ondersteund te worden door stutten/schoren, in afwachting van de bouw van de centrale koker.
Op 16 augustus 2012 werden er verzakkingen en scheuren in de vloerplaten vastgesteld. Een arbeider van C.B. zou tijdens het opbreken van de beschermchape op de vloer per vergissing en zonder opdracht een rij schoren of stempels te veel hebben weggenomen, vooraleer de steunwanden (centrale koker) waren geplaatst en de vloerplaten waren aan gebetonneerd.
De verzakking van de vloerplaten en de scheuren deden de KULeuven en C.B. vrezen voor stabiliteitsproblemen, zodat aan de BVBA S. opdracht werd gegeven een stabiliteitsstudie te maken om het risico te kunnen inschatten en te adviseren omtrent de herstelwijze.
Ook de CVBA S. deed een technisch onderzoek naar de scheuren. Zij sloot zich aan bij het voorstel van de BVBA S. om een proefbelasting te laten uitvoeren en vervolgens te injecteren. De proefbelasting werd uitgevoerd door een team van de Vakgroep Bouwkundige Constructies van de Universiteit Gent.
Op basis van de resultaten hiervan besloot de KULeuven dat een plaatselijke herstelling van de vloerplaten kon volstaan en dat de beschadigde vloerplaten niet volledig afgebroken dienden te worden. In februari 2013 werden de betonrenovatiewerken uitgevoerd.
Het schadegeval werd aangegeven bij KBC. KBC stelde als deskundige, expertisekantoor M.M. aan, die ter plaatste kwam op 22 januari 2013.
Op 4 maart 2013 meldde KBC aan C.B. dat de schade naar haar mening veroorzaakt was doordat een van de arbeiders van C.B. op eigen initiatief en zonder daartoe de opdracht te krijgen per vergissing te veel schoren te vroeg had verwijderd.
Volgens KBC moest zij geen dekking verlenen omdat de schade en het verlies voorzienbaar en onvermijdelijk was. Er volgde nog briefwisseling en ingebrekestellingen tussen partijen maar KBC handhaafde haar standpunt.”
| De beoordeling |
1. De hogere beroepen zijn ontvankelijk.
2. De bij de NV KBC Verzekeringen gesloten ABR-verzekeringsovereenkomst is onderverdeeld in een zaakverzekering en een aansprakelijkheidsverzekering.
De NV C.B. maakt aanspraak op dekking van de zaakverzekering.
Op grond van artikel 2 van de algemene polisvoorwaarden van de afdeling “zaakverzekering” vergoedt de verzekeraar, voor zover de beschadigingen of verliezen op de bouwplaats ontstaan zijn en vastgesteld zijn tijdens de bouw-, montage- en testtermijn, elke beschadiging en elk verlies van de verzekerde bouwwerken en/of de uitrusting.
Op grond van artikel 1 van de algemene polisvoorwaarden zijn onder meer volgende goederen verzekerbaar: de blijvend op te richten goederen die het voorwerp uitmaken van de aanneming, d.w.z. de bouwwerken, met inbegrip van de te verwerken bouwmaterialen en -elementen en de uitrusting (machines, toestellen en installaties).
De bijzondere polisvoorwaarden bepalen: “De verzekerde werken omvatten de gesloten ruwbouw, afwerking en technische uitrusting.”
De NV KBC Verzekeringen betwist niet dat het bij haar aangegeven schadegeval op de bouwplaats is ontstaan en tijdens de in de bijzondere polisvoorwaarden bepaalde bouw-, montage- en testtermijn werd vastgesteld.
De NV KBC Verzekeringen betwist wel dat er sprake is van een “beschadiging van een verzekerd bouwwerk” in de zin van de polisvoorwaarden.
3. Naar luid van artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek moet hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan bewijzen.
Hieruit volgt dat het behoort aan de verzekerde, die van de verzekeraar de uitvoering van een verbintenis vordert, om het bestaan van een schadegeval te bewijzen en om aan te tonen dat dit schadegeval binnen de dekking valt, zoals zij voortvloeit uit de contractuele omschrijving van het risico.
Vervolgens is het aan de verzekeraar om het bestaan van een uitsluitingsgrond, waarop hij zich beroept, te bewijzen of om aan te tonen dat de voorwaarden van een verval van recht op dekking verenigd zijn.
De beschadiging van het verzekerd bouwwerk is een essentieel element van de omschrijving van het risico. Dit is geen conventionele uitsluitingsgrond en ook geen beding van verval van recht.
De bewijslast rust dan ook op de NV C.B. dat het aangegeven schadegeval valt onder in een “beschadiging van een verzekerd bouwwerk” in de zin van de algemene beschadiging van een verzekerd bouwwerk polisvoorwaarden.
4. De verzekeringsovereenkomst bepaalt niet wat onder “beschadiging” van een verzekerd goed verstaan moet worden.
De ABR-verzekeringsovereenkomst is als zodanig niet wettelijk gereglementeerd.
De betekenis van het woord “beschadiging” overeenkomstig de gemeenschappelijke bedoeling van verzekeraar en verzekeringnemer op het ogenblik van de contractsluiting moet dan ook naar algemeen spraakgebruik worden onderzocht.
Wanneer artikel 2 van de algemene polisvoorwaarden bepaalt dat de verzekeraar dekking verleent voor elke “beschadiging” van een verzekerd bouwwerk, dan moet hieronder naar algemeen spraakgebruik worden verstaan: voor elke “toegebrachte schade”.
“Schade” kan in deze context naar algemeen spraakgebruik worden gedefinieerd als “al wat de gaafheid van iets tenietdoet en (daardoor) de waarde ervan vermindert” (definitie in Van Dale, Groot Woordenboek van de Nederlandse taal).
De bewijslast rust bijgevolg op de NV C.B. dat de gaafheid van een verzekerd bouwwerk werd teniet gedaan en daardoor de waarde ervan werd verminderd.
5. De NV KBC Verzekeringen voert aan dat, opdat er sprake kan zijn van een beschadiging van een verzekerd bouwwerk, de zaak eerst gaaf geweest moet zijn.
Verwijzend naar rechtsliteratuur (L. Schuermans en C. Van Schoubroeck,“Alle Bouwplaats Risico's in a nutschell”, De Verz. 2007, p. 169-170) stelt de NV KBC Verzekeringen dat:
- pas als de geproduceerde zaak zijn definitieve vorm en structuur heeft gekregen, deze beschadigd kan worden, zodat, indien er tijdens het wordingsproces iets (onverwachts) gebeurt waardoor niet de bedoelde vorm of structuur wordt bereikt, er geen sprake is van beschadiging;
- de grens moeilijk te trekken valt tussen deze situatie en het niet behalen van een toegezegde hoedanigheid van een goed, dat evenmin onder de ABR-verzekering voor vergoeding in aanmerking komt, niettegenstaande dit wel gepaard kan gaan met aanzienlijke schade; het verkeerd uitgevoerd werk valt niet onder het begrip beschadiging en behoort tot het onverzekerde ondernemingsrisico.
Deze stelling van de NV KBC Verzekeringen wordt door het hof in volgende mate bijgetreden. In randnr. 4 werd reeds vastgesteld dat “schade” in deze context naar algemeen spraakgebruik moet worden begrepen als “al wat de gaafheid van iets tenietdoet en (daardoor) de waarde ervan vermindert”. Uit deze definitie volgt inderdaad dat er maar van beschadiging sprake kan zijn indien het verzekerd bouwwerk eerst gaaf is geweest. Deze betekenis van het begrip “beschadiging” is in deze context helder en geeft geen aanleiding tot verdere interpretatie. Bij gebrek aan twijfel over de juiste betekenis van dit begrip, moet niet onderzocht worden in wiens voordeel dit beding moet worden uitgelegd. De verzekerde, op wie de bewijslast rust dat de gaafheid van een verzekerd bouwwerk teniet werd gedaan waardoor de waarde ervan werd verminderd, moet bijgevolg ook aantonen dat dit bouwwerk eerst gaaf is geweest.
Evenwel kan niet worden vereist dat het volledige bouwwerk eerst helemaal zou zijn afgewerkt, opdat er van een beschadiging in de zin van de ABR-verzekeringsovereenkomst sprake zou kunnen zijn. Dit zou strijden met de economie van deze verzekeringsovereenkomst, waarin maar dekking wordt verleend voor schadegevallen die zijn vastgesteld tijdens de bouw-, montage- en testtermijn.
Bijgevolg moet, opdat de verzekeringsovereenkomst niet zou worden uitgehold, worden aangenomen om kleinere eenheden als “goede zaken” te kwalificeren. Zo kunnen bouwdelen die een afgeronde werkingsfase hebben ondergaan in aanmerking komen voor beschadiging in de zin van de ABR-verzekeringsovereenkomst (cf. L. Schuermans en C. Van Schoubroeck, o.c., p. 170, waarin volgende voorbeelden worden gegeven: “zo is een gevel voltooid wanneer de mortel is gehard en de stenen door het verband van de mortel één stijve massa zijn geworden, of wanneer een betonvloer is uitgehard en monoliet is afgewerkt”).
6. Het wordt niet betwist dat het aangegeven schadegeval zich heeft voorgedaan in de volgende omstandigheden.
De op te richten nieuwbouw omvatte een gelijkvloers en vier verdiepingen.
De vloerplaten werden geplaatst en aangestort maar pas later zou een centrale koker, bestaande uit verticale prefabwanden (de wanden van de traphal) worden gebouwd en de vloerplaten aan deze centrale koker worden gebetonneerd.
Het gevolg hiervan was dat een strook van ongeveer 80 centimeter die de verbinding had moeten maken tussen de vloerplaten en de nog niet geplaatste prefabwanden, niet werd aangebetonneerd (de vloerplaat werd geplaatst maar het aanstorten van de vloerplaat werd niet uitgevoerd over de laatste 80 centimeter).
In afwachting van de aanhechting aan de centrale koker werden de vloerplaten op alle verdiepingen ondersteund door schoren.
Tijdens het verwijderen van de beschermingsbeton op de vloer van het gelijkvloers heeft een werknemer van de NV C.B. een rij schoren (te veel) weggenomen zonder bijkomende maatregelen te nemen.
Hierdoor is het gewicht van de bovenliggende vloeren terecht gekomen op het nog niet aangestorte deel van de vloerplaat dat de verbinding had moeten maken met de nog niet geplaatste wanden. Vermits de laatste 80 centimeter van de vloerplaten naast de traphal nog niet was aangestort, hadden de vloerplaten niet de vereiste stabiliteit.
Als gevolg hiervan zijn de vloerplaten op alle verdiepingen doorgebogen waardoor er ook scheuren in deze vloerplaten zijn ontstaan.
7. De NV C.B., hierin gevolgd door de eerste rechter, stelt dat de vloerplaten moeten worden beschouwd als afgeronde bouwdelen, die eerst gaaf waren en achteraf beschadigd werden.
Zij voert aan dat het feit dat deze vloerplaten in een derde fase nog aan de centrale koker gebetonneerd moesten worden, niet wegneemt dat zij voordien reeds afgeronde bouwdelen waren, die eerst gaaf waren en vervolgens beschadigd werden, vermits enerzijds deze vloerplaten reeds hun definitieve vorm en structuur hadden gekregen en anderzijds de hele constructie niet volledig af moest zijn.
8. Deze stelling wordt door het hof niet bijgetreden.
Omdat de centrale koker nog niet klaar was, werden de gestorte vloerplaten op de verdiepingen voorlopig door schoren ondersteund. Deze schoren mochten pas verwijderd worden nadat de steunwanden werden geplaatst en de vloerplaten hieraan gebetonneerd werden. Zolang deze voorlopige schoren er nog stonden, had de constructie nog niet haar definitieve vorm en structuur en was deze constructie nog niet gaaf. De in de vloerplaten ontstane verzakkingen en scheuren zijn ontstaan vooraleer de constructie gaaf was.
De vloerplaten op zich kunnen, op het tijdstip dat de verzakkingen en scheuren zijn ontstaan, niet worden beschouwd als een afgerond bouwdeel of als een bouwdeel dat een afgeronde werkingsfase had ondergaan.
Vloerplaten op verdiepingen kunnen op zich niet bestaan en hebben zonder ondersteuning geen enkele stabiliteit. In dit geval werden de vloerplaten, op het tijdstip dat de verzakkingen en scheuren zijn ontstaan, tijdelijk ondersteund door hieraan uitwendige schoren waarmee zij een voorlopige constructie vormden. De vloerplaten op de verdiepingen waren nog geen afzonderlijk bouwdeel. Zij kregen pas hun definitieve vorm en structuur na de bouw van de definitieve ondersteuning, zijnde de centrale koker en de betonnering van de vloerplaten aan deze centrale koker.
Enkel de volledige constructie van de vloerplaten, gebetonneerd aan de trappenhal, kan worden beschouwd als een afgerond bouwdeel of als een bouwdeel dat een afgeronde werkingsfase heeft ondergaan. Pas dan zou de vloerstructuur één monolithisch geheel worden.
De vloerplaten op de verdiepingen hadden op zich nog niet hun definitieve vorm en structuur gekregen. Aan deze vloerplaten moest nog beton worden toegevoegd voor de aanhechting aan de centrale koker. Zolang het beton niet was aangebracht en de hechting met de centrale koker niet was gerealiseerd, was er geen sprake van een afgerond bouwdeel of een bouwdeel dat een afgeronde werkingsfase had ondergaan.
Pas na het betonneren van de vloerplaten aan de centrale koker komt er een gave vloerstructuur tot stand die, voor wat de vloerplaten op de verdiepingen betreft, voor beschadiging in de zin van de ABR-verzekeringsovereenkomst in aanmerking komt.
Op het ogenblik dat de verzakkingen en scheuren in de vloerplaten zijn ontstaan, waren deze vloerplaten uiteraard reeds geplaatst en aangestort (behalve de verbindingsstrook van 80 centimeter naast de nog te plaatsen traphal). Door het enkele feit dat vloerplaten op de verdiepingen werden geplaatst en aangestort werd de vloerstructuur nog geen gaaf en afgewerkt geheel. De enkele plaatsing en aanstorting van de vloerplaten had niet tot gevolg dat deze vloerplaten op de verdiepingen op zich een afzonderlijk bouwdeel werden, dat was afgerond of dat een afgeronde werkingsfase had ondergaan. Eerder ging het om een voorbereidende of voorlopige fase. Deze vloerplaten konden immers nog niet op zichzelf bestaan. Technisch gezien konden de vloerplaten nooit gaaf zijn zonder hechting aan de centrale koker.
9. Uit het voorgaande volgt dat de NV C.B. niet bewijst dat het bouwdeel, waarvoor zij vergoeding vordert, eerst gaaf is geweest, zodat er geen sprake is van een beschadiging in de zin van artikel 2 van de algemene voorwaarden van de ABR-verzekeringsovereenkomst.
Bijgevolg toont de NV C.B. niet aan dat het bij de NV KBC Verzekeringen aangegeven schadegeval onder de contractuele omschrijving van het risico valt.
Om die reden is de vordering van de NV CC.B. ongegrond en is het overbodig om de overige door de NV KBC Verzekeringen ontwikkelde verweermiddelen te onderzoeken.
10. Vermits de NV C.B. de in het ongelijk gestelde partij is, moet zij tot de gerechtskosten van beide aanleggen worden veroordeeld.
(…)

