Hof van Cassatie 12 september 2019
|
BESLAG EN EXECUTIE
Voorwaarden bewarend beslag - IPR-bepalingen vennootschappen
Om als toelating te gelden voor het leggen van een bewarend beslag in de zin van artikel 1414 Ger.W. moet een buitenlandse beslissing voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 25 WIPR voor de erkenning van buitenlandse beslissingen in België. Het komt de beslagrechter toe om in het kader van het verzet tegen het beslag vast te stellen of aan deze voorwaarden voldaan is.
|
SAISIES ET VOIES D'EXÉCUTION
Conditions saisie conservatoire - Droit international privé
Pour valoir autorisation de procéder à une saisie-arrêt au sens de l'article 1414 du Code judiciaire, une décision judiciaire étrangère doit satisfaire aux exigences posées par l'article 25 du Code de droit international privé pour la reconnaissance en Belgique des décisions étrangères. Il revient au juge des saisies, dans le cadre de l'opposition à une saisie, de vérifier s'il est satisfait à ces conditions.
|
A.V. / B.Z.
| Zet.: E. Dirix (sectievoorzitter als voorzitter), A. Smetryns (sectievoorzitter), G. Jocqué, B. Wylleman en I. Couwenberg (raadsheren) |
| OM: A. Van Ingelgem |
| Pl.: Mr. P. Wouters |
| Zaak: C.19.0033.N |
(…)
| I. | Rechtspleging voor het Hof |
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 22 mei 2018.
Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 5 juni 2019 een schriftelijke conclusie neergelegd.
Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht.
Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.
| II. | Cassatiemiddel |
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
| III. | Beslissing van het Hof |
| Beoordeling |
| Eerste onderdeel |
1. Artikel 1414 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat elk vonnis, zelfs al is het niet uitvoerbaar niettegenstaande verzet of hoger beroep, als toelating geldt om bewarend beslag te leggen voor de uitgesproken veroordelingen, tenzij anders is beslist.
2. Artikel 22, § 1, eerste lid WIPR bepaalt dat een buitenlandse rechterlijke beslissing die uitvoerbaar is in de Staat waar zij werd gewezen, in België geheel of gedeeltelijk uitvoerbaar wordt verklaard overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 23.
Krachtens het tweede lid van deze bepaling wordt een buitenlandse rechterlijke beslissing in België geheel of gedeeltelijk erkend zonder dat hiervoor de procedure bedoeld in artikel 23 moet worden gevolgd.
Krachtens het derde lid van deze bepaling is, indien de erkenning incidenteel wordt aangevoerd voor een Belgische rechter, deze bevoegd daarvan kennis te nemen.
Krachtens het vierde lid mag de beslissing alleen erkend of uitvoerbaar verklaard worden indien zij de voorwaarden gesteld in artikel 25 niet schendt.
Krachtens artikel 24 WIPR moet de partij die een beroep doet op de erkenning van een buitenlandse rechterlijke beslissing of de uitvoerbaarverklaring ervan vordert de in dit artikel nader bepaalde stukken overleggen.
Krachtens voormeld artikel 22, § 3, 2° WIPR verleent de erkenning rechtskracht aan de buitenlandse beslissing.
3. Uit de samenhang van de voormelde bepalingen volgt dat een buitenlands vonnis, uitsluitend als toelating geldt om bewarend beslag te leggen voor de uitgesproken veroordelingen, in de zin van artikel 1414 Gerechtelijk Wetboek, voor zover de Belgische beslagrechter, in het kader van een procedure op verzet, vaststelt dat het vonnis voldoet aan de in artikel 25 gestelde voorwaarden voor erkenning in België en de in de artikel 24 bepaalde stukken worden overgelegd.
4. Uit de stukken waarop het Hof acht vermag te slaan, blijkt dat:
- de arrondissementsrechtbank van Stargard Szczecinski (Polen) bij vonnis van 2 april 1998, geveld in afwezigheid van de eiser, deze heeft veroordeeld om aan de verweerster een maandelijkse onderhoudsbijdrage te betalen;
- de verweerster bij exploot van 5 juli 2016 bewarend beslag onder derden heeft laten leggen op grond van voormeld Pools verstekvonnis van 2 april 1998;
- de beslagrechter bij beschikking van 4 april 2017, op derdenverzet van de eiser, dit bewarend beslag onder derden heeft opgeheven op de grond dat het vernoemde Poolse verstekvonnis van 2 april 1998 niet in België erkend kon worden, nu niet voldaan was aan de voorwaarde van artikel 24, § 1, 3° WIPR, en dus niet als titel voor het bewarend beslag kon gelden;
- de verweerster hiertegen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld.
5. De appelrechters oordelen dat:
- krachtens artikel 1414 Gerechtelijk Wetboek ook een buitenlands vonnis als titel geldt voor het leggen van bewarend beslag, zonder bijkomende rechterlijke machtiging;
- het Poolse verstekvonnis van 2 april 1998 uitdrukkelijk het bestaan van een schuldvordering erkent van de verweerster jegens de eiser;
- dit vonnis voldoende bewijs levert van een zekere, vaststaande en opeisbare schuld, ongeacht het feit dat het in België nog niet uitvoerbaar werd verklaard en dat dit vonnis bijgevolg als titel kan dienen voor het leggen van een bewarend beslag.
6. Door aldus het verstekvonnis van de arrondissementsrechtbank van Stargard Szczecinski (Polen) van 2 april 1998 als toelating te aanvaarden voor een bewarend beslag, krachtens artikel 1414 Gerechtelijk Wetboek, zonder te onderzoeken of voldaan is aan de voorwaarden voor erkenning in België, verantwoorden de appelrechters hun beslissing over het incidenteel beroep van de verweerster niet naar recht.
Het eerste onderdeel is gegrond.
| Overige grieven |
7. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit het incidenteel beroep gegrond verklaart en het oordeelt over de kosten.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

