Article

Ondernemingsrechtbank Brussel (Nl.), 18/11/2020, Q/20/00022, R.D.C.-T.B.H., 2021/1, p. 89-91

Ondernemingsrechtbank Brussel (Nl.) 18 november 2020

INSOLVENTIE
Transnationale insolventie - Europese insolventie - Bevoegdheid - COMI
Bij het bepalen of het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar voor derden verifieerbaar is, moet bijzondere aandacht worden besteed aan de schuldeisers en de inschatting die zij maken van de plaats waar een schuldenaar het beheer over zijn belangen voert. De rechtbank stelt vast dat het COMI van de verzoekende partij zich in België bevindt, op de zetel van de operationele holding, dochtervennootschap van de verzoekende partij. De meerderheid van de externe schuldeisers zijn Belgische ondernemingen, wat doet vermoeden dat de overeenkomsten hoofdzakelijk in België onderhandeld en gesloten worden. Uit dit geheel van elementen blijkt afdoende dat de verzoekende partij gewoonlijk in België haar belangen voert en dat dit voor derden-schuldeisers ook redelijkerwijs herkenbaar is.
INSOLVABILITÉ
Insolvabilité transnationale - Insolvabilité européenne - Compétence - COMI
Pour déterminer si le centre des intérêts principaux du débiteur est vérifiable par des tiers, il convient d'accorder une attention particulière aux créanciers et à leur perception du lieu où le débiteur gère ses intérêts. Le tribunal observe que le centre des intérêts principaux de la requérante est situé en Belgique, au siège de la société holding opérationnelle, filiale de la requérante. La majorité des créanciers externes sont des entreprises belges, ce qui suggère que les contrats sont principalement négociés et conclus en Belgique. Il ressort de ce qui précède que la requérante poursuit normalement ses intérêts en Belgique et ce lieu est également raisonnablement reconnaissable pour les tiers créanciers.

Welkin & Meraki SA

Zet.: D. Geernaert (rechter en kamervoorzitter), B. Pumal en P. Delvaux (rechters in ondernemingszaken)
Pl.: Mr. Ph. Van den Broecke
Zaak: Q/20/00022

(…)

Vordering

Bij verzoekschrift van 29 oktober 2020 vroeg de verzoekende partij de opening van een gerechtelijke reorganisatieprocedure door collectief akkoord met een opschorting van 6 maanden (art. XX.67 tot XX.83 WER).

Verslag gedelegeerd rechter

In zijn schriftelijk verslag van 11 november 2020, dat mondeling toegelicht werd op de zitting, besloot de gedelegeerd rechter dat het verzoek tot gerechtelijke reorganisatie ontvankelijk en gegrond is. Hij adviseerde de rechtbank om de initiële opschorting te beperken tot 4 maanden.

Motivering
I. De onderneming

De onderneming is actief in de sector van de verhuur van kantoorruimtes. De groep waar zij deel van uitmaakt, biedt kantoorruimtes aan met bijhorende diensten in Brussel (1), Parijs (2), Luxemburg stad (1) en Eindhoven (1).

De verzoekende partij is de Luxemburgse holding die aandeelhouder is van de Belgische operationele holding Welkin & Meraki Operations BV, die op haar beurt aandeelhouder is van de zogenaamde special purpose vehicles (SPV's), zijnde de lokale dochtervennootschappen die de kantoorruimtes huren en verhuren. De groep wordt bestuurd door:

- Tipping Point sarl, Luxemburg vertegenwoordigd door de heer A.B.;

- de heer U.V.;

- de heer J.D.

Volgens de verzoekende partij zijn de SPV's getroffen door de COVID-crisis. Dit vertaalt zich o.a. in een vertraagde invulling van de kantoorruimtes en vertraging in de betaling door klanten, waardoor onder meer de zware, relatief recente oprichtingskosten niet betaald kunnen worden. De inkomsten van de verzoekende partij zijn uitsluitend de winsten die zij ontvangt van die operationele holding. Aangezien die zelf onvoldoende inkomsten meer ontvangt vanuit de getroffen SPV's, kan er ook geen winst uitgekeerd worden aan de verzoekende partij. Als gevolg van de opgelopen betalingsachterstanden is ook het krediet van de groep bij Belfius van 18,3 miljoen euro opgeschort sinds 19 oktober 2020. Een procedure van gerechtelijke reorganisatie dringt zich dan ook op, aldus de verzoekende partij.

2. Rechtsmacht

De verzoekende partij is een buitenlandse vennootschap die aan de Belgische rechter vraagt om een gerechtelijke reorganisatieprocedure te openen overeenkomstig het Belgische WER.

Overeenkomstig artikel 4, 1. van verordening (EU) nr. 2015/848 van 20 mei 201S van het Europees Parlement en de Raad betreffende insolventieprocedures (afgekort: verordening nr. 2015/848) onderzoekt de rechter bij wie een insolventieprocedure wordt aangevraagd, ambtshalve of hij bevoegd is om te oordelen over dergelijk verzoek. Artikel 3, 1. van verordening nr. 2015/848 bepaalt het volgende:

“De rechters van de lidstaat op het grondgebied waarvan het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is, zijn bevoegd een insolventieprocedure ('hoofdinsolventieprocedure') te openen. Het centrum van de voornaamste belangen is de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert en die als zodanig voor derden herkenbaar is.

Bij vennootschappen en rechtspersonen wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, het centrum van de voornaamste belangen vermoed de plaats van de statutaire zetel te zijn. Dit vermoeden geldt alleen indien de statutaire zetel in de drie maanden voorafgaand aan het aanvragen van de insolventieprocedure niet naar een andere lidstaat is overgebracht (…)”

Bij het bepalen of het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar voor derden verifieerbaar is, moet bijzondere aandacht worden besteed aan de schuldeisers en de inschatting die zij maken van de plaats waar een schuldenaar het beheer over zijn belangen voert (overw. 28 van verordening nr. 2015/848).

Volgens de verzoekende partij bevindt het centrum van haar voornaamste belangen (center of main interest of COMI) zich niet, zoals nochtans wettelijk vermoed, op haar statutaire zetel te Luxemburg maar in België.

De rechtbank stelt op basis van het verzoek en de stukken van de verzoekende partij en na lezing van het verslag van de gedelegeerd rechter vast dat de verzoekende partij inderdaad in België, meer bepaald in Brussel op de zetel van de operationele holding, het centrum van haar voornaamste belangen heeft: de verzoekende partij is louter een financiële holdingmaatschappij die uitsluitend aandelen (100%) aanhoudt in de Belgische, operationele dochter; zij voert haar boekhouding en administratie te Brussel; de bestuursbesluiten worden genomen door de Belgische bestuurders en door de Belgische vaste vertegenwoordiger van de enige Luxemburgse bestuurder; en de bancaire partners (van de Belgische operationele dochter en van de SPV's) zijn uitsluitend Belgische banken. Bovendien zijn de meerderheid van haar externe schuldeisers Belgische ondernemingen, wat doet vermoeden dat de overeenkomsten hoofdzakelijk in België onderhandeld en gesloten worden. Uit dit geheel van elementen blijkt afdoende dat de verzoekende partij gewoonlijk in België haar belangen voert en dat dit voor derden-schuldeisers ook redelijkerwijs herkenbaar is.

Bijgevolg beschikt de Belgische rechter over de rechtsmacht om te oordelen over het verzoek. Op grond van artikel XX.12 WER is in het bijzonder de ondernemingsrechtbank te Brussel materieel en territoriaal bevoegd om te oordelen over het verzoek.

Overeenkomstig artikel 7 van verordening nr. 2015/848 past de rechtbank het Belgische WER ook toe bij de inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot opening van deze insolventieprocedure.

3. Ontvankelijkheid

De verzoekende partij is een onderneming in de zin van artikel I.1, 1° WER. De in artikel XX.41 WER bedoelde documenten werden neergelegd in het register en de verzoekende partij heeft in haar verzoekschrift aangegeven belang en hoedanigheid te hebben om de opschorting te vragen. Het verzoek is dus ontvankelijk.

4. Opschorting

De verzoekende partij en de gedelegeerd rechter zijn van oordeel dat er nog sprake is van continuïteit. De verliezen hebben het netto-actief evenwel herleid tot minder dan de helft van het maatschappelijk kapitaal. Hierdoor wordt de continuïteit van de onderneming geacht bedreigd te zijn overeenkomstig artikel XX.45, § 2 WER. Bovendien is er een ernstig liquiditeitstekort. Het kortlopend actief van 5.066.999,45 euro volstaat immers niet om het kortlopend passief van 5.312.232,52 euro te betalen.

De verzoekende partij neemt zich voor om de volgende maatregelen te nemen om haar herstel te verzekeren: het verwerven van een kritische massa aan verhuurde werkplekken, de eigen vorderingen beter recupereren, bijkomende investeerders aantrekken en saneren aan de kostenzijde. Zij vraagt in dit verband een opschorting van 6 maanden.

Bij monde van haar raadsman heeft de verzoekende partij op de zitting toegelicht dat haar activiteiten de eerstkomende maanden stilliggen ingevolge de coronacrisis en het daaraan gekoppelde thuiswerk. Dit heef tot gevolg dat de activiteiten van de verzoekende partij ten vroegste binnen 2 maanden kunnen hernemen. Aangezien dit inderdaad afgewacht zal moeten worden, verleent de rechtbank de gevraagde opschorting voor een periode van 6 maanden, mits de verzoekende partij in de tussentijd aan de gedelegeerd rechter geregeld schriftelijk verslag uitbrengt over haar situatie.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank, uitspraak doende op tegenspraak, verklaart zich internationaal, materieel en territoriaal bevoegd om te oordelen over het verzoek en zij verklaart het ontvankelijk en gegrond als volgt:

• verklaart de gerechtelijke reorganisatieprocedure door collectief akkoord geopend en kent aan de verzoekende partij een opschorting toe die vandaag ingaat en die eindigt op 12 mei 2021 om middernacht;

• bevestigt de aanstelling van de heer F. Taildeman als gedelegeerd rechter;

• beveelt de verzoekende partij om:

- vanaf december 2020 uiterlijk op de 20ste dag van elke maand aan de gedelegeerd rechter schriftelijk verslag uit te brengen over haar situatie (evolutie van de schulden, activiteiten en financiering), alsook hem op zijn eerste verzoek alle andere informatie te bezorgen waar hij om vraagt;

- haar schuldeisers binnen 8 dagen na de uitspraak van het vonnis de volledige mededeling als bedoeld in artikel XX.49 WER toe te zenden en een kopie van die mededeling in het register te voegen;

• beveelt de publicatie van dit vonnis bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad binnen de 5 dagen na de datum ervan, door toedoen van de griffie;

• machtigt de gedelegeerd rechter om dit vonnis bekend te maken in de lidstaat van de statutaire zetel van de verzoekende partij;

• legt de gerechtskosten ten laste van de verzoekende partij, inclusief de bijdrage van 20 euro voor het Begrotingsfonds juridische tweedelijnsbijstand.