Hof van Cassatie 11 mei 2020
|
RECHTSPLEGING
Behandeling van de zaak - Vonnis - Heropening van debat - Artikel 774, tweede lid Ger.W. - Vordering tot staking ten opzichte van niet nader geïdentificeerde personen - Artikel 34 genderwet
Krachtens artikel 774, tweede lid Gerechtelijk Wetboek, moet de rechter de heropening van het debat bevelen alvorens de vordering geheel of gedeeltelijk af te wijzen op grond van een exceptie die de partijen voor hem niet hadden ingeroepen.
De mogelijkheid die de artikelen 766, § 1, vierde lid en 767, § 2 Gerechtelijk Wetboek de partijen bieden om conclusies neer te leggen nadat de rechter de sluiting van het debat heeft uitgesproken en het Openbaar Ministerie zijn advies heeft gegeven, heeft uitsluitend betrekking op de inhoud van dat advies en houdt geen enkele afwijking in van de toepassing, door de rechter, van voormeld artikel 774, tweede lid.
DISCRIMINATIE - RACISME - XENOFOBIE
Wetten antidiscriminatie - Toepassingebied - Verboden discriminatie - Schadevergoeding slachtoffer - Artikel 23 genderwet 10 mei 2007 - Begrip werkgever - Hospitalisatieverzekering
Uit de bepalingen van de artikelen 23 en 25, § 2 genderwet van 10 mei 2007 volgt dat de forfaitaire vergoeding voor het slachtoffer bepaald in artikel 23, § 2, 2° slechts van toepassing is in geval van vorderingen tegen de werkgever. In alle andere gevallen is de forfaitaire vergoeding zoals bepaald in artikel 23, § 2, 1° genderwet van toepassing.
Wanneer de vordering van het slachtoffer niet gericht is tegen de werkgever doch tegen de hospitalisatieverzekeraar in het kader van het verloningspakket van de werkgever, is artikel 23, § 2, 2° genderwet niet van toepassing.
|
PROCÉDURE JUDICIAIRE
Instruction de la cause - Jugement - Réouverture des débats - Article 774, alinéa 2, du Code judiciaire - Action en cessation pour des personnes non identifiées - Article 34 de la loi genre
En vertu de l'article 774, alinéa 2, du Code judiciaire, le juge doit ordonner la réouverture des débats avant de rejeter la demande en tout ou en partie sur une exception que les parties n'avaient pas invoquée devant lui.
La possibilité offerte par les articles 766, § 1er, alinéa 4 et 767, § 2, du Code judiciaire aux parties de déposer des conclusions après que le juge ait prononcé la clôture des débats et que le procureur général ait donné son avis, ne porte que sur le contenu de cet avis et n'implique aucune dérogation à l'application, par le juge, de l'article 774, alinéa 2, mentionné ci-avant.
DISCRIMINATION - RACISME - XÉNOPHOBIE
Lois anti-discrimination - Champ d'application - Interdiction de la discrimination - Indemnisation de la victime - Article 23 de la loi genre du 10 mai 2007 - Définition de l'employeur - Assurance hospitalisation
Il résulte des dispositions des articles 23 et 25, § 2, de la loi genre du 10 mai 2007 que l'indemnisation forfaitaire de la victime prévue à l'article 23, § 2, 2°, n'est applicable qu'en cas de plainte contre l'employeur. Dans tous les autres cas, l'indemnité forfaitaire prévue à l'article 23, § 2, 1°, de la loi genre est d'application.
Lorsque la plainte de la victime n'est pas dirigée contre l'employeur mais contre l'assureur hospitalisation dans le cadre de l'enveloppe de rémunération octroyée par l'employeur, l'article 23, § 2, 2°, de la loi genre n'est pas d'application.
|
P. en Instituut voor gelijkheid van vrouwen en mannen / DKV Belgium
| Zet.: C. Storck (voorzitter), K. Mestdagh, M. Delange, A. Lievens, E. de Formanoir (raadsheren) |
| O.M.: H. Vanderlinden (advocaat-generaal) |
| Pl.: Mrs. J. Verbist en B. Vanlerberghe en H. Geinger |
(Zaak: S.18.0094.N)
| I. | Rechtspleging voor het Hof |
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 16 maart 2018.
Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 31 maart 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd.
Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.
| II. | Cassatiemiddelen |
De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.
| III. | Beslissing van het Hof |
| Beoordeling |
| Eerste middel |
| Eerste onderdeel |
1. Krachtens artikel 774, tweede lid Gerechtelijk Wetboek, moet de rechter de heropening van het debat bevelen alvorens de vordering geheel of gedeeltelijk af te wijzen op grond van een exceptie die de partijen voor hem niet hadden ingeroepen.
De mogelijkheid die de artikelen 766, § 1, vierde lid en 767, § 2 Gerechtelijk Wetboek de partijen bieden om conclusies neer te leggen nadat de rechter de sluiting van het debat heeft uitgesproken en het Openbaar Ministerie zijn advies heeft gegeven, heeft uitsluitend betrekking op de inhoud van dat advies en houdt geen enkele afwijking in van de toepassing, door de rechter, van voormeld artikel 774, tweede lid.
2. De appelrechters sluiten zich aan bij het advies van het Openbaar Ministerie in zoverre het de oorspronkelijke vordering van de eiser tot staking ten opzichte van niet nader geïdentificeerde personen als onontvankelijk aanmerkt en verklaart die vordering van de eiser tot staking ten opzichte van niet nader geïdentificeerde personen onontvankelijk op grond dat de eiser artikel 34 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen mannen en vrouwen, hierna genderwet, omzeilt “door gevallen waarvan [hij] kennis heeft, voor te stellen als 'niet-geïdentificeerd'”.
3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat een der partijen dergelijke exceptie heeft ingeroepen.
Het onderdeel is gegrond.
| Derde middel |
4. Krachtens artikel 23, § 1 genderwet kan het slachtoffer in geval van discriminatie een schadevergoeding vorderen overeenkomstig het contractueel of buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht. De persoon die het discriminatieverbod heeft geschonden moet aan het slachtoffer een vergoeding betalen die naar keuze van het slachtoffer gelijk is hetzij aan een forfaitair bedrag uiteengezet in § 2, hetzij aan de werkelijk door het slachtoffer geleden schade.
Krachtens § 2 van voormeld artikel 23 wordt de in § 1 bedoelde forfaitaire schadevergoeding als volgt bepaald:
1° met uitzondering van het hierna bedoelde geval, wordt de forfaitaire vergoeding van de morele schade geleden ten gevolge van een feit van discriminatie, bepaald op 650 euro; dat bedrag wordt verhoogd tot 1.300 euro indien de dader niet kan aantonen dat de betwiste ongunstige of nadelige behandeling ook op niet-discriminerende gronden getroffen zou zijn of omwille van andere omstandigheden, zoals de bijzondere ernst van de geleden morele schade;
2° indien het slachtoffer morele en materiële schadevergoeding vordert wegens discriminatie in het kader van de arbeidsbetrekkingen of van de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid, is de forfaitaire schadevergoeding voor materiële en morele schade gelijk aan de bruto beloning voor zes maanden, tenzij de werkgever aantoont dat de betwiste ongunstige of nadelige behandeling ook op niet-discriminerende gronden getroffen zou zijn; in dat laatste geval wordt de forfaitaire schadevergoeding voor materiële en morele schade beperkt tot drie maanden bruto beloning; wanneer de materiële schade die voortvloeit uit een discriminatie in het kader van de arbeidsbetrekkingen of van de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid echter hersteld kan worden via de toepassing van de nietigheidssanctie waarin artikel 20 voorziet, wordt de forfaitaire schadevergoeding bepaald volgens de bepalingen van punt 1°.
Krachtens artikel 25, § 2 genderwet kan de voorzitter van de rechtbank op vraag van het slachtoffer de in artikel 23, § 2 bedoelde forfaitaire schadevergoeding aan het slachtoffer toekennen.
Uit deze bepalingen volgt dat de forfaitaire vergoeding bepaald in artikel 23, § 2, 2°, slechts van toepassing is in geval van vorderingen tegen de werkgever. In alle andere gevallen is de forfaitaire vergoeding zoals bepaald in artikel 23, § 2, 1° genderwet van toepassing.
5. De appelrechters stellen vast dat de eiseres sinds juni 2013 is tewerkgesteld bij Pentax Ricoh Imaging France en dat haar werkgever als deel van het verloningspakket aan de eiseres een hospitalisatieverzekering bij de verweerster aanbood.
6. De vordering van de eiseres is bijgevolg niet tegen haar werkgever gericht. In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechters artikel 23, § 2, 2° genderwet schenden, kan het niet worden aangenomen.
7. Voor het overige beantwoorden de appelrechters met de reden dat de voorzitter, zetelend zoals in kort geding, de nietigverklaring van het strijdig beding niet kan uitspreken het in het middel bedoelde verweer en mist het mitsdien feitelijke grondslag.
| Omvang van cassatie |
8. De vernietiging van de beslissing over de tussenkomst van de eiser voor niet-geïdentificeerde personen brengt de vernietiging mee van de beslissing over de vordering tot aanplakking en publicatie van het arrest, ingevolge het verband dat het arrest legt tussen deze beslissingen.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het eisers tussenkomst voor niet-geïdentificeerde personen onontvankelijk verklaart, het oordeelt over de vordering tot aanplakking en publicatie van het arrest en het uitspraak doet over de kosten.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Gent.
Zie elders in dit nummer/Voir dans ce numéro: Arbh. Brussel (1ste k.) 16 maart 2018 en noot/et note: “Discriminatie op basis van geslachtsverandering en genderidentiteit: mijlpaalarrest over genderdysforie en beroepsgebonden hospitalisatieverzekeringen”.

