Article

Hof van Cassatie (1e k.), 11/12/2020, C.20.0210.N, R.D.C.-T.B.H., 2021/4, p. 433-441

Hof van Cassatie 11 december 2020

VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST
Uitvoering/Niet-uitvoering - Buitengerechtelijke ontbinding - Uitdrukkelijk ontbindend beding - Ontbinding door kennisgeving - Eenzijdige rechtshandeling
Luidens artikel 1184, eerste lid Oud Burgerlijk Wetboek is in wederkerige overeenkomsten de ontbindende voorwaarde altijd stilzwijgend begrepen, voor het geval dat een van beide partijen haar verbintenis niet nakomt.
Krachtens artikel 1184, derde lid van dat wetboek moet de ontbinding in rechte worden gevorderd.
Deze regel strekt ertoe, bij afwezigheid van een uitdrukkelijk ontbindend beding, in het belang van de rechtszekerheid en de billijkheid de ontbinding te onderwerpen aan de toetsing door de rechter.
Deze regel staat niet eraan in de weg dat, in geval van een wanprestatie die voldoende ernstig is om de gerechtelijke ontbinding te rechtvaardigen, de schuldeiser de overeenkomst op eigen risico kan ontbinden door daarvan uitdrukkelijk kennis te geven aan de schuldenaar.
De ontbinding van de overeenkomst op eigen risico kan derhalve geen uitwerking krijgen zonder kennisgeving daarvan aan de schuldenaar.
Het middel dat er geheel van uitgaat dat artikel 1184 Oud Burgerlijk Wetboek niet eraan in de weg staat dat een contractpartij door haar houding en derhalve stilzwijgend te kennen kan geven dat zij de overeenkomst eenzijdig beëindigt, faalt naar recht.
OBLIGATIONS CONVENTIONNELLES
Exécution/Non-exécution - Résolution extrajudiciaire - Clause résolutoire expresse - Résolution par notification - Acte unilatéral
Aux termes de l'article 1184, alinéa 1er, du Code civil, la condition résolutoire est toujours sous-entendue dans un contrat synallagmatique, pour le cas où l'une des deux parties ne satisfera point à son engagement.
En vertu de l'article 1184, alinéa 3, de ce code, la résolution doit être demandée en justice.
Dans l'intérêt de la sécurité juridique et par souci d'équité, cette règle tend à ce qu'à défaut de clause résolutoire expresse, la résolution soit soumise au contrôle du juge.
Cette règle ne fait pas obstacle à ce qu'en cas d'inexécution suffisamment grave pour justifier la résolution judiciaire, le créancier décide à ses risques et périls de résoudre le contrat par une notification au débiteur.
La résolution du contrat aux risques et périls du créancier ne peut pas produire d'effet tant qu'elle n'a pas été notifiée à son débiteur.
Le moyen qui repose entièrement sur l'assomption que l'article 1184 de l'Ancien Code civil n'empêche pas qu'un contractant puisse exprimer tacitement, par son attitude, qu'il met fin unilatéralement au contrat, manque en droit.

Woonplanners NV / Wimicom Comm.V.

Zet.: K. Mestdagh (voorzitter), B. Wylleman (raadsheer)
O.M.: E. Herregodts (advocaat-generaal)
Pl.: Mrs. H. Geinger en B. Vanlerberghe
Zaak: C.20.0210.N

(…)

III. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Eerste middel

1. Luidens artikel 1184, eerste lid Oud Burgerlijk Wetboek is in wederkerige overeenkomsten de ontbindende voorwaarde altijd stilzwijgend begrepen, voor het geval dat een van beide partijen haar verbintenis niet nakomt.

Krachtens artikel 1184, derde lid van dat wetboek moet de ontbinding in rechte worden gevorderd.

Deze regel strekt ertoe, bij afwezigheid van een uitdrukkelijk ontbindend beding, in het belang van de rechtszekerheid en de billijkheid de ontbinding te onderwerpen aan de toetsing door de rechter.

Deze regel staat niet eraan in de weg dat, in geval van een wanprestatie die voldoende ernstig is om de gerechtelijke ontbinding te rechtvaardigen, de schuldeiser de overeenkomst op eigen risico kan ontbinden door daarvan uitdrukkelijk kennis te geven aan de schuldenaar.

De ontbinding van de overeenkomst op eigen risico kan derhalve geen uitwerking krijgen zonder kennisgeving daarvan aan de schuldenaar.

2. Het middel dat er geheel van uitgaat dat artikel 1184 Oud Burgerlijk Wetboek niet eraan in de weg staat dat een contractpartij door haar houding en derhalve stilzwijgend te kennen kan geven dat zij de overeenkomst eenzijdig beëindigt, faalt naar recht.

(…)

Voorziening in cassatie

Feiten en procedurevoorgaanden

1. Op 1 oktober 2012 werd een “overeenkomst dienstverlening” gesloten tussen de EBVBA Woonplanners en de heer Mike Wildemeersch.

In die overeenkomst verbond de heer Mike Wildemeersch of een nader door hem aan te duiden vennootschap zich ertoe zijn diensten aan te bieden aan de EBVBA Woonplanners voor het leiden, sturen en opvolgen van de activiteiten van de vennootschap in verband met projectontwikkeling.

Op 1 april 2013 werd de verweerster opgericht door de heer Mike Wildemeersch.

Op 31 maart 2015 werden de projectontwikkelingsactiviteiten van de EBVBA Woonplanners overgedragen aan eiseres.

Tussen partijen bestaat geen betwisting over het feit dat de “overeenkomst dienstverlening” van bij de aanvang moet worden geacht tussen eiseres en verweerster gesloten te zijn.

2. Op 13 maart 2015 werd onder meer tussen partijen een “voorakkoord” gesloten betreffende een mogelijke overname van de aandelen van eiseres door verweerster of door de heer Mike Wildemeersch.

Op 31 maart 2015 werd de heer Mike Wildemeersch benoemd tot bestuurder van eiseres.

Uiteindelijk beslisten verweerster en de heer Mike Wildemeersch de aandelen van eiseres niet over te nemen, waardoor de samenwerking “zienderogen” verslechterde (vonnis a quo 4 september 2017, p. 4).

3. Bij brief van 14 oktober 2015 werd door eiseres aan verweerster een aantal contractuele wanprestaties verweten, onder meer een schending van het niet-concurrentiebeding.

Op 20 oktober 2015 heeft eiseres de dienstverleningsovereenkomst tijdelijk opgeschort. Eiseres verzocht verweerster om de toegangscode en de badges in te leveren.

Bij brieven van 27 en 28 oktober 2015 verweet eiseres opnieuw contractuele wanprestaties aan verweerster. In de brief van 27 oktober 2015 besluit eiseres dat het hier “zeer ernstige inbreuken” betreft “dewelke een contractverbreking ten uwe laste inhouden”. In de brief van 28 oktober 2015 stelt eiseres dat “de dienstverleningsovereenkomst (…) door u (verweerster) inderdaad werd verbroken” (vonnis a quo 4 september 2017, p. 8, voorlaatste lid).

4. Bij exploot van 2 december 2015 werd eiseres op verzoek van verweerster gedagvaard in betaling van onder meer een opzeggingsvergoeding van  115.800,00 en een bedrag van  23.282,80 hoofdens beweerd achterstallige facturen.

Eiseres vorderde bij tegeneis een bedrag van  10.000,00 provisioneel wegens miskenning van het niet-concurrentiebeding tijdens de uitvoering van de dienstverleningsovereenkomst.

De rechtbank van koophandel Antwerpen, afdeling Antwerpen, sprak vonnis uit op 4 september 2017 waarbij:

- de hoofdvordering van verweerster gedeeltelijk gegrond werd verklaard en eiseres werd veroordeeld tot betaling van onder meer een opzeggingsvergoeding van  106.800,00 te vermeerderen met de gerechtelijke interesten vanaf 2 december 2015 en de som van  15.090,24 hoofdens achterstallige facturen, bedrag te verhogen met de verwijlinteresten aan de conventionele interestvoet van 10% vanaf de vervaldata van de onderscheiden facturen en met een conventionele schadevergoeding van  1.509,02, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten;

- de tegenvordering van eiseres gegrond werd verklaard en verweerster werd veroordeeld tot een provisionele schadevergoeding van  10.000,00, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten, wegens inbreuk op het niet-concurrentiebeding.

Eiseres tekende hoger beroep aan tegen dit vonnis van 4 september 2017. Verweerster stelde incidenteel beroep in.

Na bij tussenarrest van 28 mei 2019 de heropening der debatten te hebben bevolen, verklaarde het hof van beroep te Antwerpen, bij eindarrest van 17 december 2019, zowel het hoofdberoep als het incidenteel beroep ongegrond. Het vonnis a quo werd in al zijn beschikkingen bevestigd.

Tegen dit arrest van 17 december 2019 meent eiseres volgende middelen tot cassatie te kunnen aanvoeren.

Eerste middel tot cassatie
Geschonden wetsbepalingen

- artikelen 1142, 1146, 1147 en 1184 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

Bij het bestreden arrest van 17 december 2019 verklaart het hof van beroep te Antwerpen het hoger beroep van eiseres tegen het vonnis van 4 september 2017 van de rechtbank van koophandel Antwerpen, afdeling Antwerpen, ongegrond, bevestigt dit vonnis in al zijn beschikkingen en veroordeelt eiseres aldus tot betaling aan verweerster van een “opzegvergoeding” van  106.800,00 in hoofdsom, te vermeerderen met gerechtelijke vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 2 december 2015 tot 4 september 2017, vanaf die datum overgaand in gerechtelijke verwijlinteresten aan dezelfde interestvoet tot aan de datum van de volledige betaling, en dit op de volgende gronden uit het bestreden arrest van 17 december 2019:

“Bij het voormelde tussenarrest (van 28 mei 2019) werden partijen toegelaten tot het getuigenbewijs middels schriftelijke getuigenverklaringen.

Ter terechtzitting van 19 november 2019 werden de debatten integraal hernomen omwille van de gewijzigde samenstelling van het hof.

De eerste rechter heeft volledig en correct geantwoord op alle middelen, argumenten, feiten en stukken die door partijen werden aangedragen. Het hof maakt zich de overwegingen van de eerste rechter dan ook eigen en benadrukt nog enkel wat volgt.

De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat (verweerster) niet bewees dat (eiseres) op de hoogte was van het contract met Groep Caenen. Ook in hoger beroep - zelfs nadat partijen tot het getuigenbewijs werden toegelaten - bewijst (verweerster) niet dat (eiseres) op de hoogte was van de onderhandelingen met Groep Caenen en dat (verweerster) in deze met medeweten en goedkeuring van (eiseres) zou hebben gehandeld.

(Eiseres) bewijst derhalve dat (verweerster) het niet-concurrentiebeding heeft geschonden. Dat de transactie met Groep Caenen uiteindelijk op niets is uitgedraaid, doet hieraan geen afbreuk. In strijd met de overeenkomst van partijen heeft (verweerster) manifest concurrerende handelingen gesteld.

De eerste rechter heeft evenwel terecht geoordeeld dat (eiseres) de overeenkomst van partijen eerst eenzijdig beëindigd heeft en zich pas later op de contractuele wanprestatie van (verweerster) beroepen heeft. De overeenkomst van partijen werd definitief beëindigd ingevolge deze eenzijdige wilsuiting van (eiseres), zodat zij niet nogmaals beëindigd kan worden omwille van de contractuele wanprestatie van (verweerster).

Wat de handeling van (verweerster) buiten mandaat betreft (borgstelling door (eiseres) ten aanzien van Groep Caenen), blijkt niet dat (eiseres) hierdoor enige schade geleden heeft. (Verweerster) is uit dien hoofde geen schadevergoeding aan (eiseres) verschuldigd.

Het blijkt duidelijk uit de voorgelegde stukken dat de verstandhouding tussen partijen verzuurd was omdat (verweerster) de aandelen van (eiseres) uiteindelijk niet wilde overnemen. De samenwerking tussen partijen werd haast onmogelijk en (eiseres) heeft (verweerster) gaandeweg geen opdrachten meer gegeven en de verdere uitvoering van de overeenkomst bemoeilijkt en vervolgens onmogelijk gemaakt. Het is blijkbaar pas nadat (eiseres) de overeenkomst met (verweerster) beëindigd had, dat zij kennis heeft gekregen van het dossier betreffende Groep Caenen.

Op basis van de stukken die partijen aan de eerste rechter en het hof hebben voorgelegd, heeft de eerste rechter een correcte afrekening opgesteld van wat partijen nog aan elkaar verschuldigd zijn.

Het bedrag van 10.000 euro voor de miskenning van het niet-concurrentiebeding werd forfaitair bedongen en (eiseres) bewijst niet dat zij daarnaast nog andere schade geleden heeft.

Het hoger beroep is ongegrond.

Samen met de eerste rechter dient het hof vast te stellen dat (verweerster) geen prestaties bewijst voor de maand oktober 2015. Voor de maand september 2015 bewijst (verweerster) niet dat zij recht had op een volledige vergoeding, maar heeft de eerste rechter deze schuldvordering terecht tot de helft gereduceerd, a rato van de door (verweerster) bewezen prestaties.

(Verweerster) bewijst niet dat zij schade heeft geleden, noch wat de omvang van de beweerde schade zou zijn, ingevolge de melding door (eiseres) aan de contacten van (verweerster) dat (verweerster) door een niet-concurrentiebeding gebonden was.

Het incidenteel hoger beroep is eveneens ongegrond.”

en op de volgende gronden uit het vonnis van 4 september 2017 van de eerste rechter, wiens overwegingen de appelrechters zich hebben eigen gemaakt:

“De vordering tot het bekomen van een opzegvergoeding

(Verweerster) vordert dat deze rechtbank (eiseres) veroordeelt tot betaling van een bedrag van EUR 115.800, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten. (Verweerster) specificeert niet vanaf wanneer en aan welke interestvoet de gevorderde interesten dienen aangerekend te worden, maar het ligt voor de hand (gelet op de aard van de vordering en indien de vordering van (verweerster) gegrond wordt bevonden) die aan te rekenen vanaf de datum van dagvaarding en aan de gemeenrechtelijke wettelijke interestvoet.

Ter ondersteuning van haar vordering wijst (verweerster) i.h.b. op de volgende feiten:

- op 15 oktober 2015 verhinderde (eiseres) de toegang van (verweerster) tot haar e-mails;

- op 20 oktober 2015 vraagt (eiseres) dat (verweerster) de toegangscode en badges van (eiseres) inlevert, weigert (eiseres) (verweerster) de toegang tot de kantoren van (eiseres) en deelt (eiseres) aan (verweerster) mee dat de dienstverleningsovereenkomst wordt opgeschort;

- op 28 oktober 2015 stuurt (eiseres) een bericht aan haar contacten waarin zij meldt dat zij de samenwerking met de heer Wildemeersch onmiddellijk heeft beëindigd.

Volgens (verweerster) beëindigde (eiseres) aldus de dienstverleningsovereenkomst eenzijdig. Bovendien deed zij dit wegens beweerde contractuele wanprestaties in hoofde van (verweerster). Aldus diende (eiseres) artikel 2.2 van de dienstverleningsovereenkomst na te leven, inbegrepen de daarin vooropgestelde formaliteiten. (Eiseres) deed dit niet en (verweerster) kan bijgevolg aanspraak maken op de in dat artikel bepaalde opzegvergoeding van 12 maal haar maandelijkse vergoeding, zijnde 12 x EUR 9.650 excl. btw = EUR 115.800.

Als verweer tegen de vordering van (verweerster) werpt (eiseres) ten eerste op dat (verweerster) door haar eigen handelwijze de dienstverleningsovereenkomst zelf eenzijdig beëindigde. Dit eenzijdig handelen bestond er in de eerste plaats uit dat (verweerster) haar mandaat als bestuurder van (eiseres) neerlegde. Indien de rechtbank het betoog van (eiseres) goed begrijpt, zou (verweerster) de dienstverleningsovereenkomst ook eenzijdig hebben beëindigd door de verplichtingen van niet-concurrentie en confidentialiteit die op haar rusten niet te hebben nageleefd.

De rechtbank kan het standpunt van (eiseres) niet bijtreden.

De rechtbank ziet immers niet hoe men uit het ontslag als bestuurder van (verweerster) en/of de (door (verweerster) betwiste) schendingen van de verplichtingen van niet-concurrentie en confidentialiteit kan besluiten dat (verweerster) zelf een einde stelde aan de dienstverleningsovereenkomst. Uit geen van deze handelingen blijkt immers de intentie van (verweerster) om de dienstverleningsovereenkomst te beëindigen. Wat het ontslag als bestuurder betreft, is het daarenboven zo dat het bekleden van een mandaat als bestuurder van (eiseres) - i.t.t. wat (eiseres) beweert - geenszins 'de essentie van het voorwerp' (p. 15 syntheseconclusies) van de dienstverleningsovereenkomst betreft. De dienstverleningsovereenkomst bepaalt in artikel 1.1 inderdaad dat de overeenkomst als voorwerp heeft “het verlenen van diensten door [(verweerster)] als bestuurder van [(eiseres)]”, maar het is evenzeer waar dat artikel 1.7 van de dienstverleningsovereenkomst stipuleert dat (verweerster) dergelijke taak pas zal opnemen “in de toekomst” en “indien beide partijen daarin toestemmen”. Daarenboven werd (verweerster) pas op 31 maart 2015, dus pas 2,5 jaar na de aanvang van dienstverleningsovereenkomst, tot bestuurder van (eiseres) benoemd. Ten slotte blijkt uit de dienstverleningsovereenkomst en de bijgevoegde uitgebreide takenlijst dat aan (verweerster) vooral operationele taken werden toevertrouwd. Dat laatste blijkt overigens ook uit het feit dat (verweerster) in artikel 4.4 van de dienstverleningsovereenkomst en in een aantal door de partijen bijgebrachte stukken als 'COO' ['chief operating officer' - algemeen directeur] van (eiseres) wordt aangeduid.

(Eiseres) voert ten tweede aan dat zij op basis van artikel 5.3 van de dienstverleningsovereenkomst het recht had de overeenkomst zonder naleving van een termijn of betaling van enige vergoeding te beëindigen.

De rechtbank kan zich niet terugvinden in de zienswijze van (eiseres).

Artikel 5.3 van de dienstverleningsovereenkomst maakt deel uit van artikel 5 van de overeenkomst dat in zijn geheel betrekking heeft op een aan (verweerster) opgelegd niet-concurrentiebeding. Artikel 5.3 leest als volgt: 'Bij overtreding van dit beding tijdens de duur van de overeenkomst en tot 3 maanden erna door [(verweerster)] zal [(eiseres)] ertoe gerechtigd zijn hetzij contractbreuk in te roepen lastens [(verweerster)], hetzij de ontbinding vast te stellen van deze overeenkomst zonder naleving van een termijn of betaling van enige vergoeding. Bovendien zal [(verweerster)] ertoe gehouden zijn [(eiseres)] te vergoeden voor alle hiertoe geleden schade' [eigen nadruk van de rechtbank].

De vraag die zich bijgevolg stelt, is of (eiseres) onder verwijzing naar een schending van de niet-concurrentieverplichting van (verweerster) de ontbinding van de dienstverleningsovereenkomst heeft vastgesteld.

De rechtbank overloopt daartoe de chronologie van de feiten.

In een schrijven van 14 oktober 2015 (stuk 20 (verweerster) en de heer Wildemeersch (stuk A10 (eiseres)) verwijt (eiseres) aan (verweerster) een aantal contractuele wanprestaties onder de dienstverleningsovereenkomst, inbegrepen een in zeer algemene termen gestelde schending van het niet-concurrentiebeding. Hoewel (eiseres) in die brief stelt dat er 'reden genoeg' is 'om de verbreking van de contractuele relatie lastens u vast te stellen', stelt (eiseres) echter geenszins de verbreking van de dienstverleningsovereenkomst vast, maar zegt zij 'bereid' te zijn 'deze hangende kwestie met u te bespreken op donderdag e.k.'.

Het is niet duidelijk of op donderdag 15 oktober 2015 enige bespreking plaatsvond en, zo ja, wat daar gezegd werd.

Uit de door de partijen bijgebrachte e-mail van (eiseres) aan (verweerster) (stuk 22 (verweerster) en de heer Wildemeersch (stuk A12 (eiseres)) en brief van (verweerster) aan (eiseres) van 20 oktober 2015 (stuk 23 (verweerster) en de heer Wildemeersch (stuk A13 (eiseres)) blijkt dat (eiseres) vervolgens, nl. op 20 oktober 2015, aan (verweerster) vraagt dat zij haar toegangscode en badges inlevert. Op die dag weigert (eiseres) (verweerster) eveneens de toegang tot de kantoren van (eiseres).

In een schrijven van 23 oktober 2015 stelt (verweerster) vast 'dat ik nog steeds blijf verhinderd worden om mijn activiteiten als COO binnen Woonplanners NV uit te oefenen' (stuk 24 (verweerster) en de heer Wildemeersch (stuk A14 (eiseres)).

In geen enkel geschrift dat (eiseres) in die periode of daarna aan (verweerster) richt, worden de voormelde feiten betwist, en ook in haar syntheseconclusies doet (eiseres) dat niet.

Op 27 en 28 oktober 2015 (stukken 25 en 26 (verweerster) en de heer Wildemeersch; stukken A15 en A16 (eiseres)) richt (eiseres) brieven aan (verweerster) waarin zij de contractuele wanprestaties die zij aan (verweerster) verwijt, inbegrepen de schending van het niet-concurrentiebeding, nogmaals oplijst. In haar brief van 27 oktober 2015 besluit (eiseres) dat het hier 'zeer ernstige inbreuken' betreft ' dewelke een contractverbreking ten uwe last inhouden'. In haar brief van 28 oktober 2015 hanteert (eiseres) dan weer de hoofding 'vaststelling van éénzijdige verbreking van de dienst verlengingsovereenkomst d.d. 1 oktober 2012' en stelt zij dat ' [d]e dienstverleningsovereenkomst (...) door u [(verweerster)] inderdaad [werd] verbroken'.

Met enige goede wil kan men in de brief van 27 oktober 2015 de vaststelling van de ontbinding van de dienstverleningsovereenkomst op initiatief van (eiseres) wegens een schending van het niet-concurrentiebeding door (verweerster) ontwaren, weliswaar zonder dat (eiseres) expliciet naar artikel 5.3 van de dienstverleningsovereenkomst verwijst.

Maar de vaststelling van de ontbinding van de dienstverleningsovereenkomst op 27 oktober 2015 post-dateert de gebeurtenissen van 20 oktober 2015.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft (eiseres) reeds op 20 oktober 2015 de dienstverleningsovereenkomst eenzijdig beëindigd door aan (verweerster) te vragen dat zij haar toegangscode en badges inlevert en aan (verweerster) de toegang tot de kantoren van (eiseres) te weigeren.

In haar brieven van 20 en 23 oktober 2015 had (verweerster) ook reeds de 'éénzijdige verbreking van de dienstverleningsovereenkomst d.d. 1 oktober 2012' door (eiseres) vastgesteld.

Het omschrijven van het handelen van (eiseres) als een schorsing in de e-mail van (eiseres) van 20 oktober 2015, kan aan deze vaststelling geen afbreuk doen, te meer daar uit een e-mail van 6 oktober 2015 van (verweerster) aan (eiseres) (stuk 13 (verweerster) en de heer Wildemeersch) blijkt dat (eiseres) reeds sinds eind september 2015 de taken van (verweerster) binnen (eiseres) substantieel aan het uithollen was (geen briefwisseling, geen nieuwe dossiers, geen facturen ter goedkeuring, nagenoeg geen telefoons, geen afspraken) en (eiseres) ook nergens betwist dat zij vanaf 15 oktober 2015 (verweerster) de toegang tot haar e-mails ontzegde.

De eenzijdige beëindiging van de dienstverleningsovereenkomst op 20 oktober 2015 gebeurde los van enige vaststelling op dat ogenblik van enige schending van de niet-concurrentieverplichting in hoofde van (verweerster).

(Eiseres) kan zich niet post factum op artikel 5.3 van dienstverleningsovereenkomst beroepen om haar eenzijdige beëindiging van de overeenkomst op 20 oktober 2015 zonder toekenning van een opzegtermijn of een opzegvergoeding te vergoelijken.

(Eiseres) werpt ten slotte op dat zij op basis van artikel 2.3 van de dienstverleningsovereenkomst het recht had de overeenkomst zonder naleving van een termijn of betaling van enige vergoeding te beëindigen.

De rechtbank kan ook dit standpunt van (eiseres) niet delen.

Artikel 2.3 van de dienstverleningsovereenkomst maakt deel uit van artikel 2 van de overeenkomst dat in zijn geheel betrekking heeft op de duur en de beëindiging van de dienstverleningsovereenkomst. Artikel 2.3 leest als volgt: 'Onverminderd de bepalingen van artikel 2.2, kan iedere partij huidige overeenkomst onmiddellijk beëindigen middels buitengerechtelijke ontbinding ervan, zonder opzegging of vergoeding, in geval van een ernstige tekortkoming door de andere partij. Dergelijke buitengerechtelijke ontbinding moet gebeuren bij aangetekend schrijven (...)'.

Uit de voorgaande overwegingen blijkt dat (eiseres) de dienstverleningsovereenkomst eenzijdig beëindigde op 20 oktober 2015 zonder dat er daarbij enig aangetekend schrijven kwam kijken.

(Eiseres) kan zich dus post factum niet op artikel 2.3 van de dienstverleningsovereenkomst beroepen om haar eenzijdige beëindiging van de overeenkomst op 20 oktober 2015 zonder toekenning van een opzegtermijn of een opzegvergoeding te vergoelijken.

Nu het verweer van (eiseres) niet dienstig blijkt te zijn, stelt zich de vraag op welke vergoeding (verweerster) aanspraak kan maken.

Zoals hiervoor reeds gesteld, is (verweerster) van oordeel dat zij op grond van artikel 2.2 van de dienstverleningsovereenkomst recht heeft op een opzegvergoeding van EUR 115.800.

De rechtbank dient het standpunt van (verweerster) in belangrijke mate bij te treden.

Artikel 2.2 van de dienstverleningsovereenkomst luidt als volgt: 'Indien partijen één of meer van hun uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen, en niet binnen de veertien (14) dagen nadat de andere partij de in gebreke blijvende partij daartoe schriftelijk in gebreke heeft gesteld, alsnog voor een juiste nakoming van deze overeenkomst zorg draagt, zal de andere partij huidige overeenkomst kunnen beëindigen op grond van contractuele wanprestatie vanaf de 15de dag na het verzenden van de schriftelijke ingebrekestelling. De schadevergoeding die door [(eiseres)] aan [(verweerster)] zal dienen betaald te worden, in geval van niet-naleving van voormelde opzegtermijn en contractuele bepalingen door [(eiseres)], wordt forfaitair vastgesteld op een som gelijk aan 6 (zes) maanden in het voordeel van [Wimicon], vergoeding zoals overeengekomen onder bepaling (D) van huidige overeenkomst. Vanaf het derde jaar dat deze samenwerkingsovereenkomst loopt zal deze vergoeding twaalf maanden bedragen. Deze vergoeding zal echter nooit meer dan 12 maanden kunnen bedragen.' [eigen benadrukking van de rechtbank].

Uit het schrijven van (eiseres) van 14 oktober 2015 en de verwijzing in de e-mail van (eiseres) van 20 oktober 2015 naar 'de diverse briefwisseling van de afgelopen weken' blijkt dat de eenzijdige beëindiging van de dienstverleningsovereenkomst door (eiseres) op 20 oktober 2015 was ingegeven door de beweerde contractuele wanprestaties van (verweerster).

Noch in het schrijven van 14 oktober 2015 noch in de e-mail van 20 oktober 2015 stelt (eiseres) (verweerster) voor enige beweerde contractuele wanprestatie formeel in gebreke om binnen de 14 dagen de beweerde contractuele wanprestaties te remediëren.

Aldus is er sprake van de 'niet-naleving van voormelde opzegtermijn en contractuele bepalingen door [(eiseres)]' waarnaar artikel 2.2 van de dienstverleningsovereenkomst verwijst en kan (verweerster) op grond van datzelfde artikel 2.2 aanspraak maken op een forfaitaire opzegvergoeding corresponderend aan 12 maanden maandelijkse vergoeding.

l.t.t. wat (verweerster) stelt, bedraagt deze forfaitaire opzegvergoeding niet EUR 115.800, maar slechts EUR 106.800. De maandelijkse vergoeding van (verweerster) bedroeg immers niet EUR 9.650 excl. btw, maar EUR 8.900 excl. btw (zoals blijkt uit de factuur nr. 0302015 van 29 september 2015, die door (verweerster) als onderdeel van haar stuk 2 wordt bijgebracht). EUR 750 excl. btw is een forfaitaire maandelijkse onkostenvergoeding, die geen deel uitmaakt van de maandelijkse vergoeding bepaald op grond van artikel 4.1 juncto clausule (D) van de aanhef van de dienstverleningsovereenkomst die geldt als basis voor de berekening van de forfaitaire opzegvergoeding.

De voorgaande analyse wordt niet beïnvloed door het feit dat (verweerster) van eind maart 2015 tot half september 2015 als bestuurder van (eiseres) fungeerde en de op dergelijk mandaat toepasselijke leer van de ad nutum-herroepbaarheid. De dienstverleningsovereenkomst had immers overwegend betrekking op het uitoefenen van de taak van COO door (verweerster) en de beëindiging van de samenwerking tussen (eiseres) en (verweerster) geschiedde nadat (verweerster) ontslag had genomen als bestuurder.

(...)

De tegenvordering van (eiseres) tegen (verweerster) tot het bekomen van een schadevergoeding

(Eiseres) vordert dat de rechtbank (verweerster) veroordeelt tot betaling van een bedrag van EUR 10.000 provisioneel, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten. Dit bedrag is een schadevergoeding voor beweerdelijk door (eiseres) geleden schade. (Eiseres) specificeert niet vanaf wanneer en aan welke interestvoet de gevorderde interesten dienen aangerekend te worden, maar het ligt voor de hand (gelet op de aard van de vordering en indien de vordering van (eiseres) gegrond wordt bevonden) die aan te rekenen vanaf de datum van neerlegging van de conclusies waarin de tegenvordering werd gesteld en aan de gemeenrechtelijke wettelijke interestvoet.

(Eiseres) behoudt zich het recht voor een hogere schadevergoeding te vorderen in de loop van het geding, maar de rechtbank dient vast te stellen dat (eiseres) dat niet heeft gedaan.

(Eiseres) beklemtoont echter evenzeer dat zij het bedrag van de door haar geleden schade provisioneel heeft begroot, gezien het haar nog niet bekend is welk schade zij verder zal lijden.

De rechtbank besluit dan ook dat de door (eiseres) gevorderde schadevergoeding haar provisioneel karakter behoudt, waarbij provisioneel moet begrepen worden als een bedrag dat reeds definitief is maar eventueel nog kan toenemen.

Ter ondersteuning van haar vordering stelt (eiseres) dat (verweerster) het niet-concurrentiebeding van artikelen 5.1 en 5.2 van de dienstverleningsovereenkomst overtreden heeft.

(Eiseres) stelt eveneens dat (verweerster) handelingen buiten mandaat heeft gesteld. Zij verwijst hierbij i.h.b. naar artikel 1.4 van de dienstverleningsovereenkomst.

(Eiseres) verwijst voor de begroting van de provisionele schadevergoeding van EUR 10.000 provisioneel die zij vordert expliciet naar artikel 5.4 van de dienstverleningsovereenkomst (zie p. 17 syntheseconclusies). Dat artikel luidt als volgt: 'In geval van overtreding van deze niet-concurrentieverplichting tijdens de volledige geldigheidsduur ervan door [(verweerster)] zal [(verweerster)] ertoe gehouden zijn [(eiseres)] te vergoeden voor alle schade geleden ingevolge de overtreding van voormeld concurrentieverbod. De schadevergoeding wordt forfaitair vastgesteld op 10.000 EUR, onverminderd het recht van [(eiseres)] om een vordering in rechte te stellen tot de volledige vergoeding van alle geleden schade.' [eigen benadrukking van de rechtbank].

Het staat bijgevolg vast dat (eiseres) heden enkel een provisionele schadevergoeding vordert i.v.m. de beweerde schending van het niet-concurrentiebeding door (verweerster), schadevergoeding die correspondeert aan het contractueel afgesproken forfait.

In de mate dat (eiseres) een schadevergoeding vordert wegens handelingen die (verweerster) buiten mandaat zou hebben gesteld, dient de vordering van (eiseres) als niet in staat te worden beschouwd.

Wat de beweerde schending van het niet-concurrentiebeding door (verweerster) betreft, verwijst (eiseres) slechts naar een transactie waarin (verweerster) het op haar rustende niet-concurrentiebeding zou hebben geschonden. Het betreft een transactie die (verweerster) met de NV Groep Caenen Capital Fund (hierna, 'Caenen') heeft afgesloten.

Uit het door (verweerster) bijgebrachte stuk 30 blijkt dat Caenen op 7 mei 2015 met de NV H.B.S. (hierna, 'HBS') een 'optieovereenkomst' sloot krachtens dewelke HBS aan Caenen tot 15 juni 2015 een optie toekende om voor EUR 3.500.000 gronden in Charleroi (eigendom van HBS) te verwerven, die bestemd waren om het vastgoedproject 'RiverTowers' te realiseren.

Uit het door (eiseres) bijgebrachte stuk B1 blijkt dat (verweerster) op 9 juni 2015 met Caenen een 'overeenkomst tot overdracht optie en verkoopovereenkomst' (hierna, 'de optieoverdrachtovereenkomst') sloot krachtens dewelke (verweerster) en Caenen afspraken dat Caenen op 12 juni 2015 de optie m.b.t. de gronden voor project River Towers zou lichten en dit 'in naam van' (verweerster). (Verweerster) en Caenen spraken eveneens af dat (verweerster) 'in de verkoopovereenkomst die het gevolg is van het lichten van bovenstaande optie, in de plaats [zal] treden van' Caenen en dat (verweerster) 'dus rechtstreeks een compromis [zal] afsluiten met de huidige eigenaars, tot aankoop van bovenvermeld goed, en dit als gevolg van het lichten van de optie door' Caenen. De optieoverdrachtovereenkomst bevat eveneens een mechanisme om Caenen voor de overdracht van de optie te vergoeden.

(Eiseres) is de mening toegedaan dat het sluiten van de optieoverdrachtovereenkomst in hoofde van (verweerster) een schending van het niet-concurrentiebeding van de dienstverleningsovereenkomst uitmaakt.

De rechtbank is het in principe met (eiseres) eens.

De optieoverdrachtovereenkomst werd immers gesloten 'tijdens' het in voege zijn van de dienstverleningsovereenkomst. Het voorwerp van de overeenkomst betreft 'activiteiten (...) die concurrerend zijn met de activiteiten van' (eiseres). (Verweerster) treedt 'rechtstreeks' en 'voor eigen rekening' in de transactie op. En de transactie vindt plaats op 'het grondgebied van België'. Aldus beantwoordt het sluiten van de optieoverdrachtovereenkomst aan de definitie van concurrentie in de artikelen 5.1 en 5.2 van de dienstverleningsovereenkomst.

(Verweerster) is daarentegen van mening dat er in casu geen sprake is van een schending van het niet-concurrentiebeding, en wel omwille van de volgende redenen.

In het voorjaar 2015 zou het project River Towers in de kantoren van (eiseres) besproken zijn tussen Caenen, (eiseres) en (verweerster). Voor (eiseres) zou de heer Louis Convents, aandeelhouder en gedelegeerd bestuurder van (eiseres), daarbij aanwezig geweest zijn. Ter ondersteuning van deze bewering brengt (verweerster) stuk 31 bij, zijnde een e-mailuitwisseling tussen (verweerster) en Caenen van begin maart 2015.

De rechtbank kan enkel vaststellen dat uit dit stuk niet blijkt dat (eiseres) op de hoogte was van het project River Towers en al zeker niet dat (eiseres) de deelname van (verweerster) in het project zou hebben goedgekeurd. Een en ander wordt bovendien formeel en in krachtige bewoordingen ontkend door (eiseres).

(Verweerster) stelt eveneens dat, gelet op de nakende overname van (eiseres) door (verweerster), werd beslist dat (verweerster) het project River Towers zou aannemen om het, na het voltrekken van de overname, over te dragen aan (eiseres).

De rechtbank kan enkel vaststellen dat van deze beweerde afspraak niets is terug te vinden in het voorakkoord en zijn addendums en evenmin in enig ander stuk dat door de partijen wordt bijgebracht. Een en ander wordt bovendien formeel en in krachtige bewoordingen ontkend door (eiseres).

(Verweerster) voert eveneens aan dat Caenen de optie op de gronden voor het project River Towers nooit lichtte. Aan de optieoverdrachtovereenkomst zou dus nooit uitvoering zijn gegeven.

De rechtbank kan enkel opmerken dat dit geen afbreuk doet aan het feit dat (verweerster) de optieoverdrachtovereenkomst heeft afgesloten tijdens de duur van de dienstverleningsovereenkomst en dat zij aldus het niet-concurrentiebeding dat zij overeenkwam met (eiseres) heeft geschonden.

Ten slotte wijst (verweerster) erop dat (eiseres) de optieoverdrachtovereenkomst als borg ondertekende. Ook dat wijst op de instemming van (eiseres) met de overeenkomst en toont aan dat het niet-concurrentiebeding niet speelt m.b.t. het project River Towers.

De rechtbank deelt deze zienswijze niet. De optieoverdrachtovereenkomst werd voor (eiseres) immers ondertekend door (verweerster). Conform artikel 1.4, eerste lid van de dienstverleningsovereenkomst had (verweerster) enkel het recht om voor (eiseres) te tekenen 'indien het akkoorden/overeenkomsten/contracten zijn die in het voordeel van [(eiseres)] werden onderhandeld en overeengekomen'. Artikel 1.4, tweede lid voegt daaraan toe: 'Het is [(verweerster)] (...) niet toegestaan om in naam en voor rekening van [(eiseres)] bepaalde documenten of akten te ondertekenen of [(eiseres)] op enigerlei wijze te verbinden die [(eiseres)] in negatieve zin verbinden zonder een schriftelijk voorafgaand akkoord van [(eiseres)]'. Het is duidelijk dat het project River Towers niet in het voordeel van (eiseres) was (uit niets blijkt immers dat het project aan (eiseres) zou worden overgedragen) en het is even duidelijk dat de borgstelling die (eiseres) verleende (eiseres) onmiddellijk in negatieve zin verbond. Aldus kon (verweerster) (eiseres) niet verbinden zonder de medewerking van de bevoegde organen van (eiseres). Het feit dat (verweerster) op dat ogenblik bestuurder van (eiseres) was, helpt (verweerster) niet. De raad van bestuur van (eiseres) bestond op dat ogenblik uit drie bestuurders en is een orgaan dat, wat het interne bestuur betreft, in principe collegiaal beslist (art. 14 van de statuten van (eiseres)). Wat de externe vertegenwoordiging van (eiseres) betreft, wordt de vennootschap vertegenwoordigd ofwel door twee bestuurders die gezamenlijk optreden ofwel door de gelegeerd bestuurder die alleen optreedt (art. 15 van de statuten). In geen geval kon (verweerster) dus alleen optreden. Uit het feit dat (eiseres) participeerde in de overeenkomst, kan dus geen instemming van (eiseres) met project River Towers en afstand van het niet-concurrentiebeding afgeleid worden.

Het niet-concurrentiebeding werd dus wel degelijk door (verweerster) geschonden en (eiseres) kan bijgevolg aanspraak maken op de overeengekomen forfaitaire schadevergoeding.”

Grief

1.1. Ingevolge artikel 1142 van het Burgerlijk Wetboek wordt iedere verbintenis om iets te doen of niet te doen opgelost in schadevergoeding, ingeval de schuldenaar de verbintenis niet nakomt. Schadevergoeding is, luidens artikel 1146 van het Burgerlijk Wetboek, eerst dan verschuldigd wanneer de schuldenaar in gebreke is zijn verbintenis na te komen. Artikel 1147 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de schuldenaar, indien daartoe grond bestaat, wordt veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding wegens niet-uitvoering van de verbintenis.

1.2. Luidens artikel 1184, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek is de ontbindende voorwaarde in wederkerige contracten altijd stilzwijgend begrepen, voor het geval dat een van beide partijen haar verbintenis niet nakomt.

In dit geval is, ingevolge het tweede lid van artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek, het contract niet van rechtswege ontbonden. De partij jegens wie de verbintenis niet is uitgevoerd, heeft de keus om ofwel de andere partij te noodzaken de overeenkomst uit te voeren, wanneer de uitvoering mogelijk is, ofwel de ontbinding van de overeenkomst te vorderen met schadevergoeding.

De ontbinding moet krachtens het derde lid van artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek in rechte worden gevorderd.

2. Het artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek staat er niet aan in de weg dat de rechter vaststelt dat een contractpartij, door haar houding, te kennen geeft dat zij de overeenkomst eenzijdig beëindigt.

In dat geval vormt de houding van die partij het bewijs van haar stilzwijgende wil om de overeenkomst eenzijdig te beëindigen.

Wanneer de rechtmatigheid van deze eenzijdige beëindiging aan de rechter wordt onderworpen bij een latere vordering tot schadevergoeding, dan kan de partij haar wil om de overeenkomst eenzijdig te beëindigen, rechtvaardigen op grond van de wanprestatie van haar wederpartij en vermag de rechter te oordelen dat, gelet op de wanprestatie van de wederpartij, de contractpartij geen fout heeft begaan door de overeenkomst stilzwijgend en eenzijdig te beëindigen, ook al werd die wanprestatie niet ter rechtvaardiging aangevoerd op het ogenblik zelf van de eenzijdige beëindiging ingevolge het stilzwijgend karakter van de beëindiging.

3.1. De eerste rechter, wiens overwegingen volledig werden overgenomen door de appelrechters, stelde vast:

- dat verweerster ter ondersteuning van haar vordering wijst op het feit dat eiseres op 20 oktober 2015 vroeg dat verweerster de toegangscode en badges inleverde en dat eiseres verweerster de toegang tot de kantoren weigerde;

- dat eiseres aldus, volgens verweerster, de dienstverleningsovereenkomst eenzijdig beëindigde en dat zij dit, volgens verweerster, “deed wegens beweerde contractuele wanprestatie in hoofde van (verweerster)” (vonnis 4 september 2017, p. 6).

De eerste rechter oordeelde dat eiseres “reeds op 20 oktober 2015 de dienstverleningsovereenkomst eenzijdig (heeft) beëindigd door aan (verweerster) te vragen dat zij haar toegangscode en badges inlevert en aan (verweerster) de toegang tot de kantoren van (eiseres) te weigeren” (vonnis 4 september 2017, p. 9).

De appelrechters maakten zich de overwegingen van de eerste rechter eigen en beslisten dat de eerste rechter terecht heeft geoordeeld dat eiseres de overeenkomst van partijen eenzijdig heeft beëindigd (bestreden arrest p. 4).

3.2. De eerste rechter besliste tevens dat verweerster het niet-concurrentiebeding dat zij overeenkwam met eiseres heeft geschonden. Hij stelde in dit verband vast:

- dat eiseres verwijst naar een transactie die verweerster met de NV Groep Caenen Capital Fund (hierna “Caenen”) heeft gesloten;

- dat Caenen op 7 mei 2015 met de NV H.B.S. een “optie­overeenkomst” sloot krachtens dewelke de NV H.B.S. aan Caenen een optie toekende tot 15 juni 2015 om voor 3.500.000,00 euro gronden in Charleroi te verwerven, bestemd om het vastgoedproject “River Towers” te realiseren;

- dat verweerster op 9 juni 2015 met Caenen een optieoverdrachtovereenkomst sloot krachtens dewelke verweerster en Caenen afspraken dat Caenen op 12 juni 2015 de optie zou lichten in naam van verweerster en dat verweerster rechtstreeks een compromis zal sluiten met de huidige eigenaars tot aankoop als gevolg van het lichten van de optie door Caenen; de optieovereenkomst bevat eveneens een mechanisme om Caenen voor de overdracht van de optie te vergoeden (vonnis 4 september 2017, p. 18).

De eerste rechter heeft uit deze vaststellingen afgeleid dat verweerster de optieoverdrachtovereenkomst heeft gesloten tijdens de duur van de dienstverleningsovereenkomst en dat zij aldus “het niet-concurrentiebeding dat zij overeenkwam met (eiseres) heeft geschonden” (vonnis 4 september 2017, p. 19, laatste lid, en p. 20, derde lid).

De appelrechters namen ook deze overwegingen over en beslisten tevens zelf dat eiseres bewijst dat “(verweerster) het niet-concurrentiebeding heeft geschonden” (bestreden arrest p. 4, voorlaatste lid).

3.3. Met overname van de overwegingen van de eerste rechter stelden de appelrechters tevens vast dat uit het schrijven van eiseres van 14 oktober 2015 en de verwijzing in de e-mail van eiseres van 20 oktober 2015 naar “de diverse briefwisseling van de afgelopen weken” blijkt “dat de eenzijdige beëindiging van de dienstverleningsovereenkomst door (eiseres) op 20 oktober 2015 was ingegeven door de beweerde contractuele wanprestatie van (verweerster)” (vonnis 4 september 2017, p. 10, zesde lid).

Ter betwisting van de door verweerster gevorderde “opzegvergoeding” wegens eenzijdige beëindiging van de dienstverleningsovereenkomst, stelde eiseres ook in haar synthese­conclusie dat zij gerechtigd was daartoe over te gaan gezien de overtreding door verweerster van het niet-concurrentiebeding (synthese beroepsconclusie eiseres gedagtekend op 8 oktober 2018, p. 20, achtste lid en p. 22, derde lid).

Eiseres mocht immers haar wil om de dienstverleningsovereenkomst op 20 oktober 2015 eenzijdig te beëindigen achteraf voor de rechter rechtvaardigen op grond van de contractuele wanprestatie van verweerster, bestaande uit de schending van het niet-concurrentiebeding, en zulks als verweer tegen de door verweerster op grond van die eenzijdige beëindiging gevorderde “opzegvergoeding”, ook al gebeurde de eenzijdige beëindiging van de dienstverleningsovereenkomst op 20 oktober 2015 los van de vaststelling op dat ogenblik van de schending van de niet-concurrentieverplichting, gelet op het stilzwijgend karakter van de eenzijdige beëindiging.

Door met overname van de overwegingen van de eerste rechter te beslissen dat eiseres zich niet post factum op artikel 5.3 van de dienstverleningsovereenkomst kan beroepen om haar eenzijdige beëindiging van de overeenkomst op 20 oktober 2015 zonder toekenning van een opzegtermijn of een opzegvergoeding “te vergoelijken” terwijl eiseres haar wil tot beëindiging van de overeenkomst wel degelijk vermag te rechtvaardigen op grond van de wanprestatie van verweerster, hebben de appelrechters artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek geschonden.

Door eiseres op voormelde gronden te veroordelen tot betaling van een “forfaitaire opzegvergoeding” van  106.800,00, spijts eiseres de stilzwijgende eenzijdige beëindiging van de dienstverleningsovereenkomst op 20 oktober 2015 mocht rechtvaardigen op grond van de schending van de niet-concurrentieverplichting in hoofde van verweerster (1) en spijts die schending van het niet-concurrentiebeding in hoofde van verweerster werd bewezen verklaard (2), hebben de appelrechters artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek geschonden, alsook de artikelen 1142, 1146 en 1147 van het Burgerlijk Wetboek.