Hof van Cassatie 4 september 2020
|
BEVOEGDHEID
Beslag - Beslagrechter als bodemrechter - Incidentele geschillen m.b.t. omvang verhaalsrecht schuldeiser - Simulatie - Revindicatie
Het komt de beslagrechter toe om in het kader van een uitvoerend beslag als bodemrechter uitspraak te doen over incidentele geschillen met betrekking tot de omvang van het verhaalsrecht van de schuldeiser en die onlosmakelijk verbonden zijn met de tenuitvoerlegging.
Aldus kan de beslagrechter in geval van een uitvoerend beslag als bodemrechter uitspraak doen over het bestaan van simulatie omtrent het eigendomsrecht van de in beslag genomen goederen.
|
COMPÉTENCE
Compétence matérielle - Saisie - Saisie-exécution
Il appartient au juge des saisies de statuer, dans le cadre d'une saisie-exécution, comme juge de fond concernant des incidents qui sont indissolublement liés à l'exécution.
Le juge des saisies pourra ainsi juger comme juge de fond au sujet de l'existence de simulation concernant les biens saisis.
|
Rijksdienst voor Sociale Zekerheid / United Tax Network BV
A.-M.H.
| Zet.: E. Dirix (sectievoorzitter) |
| O.M.: E. Herregodts |
| Pl.: Mr. G. de Foestraets |
| Zaak: C.20.0017.N |
| I. | Rechtspleging voor het Hof |
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 8 oktober 2018.
Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd.
| II. | Cassatiemiddel |
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
| III. | Beslissing van het Hof |
| Beoordeling |
| Eerste onderdeel |
| Ontvankelijkheid |
1. De eerste verweerster werpt een grond van niet-ontvankelijkheid op: het onderdeel is niet ontvankelijk in zoverre het de schending aanvoert van artikel 1489 Gerechtelijk Wetboek, dat het bewarend beslag betreft en aldus geen verband houdt met het huidige geschil inzake een uitvoerend beslag onder derden.
2. De aangevoerde schending van de artikelen 1395, eerste lid en 1415 Gerechtelijk Wetboek volstaan om tot cassatie te leiden.
De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
| Gegrondheid |
3. Een uitvoerend beslag onder derden kan enkel ten laste van de schuldenaar en niet van een derde worden gelegd, behoudens in geval van simulatie. Indien aldus de schuldeiser aantoont dat de schuldvordering slechts in schijn aan de derde toebehoort en zijn schuldenaar de ware gerechtigde is, dan is de schuldeiser gerechtigd hierop beslag te leggen, zonder dat hij over een uitvoerbare titel jegens de slechts in schijn gerechtigde van de schuldvordering dient te beschikken.
4. De beslagrechter die krachtens artikel 1395, eerste lid Gerechtelijk Wetboek kennis neemt van de vorderingen die betrekking hebben op de middelen tot tenuitvoerlegging op goederen van de schuldenaar, beoordeelt de wettigheid en de regelmatigheid van de tenuitvoerlegging, maar is niet bevoegd om uitspraak te doen over andere geschillen betreffende de tenuitvoerlegging. Behoudens de uitdrukkelijk in de wet bepaalde gevallen, kan hij geen uitspraak doen over de zaak zelf.
5. Krachtens artikel 1514, eerste lid Gerechtelijk Wetboek kan degene die beweert eigenaar te zijn van het geheel of een gedeelte van de in beslag genomen voorwerpen, tegen de verkoop verzet doen bij de beslagrechter die oordeelt over de eigendomsbetwisting.
Overeenkomstig artikel 1613, eerste lid Gerechtelijk Wetboek kan voor de beslagrechter een vordering worden ingesteld om alle onroerende goederen of een gedeelte ervan aan het beslag te onttrekken, tegen de beslagen partij, tegen de beslaglegger, tegen de eerst ingeschreven schuldeiser en, zo deze de vervolgende partij is, tegen de schuldeiser wiens inschrijving onmiddellijk volgt.
6. Uit het vorenstaande volgt dat het de beslagrechter toekomt om in het kader van een uitvoerend beslag als bodemrechter uitspraak te doen over incidentele geschillen met betrekking tot de omvang van het verhaalsrecht van de schuldeiser en die onlosmakelijk verbonden zijn met de tenuitvoerlegging.
Aldus kan de beslagrechter in geval van een uitvoerend beslag als bodemrechter uitspraak doen over het bestaan van simulatie omtrent het eigendomsrecht van de in beslag genomen goederen.
7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:
- de eiser over een uitvoerbare titel beschikt jegens de tweede verweerster sub a en b, de schuldenaar, wegens RSZ-schulden;
- de eiser op grond hiervan op 13 december 2011 uitvoerend beslag onder derden heeft laten leggen in handen van de CV PKF Accountants en Belastingconsulenten op verkoopprijs die deze verschuldigd was aan de eerste verweerster wegens de aankoop van de klantenportefeuille van deze laatste;
- de eerste verweerster bij exploot betekend op 16 januari 2012 verzet heeft aangetekend tegen dit uitvoerend beslag onder derden en de opheffing ervan heeft gevorderd, aangezien de eiser jegens haar niet over een uitvoerbare titel beschikt;
- de eiser aanvoerde dat de eerste verweerster slechts in het bezit was gekomen van de klantenportefeuille als gevolg van een gesimuleerde eigendomsoverdracht door de tweede verweersters sub a en b aan haar, zodat de opbrengst van de verkoop slechts in schijn aan de eerste verweerster toebehoort en de tweede verweersters sub a en b de werkelijke gerechtigde zijn van de schuldvordering op de koper, zodat de eiser hierop op grond van de uitvoerbare titel jegens de tweede verweersters beslag kan leggen.
8. De appelrechters oordelen dat de eiser niet over een uitvoerbare titel beschikt ten laste van de eerste verweerster en het aan de beslagrechter in hoger beroep evenmin toekomt te oordelen over de door de eiser aangevoerde simulatie omdat “een dergelijke beoordeling immers de grond van de zaak [raakt] en zodanig slechts aan de bodemrechter toe[komt]”. Door op die gronden het verzet van de eerste verweerster tegen het derdenbeslag gegrond te verklaren, verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht.
Het onderdeel is gegrond.
| Overige grieven |
9. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart.
(…)

