Article

De beslagrechter als volwaardige executierechter ten aanzien van geschillen m.b.t. op gesimuleerde of pauliaanse wijze overgedragen goederen, R.D.C.-T.B.H., 2021/6, p. 751-757

BEVOEGDHEID
Beslag - Beslagrechter als bodemrechter - Incidentele geschillen m.b.t. omvang verhaalsrecht schuldeiser - Simulatie - Revindicatie
Het komt de beslagrechter toe om in het kader van een uitvoerend beslag als bodemrechter uitspraak te doen over incidentele geschillen met betrekking tot de omvang van het verhaalsrecht van de schuldeiser en die onlosmakelijk verbonden zijn met de tenuitvoerlegging.
Aldus kan de beslagrechter in geval van een uitvoerend beslag als bodemrechter uitspraak doen over het bestaan van simulatie omtrent het eigendomsrecht van de in beslag genomen goederen.
COMPÉTENCE
Compétence matérielle - Saisie - Saisie-exécution
Il appartient au juge des saisies de statuer, dans le cadre d'une saisie-exécution, comme juge de fond concernant des incidents qui sont indissolublement liés à l'exécution.
Le juge des saisies pourra ainsi juger comme juge de fond au sujet de l'existence de simulation concernant les biens saisis.

De beslagrechter als volwaardige executierechter ten aanzien van geschillen m.b.t. op gesimuleerde of pauliaanse wijze overgedragen goederen
R. Lindemans [1]
I. Betwistingen omtrent de omvang van het verhaalsrecht van de schuldeiser

1.Actuele vermogen schuldenaar als verhaalsobject - Een beslag dient in de regel te worden gelegd op het actuele vermogen van een schuldenaar, zoals dit is samengesteld op het ogenblik van het beslag. Een schuldeiser moet het vermogen van zijn schuldenaar dan ook nemen in de staat waarin dat zich bevindt op het ogenblik dat hij zijn verhaal wenst te nemen. Dat uitgangspunt wordt op diverse wijzen gecorrigeerd ten voordele van de schuldeisers, onder meer wanneer zou blijken dat bepaalde goederen op pauliaanse of gesimuleerde wijze werden overgedragen aan een derde en dus werden onttrokken aan het verhaalsrecht van de schuldeisers.

2.Accessoire vorderingen aan het verhaalsrecht van de schuldeiser: de pauliana en de vordering tot geveinsverklaring - Zo kunnen schuldeisers conform artikel 1167 BW een pauliaanse vordering instellen om anterieure beschikkingshandelingen van hun debiteur te bestrijden die met bedrieglijke miskenning van hun verhaalsrechten werden gesteld. Het door de schuldenaar op pauliaanse wijze overgedragen goed zal geacht worden nooit het vermogen van de schuldenaar te hebben verlaten ten aanzien van de schuldeiser die de vordering met succes heeft ingesteld (relatieve werking). Die schuldeiser kan vervolgens dan ook overgaan tot executie op het bewuste vermogensbestanddeel. [2] De tenuitvoerlegging geschiedt evenwel lastens de derde, die als beslagene zal gelden. [3]

Zo ook kunnen schuldeisers opkomen tegen geveinsde of gesimuleerde handelingen gesteld door de schuldenaar. [4] Er is sprake van veinzing of simulatie in verbintenisrechtelijke zin wanneer partijen voor de buitenwereld samen en bewust de schijn creëren een bepaalde overeenkomst te sluiten, terwijl ze tegelijkertijd en in het geheim op een andere wijze overeenkomen over het bestaan, de aard of de gevolgen ervan (cf. art. 1321 BW). Veinzing in verbintenisrechtelijke zin veronderstelt dus het naast elkaar bestaan van twee overeenkomsten: een openlijke overeenkomst met de schijntoestand en een verborgen overeenkomst die de werkelijke wil van de partijen insluit. [5] Veinzing kan daarnaast ook in zuiver goederenrechtelijke zin bestaan, waarbij de schuldenaar bewust zijn goederen op naam van een andere partij zet om aldus naar de buitenwereld de schijn te creëren dat hij niet de eigenaar is van de goederen zonder dat als zodanig sprake is van twee onderscheiden rechtshandelingen. [6]

Bij veinzing zal dus steeds sprake zijn van een werkelijke rechtsverhouding en een schijnbare rechtsverhouding. Schuldeisers zullen zich als derden, onder bepaalde voorwaarden, zowel op de schijnbare als op de werkelijke/ontveinsde rechtsverhouding kunnen beroepen. Die laatste situatie zal aan de orde zijn, wanneer een schuldeiser vaststelt dat zijn schuldenaar op louter gesimuleerde wijze goederen heeft overgedragen aan of op naam gezet van een andere partij. In een dergelijk geval kan een schuldeiser een vordering tot geveinsdverklaring instellen om zich te beroepen op de “ontveinsde toestand” waarbij de activa conform de werkelijke wil van de schuldenaar nog steeds geacht zullen worden deel uit te maken van het vermogen van de schuldenaar. Hoewel de schuldeiser bij een vordering tot geveinsdverklaring geen bedrog moet aantonen van de veinzende partijen, is een dergelijke vordering op bewijsrechtelijk vlak vaak geen sinecure.

Zowel een pauliaanse vordering als een vordering tot geveinsdverklaring zijn vorderingen die erop gericht zijn (de omvang van) het verhaalsrecht van de schuldeiser en diens onderpand conform artikelen 7 en 8 Hyp.W. veilig te stellen. [7] Het betreffen remedies die als accessoria van de schuldvordering van de schuldeiser gelden. [8] Het is dan ook vaak precies naar aanleiding van een bewarend of uitvoerend beslag, dat geschillen rijzen omtrent de omvang van het verhaalsrecht van de schuldeiser. Dit roept ook meteen de vraag op of een beslagrechter kennis kan nemen van dergelijke geschillen en, belangrijker, dergelijke geschillen ten gronde kan beslechten.

3.Het geannoteerde arrest: uitvoerend beslag lastens de in schijn gerechtigde partij - Ook in het geannoteerde cassatiearrest van 4 september 2020 was een dergelijke situatie aan de orde. De RSZ beschikte als schuldeiser over een uitvoerbare titel ten aanzien van zijn schuldenaar A, op grond waarvan hij een uitvoerend beslag onder derden had gelegd op een schuldvordering van partij B op partij C (in wiens handen het beslag onder derden was gelegd). De schuldvordering was voortgevloeid uit de verkoop van een klantenportefeuille door B aan C. Volgens de RSZ was B slechts in het bezit gekomen van de klantenportefeuille (en dus de aanspraken op de schuldvordering op C), na een gesimuleerde eigendomsoverdracht van de klantenportefeuille van A aan B. De RSZ beriep zich aldus op de “ontveinsde toestand” om aan te voeren dat conform de werkelijke wil van schuldenaar A en partij B, de schuldvordering op C nog steeds deel uitmaakte van het vermogen van A.

4.De relevante rechtsvraag: kan beslagrechter betwisting ten gronde beslechten? - De RSZ had in dit geval dus geen voorafgaande vordering tot geveinsdverklaring ingesteld t.a.v. A en B. Hij was daarentegen op grond van zijn uitvoerbare titel ten aanzien van schuldenaar A, meteen overgegaan tot tenuitvoerlegging op de schuldvordering die schijnbaar aan B toebehoorde. Hierdoor rees de vraag of de beslagrechter, gevat op verzet van B, zich ten gronde kon uitspreken of sprake was van een simulatie en dus of de RSZ op rechtmatige wijze een uitvoerend beslag kon benaarstigen op de vordering op C.

Het past dan ook om vooreerst een aantal principes in verband met de bevoegdheid en macht van de beslagrechter in herinnering te brengen.

II. De beslagrechter: soms ook bodemrechter?

5.Uitgangspunt: geen bodemrechter wanneer beoordeling rechtmatigheid en regelmatigheid beslag - Op grond van artikel 1395 Ger.W. is de beslagrechter bevoegd voor alle vorderingen betreffende de bewarende beslagen en middelen tot tenuitvoerlegging. Binnen dit bevoegdheidsdomein is de macht van de beslagrechter om te oordelen echter beperkt. [9] Zo geldt op grond van artikel 1489, tweede lid Ger.W. dat de beschikkingen van de beslagrechter geen nadeel mogen toebrengen aan de zaak zelf (vgl. art. 1039 Ger.W.).

Het is op grond van een gezamenlijke lezing van voornoemde bepalingen dat volgens de klassieke formule van het Hof van Cassatie wordt geoordeeld dat de beslagrechter die kennis neemt van een vordering betreffende de middelen tot tenuitvoerlegging slechts de rechtmatigheid en de regelmatigheid van de tenuitvoerlegging kan beoordelen. Hij is niet bevoegd om uitspraak te doen over andere geschillen betreffende de tenuitvoerlegging en kan, behoudens de uitdrukkelijk in de wet bepaalde gevallen, geen uitspraak doen over de zaak zelf. [10]

De regelmatigheid van het beslag heeft in essentie betrekking op de vraag of de (al dan niet op straffe van nietigheid voorgeschreven) procedureregels uit het Gerechtelijk Wetboek voor het leggen van een beslag, zijn gerespecteerd. De rechtmatigheid van het beslag heeft daarentegen betrekking op het recht van tenuitvoerlegging respectievelijk om bewarend beslag te leggen van de schuldeiser zelf. Het betreft dus het subjectieve recht van een schuldeiser om met betrekking tot zijn schuldvordering de uitwinningsprocedure op de goederen van zijn debiteur aan te vatten, te benaarstigen of - in geval van een bewarend beslag - ten conservatoire titel veilig te stellen. Bij een uitvoerend beslag betreft dit hoofdzakelijk de vraag naar het voorhanden zijn van een geldige uitvoerbare titel (voorwaarden art. 1494, eerste lid Ger.W. voldaan?; titel nog actueel?; geen verjaring?). Bij een bewarend beslag betreft dit in essentie de vraag of de schuldeiser beschikt over een zekere, vaststaande en opeisbare vordering in de zin van artikel 1415 Ger.W. en of er sprake is van urgentie in de zin van artikel 1413 Ger.W. Onder de rechtmatigheid vallen daarnaast ook diverse andere mogelijke geschillen, zo bijvoorbeeld de vraag of het benaarstigen van het bewarend respectievelijk uitvoerend beslag niet neerkomt op een rechtsmisbruik en de vraag of de goederen waarop beslag werd gelegd effectief voor beslag vatbaar zijn.

Traditioneel wordt geleerd dat bij het onderzoek van de rechtmatigheid en regelmatigheid van de tenuitvoerlegging, de beslagrechter niet oordeelt als bodemrechter, maar hij enkel het executiegeschil beslecht, zonder te raken aan de materieelrechtelijke verhouding tussen partijen zoals die in voorkomend geval reeds uit een uitvoerbare titel blijkt. [11]

6.Uitzondering: bodemrechter t.a.v. specifieke zelfstandige vorderingen - Voornoemd uitgangspunt dient op diverse punten te worden genuanceerd. Zo is de beslagrechter in een aantal gevallen wel degelijk bevoegd om ten gronde uitspraak te doen over vorderingen die geen betrekking hebben op de rechtmatigheid of regelmatigheid van het gelegde beslag. Het betreft met name specifiek in de wet bepaalde vorderingen die weliswaar kaderen in de executie, doch die zelfstandige vorderingen uitmaken waarover de beslagrechter ten gronde kan oordelen.

Het meest gekende voorbeeld betreft revindicatievorderingen die worden ingesteld door de beweerde eigenaar van in beslag genomen roerende (art. 1514, tweede lid Ger.W.) of onroerende (art. 1613, eerste lid Ger.W.) goederen. Andere gevallen waarin de beslagrechter wordt gevat om als bodemrechter uitspraak te doen, betreffen onder meer vorderingen tot schuldenaarsverklaring na uitvoerend derdenbeslag (art. 1540 en 1542 Ger.W.) en vorderingen in het kader van de evenredige verdeling (art. 1634 Ger.W.) en de rangregeling (art. 1648 Ger.W.). [12]

7.Beslechting ten gronde pauliaanse vordering of vordering geveinsdverklaring n.a.v. revindicatievordering - Wanneer de beslagrechter wordt gevat met een revindicatievordering n.a.v. een gelegd bewarend of onroerend beslag, zal hij het geschil dienen te beslechten als bodemrechter. In de rechtspraak [13] en rechtsleer [14] wordt dan ook terecht aangenomen dat de beslagrechter eveneens kennis kan nemen van een tegenvordering van de beslagleggende schuldeiser die aanvoert dat de revindicant slechts op gesimuleerde of pauliaanse wijze in het bezit is gekomen van de goederen. Die tegenvordering kan de beslagrechter dan eveneens ten gronde beslechten.

Bij een beslag onder derden, voorziet het Gerechtelijk Wetboek niet in een revindicatievordering voor een derde die beweert de titularis te zijn van de beslagen vordering. Het is dan ook voornamelijk in de context van het beslag onder derden dat het geannoteerde arrest zijn belang vertoont, zoals blijkt uit wat volgt.

III. De beslagrechter: eveneens bodemrechter bij executiegeschillen omtrent omvang verhaalsrecht schuldeiser?

8.Het geannoteerde arrest: bodemrechter t.a.v. executiegeschillen omtrent omvang verhaalsrechter - De in het vorige randnummer beschreven situatie waarbij de beslagrechter wordt gevat met een revindicatievordering, dient te worden onderscheiden van de situatie waarin de beslagrechter op grond van zijn algemene bevoegdheid gevat is om uitspraak te doen over de regelmatigheid of rechtmatigheid van een beslag. Echter, ook dan wordt de beslagrechter vaak geconfronteerd met (al dan niet incidentele) betwistingen die noodzakelijkerwijs een beoordeling als bodemrechter inhouden.

Voornoemde situatie was precies aan de orde in het geannoteerde arrest, waar in het kader van een door B ingesteld verzet tot opheffing van het uitvoerend beslag onder derden, de vraag rees of de beslagrechter ten gronde kon oordelen over de door de RSZ aangevoerde simulatie tussen schuldenaar A en partij B. Dat B een verzet instelde tegen het beslag, en geen eigenlijke revindicatievordering, is precies te verklaren door het feit dat er bij een beslag onder derden geen regels zijn in verband met revindicaties van schuldvorderingen door de beweerde werkelijke titularis, zoals toegelicht in het vorige randnummer.

In het bestreden arrest, oordeelde de beslagkamer van het hof van beroep te Antwerpen dat het geen uitspraak ten gronde kon doen over de door de RSZ aangevoerde simulatie. Het besloot dat “een dergelijke beoordeling immers de grond van de zaak [raakt] en zodanig slechts aan de bodemrechter toe[komt]”. De RSZ stelde vervolgens een cassatievoorziening in.

Het Hof van Cassatie brengt vooreerst in herinnering dat een uitvoerend beslag enkel ten laste van de schuldenaar en niet ten laste van een derde kan worden gelegd, behoudens in geval van simulatie. [15] Daarbij weze opgemerkt dat een aanzegging van het beslagexploot aan de schuldenaar (bij gebrek aan wettelijke regeling) niet verplicht is, doch wel ten zeerste aan te bevelen valt. [16]

Vervolgens overweegt het Hof van Cassatie dat, voor zover de schuldeiser aantoont dat (i) de schuldvordering slechts in schijn aan de derde toebehoort en (ii) zijn schuldenaar de ware eigenaar is, hij niet dient te beschikken over een uitvoerbare titel jegens de slechts in schijn gerechtigde van de schuldvordering. De uitvoering lastens de in schijn gerechtigde (de stroman) kan dus plaatsvinden rechtstreeks op grond van de uitvoerbare titel ten aanzien van de schuldenaar. [17]

Na eraan te herinneren dat op grond van artikel 1395, eerste lid Ger.W. de beslagrechter, die kennis neemt van een vordering die betrekking heeft op de middelen tot tenuitvoerlegging op de goederen van de schuldenaar, slechts de wettigheid en de regelmatigheid van de tenuitvoerlegging kan beoordelen, en na te verwijzen naar de artikelen in verband met de revindicatie van roerende (art. 1514, eerste lid Ger.W.) en onroerende goederen (art. 1613, eerste lid Ger.W.), overweegt het Hof van Cassatie tot slot:

“Uit het vorenstaande volgt dat het de beslagrechter toekomt om in het kader van een uitvoerend beslag als bodemrechter uitspraak te doen over incidentele geschillen met betrekking tot de omvang van het verhaalsrecht van de schuldeiser en die onlosmakelijk verbonden zijn met de tenuitvoerlegging.

Aldus kan de beslagrechter in geval van een uitvoerend beslag als bodemrechter uitspraak doen over het bestaan van simulatie omtrent het eigendomsrecht van de in beslag genomen goederen.”

Het Hof van Cassatie bevestigt derhalve dat, indien de stroman (of de schuldenaar) de simulatie en derhalve de rechtmatigheid van het lastens hem gelegde uitvoerend beslag betwist naar aanleiding van een verzet bij de beslagrechter, de beslagrechter het geschil ten gronde kan beslechten. De schuldeiser dient derhalve niet over te gaan tot het initiëren van een nieuwe procedure voor de bodemrechter om uitspraak te horen doen over zijn vordering tot geveinsdverklaring (al wordt die mogelijkheid uiteraard evenmin uitgesloten). Dit brengt een belangrijke procedurele efficiëntie met zich mee.

9.Welke specifieke geschillen? - De relevante overweging van het Hof van Cassatie is ruim geformuleerd en heeft betrekking op “incidentele geschillen met betrekking tot de omvang van het verhaalsrecht van de schuldeiser”. De ratio geldt derhalve evengoed t.a.v. een door een schuldeiser gelegd uitvoerend paulianabeslag. In de rechtsleer wordt quasi unaniem aanvaard dat ook in een dergelijk geval een schuldeiser die beschikt over een uitvoerbare titel ten aanzien van de schuldeiser, uitvoerend paulianabeslag kan leggen op de pauliaans overgedragen goederen alsof ze zich nog in het vermogen van de schuldenaar bevinden, zonder dat de schuldeiser verplicht is om eerst een paulianaprocedure aan te vatten voor de bodemrechter. [18] Ontstaat hierover een betwisting in het kader van de tenuitvoerlegging, dan zal de beslagrechter de betwisting en dus de vraag of voldaan is aan de voorwaarden van artikel 1167 BW als bodemrechter kunnen beslechten. Aangezien conform artikel 1395, tweede lid Ger.W. de vorderingen voor de beslagrechter in de regel worden ingesteld en behandeld zoals in kort geding, brengt dit een belangrijke procedurele efficiëntie met zich mee voor de schuldeiser.

Een dergelijke ruime macht voor de beslagrechter om alle incidentele geschillen ten gronde te beslechten voor zover die een sequeel zijn van de tenuitvoerlegging, werd reeds eerder door E. Dirix bepleit. [19]

Zoals hoger aangehaald, zijn er bij een beslag onder derden geen regels in verband met een revindicatie door de beweerde eigenaar van de in beslag genomen schuldvorderingen. De conclusie van het Hof van Cassatie in het geannoteerde arrest is dan ook volkomen logisch, in de mate dat naar aanleiding van een revindicatievordering m.b.t. beslagen roerende en onroerende goederen niet ter discussie staat dat de beslagrechter de tegenvordering van de beslagleggende schuldeiser die aanvoert dat de revindicant slechts op gesimuleerde of pauliaanse wijze in het bezit is gekomen van de goederen, als bodemrechter kan beslechten (zie supra).

10.Quid gelijkaardige geschillen bij een bewarend beslag? - In de relevante overweging van het Hof van Cassatie wordt die bijzondere macht voor de beslagrechter om te oordelen als bodemrechter tegelijkertijd beperkt tot geschillen “in het kader van een uitvoerend beslag” en “die onlosmakelijk verbonden zijn met de tenuitvoerlegging”.

Kan die ratio derhalve eveneens worden doorgetrokken naar de context van een bewarend beslag? De rechtspraak aanvaardt quasi unaniem dat een schuldeiser die nog niet over een uitvoerbare titel beschikt, door de beslagrechter kan worden gemachtigd om een bewarend simulatiebeslag te leggen, wanneer de goederen slechts in schijn aan de derde toebehoren en de schuldeiser aantoont dat zijn debiteur de werkelijk gerechtigde is. [20] Idem wat betreft de mogelijkheid om een bewarend paulianabeslag te leggen. [21]

In een arrest van 11 mei 1995 bevestigde het Hof van Cassatie voornoemde mogelijkheid in de context van een bewarend simulatiebeslag. [22] In dat geval had een schuldeiser een machtigingsbeschikking bekomen om lastens zijn schuldenaar bewarend beslag te leggen op twee bankrekeningen. De rekeningen stonden op naam van twee andere, onderscheiden rechtspersonen. Het hof van beroep te Brussel trok de machtigingsbeschikking in en beval de opheffing van het beslag, op grond van de overweging dat de beslagrechter niet bevoegd is om uitspraak te doen over simulatie of bedrog en aldus om te oordelen dat de rechtspersonen op wiens naam de rekeningen waren geopend, niet de werkelijke eigenaars waren van de in beslag genomen rekeningen. Na te hebben herinnerd dat artikel 1489, tweede lid Ger.W. de bevoegdheid van de beslagrechter beperkt door hem te verbieden over het hem voorgelegde geschil ten gronde te beslissen, overwoog het Hof van Cassatie in het arrest:

“dat die rechter evenwel, nu hij kennis dient te nemen van de incidentele geschillen van beslagprocedure, die moeten worden beslecht om uitspraak te kunnen doen over de bij hem aanhangig gemaakte vordering, de door de partijen aangevoerde rechten noodzakelijk aan een voorlopig en beperkt onderzoek moet onderwerpen, en bijgevolg, op summiere wijze kennis dient te nemen van het bodemgeschil, zonder evenwel de bodemrechter te binden;

dat, bijgevolg, hoewel het beslag, in de regel, alleen ten laste van de schuldenaar en niet van derden kan worden gelegd, zulks bij simulatie niet het geval is; dat daaruit volgt dat de schuldeiser, wanneer hij aantoont, zoals ten deze, dat de werkelijke houder van de ten name van een andere rechtspersoon geopende rekening, zijn schuldenaar is, bewarend beslag kan leggen op die rekening ten laste van zijn schuldenaar.”

Daar waar het Hof van Cassatie aldus uitdrukkelijk de mogelijkheid erkende voor de schuldeiser die nog niet over een uitvoerbare titel beschikt om een bewarend simulatiebeslag te leggen, preciseerde het Hof van Cassatie tegelijkertijd dat de beslagrechter de aangevoerde rechten slechts aan een “voorlopig en beperkt onderzoek” kan onderwerpen.

In een recenter arrest van 30 september 2016, dit maal in de context van een bewarend paulianabeslag, kwam het Hof van Cassatie tot eenzelfde conclusie [23]:

“[…] wanneer [de beslagrechter] kennis dient te nemen van de incidentele geschillen die moeten worden beslecht om uitspraak te kunnen doen over de bij hem aanhangige vordering, hij noodzakelijk de door de partijen aangevoerde rechten aan een voorlopig onderzoek dient te onderwerpen en bijgevolg kennis dient te nemen van het bodemgeschil, zonder evenwel de bodemrechter te binden. […]

Uit het vorenstaande volgt dat de beslagrechter die oordeelt over een beslag niet de macht heeft om ten gronde te oordelen over een door de beslaglegger ingestelde pauliaanse vordering.”

In voornoemd arrest verbrak het Hof van Cassatie een arrest van het hof van beroep te Brussel, in de mate dat de beslagrechter de door de beslagleggende schuldeiser bij wijze van tegenvordering ingestelde pauliaanse vordering “ontvankelijk en gegrond” had verklaard, in plaats van zich te beperken tot een voorlopig/ prima facie onderzoek van de voorwaarden van artikel 1167 BW. In dat geval was de beslagrechter gevat naar aanleiding van een derdenverzet tegen de machtigingsbeschikking, uitgaande van de derde (koper van het beslagen onroerend goed).

In het geannoteerde arrest van 4 september 2020 doet het Hof van Cassatie geen uitspraak omtrent de macht van de beslagrechter om geschillen met betrekking tot de omvang van het verhaalsrecht van de schuldeiser, als bodemrechter te beslechten in de context van een bewarend beslag. Het blijft dus een open vraag of het Hof van Cassatie met het geannoteerde arrest terugkomt op de in de vorige randnummers besproken arresten van 11 mei 1995 en 30 september 2016 waarin telkens werd geoordeeld dat de beslagrechter in de context van een bewarend beslag de aangevoerde rechten slechts aan een “voorlopig onderzoek” kan onderwerpen en dus niet beslechten als bodemrechter.

Het erkennen van een dergelijke macht ten gronde voor de beslagrechter, ook bij een bewarend beslag, valt alleszins te bepleiten. Tenminste wanneer hierover een tegensprekelijk debat heeft kunnen plaatsvinden naar aanleiding van een derdenverzet tegen de machtigingsbeschikking of een vordering tot opheffing van het beslag. Te meer gezien niet ter discussie staat dat de beslagrechter dergelijke geschillen ten gronde kan beslechten in het kader van een tegenvordering n.a.v. een revindicatievordering na bewarend beslag op roerende of onroerende goederen. Er valt dan ook niet in te zien waarom de situatie bij een bewarend beslag onder derden (waar geen eigenlijke revindicatievordering mogelijk is) anders zou dienen te worden beoordeeld.

Dit zou overigens ook de proceseconomie dienen. Het is immers weinig zinvol om de hele discussie gevoerd in het stadium van het bewarend beslag omtrent de vraag of al dan niet sprake is van een geveinsde of pauliaanse transactie, nogmaals over te doen in het stadium van de eigenlijke uitwinning. Ook E. Dirix lijkt hier in zijn laatste APR Beslag alvast een lans voor te breken in de mate dat hij het cassatiearrest van 30 september 2016 bestempelt als “van een strenger standpunt getuigend”. [24]

IV. Conclusie: de beslagrechter als volwaardige executierechter

11.Zoals A. Van Hoe eerder reeds aangaf, bevestigt het Hof van Cassatie met het geannoteerde arrest de rol van de beslagrechter als executierechter in de ware zin van het woord. [25] In dit opzicht werd reeds een belangrijke weg afgelegd, waarbij in de rechtspraak van het Hof van Cassatie een steeds ruimere macht werd toegekend aan de beslagrechter om, binnen zijn bevoegdheidsdomein conform artikel 1395 Ger.W., als bodemrechter bepaalde geschillen te beslechten.

Zo schreef A. De Wilde in 1999 een bijdrage met de titel “De beslagrechter, een volwaardige executierechter”. Dit betrof een annotatie van het belangrijke cassatiearrest van 15 januari 1999 waarin het Hof van Cassatie erkende dat, niettegenstaande het feit dat de beslagrechter niet mag raken aan de materieelrechtelijke verhouding tussen partijen zoals die uit de titel blijkt, hij wél bevoegd is om te onderzoeken of de schuldvordering die uit de uitvoerbare titel blijkt, is tenietgegaan na het ontstaan van de titel. [26] Indien dit het geval is (in casu was na de uitvoerbare titel een dading gesloten), raakt dit volgens het Hof van Cassatie aan de rechtmatigheid van het beslag. De Wilde wees er terecht op dat, indien de beslagrechter kan oordelen of de schuldvordering is tenietgegaan na het ontstaan van de titel door een tussengekomen dading, de beslagrechter eigenlijk optreedt als bodemrechter, waarbij de dading als een executiegeschil dient te worden beschouwd waarvan de beslechting binnen de bevoegdheid van de beslagrechter valt. [27]

Het uitgangspunt dat de beslagrechter niet kan oordelen als bodemrechter, dient dan ook steeds meer te worden genuanceerd in het licht van de cassatierechtspraak. In de mate dat dit de procedurele efficiëntie ten goede komt, kan dit alleen maar worden toegejuicht.

[1] Advocaat bij Racine Advocaten, balie Brussel. Vrijwillig wetenschappelijk medewerker KU Leuven, Instituut voor Handels- en Insolventierecht.
[2] Cass. (1ste k.) 13 januari 2017, C.16.0139.N, RABG 2017, afl. 6, 486, noot B. Verlooy, RW 2017-18 (samenvatting), afl. 38, 1501, TBBR 2018, afl. 9, 479, noot A. De Boeck, TBH 2017, afl. 7, 743, noot G. Lindemans, TBO 2017, afl. 5-6, 489; Cass. (1ste k.) 14 oktober 2016, F.15.0002.N, Belgische Staat / R.T., Fiscoloog 2016 (samenvatting CB), afl. 1496, 14; Cass. (1ste k.) 13 maart 2015, C.14.0415.N, Engel Austria GmbH / P.D.C., L.S., M.P., Arr.Cass. 2015, afl. 3, 743, JT 2015, afl. 6614, 616, noot A. Lenaerts, Pas.2015, afl. 3, 726, RW 2015-16, afl. 29, 1144, noot S. Meys, TBO 2016, afl. 1, 35, noot, TRV-RPS 2016, afl. 1, 65, noot G. Lindemans.
[3] C. Cauffman, “Pauliaanse vordering” in M. Dambre, E. Dirix en B. Tilleman (eds.), Comm.Bijz.Ov., Mechelen, Wolters Kluwer, 2007, losbl., titel V.A.
[4] Voor een toepassing, zie Antwerpen 26 mei 2008, NjW 2008, afl. 193, 928, noot M. Dambre.
[5] Zie hierover uitgebreid: I. Samoy, “Veinzing ontmaskerd? Een zoektocht naar schijn en werkelijkheid in de leer van simulatie ...”, TPR 2007, afl. 2, 875-931; S. Meys, Bedrieglijk onvermogen. Vermogenstransparantie en beschermingsmechanismen voor schuldeisers, Antwerpen, Intersentia, 2019, 313-417.
[6] Over het onderscheid, zie M. E. Storme, “Zekerheden- en insolventierecht Deel II en V”, Gent-Mariakerke, 2020, 97, www.law.kuleuven.be/personal/mstorme/insolventierecht2020.pdf.
[7] S. Meys, Bedrieglijk onvermogen. Vermogenstransparantie en beschermingsmechanismen voor schuldeisers, Antwerpen, Intersentia, 2019, 65.
[8] G. Lindemans, Schuldeiser & rechtspersoon, Antwerpen, Intersentia, 2019, 35.
[9] Over het onderscheid tussen de bevoegdheid en de macht van de beslagrechter, zie meer uitgebreid: F. Top, “Artikel 1395 Ger.W.” in P. Depuydt, B. Allemeersch, B. Van den Bergh en S. Raes (eds)., Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 1997, losbl., 112-125.
[10] Zie o.a. Cass. (3dee k.) 18 september 2017, C.16.0546.F, RABG 2017, afl. 18, 1452; Cass. (1ste k.) 3 december 2015, C.15.0054.N, Arr.Cass. 2015, afl. 12, 2840, Concl. C. Vandewal, Pas. 2015, afl. 12, 2768, RW 2016-17 (samenvatting), afl. 15, 582, noot, TBO 2016, afl. 4, 322; Cass. (1ste k.) 18 maart 2010, C.09.0149.N, Arr.Cass. 2010, afl. 3, 821, Concl. G. Debrulle, Pas. 2010, afl. 3, 890, RW 2010-11, afl. 33, 1385, TROS-Nieuwsbrief 2010 (samenvatting), afl. 5, 3.
[11] Zie o.a. Cass. (1ste k.) 27 mei 2004, C.03.0069.N, Arr.Cass. 2004, afl. 5, 949, Pas. 2004, afl. 5-6, 932.
[12] Zie meer uitgebreid: F. Top, “Artikel 1395 Ger.W.” in P. Depuydt, B. Allemeersch, B. Van den Bergh en S. Raes (eds)., Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 1997, losbl., 114-115.
[13] Gent 27 december 1991, RW 1991-92, 1125; Gent 21 juni 1994, RW 1994-95, 717; Gent 24 oktober 1995, AJT 1995-96, 575, noot P. De Smedt; Beslagr. Gent 26 mei 2009, TGR-TWVR 2010, 338; Beslagr. Hasselt 21 oktober 2003, Limb.Rechtsl.2004, afl. 2, 117.
[14] P. De Smedt, “Overdracht van een handelszaak en uitvoerend beslag. Schijnverkoop en pauliaans bedrog”, AJT 1995-96, 576; E. Dirix, Beslag, APR, Mechelen, Kluwer, 2018, 30, nr. 42; S. Brijs, C. De Muynck, R. Lindemans en J. De Fauw, “Overzicht van rechtspraak. Beslag- en executierecht (2008-2014)”, TPR 2015, afl. 1, 340-341, nr. 65.
[15] Zie reeds eerder: Cass. (1ste k.) 6 december 1996, C.95.0260.N, Sonatrach / De Meyer-Zelzate NV, Distrigaz NV), Arr.Cass. 1996, 1172, Concl. Bresseleers, Bull. 1996, 1244, Pas. 1996, I, 1244, R.Cass. 1997, 331, noot B. De Groote, RW 1997-98, 46, noot, TBH 1997, 300, noot B. De Groote, TRV 1997, 489, noot. Contra: Beslagr. Luik 3 november 2004, JLMB 2005, 1701 (“Lorsqu'un créancier établit que son débiteur est le véritable titulaire d'un compte ouvert au nom d'une autre personne juridique, il peut pratiquer une saisie-arrêt conservatoire sur ce compte, à charge de son débiteur. Il est donc exclu que la saisie puisse être autorisée et pratiquée à charge du tiers, titulaire fictif du compte.”).
[16] Zo ook schrijft E. Dirix dat een simulatiebeslag “in de regel” dient te worden gelegd ten laste van de stroman, doch dat het tegelijkertijd de “aanbeveling” verdient om de schuldenaar in de procedure te betrekken. E. Dirix, Beslag, APR, Mechelen, Kluwer, 2018, 103, nr. 123. In gelijke zin t.a.v. het pauliaans beslag: C. Cauffman, “Pauliaanse vordering” in M. Dambre, E. Dirix en B. Tilleman (eds.), Comm.Bijz.Ov., Mechelen, Wolters Kluwer, 2007, losbl., titel V.A.
[17] De situatie valt in dit opzicht te vergelijken met de uitwinning van een zakelijke borg.
[18] M.E. Storme, Zekerheden- en insolventierecht Deel II en V, Gent-Mariakerke, 2020, 140, www.law.kuleuven.be/personal/mstorme/insolventierecht2020.pdf; G. Lindemans, Schuldeiser & rechtspersoon, Antwerpen, Intersentia, 2019, 10; C. Cauffman, “Pauliaanse vordering” in M. Dambre, E. Dirix en B. Tilleman (eds.), Comm.Bijz.Ov., Mechelen, Wolters Kluwer, 2007, losbl., titel IV.B; S. Meys, Bedrieglijk onvermogen. Vermogenstransparantie en beschermingsmechanismen voor schuldeisers, Antwerpen, Intersentia, 2019, 226.
[19] E. Dirix, Beslag, APR, Mechelen, Kluwer, 2018, 47-48, nr. 64: “Van een geheel andere aard zijn de betwistingen betreffende de omvang van het verhaalsrecht van de schuldeiser. Deze geschillen moeten, wanneer zij onlosmakelijk verbonden zijn met de tenuitvoerlegging, worden bestempeld als executiegeschillen. Aldus moet ook bij een uitvoerend beslag, een betwisting over simulatie omtrent het eigendomsrecht op de beslagen goederen door de beslagrechter worden beslecht. Op dezelfde wijze moet de beslagrechter ook andere incidentele geschillen beslechten die een sequeel zijn van de tenuitvoerlegging. Te denken valt aan de vraag of een debiteur het voordeel van de termijn verliest krachtens artikel 1188 BW, of een schuldvordering is overgegaan op een cessionaris en hiermee ook de bevoegdheid tot executie van de titel van de rechtsvoorganger (bv. Gent 14 april 1995, RW 1995-96, 326, noot M.E. Storme; Gent 16 mei 1995, RW 1995-96, 582 met betrekking tot subrogatie) […] of een uitvoerend paulianabeslag […], de doorbraak van de rechtspersoonlijkheid […] en de geschillen omtrent het verhaalsrecht van schuldeisers van gehuwde debiteuren […]. In al deze gevallen zal de beslagrechter zich niet beperken tot een 'beperkt en voorlopig onderzoek', maar moet hij de gerezen beslissing beslechten.”
[20] Beslagr. Luik 3 november 2004, JLMB 2005, 1701.
[21] Gent (14de k.) 8 september 2009, P&B 2010, afl. 3-4, 137; Brussel (8ste k.) 30 oktober 2001, Rev.prat.soc.2002, afl. 1, 88; Gent 19 december 1995, T.Not.1996, 226, noot C. Van Heuverswyn; Gent 22 juni 1993, RW 1993-94, 204, noot; Antwerpen 4 januari 1993, RW 1993-94, 199, noot E. Dirix.
[22] Cass. 11 mei 1995, C.93.315.F, Arr.Cass.1995, 466, Bull.1995, 487, JT 1995, 624, Pas. 1995, I, 487, RW 1995-96, 745, noot.
[23] Cass. (1ste k.) 30 september 2016, C.15.0406.N, JLMB 2018, afl. 16, 735, RW 2017-18 (samenvatting), afl. 6, 220, noot, TBO 2017, afl. 1, 60.
[24] E. Dirix, Beslag, APR, Mechelen, Kluwer, 2018, 48, nr. 64.
[25] A. Van Hoe, “Wanneer de beslagrechter bodemrechter is”, gepubliceerd op de blogsite www.corporatefinancelab.org/2020/09/13/wanneer-de-beslagrechter-bodemrechter-is/ (2 maart 2021).
[26] Cass. 15 januari 1999, C.96.0478.N, Arr.Cass. 1999, 55, Bull. 1999, 57, R.Cass. 2000, 4, noot K. Broeckx, RW 1999-00, 148, noot A. De Wilde. De actualiteit van de uitvoerbare titel kan wel niet in het gedrang worden gebracht door het aanvoeren van feiten of omstandigheden die aan het oordeel van de rechter werden onderworpen die het vonnis heeft gewezen waarvan de tenuitvoerlegging wordt nagestreefd (Cass. (1ste k.) 17 september 2010, C.09.0572.N, L.G. / M.D., V.E., Arr.Cass.2010, afl. 9, 2212, Pas. 2010, afl. 9, 2302, RW 2010-11 (samenvatting), afl. 19, 806, noot; Cass. (1ste k.) 4 januari 2013, C.12.0258.N, Arr.Cass. 2013, afl. 1, 43, Arr.Cass. 2013, afl. 1, 27, Pas. 2013, afl. 1, 20, RW 2012-13 (samenvatting), afl. 43, 1709). In het kader van het dwangsomcontentieux werd voornoemde rechtspraak i.v.m. de actualiteit van de titel nader verfijnd, in die zin dat het Hof van Cassatie eveneens erkende dat het aan de beslagrechter toekomt om de doeltreffendheid van de titel op grond waarvan de tenuitvoerlegging werd aangevat, te onderzoeken, en met name door “acht te slaan op het doel en de strekking van de veroordeling waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevorderd in de wetenschap dat die veroordeling niet verder mag gaan dan het bereiken van het ermee beoogde doel” (Cass. (1ste k.) 5 mei 2011, C.07.0282.F, Arr.Cass. 2011, afl. 5, 1143, Concl. A. Henkes, Pas.2011, afl. 5, 1225, RABG 2011, afl. 17, 1226, noot R. Verbeke. Zie in gelijke zin: Cass. (1ste k.) 8 oktober 2015, C.14.0384.N, Arr.Cass. 2015, afl. 10, 2297, Concl. A. Van Ingelgem, Pas. 2015, afl. 10, 2293; Cass. (1ste k.) 28 juni 2019, C.18.0398.N, P&B 2019, afl. 5-6, 223; Cass. (1ste k.) 10 november 2005, C.04.0020.N, Arr.Cass. 2005, afl. 11, 2208, Pas. 2005, afl. 11, 2214, RW 2007-08 (samenvatting), afl. 17, 703, noot).
[27] A. De Wilde, “De beslagrechter, een volwaardig executierechter”, RW 1999-2000, 150, nr. 6.