|
VERZEKERINGEN
Andere verzekeringen dan de landverzekeringsovereenkomst - Kredietverzekering - Verjaring - Omzetaangifte - Suppletief recht voor buitenlandse vorderingen - Opzegging polis na faillissement verzekerde
In het gemeen verzekeringsrecht geldt een verjaringstermijn van 3 jaar, maar bij de kredietverzekering geldt voor de buitenlandse vorderingen de wet van 11 juni 1874 (thans Deel 5 W.Verz. van 4 april 2014) die van suppletief recht is. Partijen kunnen hier dus van afwijken, zodat de in de polis bepaalde verjaringstermijn van 180 dagen geldig is. Het begint te lopen vanaf het ogenblik dat de verzekerde of zijn vervanger (in casu: de curator) definitief en ondubbelzinnig van de kredietverzekeraar te horen heeft gekregen dat de onbetaalde schuldvorderingen niet verzekerd waren.
|
ASSURANCES
Autres assurances que les assurances terrestres - Assurance-crédit - Prescription - Déclaration du chiffre d'affaires - Droit supplétif pour les créances sur l'étranger - Résiliation de la police après la faillite de l'assuré
En droit commun des assurances, un délai de prescription de 3 ans s'applique, mais dans le cas de l'assurance-crédit, la loi du 11 juin 1874 (devenue Partie 5 de la loi sur les assurances du 4 avril 2014) s'applique aux créances sur des débiteurs étrangers, qui est une loi supplétive. Les parties peuvent donc s'en écarter, de sorte que le délai de prescription de 180 jours prévu dans la police est valable. Il commence à courir à partir du moment où l'assuré ou son remplaçant (en l'occurrence le curateur) a été définitivement et sans ambiguité informé par l'assureur-crédit que les créances impayées n'étaient pas assurées.
|
van de kredietverzekering (o.a. verjaring en omzetaangifte)
(Invisible Financing)
[2]| 1. | Feiten en procedure |
De onderneming P. was kredietverzekerd bij de privékredietverzekeraar NV Credimundi [3], thans Credendo - Short (Credendo STN) (in deze noot zal deze nieuwe en huidige vennootschapsnaam verder worden gebruikt). Dit is een filiaal van de publieke kredietverzekeraar Credendo - Export Credit Agency (Credendo ECA). P. handelde in staalproducten en deed op 11 juli 2012 aangifte bij Credendo STN van niet betaalde facturen in maart, april en mei 2012 op de (buitenlandse) debiteuren C. en E.P. De verzekerde P. deed pas 6 dagen later, op 17 juli, aangifte van haar effectief gerealiseerde omzet voor de maanden maart, april en mei 2012.
De verzekerde P. werd op 2 augustus 2012 failliet verklaard en Credendo STN zegde de polis op. Op de vergadering van 16 augustus meldde Credendo STN aan de curator van P. dat de dekking op de schadegevallen geweigerd werd omdat ze niet verzekerd waren. De curator bevestigde dit onderhoud per brief op 17 augustus en op 19 september liet hij schriftelijk weten dat hij de houding van Credendo STN tot weigering betwistte. De dag daarop antwoordde Credendo STN dat er geen verzekering was omdat de omzet door P. te laat was aangegeven. In antwoord op de vordering van de curator van 13 februari 2013 antwoordde Credendo STN op 27 februari 2013 per brief dat de vordering verjaard was.
Op 8 maart 2013 werd Credendo STN gedagvaard door de curator voor de rechtbank van koophandel te Brussel die bij vonnis van 25 juni 2014 oordeelde dat de vordering van de curator onontvankelijk was wegens verjaring. De algemene voorwaarden van de kredietverzekeringspolis (art. 19) bepaalden een verjaringstermijn van 180 dagen. Deze begon te lopen vanaf 16 augustus 2012, toen Credendo STN de weigering van de dekking op de schadegevallen mededeelde. De dagvaarding van 8 maart 2013 viel bijgevolg buiten de verjaringstermijn.
Het hof van beroep te Brussel zag in het hier besproken arrest van 30 januari 2020 de schriftelijke bevestiging door de curator op 17 augustus 2012 als een buitengerechtelijke bekentenis die doorslaggevend is, ook al was de mededeling op 16 augustus mondeling gedaan tijdens een vergadering en niet gemotiveerd. Dit laatste wordt niet vereist door artikel 19 van de algemene voorwaarden. Het hof bevestigde de beslissing van de eerste rechter van niet-ontvankelijkheid van de vordering van de curator op grond van de verjaring, en sprak zich niet uit over de grond van de zaak.
| 2. | Aangehaalde punten |
De kern van het arrest, de bekentenis door de curator van P. dat hij op de hoogte was van de weigering door Credendo STN via zijn brief van 17 augustus 2012 waardoor de verjaringstermijn begon te lopen, heeft niet direct betrekking op de privékredietverzekering. [4] Niettemin komen in het hier besproken arrest vier interessante aspecten aan bod met betrekking tot de privékredietverzekering:
1) daar het om buitenlandse debiteuren gaat, geldt het suppletief recht;
2) de verjaring;
3) de opzegging van de polis door de kredietverzekeraar na het faillissement van de verzekerde;
4) de weigering van dekking door de laattijdige aangifte van de omzet.
In wat volgt hebben we het steeds over de privékredietverzekering, tenzij gerefereerd wordt naar de publieke kredietverzekering.
| 2.1. | Buitenlandse vorderingen: suppletief recht |
De artikelen van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen (W.Verz.) die specifiek de kredietverzekering betreffen, de artikelen 134-140 [5], laten veel meer ruimte aan de wilsautonomie van de betrokken partijen omdat de verzekerde ondernemingen professionelen zijn die niet zo veel bescherming behoeven als de particulier. Artikel 135 W.Verz. somt de artikelen van de W.Verz. op die niet van toepassing zijn op de kredietverzekering (eerste lid), of enkel van suppletief recht (tweede lid). Men spreekt in die zin van het eigen recht van de kredietverzekering dat veel ruimte laat aan de wilsautonomie. [6]
Artikel 136, 1° W.Verz. gaat zelfs zo ver door te bepalen dat Deel 4, de landverzekeringsovereenkomst van de W.Verz., totaal niet van toepassing is op de buitenlandse vorderingen [7] (hetgeen van toepassing is op de zaak in het betrokken arrest). [8] In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp van de wet op de landverzekeringsovereenkomst van 25 juni 1992 (WLVO) [9], waarvan de bepalingen werden hernomen in Deel 4 W.Verz., worden als argumenten gegeven dat het om professionele ondernemingen gaat, de grote geografische afstand tussen schuldeiser en schuldenaar, het uitzonderlijk karakter van sommige risico's (bv. politiek) [10] en de grotere concurrentie in de exportsector als gevolg van de internationalisering. [11] Een andere reden (o.i. de echte) is het feit dat in 1992 de privékredietverzekering (vnl. op korte termijn) een gelijkaardig doel had als het toenmalige Credendo ECA, een publiek orgaan dat een eigen specifieke wetgeving heeft. [12] Sinds 2004 is de privékredietverzekering daar echter ondergebracht in een apart filiaal, nl. Credendo STN, maar in 1992 was dit niet zo. Vandaar het idee om de privékredietverzekering voor de export uit de wet op de landverzekeringsovereenkomst te sluiten, om iedere concurrentievervalsing tussen de publieke en privésector te vermijden. Het spanningsveld tussen de privékredietverzekering en de publieke kredietverzekering bereikte immers in 1987 een climax met de Europese richtlijn nr. 87/343/EEG. [13]
Het gevolg ervan is dat de gehele privékredietverzekering voor de export onder de toepassing bleef van de oude wet van 11 juni 1874 [14] [15], thans Deel 5 W.Verz. Dit geldt ook voor de publieke kredietverzekering. [16] Deze wet is vooral suppletief zodat de wilsautonomie tussen de contractpartijen overheerst.
Men kan zich afvragen of deze toestand in de huidige geglobaliseerde wereld nog gerechtvaardigd is. Het plaatsen van enerzijds de binnenlandse en anderzijds de exportrisico's onder een verschillend juridisch regime is niet meer gerechtvaardigd. [17] Vooral nadat de Europese Commissie vanaf 1997 diverse mededelingen heeft bekend gemaakt om het terrein af te bakenen tussen de privékredietverzekering en de publieke kredietverzekering. [18] Sinds de WLVO in 1992 heeft de tijd ook niet stil gestaan. Gelet op de sterke evolutie van de wereldhandel en het feit dat in werkelijkheid de Europese Unie economisch gezien de “binnenlandse” markt is, vallen de meeste (de iure buitenlandse) debiteurenrisico's dus buiten de bepalingen van Deel 4 W.Verz. Deze trend werd nog versterkt met de introductie van de eurozone in 2001. Slechts ongeveer 40% van de risicoportefeuille bij de Belgische privékredietverzekeraars heeft betrekking op Belgische debiteuren [19]: enkel deze zijn onderworpen aan Deel 4 W.Verz.
| 2.2. | Verjaring |
Dit aspect wordt niet behandeld in de bijzondere artikelen 134-140 van de W.Verz. m.b.t. de kredietverzekering. In artikel 256 W.Verz., dat behoort tot Deel 5 W.Verz. [20], wordt net zoals in artikel 88, § 1 W.Verz. (Deel 4 m.b.t. de landverzekeringsovereenkomst; dwingend recht) eveneens een verjaringstermijn van 3 jaar voorzien. Maar deze is van suppletief recht, zodat partijen ervan kunnen afwijken. Credendo STN was dus juridisch gerechtigd in artikel 19 van de algemene voorwaarden deze termijn op 180 dagen te bepalen, in afwijking van de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van 3 jaar.
De algemene voorwaarden van Credendo STN (2017) bepalen inzake de verjaringstermijn in artikel 19: “Elke vordering tot uitkering van schadevergoeding (…) verjaart 180 dagen na de datum waarop de verzekeraar zijn weigering tot betalen heeft medegedeeld, en uiterlijk 3 jaar na de vervaldag van de verzekerde vordering.” [21] Er wordt niet gespecifieerd hoe die weigering moet worden medegedeeld, noch dat ze gemotiveerd moet zijn. Het artikel geeft ook een uiterste datum voor de verjaring maar dat is hier niet relevant.
Een soortgelijke clausule komt voor in artikel 16.10 van de algemene voorwaarden van de publieke kredietverzekeraar Credendo ECA [22], die de moeder is van Credendo STN. Het voorziet in twee opties die op hetzelfde neerkomen: 180 dagen na de weigering tot schadevergoeding, of 3 jaar na de datum waarop het betreffende gedekte risico zich heeft gematerialiseerd.
Ook andere privékredietverzekeraars gebruiken gelijkaardige bedingen. De algemene voorwaarden van de Business Polis bij Euler Hermes Kredietverzekering (Nederland) bepaalt in artikel 7.6 ongeveer dezelfde tekst: “Nadat een schadeclaim door Euler Hermes is afgewezen, verjaart een rechtsvordering tot schadeloosstelling door verloop van 6 maanden.” [23] Er wordt geen melding gemaakt van een uiterste termijn van 3 jaar.
De algemene voorwaarden inzake de verjaringstermijn in de kredietverzekering wijken dus af van het gemeen verzekeringscontractenrecht waar artikel 88, § 1 W.Verz. dwingend bepaalt dat de verjaringstermijn voor elke rechtsvordering voortvloeiend uit een verzekeringsovereenkomst 3 jaar bedraagt. De termijn begint te lopen vanaf de dag van het voorval dat het vorderingsrecht doet ontstaan, behoudens bewijs door de verzekerde dat hij pas op een later tijdstip van het voorval kennis heeft gekregen: de termijn begint dan te lopen vanaf dat tijdstip, maar hij verstrijkt in elk geval 5 jaar na het voorval, behoudens bedrog. [24] De verjaringstermijn is dus hier veel langer dan bij de kredietverzekering.
| 2.3. | Opzegging verzekeringsovereenkomst bij faillissement |
Artikel 135, eerste lid W.Verz. bepaalt dat artikel 87 W.Verz. niet van toepassing is op de kredietverzekering. Dit artikel 87 W.Verz. (het gemeen recht) bepaalt dat bij faillissement van de verzekerde (in casu P. ) de verzekeringsovereenkomst blijft bestaan ten gunste van de massa der schuldeisers. [25] De verzekeraar kan de overeenkomst slechts opzeggen ten vroegste 3 maanden na de faillietverklaring. Deze regel geldt echter niet bij kredietverzekering daar dit beschouwd wordt als een overeenkomst intuitu personae. [26] De kredietverzekeraar neemt de dekking op zich, niet alleen uit hoofde van de persoon van de schuldenaars, maar ook van de schuldeiser die zich verzekert, aangezien deze laatste een rechtstreekse invloed heeft op het risico. [27]
Credendo STN was dus gerechtigd om na het faillissement van P. op 2 augustus 2012 de overeenkomst onmiddellijk op te zeggen.
Hierbij merkt de memorie van toelichting WLVO (nu Deel 4 W.Verz.) wel op dat de gezamenlijke schuldeisers in het faillissement gevrijwaard blijven door de praktijk dat de opzegging van een kredietverzekering niet geldt voor de lopende risico's, dat wil zeggen voor de leverancierskredieten die reeds vóór het faillissement waren verzekerd. [28] Dit natuurlijk in de veronderstelling dat de polisvoorwaarden werden nageleefd.
| 2.4. | Laattijdige aangifte van de omzet |
De grond van de zaak in het betrokken arrest betrof de laattijdige aangifte van de omzet. Dit werd echter niet behandeld door het hof omwille van de beslissing dat de vordering niet ontvankelijk was wegens verjaring.
De aangifte van de omzet is iets specifiek voor de kredietverzekering. Het is de basis voor de berekening van de premie bij de globale polissen van de kredietverzekering: de premievoet wordt toegepast op de gedeclareerde omzet en zo verkrijgt men de premie die betaald moet worden door de verzekerde.
In de praktijk bestaan er in de sector twee methodes:
- de oude methode waarbij de verzekeraar post factum de gerealiseerde omzet verkrijgt van de verzekerde. Deze wordt toegepast door Credendo STN en is het voorwerp van dit arrest;
- de “nieuwe” methode waarbij men zich baseert op de gedekte omzet gerealiseerd het jaar voordien voor de berekening van de voorlopige premie gedurende het volgende polisjaar.
Het spreekt voor zich dat deze aangifte heel belangrijk is voor de werking van de verzekeringsovereenkomst. De kredietverzekeraar heeft ook het recht op controle indien hij twijfels heeft over de juistheid van de aangifte. Bij onjuiste of laattijdige aangifte zijn sancties mogelijk.
| 2.4.1. Oude methode: Credendo STN |
Artikel 6.2.1. van de algemene voorwaarden bij deze privékredietverzekeraar bepaalt dat de verzekerde binnen de eerste 10 dagen van elke maand een declaratie moet doen van de tijdens de voorafgaande maand verrichtte verzendingen wanneer enkel het betalingsrisico is gedekt. [29] De behaalde omzet kan ook op een langere periode dan een maand slaan, zoals bepaald in de bijzondere voorwaarden van de polis. [30] Dit impliceert dat bij bijvoorbeeld de omzet van 3 maanden de declaratie op kwartaalbasis kan gebeuren.
Artikel 8.1 bepaalt dat op die basis de premie berekend wordt voor de verzekerde, en deze moet binnen de 30 dagen volgend op de datum van de debetnota betaald worden. Krachtens artikel 8.5 schorst het niet -betalen van een gedeelte of geheel van die premie van rechtswege de verplichtingen van de verzekeraar, en 30 dagen na de ingebrekestelling is hij zelfs definitief van zijn verplichtingen bevrijd. [31] Het vademecum van deze globale polis stelt dat “de betaling van de premie een essentiële verzekeringsvoorwaarde is”. [32] In die context zou men ook de laattijdige aangifte van de gerealiseerde omzet kunnen zien, omdat men zonder deze de premie niet kan berekenen. Artikel 14.2.2. van de algemene voorwaarden bepaalt zelfs dat de verzekeraar de polis kan opzeggen wanneer de verzekerde zijn verplichtingen niet nakomt. Bij de definities zegt men dat er sprake is van een niet verzekerde schuldvordering “wanneer een schuldvordering niet ter verzekering werd aangegeven en bijgevolg geen premie werd aangerekend”. [33] Het is op deze basis dat Credendo STN de weigering tot schadevergoeding heeft medegedeeld aan de curator van de verzekerde P.
Deze methode van de aangifte van de werkelijk gerealiseerde verzekerde omzet is erg arbeidsintensief, zowel voor de verzekerde als, vooral, de kredietverzekeraar. Geleidelijk grijpt ook echter hier meer en meer de automatisering plaats.
De methode heeft als voordeel dat de kredietverzekeraar kan zien in welke mate de nominale toegestane kredietlimieten effectief gebruikt worden en welk de juiste risicopositie in diverse landen is (vooral buiten de OESO). In crisismomenten kan men de kredietlimieten dan gemakkelijker aanpassen tot hun werkelijk gebruik, zonder de betrokken partijen initieel al te veel pijn te doen. Indien de toestand slechter wordt, zal men moeten overgaan tot een schorsing en/of zelfs opzegging van de limieten.
| 2.4.2. “Nieuwe” methode: internationale kredietverzekeraars |
De premie wordt hierbij berekend bij de start van de polis op basis van een omzetprognose. Op het einde van ieder polisjaar geeft de verzekerde de effectief gerealiseerde omzet van het voorbije polisjaar aan. Op basis daarvan wordt een definitieve premieberekening gemaakt en het verschil bijgepast. De in het voorbije jaar effectief gerealiseerde omzet dient dan als basis voor de berekening van de voorlopige premie van het volgende polisjaar. Deze wordt dan als een soort voorschot maandelijks of per kwartaal betaald. [34]
Indien de definitieve omzet na verloop van het polisjaar 6 maanden na het eerste verzoek niet werd doorgegeven, kan het recht van de verzekerde op eventuele premierestitutie vervallen. Daarnaast kan de verzekeraar de definitieve premie voor het afgelopen jaar vaststellen op het niveau van de voorschotpremie verhoogd met 25% of zelfs meer. Als de verzekerde zijn verplichtingen niet nakomt, zoals de aangifte van de omzet in het afgelopen polisjaar, kan de verzekeraar eveneens zijn verplichtingen opschorten en zelfs de polis beëindigen. De voorschotpremie wordt dan onmiddellijk opeisbaar en geldt als definitieve premie. [35]
De grote internationale kredietverzekeraars zijn iets meer dan 20 jaar geleden overgeschakeld op deze methode om efficiënter te kunnen werken daar de oude methode erg arbeidsintensief was. Nadeel is dat ze nu het werkelijk gebruik van de kredietlimieten op basis van hun methode niet zien en enkel bij benadering berekenen. Het is een van de redenen waarom zij gedurende de financiële crisis van 2008-2009 massaal op arbitraire wijze de kredietlimieten introkken of reduceerden. Door de evolutie in de technologie kan dit euvel verholpen worden door de databank van de verzekerde te verbinden met die van de kredietverzekeraar (op basis van webservices of API [36]). Maar dit gebeurt in de praktijk momenteel slechts voor de grote verzekerden.
| 2.4.3. Artikel 137 W.Verz.: quid omzetaangifte? |
Artikel 137 W.Verz. bepaalt dat de kredietverzekeraar bij onbetaalde premies de dekking een maand na de aanmaning definitief kan weigeren. [37] Een latere premiebetaling zal de dekking niet kunnen doen herleven. [38] Deze regeling wordt gerechtvaardigd door het feit dat bij kredietverzekering de verzekerde dikwijls in staat is zich rekenschap te geven van een nakend schadegeval. [39] Met dit artikel heeft de wetgever willen voorkomen dat de verzekerde een nakend schadegeval zou afwachten om een niet-betaalde premie te betalen en zo de waarborg te reactiveren bij schorsing, zoals dit in het gemeen recht kan. [40] Artikel 137 W.Verz. wil op die manier speculatie van de verzekerde voorkomen. [41]
Dit artikel zegt niets over de aangifte van de omzet. Maar omdat het de basis is van de premieberekening zouden we impliciet de sanctie van laattijdige premiebetaling kunnen doortrekken naar de laattijdige omzetaangifte. Volgens de “nieuwe” methode is dit slechts eenmaal per jaar nodig, volgens de oude methode kan dit 12 keer per jaar gebeuren wat veel strenger is.
| 2.4.4. Implicaties arrest |
Credendo STN motiveert de weigering tot dekking omdat de betrokken vorderingen niet verzekerd waren door hun laattijdige aangifte tot verzekering. De omzet van de maanden maart, april en mei 2012 werd pas op 17 juli aangeven bij Credendo STN wat dus ruimschoots te laat lijkt als dit diende te gebeuren op maandelijkse basis. Zelfs op kwartaalbasis is er sprake van laattijdigheid: 17 juli is 7 dagen te laat voor het tweede kwartaal, en de maand maart valt in het eerste kwartaal.
Wel valt op te merken dat bij de “nieuwe” methode waarbij er slechts eenmaal per jaar (voorlopige en definitieve) aangifte moet gebeuren, het probleem van de laattijdige omzetaangifte zich hier waarschijnlijk niet zou gesteld hebben daar het slechts eenmaal per jaar is. Dit is dan wel in het voordeel van de verzekerde, die ook niet belast wordt met de administratieve last van de maandelijkse omzetaangifte.
| [1] | Expert krediet- en borgtochtverzekering, credit management - Auteur-seminaries-interim management. |
| [2] | Pour de plus amples informations sur les financements invisibles, veuillez consulter le site web : www.invisible-financing.be (consulté le 30 janvier 2022). Voor meer informatie over Invisible Financing verwijzen we naar de website: https://invisible-financing.be (geconsulteerd 30 januari 2022). |
| [3] | Credimundi noemde tot oktober 2013 nog Delcredere, de naam die gegeven werd bij haar oprichting in 2004. De kredietverzekeringsovereenkomst met P. was oorspronkelijk onderschreven bij de NV Delcredere. Vanaf 1 januari 2017 werd de huidige naam Credendo STN gebruikt binnen het kader van een globale rebrandingoperatie in de Credendo-groep. |
| [4] | In de kredietverzekering maken we een onderscheid tussen de: - privékredietverzekering: deze biedt globale polissen aan waarbij in principe de totale omzet van de verzekerde gedekt wordt. Het betreft meestal de korte termijn (korter dan 2 jaar) en de debiteurenrisico's bevinden zich over het algemeen binnen de OESO. Het accent ligt op het commercieel risico, en er is geen staatsgarantie; - publieke kredietverzekering: ze werkt met de staatsgarantie afgeleverd door de nationale overheid van het land waar de exporteur die ondersteund wordt, gevestigd is. Ze heeft vooral tot doel de nationale export te ondersteunen naar landen in de Zone II (in principe buiten de OESO) waar het politiek risico veel gevoeliger is. Het betreft de dekking van enkelvoudige risico's (dus geen globale polissen). De exporteur moet immers aan de buitenlandse koper, meestal in samenwerking met zijn bank, een betalingsuitstel toestaan van gemiddeld 5 jaar, maar dit kan oplopen tot 10 jaar. De Belgische publieke kredietverzekeraar is Credendo - Export Credit Agency, die vroeger de Nationale Delcrederedienst noemde. |
| [5] | Wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen (BS 30 april 2014). |
| [6] | P. Becue, Handboek krediet- en borgtochtverzekering. De geconfirmeerde onzichtbare bank, 2de ed., Antwerpen-Gent-Cambridge, Larcier-Intersentia, 2020, 613-616. |
| [7] | G. Jocque, “Verjaring en verzekering”, T.Verz., nr. 354, 2006, 6. |
| [8] | Art. 136, 2° W.Verz. sluit de verzekeringen die behoren tot de bevoegdheid van Credendo ECA ook volledig uit van Deel 4 W.Verz. |
| [9] | Wetsontwerp op de landverzekeringsovereenkomst, memorie van toelichting (Parl.St. Kamer 1990-91, 23 april 1991, 1586/1, 65). |
| [10] | Y. Merchiers, “De kredietverzekering en de borgtochtverzekering in de nieuwe Wet op de landverzekeringsovereenkomst” in Liber Amicorum Paul De Vroede, Deel II, Diegem, Kluwer Rechtswetenschappen België, 1994, 1071. |
| [11] | M.-A. Crijns, L'Office National du Ducroire ou le secteur public de l'assurance-crédit à l'exportation, Dossiers JT nr. 7, Bruxelles, De Boeck & Larcier, 1995, 116. |
| [12] | De basis is: koninklijk besluit nr. 42 van 31 augustus 1939 tot afschaffing en vervanging van de wet van 2 augustus 1932, en dat de NDD (Nationale Delcrederedienst) reorganiseert (BS 4 oktober 1939). Later werd dit omgevormd tot een wet en diverse malen aangepast. |
| [13] | Voor meer informatie: P. Becue, “Het spanningsveld tussen de publieke en privékredietverzekering. Europa vaardigt nieuwe richtlijnen uit”, T.Verz., nr. 382, 2013, 25-26. |
| [14] | BS 14 juni 1874. |
| [15] | M.-A. Crijns, L'Office National du Ducroire ou le secteur public de l'assurance-crédit à l'exportation, Dossiers JT nr. 7, Bruxelles, De Boeck & Larcier, 1995, 117. |
| [16] | L. Schuermans en C. Van Schoubroeck, Grondslagen van het Belgische verzekeringsrecht, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2015, 518-519 en 523. |
| [17] | Het juridisch kader van de privékredietverzekering is als volgt: de binnenlandse risico's zijn in principe onderworpen aan de regels van dwingend recht maar met belangrijke uitzonderingen zoals bepaald in de art. 134-140 W.Verz. m.b.t. de kredietverzekering (Deel 4 W.Verz.); de exportrisico's kennen een regime van aanvullend recht (Deel 5 W.Verz.) waar de wilsautonomie tussen de contractpartijen primeert. |
| [18] | De eerste mededeling was: mededeling nr. 97/C 281/03 van de Commissie aan de lidstaten ingevolge art. 93, 1. van het EG-Verdrag inzake de toepassing van de art. 92 en 93 van het verdrag op kortlopende exportkredietverzekering (voor de EER relevante tekst) (Pb. C. 17 september 1997, 281, 4-10). Ze werd daarna diverse malen aangepast. |
| [19] | P. Becue, Handboek krediet- en borgtochtverzekering. De geconfirmeerde onzichtbare bank, 2de ed., Antwerpen-Gent-Cambridge, Larcier-Intersentia, 2020, 611-612. |
| [20] | Het vroegere art. 32 wet van 11 juni 1874. |
| [21] | CREDENDO STN, Globale polis. Algemene voorwaarden STN 2017.1/1/A, Brussel, Credendo STN, 11 p. |
| [22] | CREDENDO ECA, Kredietverzekering. Algemene voorwaarden. Nr. 2019/NL, Brussel, Credendo, 2019, 16 p. |
| [23] | EULER HERMES KREDIETVERZEKERING, Business Polis. Algemene voorwaarden nummer 105/05, s'-Hertogenbosch, Euler Hermes Kredietverzekering, 14 p. |
| [24] | Voor meer info: L. Schuermans en C. Van Schoubroeck, Grondslagen van het Belgische verzekeringsrecht, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2015, 863-866; T. Vansweevelt en B. Weyts, “De bevrijdende verjaring” in T. Vansweevelt en B. Weyts (eds.), Handboek verzekeringsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 932-945. |
| [25] | L. Schuermans en C. Van Schoubroeck, Grondslagen van het Belgische verzekeringsrecht, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2015, 853; T. Vansweevelt en B. Weyts, “Looptijd, wijziging en einde van de verzekeringsovereenkomst” in T. Vansweevelt en B. Weyts (eds.), Handboek verzekeringsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 639. |
| [26] | Overeenkomsten intuitu personae zijn overeenkomsten die worden aangegaan hoofdzakelijk omwille van de hoedanigheid van de persoon zelf van de medecontract, in casu de verzekerde; Ph. Theus en I. Peeters, Juridisch-praktisch Lexicon van de Kredieten en de Zekerheden, Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen, 1991, 120. |
| [27] | P. Becue, “Artikel 135 Wet betreffende de Verzekeringen van 4 april 2014” in G. Jocque, C. Van Schoubroeck, T. Vansweevelt en B. Weyts (eds.), Verzekeringen. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2021, 8-9 Ph. Colle, Algemene beginselen van het Belgische verzekeringsrecht, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2019, 182; M. Fontaine, Verzekeringsrecht, Gent, Larcier, 2011, 351. |
| [28] | Wetsontwerp op de landverzekeringsovereenkomst, memorie van toelichting (Parl.St. Kamer 1990-91, 23 april 1991, nr. 1586/1, 64; F. George en V. Callewaert, “Le contrat d'assurance terrestre analysé à l'aune des procédures de faillite et de réorganisation judiciaire (Partie I)””, T.Verz., nr. 385, 2013, 409. |
| [29] | CREDENDO STN, Globale polis. Algemene voorwaarden STN 2017.1/1/A, Brussel, Credendo STN, 3. |
| [30] | CREDENDO STN, Globale polis. Vademecum (STN 2017.1/1/A), Brussel, Credendo STN, 2. |
| [31] | CREDENDO STN, Globale polis. Algemene voorwaarden STN 2017.1/1/A, Brussel, Credendo STN, 5. |
| [32] | CREDENDO STN, Globale polis. Vademecum (STN 2017.1/1/A), Brussel, Credendo STN, 3. |
| [33] | CREDENDO STN, Globale polis. Algemene voorwaarden STN 2017.1/1/A, Brussel, Credendo STN, 11. Verder wordt gezegd dat de verzekerde vorderingen gedekt of niet gedekt kunnen zijn. Gedekt zijn de schuldvorderingen waarvoor de bijzondere voorwaarden werden nageleefd en die kunnen worden toegerekend op de toegestane limiet. Enkel de gedekte vorderingen kunnen aanleiding geven tot schadevergoeding. |
| [34] | D. Wuyts, “De betaling van de premie” in T. Vansweevelt en B. Weyts (eds.), Handboek verzekeringsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 440. |
| [35] | EULER HERMES KREDIETVERZEKERING, Business Polis. Algemene voorwaarden nummer 105/05, s'-Hertogenbosch, Euler Hermes Kredietverzekering, 8-10. |
| [36] | API: Application Programming Interface. |
| [37] | Ph. Colle, Algemene beginselen van het Belgische verzekeringsrecht, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2019, 76. |
| [38] | D. Wuyts, “Artikel 71 Wet betreffende de Verzekeringen van 4 april 2014” in G. Jocque, C. Van Schoubroeck, T. Vansweevelt en B. Weyts, Verzekeringen. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2018, 6-7. |
| [39] | P. Becue, Handboek krediet- en borgtochtverzekering. De geconfirmeerde onzichtbare bank, 2de ed., Antwerpen-Gent-Cambridge, Larcier-Intersentia, 2020, 628. |
| [40] | Y. Merchiers, “De kredietverzekering: een juridische verkenning”, De Verzekeringswereld, 2000, afl. 1, 6; Y. Merchiers, “L'assurance-crédit: une approche juridique”, Le Monde des Assurances, 2000, afl. 3, 6; wetsontwerp op de landverzekeringsovereenkomst, memmorie van toelichting (Parl.St. Kamer 1990-91, 23 april 1991, nr. 1586/1, 66). |
| [41] | L. Schuermans en C. Van Schoubroeck, Grondslagen van het Belgische verzekeringsrecht, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2015, 525. |

