Ondernemingsrechtbank Mechelen 24 december 2020
|
VERZEKERINGEN
Rechtsbijstandverzekering - Advocaat - Ereloonstaat - Geen rechtstreekse vordering - Geen autonome betalingsverbintenis - Geen bewijs van delegatieovereenkomst
De aanstellingsbrief van de rechtsbijstandsverzekeraar waarin deze verklaart dat hij, conform de polisvoorwaarden en het plafond van de waarborg, de erelonen en de niet-recupereerbare btw zal betalen maar niet de kosten van overbodige communicatie of onredelijke erelonen, geeft de advocaat niet het recht om zich rechtstreeks tot de verzekeraar te wenden voor de betaling van zijn erelonen bij gebreke van een eenzijdige wilsuiting van de verzekeraar om de erelonen te betalen en het bewijs van een delegatieovereenkomst.
|
ASSURANCES
Assurance protection juridique - Avocat - Etat de frais et honoraires - Pas d'action directe - Pas d'engagement de paiement autonome - Pas de preuve de convention de délégation
La lettre de mission de l'assureur protection juridique par laquelle il indique prendre en charge, conformément aux conditions de la police et dans la limite du plafond de garantie, les honoraires et la TVA non récupérable mais non les coûts des communications superflues ni les honoraires déraisonnables ne permet pas à l'avocat d'agir directement contre l'assureur pour obtenir le paiement de ses honoraires en l'absence d'engagement unilatéral de l'assureur de payer les honoraires et de preuve d'une convention de délégation.
|
Advocatenassociatie XYZ CV / Verzekeraar NV
| Zet.: K. Van Lint (voorzitter), R. Lemmens en E. Op de Beeck (rechters in ondernemingszaken) |
| Pl.: Mrs. I. Arnouts loco N. Van Baelen, M. Van Houdt |
| Aff.: A/20/00210 |
De rechtbank nam kennis van de rechtspleging, en onder meer van:
- de dagvaarding die op verzoek van eiseres, de CV Advocatenassociatie XYZ, op 6 februari 2020 aan verweerster, de NV Verzekeraar, betekend werd;
- de beschikking van 26 februari 2020 in toepassing van artikel 747 Ger.W.;
- de laatste (art. 748bis Ger.W.) conclusies van partijen en de door hen neergelegde stukken.
Partijen werden gehoord op de zitting van 29 oktober 2020, waarna de zaak door de rechtbank in beraad werd genomen.
| 1. | Samenvatting van de feiten |
1.1. Eiseres, de CV Advocatenassociatie XYZ, verder aangeduid als “XYZ” is een advocatenkantoor.
Verweerster, de NV Verzekeraar, verder aangeduid als “Verzekeraar”, is verzekeraar rechtsbijstand van de heer B.J., verder aangeduid als “J.”.
1.2. J. rijdt op 27 september 2017 de LEZ-zone te Antwerpen binnen met een auto die niet aan de ecologische normen voldoet. Hij krijgt hiervoor een gasboete van 125,00 EUR (bijlage bij stuk 4 van XYZ).
J. betwist de gasboete omdat hij meer dan 66% invalide is en houder van de speciale kaart voor parkeerfaciliteiten voor personen met een handicap. Het bezwaar van J. wordt door de LEZ-ambtenaar afgewezen. Daarop neemt J. contact op met XYZ.
1.3. Op 15 december 2017 vraagt Verzekeraar XYZ het nodige te doen door het instellen van hoger beroep tegen de beslissing van de LEZ-ambtenaar (stuk 9 van het dossier van Verzekeraar).
Op 20 december 2017 tekent XYZ namens J. hoger beroep aan bij de politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen.
Bij definitief vonnis van 22 oktober 2018 wijst de politierechtbank het beroep van J. af als ongegrond (stuk 9 van het dossier van XYZ).
Op 22 januari 2019 maakt XYZ haar slotfactuur over aan Verzekeraar voor een totaal bedrag van 2.014,59 EUR, incl. btw (stuk 10 van het dossier van XYZ).
1.4. Op 20 maart 2019 betwist de raadsman van Verzekeraar deze factuur. Als reden voor het protest geeft hij aan dat de door XYZ aangerekende kosten méér dan 100% van het gevorderde ereloon bedraagt. Ter zitting geeft de raadsman van Verzekeraar aan dat de kosten die XYZ aanrekende, een bedrag van 1.384,79 EUR excl. btw, bedroeg en de erelonen een bedrag van 1.380,57 EUR, excl. btw. De raadsman van Verzekeraar geeft aan dat een dergelijke aanrekening van kosten onaanvaardbaar is. Hij zet in zijn brief van 20 maart 2019 op omstandige wijze het standpunt van zijn cliënte uiteen (stuk 1 van het dossier van Verzekeraar).
In zijn brief van 21 maart 2019 voert de raadsman van Verzekeraar aan dat de GCR (Gemengde Commissie Rechtsbijstand), in het kader van een andere procedure tussen de partijen voor het hof van beroep van Antwerpen, belast is met het advies over de wijze waarop XYZ haar staten van kosten en ereloon opstelt. Hij geeft aan dat zijn cliënte dit advies wenst af te wachten (stuk 3 van het dossier van Verzekeraar).
Op 22 maart 2019 zendt XYZ een e-mail naar de raadsman van Verzekeraar waarin zij aangeeft het advies van de GCR niet te wensen af te wachten. XYZ stelt voor de zaak voor te leggen aan de taxatiecommissie te Antwerpen (stuk 4 van het dossier van Verzekeraar).
Op 7 mei 2019 zendt XYZ een aanmaning tot betaling van het bedrag van 2.014,59 EUR naar Verzekeraar (stuk 11 van het dossier van XYZ).
Op 14 juni 2019 betaalt Verzekeraar het onbetwiste bedrag van 1.113,56 EUR (stuk 14 van het dossier van XYZ).
1.5. Op 6 februari 2020 gaat XYZ over tot dagvaarding van Verzekeraar. Zij wenst betaling te bekomen van het openstaand saldo van haar slotfactuur voor een bedrag van 903,01 EUR.
| 2. | De vorderingen van eisende partij |
Eiseres, XYZ vordert verweerster, Verzekeraar, te veroordelen tot betaling van de nog openstaande erelonen en kosten voor een bedrag van 903,01 EUR, meer de interesten aan de wettelijke interesten conform de wet op bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties vanaf de vervaldag van de factuur, zijnde 5 februari 2019, en met de gerechtelijke interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf datum dagvaarding tot datum volledige betaling, evenals tot betaling van de forfaitaire schadevergoeding van 40,00 EUR.
Verzekeraar besluit tot de ongegrondheid van de vordering van XYZ.
| 3. | Beoordeling |
XYZ vordert de betaling van het bedrag van 903,01 EUR, zijnde het niet-betaalde saldo van haar slotfactuur van 19 januari 2019.
In hoofdorde spitst de betwisting tussen de partijen zich toe op de vraag of XYZ over een rechtstreekse vordering tegen Verzekeraar beschikt.
3.1. In de eerste plaats voert XYZ aan dat in hoofde van Verzekeraar een autonome betalingsverbintenis bestaat op grond waarvan zij Verzekeraar rechtstreeks kan aanspreken.
Verzekeraar is een rechtsbijstandsverzekeraar en heeft in die hoedanigheid een verzekeringsovereenkomst gesloten met J. Overeenkomstig artikel 154 van de wet betreffende de verzekeringen betreft het een overeenkomst waarbij Verzekeraar als verzekeraar zich verbindt diensten te verrichten en kosten op zich te nemen, teneinde J. als haar verzekerde in staat te stellen zijn rechten te doen gelden, als eiser of als verweerder, hetzij in gerechtelijke, administratieve of andere procedure, tenzij los van enige procedure.
De rechtsbijstandsverzekering dekt het risico van de gedingkosten die de verzekerde, in casu J., aan zijn advocaat (XYZ) dient te betalen. De verzekerde schade bestaat in het kader van de rechtsbijstand in de kosten en erelonen van de advocaat, in casu XYZ.
De verplichting in hoofde van de rechtsbijstandsverzekeraar om kosten op zich te nemen voor de verzekerde is een verplichting die volgt uit deze wetsbepaling en uit de overeenkomst tussen de rechtsbijstandsverzekeraar en de verzekerde; deze verplichting vormt de tegenprestatie voor de verzekeringspremie die J. betaalt.
De prestatie die Verzekeraar binnen haar waarborg verleent, bestaat enkel binnen de rechtsverhouding met de verzekerde, in casu de heer J. Tussen de rechtsbijstandsverzekeraar en de door de verzekerde gekozen advocaat ontstaat in principe geen overeenkomst.
XYZ voert aan dat het bewijs van deze betalingsverbintenis te vinden is in de aanstellingsbrief die Verzekeraar naar haar zond op 15 december 2017. XYZ verliest daarbij echter uit het oog dat in de aanstellingsbrief in kwestie Verzekeraar uitdrukkelijk voorbehoud maakt omtrent de aanrekening door XYZ van bepaalde kosten en overdreven prestaties. Zo wordt in de brief van 15 december 2017 vermeld: “Kosten van overbodige communicatie nemen wij niet ten laste” en “Conform de polisvoorwaarden en de financiële waarborggrens zullen wij de gerechtvaardigde (door de rechtbank benadrukt) erelonen en de niet-recupereerbare btw betalen”.
Op grond van het beginsel van de relativiteit van de overeenkomst, kan de advocaat die prestaties heeft verricht ten gunste van de verzekerde, J., geen rechtstreekse vordering instellen tegen de rechtsbijstandsverzekering van zijn cliënt in betaling van zijn ereloon voor deze prestaties. Dergelijke rechtstreekse vordering wordt in het verzekeringsrecht enkel toegekend aan de benadeelde in het kader van een aansprakelijkheidsverzekering (art. 150 W.Verz.). Voor een rechtsbijstandsverzekering is dergelijk eigen recht tegenover de verzekeraar wettelijk niet bepaald. Een eigen recht kan evenmin worden vermoed.
Overigens wordt de uitsluiting van een rechtstreekse vordering in hoofde van de door de verzekerde gekozen advocaat, uitdrukkelijk uitgesloten in de algemene voorwaarden van Verzekeraar. In dezelfde algemene voorwaarden wordt in dit verband nog voorzien dat, in het geval Verzekeraar meent dat de gevorderde kosten en erelonen niet correct werden begroot, de verzekerde ermee akkoord gaat dat Verzekeraar in zijn naam en voor zijn rekening de staat betwist en eventueel voorlegt aan de organen van de daartoe bevoegde Orde of beroepsvereniging (stuk 5, p. 3 van het dossier van Verzekeraar). In dit verband verwijst de rechtbank naar het door Verzekeraar als stuk 2 van haar dossier bijgebrachte arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 13 februari 2019 in een zaak tussen partijen (Verzekeraar en XYZ) waarin, het hof partijen vroeg om, alvorens verder te oordelen, hun geschil voor advies over te leggen aan de Gemengde Commissie Rechtsbijstand (GCR). Ter zitting van 29 oktober 2020 bevestigt de raadsman van XYZ dat deze niet tot deze voorlegging voor advies wenst over te gaan.
De rechtbank besluit dat het principe van de relativiteit van de overeenkomst verhindert dat XYZ zich kan beroepen op een autonome betalingsverbintenis in hoofde van Verzekeraar die enkel door een overeenkomst verbonden is met haar verzekerde, de heer J.
3.2. In de tweede plaats voert XYZ aan dat er in hoofde van Verzekeraar een verbintenis op grond van een eenzijdige wilsuiting bestaat om haar erelonen te betalen. Deze verbintenis op grond van eenzijdige wilsuiting steunt volgens XYZ enerzijds op de courante handelsrelatie tussen partijen gedurende tientallen jaren, en anderzijds op de inhoud van de brief van Verzekeraar van 15 december 2017.
De rechtbank is van oordeel dat een bepaalde praktijk tussen de partijen gedurende jaren - die erin bestond dat Verzekeraar zonder protest de staten van kosten en erelonen van XYZ betaalde - niet als basis voor een verbintenis op grond van een eenzijdige wilsuiting kan beschouwd worden. Immers kan de politiek van een advocatenkantoor om zijn kosten en erelonen te berekenen, evolueren in de tijd. In casu is dit precies de reden van de weigering door Verzekeraar om het saldo van de slotfactuur van XYZ te betalen.
Opdat een eenzijdige wilsuiting een verbintenis doet ontstaan, is het vereist dat de wil om zich te verbinden met voldoende zekerheid vaststaat en tot uiting is gebracht. Het komt derhalve de rechtbank toe na te gaan of de eenzijdige wilsuiter, Verzekeraar, de bedoeling had om een verbintenis aan te gaan jegens XYZ die erin bestond om haar staten van kosten en erelonen te betalen, zonder mogelijkheid van protest. In casu dient nagegaan te worden of de brief van Verzekeraar naar XYZ van 15 december 2017 met voldoende zekerheid een juridisch bindende wilsuiting in die zin in hoofde van Verzekeraar bevat.
De rechtbank oordeelt dat de brief in kwestie duidelijk is, zodat er geen interpretatie nodig is. In de brief van 15 december 2017 wordt door Verzekeraar benadrukt dat zij de kosten van overbodige communicatie niet ten laste neemt en dat zij (enkel) de gerechtvaardigde erelonen zal betalen. Uit deze mededeling is het duidelijk dat er in hoofde van Verzekeraar geen bedoeling aanwezig was om de staten van kosten en erelonen van XYZ zonder meer volledig te betalen.
De rechtbank besluit dat XYZ niet het bestaan aantoont van een verbintenis op grond van een eenzijdige wilsuiting in hoofde van Verzekeraar om tot betaling van haar staten van kosten en erelonen over te gaan.
Verder oordeelt de rechtbank dat - voor zover de brief van Verzekeraar van 15 december 2017 een buitengerechtelijke bekentenis in hoofde van Verzekeraar inhoudt - deze bekentenis, rekening houdend met het voorbehoud dat Verzekeraar reeds in deze brief gaf aangaande overdreven aangerekende kosten door XYZ, geen betrekking heeft op de voorbehoudsloze betaling van de staten van kosten en erelonen van XYZ, zoals XYZ ten onrechte voorhoudt.
3.3. In de derde plaats verwijst XYZ nog naar de algemene voorwaarden van Verzekeraar die deze laatste bijbrengt als stuk 5 van haar dossier. In het bijzonder verwijst XYZ naar p. 3 van dit document. De door XYZ in haar conclusie geciteerde passage (“Wij betalen de erelonen en kosten op basis van vrijwillige delegatie, maar vragen daarom wel dat u geen betaling doet aan een advocaat of deskundige zonder onze goedkeuring”) komt niet voor op p. 3 van stuk 5 van het dossier van Verzekeraar. P. 3 van bedoeld stuk bevat de volgende passage:
“Wij komen tussen in de erelonen en kosten van uw advocaat, maar wij vragen u wel:
- als wij daarom vragen, de erelonen en kosten mee op te nemen in uw vordering op de derde(n);
- geen afspraken te maken over de begrotingswijze van de erelonen en kosten zonder onze voorafgaande uitdrukkelijke instemming;
- geen betaling te doen aan een advocaat of deskundige zonder onze goedkeuring.”
De rechtbank is van mening dat het verzoek van Verzekeraar aan haar klanten om geen ereloonafspraken te maken of zelf het ereloon te betalen zonder haar goedkeuring, uitsluitend kadert binnen de overeenkomst tussen Verzekeraar en haar klanten. In geen geval kan de advocaat uit dit beding in de algemene voorwaarden van de rechtsbijstandsverzekering een rechtstreeks vorderingsrecht in zijn hoofde tegen de rechtsbijstandsverzekeraar afleiden. Het bovenstaand drieledig verzoek dat Verzekeraar in haar algemene voorwaarden formuleert, heeft betrekking op de tegenprestaties die zij, naast de betaling van de premie, verwacht van haar cliënteel. Terecht voert Verzekeraar aan dat haar verzoek aan de verzekerden om geen afspraken te maken over de begrotingswijze van de erelonen en kosten met de tussenkomende advocaat en geen betaling te doen aan de advocaat zonder haar voorafgaande goedkeuring, kadert in de schadebeperkingsplicht die in toepassing van artikel 75 W.Verz. op de verzekerde rust. Er kan geen verbintenis op grond van een eenzijdige wilsuiting in hoofde van Verzekeraar uit afgeleid worden.
3.4. In ondergeschikte orde voert XYZ aan dat zij haar rechtstreekse vordering tegen Verzekeraar als rechtsbijstandsverzekeraar haar vordering kan steunen op een onvolmaakte delegatieovereenkomst, waarbij de schuldenaar (de verzekerde) aan zijn schuldeiser (de advocaat) een andere schuldenaar (de rechtsbijstandsverzekeraar) aanwijst, die daarmee instemt.
De zgn. onvolmaakte delegatie betreft de eigenlijke delegatie naar gemeen recht, die geen bevrijding van de schuldenaar (de verzekerde) tot gevolg heeft en die bijgevolg, louter omwille van het ontbreken aan een onmiddellijk bevrijding van de schuldenaar, niet volmaakt kan worden genoemd (T. Bastiaensen, “Delegatie: een driepartijenovereenkomst die de toestemming van de gedelegeerde schuldenaar vereist”, TBBR 2011, 483).
Bij de delegatie gaat het initiatief uit van de schuldenaar (de verzekerde) (S. Stijns, Verbintenissenrecht, Boek 2, Brugge, die Keure, 2009, 74, vn. 118); hij dient de nieuwe schuldenaar (de rechtsbijstandsverzekeraar) aan te wijzen. Een wezenlijk kenmerk van de delegatie is verder de aanvaarding van de delegatie in hoofde van de nieuwe schuldenaar (de rechtsbijstandsverzekeraar) (S. Stijns, o.c., 74; T. Bastiaensen, o.c., 483 (484)). Zonder diens toestemming kan er geen verbintenis ontstaan tussen hem en de schuldeiser (de advocaat). Wanneer de nieuwe schuldenaar (de verzekeraar) voorbehoud maakt met betrekking tot het ten laste nemen van de kosten en het ereloon van de schuldeiser (de advocaat), bestaat er geen verbintenisrechtelijke band tussen hemzelf (de verzekeraar) en de schuldeiser (de advocaat) en is hij niet tot betaling gehouden (J. Amankwah, “De rechtstreekse vordering van de advocaat tegen de rechtsbijstandsverzekeraar”, Limb. Rechtsl. 2016, 296 (302)).
Delegatie wordt niet vermoed en moet worden bewezen door de partij die er zich op beroept. De feitelijke elementen die in elke zaak anders kunnen zijn, zijn in dit kader van belang.
De rechtbank is van oordeel dat XYZ geen voldoende bewijs bijbrengt van een aanvaarding van de delegatie door Verzekeraar in die zin dat Verzekeraar aanvaard heeft om de staten van kosten en erelonen van XYZ te betalen. De rechtbank verwijst in dit verband opnieuw naar het uitdrukkelijk voorbehoud in de brief van Verzekeraar van 15 december 2017 om geen kosten van overbodige communicatie en slechts de gerechtvaardigde erelonen te betalen. In deze brief benadrukt Verzekeraar dat XYZ haar niet van elke stap van het dossier op de hoogte moet brengen.
3.5. Op grond van bovenstaande overwegingen oordeelt de rechtbank dat de vordering van XYZ tegen Verzekeraar ongegrond is. Zij beschikt niet over geen rechtsgrond om een rechtstreekse vordering in te stellen tegen de rechtsbijstandsverzekeraar van haar cliënt J.
3.6. XYZ voert nog aan dat het standpunt van Verzekeraar dat XYZ geen rechtstreekse vordering heeft tegen haar, neerkomt op het verhinderen van de toegang tot de rechter.
In tegenstelling tot deze bewering van XYZ, behoudt de advocaat een vordering tegen de verzekerde (Th. Vansweevelt en B. Weyts, Handboek Verzekeringsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 831-833).
De deontologische regel waarnaar XYZ in haar conclusie (p. 15) verwijst, heeft betrekking op een volkomen andere situatie dan deze waarin de advocaat zijn cliënt dagvaardt wegens een niet of niet volledig betaalde factuur. Het betreft de situatie waarin een advocaat zou optreden voor zijn cliënt en tegelijkertijd voor de tegenpartij (in een andere zaak) en er zich een belangenconflict voordoet in hoofde van de advocaat.
3.7. Bij het wijzen van dit vonnis werd rekening gehouden met de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Er zijn geen bijzondere redenen om af te wijken van de algemene principes inzake uitvoerbaarheid, zoals bepaald door artikel 1397 Ger.W.
Krachtens artikel 1017 Ger.W. verwijst ieder eindvonnis de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding. Krachtens artikel 1018, 6° Ger.W. omvatten deze kosten de rechtsplegingsvergoeding. XYZ is de in het ongelijk gestelde partij en wordt veroordeeld tot de kosten.
| 4. | Beslissing |
De rechtbank doet recht op tegenspraak.
De rechtbank verklaart de vordering van eiseres, de CV Advocatenassociatie XYZ, toelaatbaar doch ongegrond en wijst haar ervan af.

