Article

Actualiteit : Parijs (8ste k.), 23/05/2017, R.D.C.-T.B.H., 2017/7, p. 769-770

Parijs (8ste k.)23 mei 2017

TRANSNATIONATIONALE INSOLVENTIE
Europese insolventie - Secundaire procedure
INSOLVABILITÉ TRANSNATIONALE
Insolvabilité européenne - Procédure secondaire

1. Het hof van beroep te Parijs diende te oordelen over de opening van een secundaire insolventieprocedure in Frankrijk, nadat een hoofdinsolventieprocedure in België had plaatsgevonden. Het verzoek tot opening van de secundaire “liquidation judiciaire” werd ingeleid door de Franse fiscus wegens onbetaalde fiscale schulden voortvloeiend uit activiteiten verricht in Frankrijk.

2. Voor een goed begrip van deze zaak, worden de feiten kort samengevat. Op 1 februari 2013 opende de rechtbank van koophandel van Charleroi in hoofde van NV Deken Europe een gerechtelijke reorganisatie. Op 20 juni 2013 homologeerde dezelfde rechtbank het reorganisatieplan en werd de procedure gesloten. Het reorganisatieplan voorzag onder andere in de overdracht van de handelsactiviteiten. Deze overdracht vond plaats voor de opening van een secundaire procedure in Frankrijk en betrof de volledige handelsactiviteit van NV Deken Europe, met uitzondering van de rekening-courant van een voormalig bestuurder, ten voordele van NV SEICCF. De opbrengst van deze overdracht zou worden gebruikt om de schuldeisers terug te betalen overeenkomstig de bepalingen van het reorganisatieplan. Uit een rapport van de rechtbank van koophandel te Parijs blijkt dat deze overdracht correct heeft plaatsgevonden en dat de gelden zijn verdeeld in overeenstemming met het reorganisatieplan. Uit dit rapport blijkt ook dat door deze overdracht er zich geen vestiging meer bevindt in Frankrijk.

Op 8 december 2014, met andere woorden tijdens de vijfjarige periode waarin NV Deken Europe het reorganisatieplan diende uit te voeren, werd in België beslist tot gerechtelijke vereffening van NV Deken Europe. De vereffening verandert echter niets aan de sluiting van de gerechtelijke reorganisatie in België. De gerechtelijke ontbinding beoogt enkel te verifiëren of de betalingen voorzien in het plan correct zijn verlopen, bepaalde uitstaande vorderingen in ontvangst te nemen en maatregelen te treffen voor schuldeisers met vorderingen ontstaan na het openen van de procedure tot gerechtelijke reorganisatie.

Op 27 mei 2016 wenst de Franse fiscus een secundaire insolventieprocedure te openen in Frankrijk om de Franse vestiging van NV Deken Europe te liquideren. De opening van deze procedure werd toegestaan door de rechtbank van koophandel te Parijs op 25 november 2016.

3. De vraag voor het hof van beroep betreft de mogelijkheid om een secundaire procedure te openen 3 jaar nadat de gerechtelijke reorganisatie in België reeds is afgesloten.

Onder de Europese insolventieverordening (Verord. nr. 1346/2000, 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures, Pb.L. 30 juni 2000, afl. 160, 1 ondertussen vervangen door Verord. nr. 2015/848, 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures, Pb.L. 5 juni 2016, afl. 141, 19) is een secundaire insolventieprocedure mogelijk indien er sprake is van:

    • een vestiging in een andere EU-lidstaat dan deze waar de hoofdinsolventieprocedure werd geopend (art. 3, 2. insolventieVo);
    • een hoofdinsolventieprocedure (art. 3, 3. insolventieVo).

    Gelet op bovenstaande feiten wijst het hof van beroep te Parijs het verzoek tot opening van een secundaire procedure in Frankrijk af. Het hof beroept zich hiervoor op volgende argumenten:

      • er is niet langer sprake van een vestiging in Frankrijk, waarvoor een secundaire insolventieprocedure kan worden geopend. Door de overdracht van handelsactiviteiten zijn er geen activa, noch enige activiteiten in Frankrijk en alle schuldvorderingen, inclusief deze van Franse schuldeisers, zijn opgenomen in het reorganisatieplan van de hoofdinsolventieprocedure in België;
      • de procedure van gerechtelijke reorganisatie in België is reeds afgesloten en het reorganisatieplan wordt uitgevoerd op 5 jaar. De gerechtelijke vereffening geopend na de gerechtelijke reorganisatie doet geen afbreuk aan de beëindiging van de hoofdinsolventieprocedure in België.