Actualiteit

Bank en financieel recht

ClientEarth vs NBB

· Regine Feltkamp

In het vonnis d.d. 21 december 2021 heeft de Brusselse Rechtbank van Eerste Aanleg het verzoek van ClientEarth om de Nationale Bank van België (NBB) te bevelen niet langer obligaties aan te kopen van bedrijven die actief zijn in de – volgens ClientEarth – meest vervuilende sectoren, afgewezen. ...

Lees de bijdrage

Bank en financieel recht

Lening op interest of kredietopening?

· Regine Feltkamp

In een arrest van 3 februari 2022  spreekt het Hof van Cassatie zich nogmaals uit over de kwalificatie van een overeenkomst als kredietopening dan wel als een lening op interest. De kwalificatie is onder meer van belang voor de bepaling van de omvang van de wederbeleggingsvergoeding. Een wederbeleggingsvergoeding is de vergoeding die verschuldigd is bij vervroegde terugbetaling van een krediet of lening. Volgens de regels inzake de lening op interest kan een recht op vervroegde terugbetaling worden bedongen, maar geldt dit niet van rechtswege. Wanneer de vervroegde terugbetaling contractueel werd overeengekomen kan, overeenkomstig het dwingend artikel 1907bis (oud) BW,bij een lening op interest de wederbeleggingsvergoeding nooit hoger zijn dan 6 maanden interest. Deze bepaling geldt niet voor kredietopeningen, omdat zij niet als een lening kwalificeren maar als een sui generis overeenkomst. ...

Lees de bijdrage

Bank en financieel recht

Primeur: het Gerecht bevestigt de intrekking van een bankvergunning wegens schending van de witwaswetgeving

· Regine Feltkamp

Sinds 2010 heeft de Österreichische Finanzmarktaufsicht (Oostenrijkse toezichthoudende autoriteit voor de financiële markten; hierna: "FMA") een groot aantal dwangmaatregelen en sancties opgelegd aan AAB Bank, een in Oostenrijk gevestigde kredietinstelling. Op grond daarvan heeft de FMA in 2019 bij de Europese Centrale Bank (hierna: “ECB”) een ontwerpbesluit ingediend tot intrekking van de vergunning van AAB Bank voor de toegang tot de werkzaamheden van een kredietinstelling. Bij besluit van 14 november 2019 heeft de ECB die vergunning ingetrokken. Op basis van de bevindingen van de FMA in het kader van de uitoefening van haar taak van prudentieel toezicht en met betrekking tot de voortdurende en herhaalde niet-naleving door AAB Bank van de vereisten inzake de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en inzake interne governance, was de ECB van oordeel dat AAB Bank niet in staat was een goed beheer van haar risico's te waarborgen. In zijn arrest van 22 juni 2022 verwerpt het Gerecht het beroep tot nietigverklaring van dit besluit van de ECB. Daarmee spreekt het Gerecht zich voor het eerst uit over een intrekking van de vergunning van een bankinstelling wegens ernstige schendingen van de wetgeving inzake de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en schendingen van de regels inzake het bestuur van kredietinstellingen. ...

Lees de bijdrage

Insolventie

Termijn voor verzoekschrift kwijtschelding

· Inge Vandeplas

Op 23 juni 2022 heeft het Grondwettelijk Hof zich nogmaals uitgesproken over het verzoekschrift voor de kwijtschelding en de termijn waarbinnen dit verzoekschrift moet worden ingediend.
Ter herinnering in zijn arrest van 22 april 2021 heeft het Grondwettelijk Hof beslist dat
"artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre de gefailleerde natuurlijke persoon die niet binnen de vervaltermijn van drie maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis een verzoek tot kwijtschelding van restschulden indient, het recht op die kwijtschelding onherroepelijk verliest. Artikel XX.173, § 2, werd vervolgens, bij het arrest nr. 151/2021 van 21 oktober 2021, vernietigd in dezelfde mate."
In zijn arrest van 22 oktober 2021 heeft het Grondwettelijk Hof vervolgens beslist dat de vordering tot vernietiging van dit artikel gegrond is.
Het recente arrest van 23 juni 2022 gaat over de mogelijkheid om na de sluiting van het faillissement alsnog de kwijtschelding aan te vragen. Volgens het verwijzend rechtscollege dient artikel XX.173, §2 WER zo te worden geïnterpreteerd dat de gefailleerde het verzoek tot kwijtschelding moet indienen vóór de sluiting van het faillissement, behoudens wanneer die sluiting heeft plaatsgevonden binnen drie maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis.
Echter, in het licht van voorgaande arresten is bovenstaande interpretatie achterhaald. Verder oordeelt het Hof dat
"Uit de parlementaire voorbereiding van artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht kan bijgevolg niet worden afgeleid dat de wetgever de bedoeling had om op algemene wijze, onafhankelijk van de vervaltermijn van drie maanden waarbinnen het verzoekschrift tot kwijtschelding zou moeten worden neergelegd, te verhinderen dat een gefailleerde na de sluiting van het faillissement nog om de kwijtschelding zou kunnen verzoeken.
Uit het bovenstaande volgt dat de prejudiciële vraag, in zoverre het verwijzende rechtscollege ervan uitgaat dat het verzoek tot kwijtschelding niet kan worden ingediend na de sluiting van het faillissement behoudens wanneer die sluiting heeft plaatsgevonden binnen drie maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis, berust op een uitgangspunt dat geen steun vindt in de tekst van de in het geding zijnde bepaling, noch in de parlementaire voorbereiding ervan."
...

Lees de bijdrage

Mededinginsrecht en gereguleerde sectoren

La Commission européenne a adopté une version révisée et plus souple de sa communication relative à des orientations informelles sur les pratiques anticoncurrentielles

· Marie Vandenneucker

Le 3 octobre 2022, la Commission européenne (« Commission ») a adopté une version révisée de sa communication relative à des orientations informelles sur des questions nouvelles ou non résolues qui se posent dans des affaires individuelles au regard des articles 101 et 102 du TFUE (lettres d’orientation) (« Communication »). Cette Communication prévoit les modalités permettant aux entreprises d’obtenir des orientations de la Commission lors de l’évaluation de la légalité de leurs actions au regard des articles 101 et 102 du TFUE. ...

Lees de bijdrage