Article

Voorzitter Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel, 04/04/2019, R.D.C.-T.B.H., 2019/6, p. 819-825

Voorzitter Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel 4 april 2019

AUTEURSRECHT - MERKENRECHT
Vermogensrechten auteur - Parodie-uitzondering en rechtvaardig evenwicht - Morele rechten auteur: uitoefening en inbreuk - Uniemerken en gebruik anders dan ter onderscheiding
De wezenlijke kenmerken van een parodie bestaan erin dat (i) een bestaand werk wordt nagebootst doch met duidelijke verschillen met het bestaande werk en (ii) aan humor wordt gedaan of de spot wordt gedreven. Zelfs indien aan deze voorwaarden is voldaan, moet de rechtbank oordelen of de toepassing in een concreet geval van de parodie-uitzondering een rechtvaardig evenwicht in acht neemt tussen, enerzijds, de belangen en de rechten van de auteursrechthebbende, en, anderzijds, de vrije meningsuiting van degene die zich beroept op de uitzondering.
De (verboden) overdracht van morele rechten is te onderscheiden van het recht van de erfgenaam, legataris of aangewezen persoon om de morele rechten uit te oefenen na het overlijden en in het belang van de auteur. Het recht op eerbied houdt in dat het kindvriendelijk karakter van een werk wordt geëerbiedigd. De parodie-uitzondering geldt niet bij een inbreuk op morele rechten.
De houder van een Uniemerk kan zich niet beroepen op artikel 2.20, 2., d. BVIE betreffende het gebruik anders dan ter onderscheiding van waren of diensten, dat voorbehouden is aan de houder van een Benelux-merk of van een internationaal merk met aanduiding van de Benelux.
DROIT D'AUTEUR - DROIT DES MARQUES
Droits patrimoniaux de l'auteur - Exception de parodie et juste équilibre - Droits moraux de l'auteur: exercice et atteinte - Marque de l'UE et usage à des fins autres que celles de distinguer - Mesures
La parodie a pour caractéristiques essentielles (i) d'évoquer une oeuvre existante, tout en présentant des différences perceptibles par rapport à celle-ci, et (ii) de constituer une manifestation d'humour ou une raillerie. Même si ces conditions sont remplies, le tribunal doit apprécier si l'application, dans une situation concrète, de l'exception pour parodie respecte un juste équilibre entre, d'une part, les intérêts et les droits des titulaires et, d'autre part, la liberté d'expression de la personne se prévalant de l'exception pour parodie.
La cession (interdite) des droits moraux doit être distinguée du droit des héritiers, légataires ou personnes désignées d'exercer les droits moraux après le décès de l'auteur et dans son intérêt. Le droit au respect implique le respect du fait que l'oeuvre soit destinée aux enfants. L'exception pour parodie ne peut être invoquée en cas d'atteinte aux droits moraux.
Le titulaire d'une marque de l'UE ne peut invoquer l'article 2.20, 2., d., CBPI concernant l'usage à des fins autres que celles de distinguer des produits ou services. Seul le titulaire d'une marque Benelux ou une marque internationale désignant le Benelux est en droit d'invoquer cet article.

Studio 100 NV en Waldemar-Bonsels-Stiftung / Greenpeace Belgium VZW

Zet.: D. Geernaert (plv. voorzitter, zetelend zoals in kort geding)
Pl.: S. Debaene, H. Haouideg, J. Verstraeten, S. Claes loco M. Nève
Zaak: A/18/03379

(…)

III. Feiten
1. Partijen

3. Studio 100 is een commerciële onderneming van wie de activiteiten hoofdzakelijk gericht zijn op kinderen. In de Benelux exploiteert zij onder meer Maya de Bij-tekenfilms en de Maya de Bij-tekenfilmserie, met als hoofdpersonage het fictieve figuurtje Maya de Bij. Dat personage werd in 1912 gecreëerd en beschreven door de heer Waldemar Bonsels in zijn boek “Die Biene Maja und ihre Abenteuer” (“Maya de Bij en haar avonturen”).

Studio 100 is de houder van het hieronder afgebeelde Uniemerk dat op 22 augustus 2014 onder het nr. 013192331 ingeschreven werd voor een resem producten en diensten waaronder vleeswaren:

In het kader van de exploitatie van de Maya de Bij-films en serie brengt Studio 100 Maya de Bij-(merchandising)producten op de markt waarbij gebruik wordt gemaakt van de afbeelding of de naam van Maya de Bij. Studio 100 brengt onder meer de hieronder afgebeelde gevogelteworst op de markt:

4. WBS is een stichting naar Duits recht die op 31 juli 1977 opgericht werd door mevrouw Rose-Marie Bonsels ter nagedachtenis van haar echtgenoot, de heer Waldemar Bonsels, die in 1952 overleed. Zijn auteursrechten op het boek “Die Biene Maja und ihre Abenteuer” en op de figuur Maya de Bij werden daarbij ingebracht in WBS.

Studio 100 stelt in de Benelux de auteursrechtelijke exploitatierechten op de Maya de Bij-films en -serie (onrechtstreeks) verworven te hebben van WBS. WBS zou de morele rechten van de heer Bonsels op zijn werken uitoefenen.

5. Greenpeace is de Belgische afdeling van de internationale milieuorganisatie GREENPEACE die op basis van wetenschappelijke bevindingen onder meer de vleesconsumptie en de nadelige gevolgen ervan op het milieu en op de individuele gezondheid aankaart.

(…)

7. Op 23 mei 2018 lanceerde Greenpeace een video op haar websites en haar YouTube- en Facebook-accounts waarin beelden uit het eerste seizoen van de Maya de Bij-serie en de eerste Maya de Bij-film gebruikt werden in een vermeende advertentie voor Maya-sigaretten.

Met muziek op de achtergrond toonde de spot Maya de Bij die over bloemen en gras vliegt. Ze stelt vervolgens een pak sigaretten met haar beeltenis voor, met daarop de woorden “Cigarettes” en “Premium selected tobacco”:

De animatiebeelden worden gevolgd door beelden waarin een meisje naar haar moeder toeloopt die haar een pak Maya-sigaretten aanbiedt. Het meisje neemt een sigaret aan en men ziet haar glimlachend een brandende sigaret in de hand houden:

De spot toont vervolgens opnieuw animatiebeelden waarop Maya de Bij samen met een andere bij lachend rond een honingraat vliegt. Op het volgende beeld ziet men Maya De Bij, het pak sigaretten en een tekst die verschijnt: “Kijk snel op MayaLight.be”.

Gedurende de spot zegt een voice-over-stem het volgende:

“Maya stelt voor ... de enige echte Maya De Bij-sigaretten! Voortaan kunnen kinderen ook van echte sigaretten genieten! Handig; in kleine pakjes, voor de kleine kinderhandjes. Met de beste tabak en een heerlijk, zachte honingsmaak. Maya De Bij-sigaretten, kijk snel op MayaLight.be.”

Daarna stopt de klank en verschijnt een zwart scherm met witte tekst waarin gemeld wordt dat Maya-sigaretten niet bestaan:

In dezelfde lay-out verschijnt tot slot de tekst: “kijk snel op MayaLight.be”, met de mogelijkheid om op de link naar die website te klikken, waar de onderzoeksbevindingen van Greenpeace te lezen waren. Op het laatste beeld wordt het logo van Greenpeace weergegeven (het geheel hierna de Maya de Bij-spot genoemd).

(…)

IV. Beoordeling
1. Rechtsmacht

13. In haar synthesebesluiten stelde Greenpeace dat de Belgische rechter geen rechtsmacht heeft om te oordelen over het geschil omdat de interpretatie van een overeenkomst van 19 juni 2009 tussen WBS en Studio 100 Media GmbH ter discussie zou staan. In die overeenkomst droeg WBS de auteursrechtelijke exploitatierechten in verband met de Maya de Bij-figuur over aan Studio 100 Media GmbH (die op haar beurt rechten verleend zou hebben aan Studio 100). Volgens Greenpeace hebben de partijen bij die overeenkomst de rechtbanken van München (Duitsland) aangeduid als enige bevoegde rechtbank.

De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, heeft zich in zijn vonnis van 18 september 2018 materieel en territoriaal onbevoegd verklaard en hij heeft de zaak op grond van artikel 660 Ger.W. verwezen naar de bevoegde voorzitter van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel. Ingevolge dat vonnis is impliciet doch noodzakelijk reeds beslist dat de Belgische rechter rechtsmacht heeft.

Het is dan ook terecht dat de raadslieden van Greenpeace op de zitting van 5 maart 2019 verklaarden te verzaken aan dit middel.

2. Ontvankelijkheid

14. Greenpeace verzoekt om de vordering van eisende partijen niet ontvankelijk te verklaren. Zij werpt op dat Studio 100 en WBS niet bewijzen dat zij de houder zijn van de kwestieuze morele rechten. Die partijen zouden bijgevolg niet over het vereiste belang en de vereiste hoedanigheid beschikken om een ontvankelijke vordering te kunnen stellen.

Hoewel Greenpeace verzoekt om de vordering integraal onontvankelijk te verklaren, blijkt uit de uiteenzetting van haar middel dat deze exceptie enkel betrekking heeft op de vordering inzake de auteursrechten, en meer bepaald op het houderschap van de morele rechten. Enkel de vordering van WBS is gebaseerd op morele rechten. Bijgevolg is de vordering van Studio 100 hoe dan ook ontvankelijk.

15. De (beperkte) exceptie van onontvankelijkheid is ongegrond.

Krachtens artikel 17 Ger.W. kan de rechtsvordering niet worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen. Krachtens artikel XIl.19, § 2, eerste lid van het Wetboek van economisch recht (WER) wordt de vordering op grond van artikel XVII.14, § 3, in het geval van inbreuk op een auteursrecht, ingesteld op verzoek van elke betrokkene.

De procespartij die aanvoert houder te zijn van een subjectief recht, heeft hoedanigheid en belang om de vordering in te stellen, ook al wordt dit recht betwist. Het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het subjectief recht dat wordt ingeroepen betreft niet de ontvankelijkheid maar de gegrondheid van de vordering (Cass. 29 oktober 2015, C.13.0374.N, www.juridat.be).

In haar verzoekschrift van 3 augustus 2018 heeft WBS aangevoerd de bewaker te zijn van de morele rechten op de figuur Maya de Bij. Bijgevolg beschikt zij over het vereiste belang en de vereiste hoedanigheid. Of zij die rechten werkelijk kan uitoefenen, moet en zal de rechtbank nagaan bij de beoordeling van de grond van de zaak.

Er worden geen andere excepties van onontvankelijkheid opgeworpen. Er zijn evenmin ambtshalve door de rechtbank op te werpen middelen van onontvankelijkheid.

Bijgevolg verklaart de dd. voorzitter de vordering van Studio 100 en WBS ontvankelijk.

3. Auteursrechten
3.1. Vermogensrechten
3.1.1. Standpunten van partijen

16. In de eerste plaats verzet Studio 100 zich op basis van artikel XI.165, § 1 WER tegen de verdere mededeling aan het Belgisch publiek door Greenpeace van de extracten uit de beschermde film en serie. Studio 100 stelt dat het vaststaat en niet betwist wordt door Greenpeace dat:

- Greenpeace voor de litigieuze video gebruik heeft gemaakt van beelden die deel uitmaken van het eerste seizoen van de Maya de Bij-serie en de eerste Maya de Bij-film;

- die serie en film de vereiste oorspronkelijkheid vertonen om auteursrechtelijk beschermde werken uit te maken;

- Greenpeace zonder toestemming van Studio 100, de houder van de auteursrechtelijke exploitatierechten in voornoemde werken voor onder meer het Belgische territorium, de litigieuze video medegedeeld heeft aan het publiek.

Studio 100 meent dat Greenpeace zich niet op de parodie-uitzondering kan beroepen die is opgenomen in artikel 190, 10° WER omdat de Maya de Bij-spot geen parodie is in de zin van deze bepaling. Indien de rechtbank de video toch als een parodie zou beschouwen, zou een aanvaarding van de parodie-exceptie niet het door deze bepaling vereiste rechtvaardige evenwicht in acht nemen, aldus Studio 100.

17. Het standpunt van Greenpeace is dat haar campagne voldoet aan alle voorwaarden om van een legitieme parodie te kunnen spreken. Ingevolge de parodie-uitzondering, die een toepassing is van het recht op vrije meningsuiting, kan Studio 100 zich niet verzetten tegen de Maya de Bij-spot, aldus Greenpeace.

3.1.2. Toepassing parodie-uitzondering

18. De relevante bepalingen uit het WER zijn de volgende:

- artikel 165, § 1 WER:

“Alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst heeft het recht om het op welke wijze of in welke vorm ook, direct of indirect, tijdelijk of duurzaam, volledig of gedeeltelijk te reproduceren of te laten reproduceren. (...)

Alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst heeft het recht om het werk volgens ongeacht welk procedé, met inbegrip van de beschikbaarstelling voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, aan het publiek mede te delen. (...)”;

- artikel 190, 10° WER:

“Wanneer het werk op geoorloofde wijze openbaar is gemaakt, kan de auteur zich niet verzetten tegen:

10° een karikatuur, een parodie of een pastische, rekening houdend met de eerlijke gebruiken;”

Volgens het Hof van Justitie bestaan de wezenlijke kenmerken van een parodie erin dat (1) een bestaand werk wordt nagebootst doch met duidelijke verschillen met het bestaande werk en (ii) aan humor wordt gedaan of de spot wordt gedreven. Het is daarbij niet vereist dat de parodie een ander eigen oorspronkelijk karakter vertoont dan louter duidelijke verschillen met het geparodieerde oorspronkelijke werk, redelijkerwijze aan een andere persoon dan de auteur van het oorspronkelijke werk zelf kan worden toegeschreven, betrekking heeft op het oorspronkelijke werk zelf of de bron van het geparodieerde werk vermeldt.

De toepassing in een concreet geval van de parodie-uitzondering moet een rechtvaardig evenwicht in acht nemen tussen, enerzijds, de belangen en de rechten van de auteursrechthebbende en, anderzijds, de vrije meningsuiting van de gebruiker van een beschermd werk die zich beroept op die uitzondering. In de veronderstelling dat de Maya de Bij-spot de wezenlijke kenmerken van een parodie vertoont, moet de rechtbank oordelen - rekening houdend met alle omstandigheden van het geval - of de toepassing van parodie-uitzondering dat rechtvaardige evenwicht in acht neemt (HvJ 3 september 2014, C-201/13, Deckmyn / Vandersteen, overw. 20-21, 27-28 en 32).

3.1.2.1. Duidelijke verschillen

19. Studio 100 meent dat het louter reproduceren van haar beelden geen “nabootsing met duidelijke verschillen met het bestaande werk” uitmaakt. Greenpeace werpt tegen dat zij digitaal een pakje sigaretten toevoegde in de bestaande beelden van Studio 100 en dat Greenpeace vervolgens andere beelden tussen- of toevoegde, zoals het levensechte filmpje van het rokende meisje en de zwarte tekstborden.

De dd. voorzitter is van oordeel dat de Maya de Bij-spot, hoewel zij nabootst door bestaande beelden te ontlenen en die in zeer beperkte mate te bewerken, in zijn geheel toch duidelijk verschilt van het bestaande audiovisuele werk. Doordat gebruik werd gemaakt van een combinatie en afwisseling van tekenfilm en reële beelden van reële personages, alsook van stille sequenties met zwarte pancartes, is sprake van een duidelijk verschillend audiovisueel werk. Daarbij moet in het midden gelaten worden of die nabootsing origineel is of niet (in de auteursrechtelijke betekenis) en aan wie ze redelijkerwijze zou kunnen worden toegeschreven.

3.1.2.2. Humor of spot

20. De spot zou volgens Studio100 louter tot doel gehad hebben te shockeren door het publiek op doodernstige wijze te doen voorkomen dat de tabaksreclame levensecht was. Er zou geen humoristische intentie geweest zijn in hoofde van Greenpeace en de spot werd ook niet als humoristisch gepercipieerd, getuige daarvan de boze reacties van het publiek op sociale media.

Greenpeace stelt dat de spot satirisch bedoeld is en op ludieke wijze aan de kaak stelt dat kinderidolen worden aangewend om ongezonde producten te kopen.

21. Het kan niet ontkend worden dat Greenpeace minstens de intentie had om de spot te drijven met de activiteiten, producten of verkoopmethodes van Studio 100. Dat dit mogelijk shockerend overkwam, is inherent aan spot of satire. Met die uitdrukkingswijze poogt men immers op provocerende wijze kritiek te leveren, in dit geval op de onderneming van de auteur (“parodie op”) en op vleesconsumptie door kinderen (“parodie met”).

Naar het oordeel van de dd. voorzitter vertoont de Maya de Bij-spot dus de wezenlijke kenmerken van een parodie, zoals die door het Hof van Justitie vooropgesteld werden. De parodie-uitzondering van artikel 190, 10° WER vindt in principe dan ook toepassing.

3.1.2.3. Rechtvaardig evenwicht

22. Door de toepassing van de parodie-uitzondering zou in de gegeven omstandigheden evenwel het rechtvaardige evenwicht tussen de belangen van Studio 100 en Greenpeace niet in acht genomen worden.

Een milieuorganisatie als Greenpeace heeft er evident belang bij om - al dan niet door middel van een parodie - haar mening te uiten over een aangelegenheid van publiek belang zoals gezondheid en vleesconsumptie. Die expressievrijheid is een grondrecht dat beschermd is door artikel 10 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens (EVRM). Die vrijheid is evenwel niet onbeperkt, zoals uit het tweede lid van artikel 10 blijkt:

“Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, welke bij de wet worden voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van 's land veiligheid, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechtelijke macht te waarborgen.”

Studio 100 heeft belang bij de bescherming van haar goede naam en van haar (intellectuele) eigendomsrechten en heeft er belang bij om haar ganse onderneming niet rechtstreeks geassocieerd te zien met een bijzonder schadelijk product als sigaretten vanwege de verkoop van één potentieel schadelijk product (vlees) uit haar gamma.

Die goede naam en die rechten werden in het huidige geval onevenredig aangetast doordat Greenpeace (i) opteerde voor een format waarin reclame gemaakt wordt voor een onbetwistbaar bijzonder schadelijk product (“echte sigaretten”) waarvan de verkoop aan minderjarigen in België bij wet verboden is en waarvoor reclame maken quasi volledig verboden is; (ii) de spot verspreidde via een massamedium als Internet en daarbij onvoldoende rekening hield met het evidente bereik bij jonge kinderen, ook al was dat niet het doelpubliek. De boodschap op het einde van de spot gaat volledig aan hen voorbij doordat zij nog niet of nog niet voldoende kunnen lezen, omdat zij hoe dan ook niet geïnteresseerd zijn in de aftiteling van een tekenfilm of omdat zij niet zullen doorklikken naar wetenschappelijke onderzoeksresultaten, die zij al zeker niet zullen begrijpen; en (iii) de bestaande animatiebeelden quasi ongewijzigd reproduceerde en incorporeerde in haar spot, met als gevolg dat de indruk gewekt werd dat de spot een productie van Studio 100 was.

Bijgevolg zullen de meeste kinderen en ook een aantal volwassenen enkel het “positieve” beeld van hun favoriete personage als rookster onthouden. De door Greenpeace gemaakte parodie is een onvolmaakte parodie: Greenpeace had dan wel de intentie om de spot te drijven doch zij bereikte dat resultaat niet bij een aanzienlijk en belangrijk deel van het publiek, integendeel.

Aldus nam Greenpeace het rechtvaardig evenwicht tussen haar recht op vrije meningsuiting en het belang van één commerciële onderneming om haar zorgvuldig opgebouwde kindvriendelijk imago te behouden, onvoldoende in acht. Het voorgaande impliceert dat Studio 100 zich op basis van haar auteursrechten kan verzetten tegen de mededeling van de Maya de Bij-spot aan het publiek. Over de opportuniteit van de gevorderde maatregelen zal de dd. voorzitter zich verder in dit vonnis uitspreken na de beoordeling van de beweerde inbreuk op de morele rechten van WBS en de merkenrechten van Studio 100.

3.2. Morele rechten
3.2.1. Standpunten van partijen

23. WBS verzet zich op basis van de morele rechten van de heer Bonsels tegen het gebruik van de figuur Maya de Bij in de spot van Greenpeace. Zij stelt meer bepaald dat het recht van de auteur op de integriteit van zijn werk geschonden is (art. XI.165, § 2 WER).

Volgens Greenpeace toont WBS vooreerst niet aan dat zij de houder is van de morele rechten naar Duits recht. Op basis van het Belgisch recht zou dit evenmin aangetoond worden vermits auteur Waldemar Bonsels de stichting WBS niet bij leven oprichtte. De stichting kan dan ook niet een door de heer Bonsels aangewezen legataris of persoon zijn in de zin van artikel XI.171, tweede lid WER, aldus Greenpeace. De stichting werd in 1977, d.i. 25 jaar na het overlijden van de heer Bonsels in 1952, opgericht door zijn weduwe. Greenpeace stelt zich de vraag of zij als erfgename de morele rechten wel kon overdragen en of ze die heeft overgedragen aan de stichting.

Wat de aangevochten inbreuk betreft, verwijst Greenpeace naar haar verweermiddel met betrekking tot de inbreuk op de auteursrechten van Studio 100. Volgens Greenpeace moet worden besloten dat de campagnevideo een gerechtvaardigde en toegestane uitoefening is van haar recht op vrije meningsuiting.

3.2.2. Betrokkene

24. Artikel 6bis, (2) van de Berner Conventie van 9 september 1886 voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst bepaalt dat de morele rechten na de dood van de auteur uitgeoefend worden door de daartoe door de nationale wetgeving van het land waar de bescherming wordt ingeroepen bevoegd verklaarde personen of instellingen. Bijgevolg is Belgisch recht van toepassing. Artikel XI.171, tweede lid WER bepaalt dat de morele rechten na het overlijden van de auteur uitgeoefend worden door zijn erfgenamen of legatarissen, tenzij hij daartoe een welbepaalde persoon heeft aangewezen.

Het wordt niet betwist dat Rose-Marie Bonsels de weduwe en erfgename was van Waldemar Bonsels. Artikel XI.171, tweede lid WER noch enige andere wetsbepaling verhinderen dat een erfgenaam bij leven of bij overlijden (via testament) een stichting opricht met onder meer als belangeloos doel of activiteit de uitoefening van de morele rechten van de overleden auteur. Alzo kan verzekerd worden dat de morele rechten gedurende hun hele bestaansduur van 70 jaar na overlijden van de auteur beschermd blijven (art. XI.166 WER).

De dd. voorzitter acht het bewezen dat WBS de persoon is die belast is met de uitoefening van de morele rechten van Waldemar Bonsels. Uit de aanhef van oprichtingsakte van 31 juli 1977 van de stichting blijkt dat Rose-Marie Bonsels “de auteursrechten (zonder beperking) en alle hieraan verbonden gebruiksrechten op de werken van de heer Bonsels overdroeg” aan de stichting. In paragraaf 3 van de statuten van WBS is bepaald dat haar activiteiten het gebruik of de exploitatie omvatten van de auteursrechten (tout court) van Waldemar Bonsels. Uit artikel III.4 van de overeenkomst van 19 juni 2009 tussen WBS en Studio 100 Media GmbH blijkt dat WBS aan Studio 100 Media GmbH de verplichting oplegde om de morele rechten van Waldemar Bonsels te respecteren.

Dat in de oprichtingsakte van WBS sprake is van een “overdracht” van rechten terwijl morele rechten in principe onvervreemdbaar zijn bij toepassing van artikel XI.165, § 2 WER, doet niet ter zake. Dat wettelijke verbod op een algemene overdracht betreft de overdracht door de auteur aan een derde, die het morele recht in eigen naam en naar eigen goeddunken zou kunnen uitoefenen (J. Keustermans, P. Blomme en M. Flamme, Auteursrecht. Capita Selecta, Gent, Larcier, 2015, 116). Dit is te onderscheiden van het recht van de erfgenaam, legataris of aangewezen persoon om de morele rechten uit te oefenen na het overlijden en in het belang van de auteur.

WBS bewijst bijgevolg een betrokkene te zijn in de zin van artikel XII.19, § 2, eerste lid WER die de vordering tot staking van een inbreuk op morele rechten kan uitoefenen.

3.2.3. Inbreuk

25. WBS verwijt Greenpeace de morele rechten van de heer Bonsels niet te respecteren, in het bijzonder het recht op eerbied voor zijn werk. Artikel XI.165, § 2 WER bepaalt in dit verband:

“[De auteur] heeft het recht op eerbied voor zijn werk en dat maakt het hem mogelijk zich te verzetten tegen elke wijziging ervan.”

Door een onschuldig kinderfiguurtje van een auteur voor te stellen als gebruiker van verboden substanties kan het levenswerk van die auteur verminkt worden (Antwerpen 2 mei 2006, AM, 2006/3, 257).

26. Het recht op eerbied voor een werk dat bestaat uit de kinderfiguur Maya de Bij, zoals gecreëerd in 1912, houdt in dat het kindvriendelijk karakter van die figuur wordt geëerbiedigd. Uit de voormelde overeenkomst tussen WBS en Studio100 Media GmbH blijkt dat WBS hierover waakt aangezien zij Studio 100 Media GmbH expliciet verplichtte om Maya de Bij kindvriendelijk te houden.

Het opvoeren van Maya de Bij als promotie voerende voor een bijzonder schadelijk en voor kinderen verboden product als sigaretten is een contextuele wijziging die afbreuk doet aan dat kindvriendelijk karakter. Dat is een inbreuk op het morele recht van eerbied voor het werk van de heer Bonsels.

De parodie-exceptie van artikel XI.190 WER waar Greenpeace zich supra op beroepen heeft, geldt niet bij een inbreuk op morele rechten. Voor het overige is mutatis mutandis van toepassing wat de rechtbank vaststelde bij de afweging van het rechtvaardig evenwicht tussen de rechten van Studio 100 en het recht op vrije meningsuiting van Greenpeace.

De dd. voorzitter stelt dan ook vast dat Greenpeace inbreuk pleegt op de morele rechten van de heer Bonsels op de Maya de Bij-figuur door het gebruik van die figuur in de Maya de Bij-spot (art. 165, § 2 WER).

4. Uniemerk

27. Op grond van artikel 2.20, 2., d. van het Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom (BVIE) verzet Studio 100 zich ook tegen het gebruik van haar Maya Uniemerk in de spot van Greenpeace.

Greenpeace besluit tot de ongegrondheid van dit onderdeel van de vordering omdat niet voldaan zou zijn aan de toepassingsvoorwaarden van deze bepaling.

28. Volgens Studio 100 voorziet verordening (EU) nr. 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (hierna de verordening genoemd) niet in de mogelijkheid voor de houder van een Uniemerk om zich te verzetten tegen het gebruik dat in het huidige geval aan de orde is, met name een gebruik anders dan ter onderscheiding van waren of diensten. Dit in tegenstelling tot het BVIE, dat die situatie wel voorziet in zijn artikel 2.20, 1., d. Het is dat artikel dat volgens Studio 100 in dit geval dienstig kan worden ingeroepen, niet alleen door de houder van een Beneluxmerk, maar ook door de houder van een Uniemerk. Dit zou volgen uit onder meer artikel 129, 2. van de verordening:

“Op alle niet bij deze verordening geregelde merkenkwesties past de bevoegde rechtbank voor het Uniemerk het toepasselijke nationale recht toe.”

Artikel 2.20, 2., d. BVIE, dat het toepasselijk nationaal recht (in dit geval Benelux-recht) is, bepaalt het volgende:

“Onverminderd de rechten van houders die vóór de datum van indiening of de datum van voorrang van het ingeschreven merk zijn verkregen en onverminderd de eventuele toepassing van het gemene recht betreffende de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad is de houder van een ingeschreven merk gerechtigd, iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen, te verhinderen gebruik te maken van een teken wanneer dit teken gebruikt wordt anders dan ter onderscheiding van waren of diensten, indien door gebruik, zonder geldige reden, van dat teken ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk.”

Met “ingeschreven merk” in de zin van artikel 2.20 BVIE wordt bedoeld een Beneluxmerk of een internationaal merk waarvan de bescherming zich uitstrekt tot het Benelux-gebied (art. 2.2 BVIE). Aangezien Studio 100 zich niet op dergelijk merk beroept, is niet voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van het nationaal (Benelux) recht. Artikel 2.20, 2., d. BVIE kan in het huidige geval geen toepassing vinden.

De betreffende vordering van Studio 100 is ongegrond.

(…)