Article

Hof van Justitie (1e k.), 06/06/2019, C-58/18, R.D.C.-T.B.H., 2020/2, p. 190-194

Hof van Justitie 6 juni 2019

(Zaak: C 58/18)

M.S. / B.B. NV

Zet.: J. C. Bonichot (kamerpresident), C. Toader (rapporteur), A. Rosas, L. Bay Larsen en M. Safjan (rechters)
O.M.: J. Kokott (advocaat-generaal)
Pl.: D. Blommaert, P. Algrain en F. de Patoul

(…)

1. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5, 6. van richtlijn nr. 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn nr. 87/102/EEG van de Raad (Pb. 2008, L. 133, p. 66, met rectificaties in Pb. 2009, L. 207, p. 14; Pb. 2010, L. 199, p. 40 en Pb. 2011, L. 234, p. 46).

2. Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen M.S. en B.B. NV (hierna: “B.”), rechtsopvolger van Dexia Bank België, over een kredietovereenkomst die hij bij B. heeft afgesloten om de installatie van zonnepanelen door H.V. SPRL te financieren.

(…)

CONSUMENTENKREDIET
Kredietovereenkomst - Precontractuele informatieverplichtingen - Verplichting om best aangepast krediet te zoeken - Onthoudingsverplichting - Verenigbaarheid richtlijn consumentenkrediet
Artikel VII.75 WER op grond waarvan kredietgevers of kredietbemiddelaars verplicht zijn om voor de kredietovereenkomsten die zij gewoonlijk aanbieden, het krediet te zoeken dat qua soort en bedrag het best is aangepast, rekening houdend met de financiële toestand van de consument op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst en met het doel van het krediet, is niet onverenigbaar met de richtlijn consumentenkrediet.
De richtlijn consumentenkrediet verzet zich niet tegen een nationale bepaling zoals die van artikel VII.77 WER op grond waarvan de kredietgever verplicht is om van het sluiten van de kredietovereenkomst af te zien wanneer hij na de controle van de kredietwaardigheid van de consument niet redelijkerwijs kan aannemen dat de consument in staat zal zijn te voldoen aan de verplichtingen die uit de voorgenomen overeenkomst voortvloeien.
CRÉDIT À LA CONSOMMATION
Contrat de crédit - Obligations d'information précontractuelle - Obligation de rechercher le crédit le mieux adapté - Devoir d'abstention - Compatibilité avec la directive crédit à la consommation
La directive crédit à la consommation ne s'oppose pas à l'article VII.75 CDE qui impose aux prêteurs ou aux intermédiaires de crédit l'obligation de rechercher, dans le cadre des contrats de crédits qu'ils offrent habituellement, le type et le montant du crédit les mieux adaptés, compte tenu de la situation financière du consommateur à la date de la conclusion du contrat et du but du crédit.
La directive crédit à la consommation ne s'oppose pas à une disposition pareille à celle de l'article VII.77 CDE, qui impose au prêteur de s'abstenir de conclure le contrat de crédit s'il ne peut pas raisonnablement estimer, à l'issue du contrôle de la solvabilité du consommateur, que ce dernier sera en mesure de respecter les obligations découlant du contrat envisagé.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen

15. Om de aankoop van zonnepanelen en de plaatsing ervan door H.V. te financieren, heeft M.S. op 22 mei 2012 bij Dexia Bank België - waarvan B. rechtsopvolger is - een lening afgesloten voor een bedrag van 40.002 EUR en met een looptijd van 10 jaar. Deze lening moest worden afgelost in maandelijkse termijnen van 427,72 EUR. Dezelfde dag heeft B. de volledige overeengekomen som overgemaakt aan M.S., die deze op zijn beurt heeft doorgestort aan H.V.

16. In de tussen M.S. en H.V. gesloten overeenkomst was bepaald dat laatstgenoemde zich ertoe verbond om zonnepanelen te plaatsen ter waarde van 40.002 EUR en dit bedrag volledig terug te betalen aan M.S. in maandelijkse termijnen van 622,41 EUR. In ruil daarvoor moest M.S. de groenestroomcertificaten die verbonden waren aan de elektriciteit die door het gebruik van die zonnepanelen zou worden opgewekt, gedurende 10 jaar overdragen aan H.V.

17. Op 5 december 2013 is H.V. failliet verklaard voordat het de zonnepanelen in kwestie had geplaatst. M.S. heeft de maandelijkse aflossingen meer dan 4 jaar betaald totdat hij de zaak op 21 december 2016 aanhangig heeft gemaakt bij de justice de paix du canton de Visé (vredegerecht Wezet, België), waarbij hij primair vorderde dat de kredietovereenkomst in kwestie werd ontbonden wegens een tekortkoming aan de zijde van B. en dat hij werd bevrijd van elke op hem rustende verplichting tot terugbetaling. Subsidiair heeft hij verzocht om die overeenkomst te wijzigen teneinde zijn totale schuld te verminderen tot 20.000 EUR, terug te betalen in maandelijkse termijnen van 150 EUR.

18. M.S. verwijt B. met name de artikelen 10 en volgende van de wet op het consumentenkrediet te hebben geschonden door hem een bedrag te hebben uitgeleend dat te hoog was in verhouding tot zijn inkomsten.

19. In dit verband voert M.S. aan dat zijn maandelijkse inkomsten ten tijde van de sluiting van de betreffende leningsovereenkomst niet meer bedroegen dan 1.900 EUR per maand en dat hij naast het opgenomen krediet twee hypothecaire leningen diende af te lossen voor een totaalbedrag van 421,67 EUR per maand.

20. B. verzet zich tegen de vorderingen van M.S. en voert daarbij aan dat de nationale bepalingen waarop deze zich beroept, niet verenigbaar zijn met artikel 5, 6. van richtlijn nr. 2008/48, volgens welke bepaling de consument dient te beoordelen of het krediet wenselijk is, zonder dat op de kredietgever een algemene verplichting rust om het best aangepaste krediet te zoeken.

21. De verwijzende rechter is van oordeel dat de toepasselijke nationale bepalingen - met name artikel 15 van de wet op het consumentenkrediet, krachtens hetwelk de kredietgever geen overeenkomst mag sluiten indien hij van mening is dat de consument niet in staat zal zijn de lening af te lossen - de kredietgever ertoe verplichten te beoordelen of het krediet wenselijk is.

22. In casu waren de omvang van M.S.' vermogen en de door hem reeds aangegane hypothecaire leningen volgens de verwijzende rechter ten tijde van de sluiting van de betreffende overeenkomst redenen om te betwijfelen of M.S. in staat zou zijn tot aflossing.

23. In deze omstandigheden heeft de justice de paix du canton de Visé de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

“1) a) Staat artikel 5, 6. van [richtlijn nr. 2008/48], voor zover deze bepaling tot doel heeft de consument in staat te stellen te beoordelen of de voorgestelde kredietovereenkomst aan zijn behoeften en financiële situatie beantwoordt, in de weg aan artikel 15, eerste lid van de [wet op het consumentenkrediet] (ingetrokken en inmiddels vervangen door art. VII.75 van het Wetboek van economisch recht), voor zover daarin is bepaald dat de kredietgever en de kredietbemiddelaar verplicht zijn om voor de kredietovereenkomsten die zij gewoonlijk aanbieden of waarvoor zij gewoonlijk bemiddelen, het krediet te zoeken dat qua soort en bedrag het best is aangepast, rekening houdend met de financiële toestand van de consument op het ogenblik van het sluiten van de kredietovereenkomst en met het doel van het krediet, omdat bij laatstgenoemde bepaling aan de kredietgever of kredietbemiddelaar een niet in die richtlijn neergelegde algemene verplichting wordt opgelegd om voor de consument het best aangepaste krediet te zoeken?

b) Staat artikel 5, 6. van [richtlijn nr. 2008/48], voor zover deze bepaling tot doel heeft de consument in staat te stellen te beoordelen of de voorgestelde kredietovereenkomst aan zijn behoeften en financiële situatie beantwoordt, in de weg aan artikel 15, tweede lid van de [wet op het consumentenkrediet] (ingetrokken en inmiddels vervangen door art. VII.77, § 2, eerste lid van het Wetboek van economisch recht), voor zover daarin is bepaald dat de kredietgever slechts een kredietovereenkomst mag sluiten wanneer hij, gelet op de gegevens waarover hij beschikt of zou moeten beschikken, onder meer op basis van de raadpleging die wordt geregeld door artikel 9 van de wet van 10 augustus 2001 betreffende de Centrale voor kredieten aan particulieren, en op basis van de informatie als bedoeld in artikel 10, redelijkerwijs moet aannemen dat de consument in staat zal zijn de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen na te komen, omdat laatstgenoemde bepaling tot gevolg heeft dat de kredietgever zelf de wenselijkheid van een eventuele kredietverlening dient te beoordelen in de plaats van de consument?

2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, moet [richtlijn nr. 2008/48] dan aldus worden uitgelegd dat de kredietgever en de kredietbemiddelaar steeds verplicht zijn de wenselijkheid van een eventuele kredietverlening te beoordelen in de plaats van de consument?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste prejudiciële vraag, onder a)

24. Met zijn eerste vraag, onder a), wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5, 6. van richtlijn nr. 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan de kredietgevers of de kredietbemiddelaars verplicht zijn om voor de kredietovereenkomsten die zij gewoonlijk aanbieden, het krediet te zoeken dat qua soort en bedrag het best is aangepast, rekening houdend met de financiële toestand van de consument op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst en met het doel van het krediet.

25. Volgens artikel 5, 6. van richtlijn nr. 2008/48 zien de lidstaten erop toe dat de kredietgevers en, in voorkomend geval, de kredietbemiddelaars de consument een passende toelichting verstrekken om hem in staat te stellen te beoordelen of de voorgestelde kredietovereenkomst aan zijn behoeften en financiële situatie beantwoordt, zo nodig door de ingevolge lid 1 van hetzelfde artikel te verstrekken precontractuele informatie, de voornaamste kenmerken van de voorgestelde producten en de specifieke gevolgen hiervan voor de consument toe te lichten, met inbegrip van de gevolgen indien de consument niet betaalt.

26. Artikel 6 van het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake consumentenkrediet [COM(2002) 443 definitief, Pb. 2002, C. 331 E, p. 200], met als opschrift “Wederzijdse en voorafgaande informatieverstrekking en adviesplicht”, bepaalde weliswaar in lid 3 dat “[u]it de kredietovereenkomsten die zij gewoonlijk aanbieden of waarbij zij gewoonlijk bemiddelen, [...] de kredietgever en de eventuele kredietbemiddelaar de meest gepaste soort krediet en het meest gepaste kredietbedrag [kiezen], rekening houdend met de financiële situatie van de consument, de risico's en voordelen die aan het voorgestelde product verbonden zijn, en het doel van het krediet”, maar deze verplichting is niet overgenomen in de definitieve versie van richtlijn nr. 2008/48. Hieruit volgt dat de lidstaten krachtens deze richtlijn niet gehouden zijn kredietgevers een algemene verplichting op te leggen om de consumenten het best aangepaste krediet aan te bieden.

27. Niettemin blijkt uit punt 5.4 van het gewijzigde voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 7 oktober 2005 betreffende consumentenkredietovereenkomsten en tot wijziging van richtlijn nr. 93/13/EEG van de Raad [COM(2005) 483 definitief], dat de Europese Commissie “erbij [blijft] dat een kredietgever niet alleen aan de voorschriften inzake precontractuele informatie moet voldoen, maar aanvullende toelichtingen moet verstrekken om de consument in staat te stellen een goed geïnformeerde beslissing te nemen”, dat “de consument steeds verantwoordelijk is voor zijn uiteindelijke beslissing om een kredietovereenkomst te sluiten”, en dat “de lidstaten meer speelruimte [krijgen] om hun omzettingsmaatregelen aan te passen aan de situatie op hun markt”.

28. In dit verband zij eraan herinnerd dat richtlijn nr. 2008/48, zoals blijkt uit de overwegingen 7 en 9 ervan, ertoe strekt om ter zake van het consumentenkrediet op een aantal kerngebieden een volledige, dwingende harmonisatie tot stand te brengen die nodig is om te waarborgen dat alle consumenten in de Europese Unie een grondige en gelijkwaardige bescherming van hun belangen genieten en om de totstandkoming van een goed functionerende interne markt voor consumentenkrediet te vergemakkelijken (arrest van 21 april 2016, C 377/14, Radlinger en Radlingerová, EU:C:2016:283, punt 61 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

29. Uit artikel 22, 1. van richtlijn nr. 2008/48 blijkt weliswaar dat deze richtlijn voorziet in een volledige harmonisatie, wat aldus moet worden begrepen dat de lidstaten geen nationale bepalingen mogen handhaven of invoeren die afwijken van die welke in die richtlijn zijn vastgesteld (arrest van 12 juli 2012, C 602/10, SC Volksbank România, EU:C:2012:443, punt 38), maar dit neemt niet weg dat de laatste volzin van artikel 5, 6. van diezelfde richtlijn de lidstaten bewegingsruimte biedt, aangezien zij “de wijze waarop en de mate waarin [aan consumenten] bijstand wordt verleend” door kredietgevers en in voorkomend geval door kredietbemiddelaars, kunnen aanpassen.

30. Bovendien volgt uit artikel 5, 6. van richtlijn nr. 2008/48 en uit overweging 27 ervan dat de consument, afgezien van de precontractuele informatie die op grond van artikel 5, 1. van die richtlijn moet worden verstrekt, vóór de sluiting van de kredietovereenkomst aanvullende bijstand nodig kan hebben om uit te maken welke kredietovereenkomst voor zijn behoeften en financiële situatie het meest geschikt is, alsook dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de kredietgevers dergelijke bijstand verlenen wat betreft de kredietproducten die zij aanbieden (arrest van 18 december 2014, C 449/13, CA Consumer Finance, EU:C:2014:2464, punt 41). Voorts wordt in overweging 24 van richtlijn nr. 2008/48 gepreciseerd dat de consument “uitgebreid” moet worden geïnformeerd voordat hij de kredietovereenkomst sluit.

31. In casu heeft de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, waarbij aan de kredietgever of kredietbemiddelaar de verplichting wordt opgelegd om het krediet te zoeken dat het best is aangepast aan de behoeften van de consument, tot doel een hoog niveau van consumentenrechtenbescherming tot stand te brengen doordat zij ertoe strekt de consument vóór het sluiten van de overeenkomst te beschermen.

32. Hoe dan ook wordt aan de lidstaten weliswaar bewegingsruimte gelaten om de aard en de inhoud van de precontractuele bijstand vast te stellen die kredietgevers en kredietbemiddelaars aan de consumenten moeten verlenen, maar dat neemt niet weg dat de lidstaten die bewegingsruimte moeten gebruiken in overeenstemming met alle bepalingen van richtlijn nr. 2008/48.

33. Bij de vaststelling van de aanvullende bijstand kunnen de lidstaten dan ook - onverminderd de overige bepalingen van richtlijn nr. 2008/48 - beslissen dat aan de consument verschillende wijzen van kredietverstrekking moeten worden voorgesteld. Aangezien de professionele kredietverstrekker het best in staat is om uit zijn normale aanbod het krediet te bepalen dat het best is aangepast aan de behoeften van de consument, vormt het voorstellen van dit krediet een vorm van aanvullende bijstand.

34. Voor een consument is het immers van wezenlijk belang dat hij vóór en bij de sluiting van een overeenkomst kennis neemt van alle contractvoorwaarden en van de gevolgen die aan die sluiting zijn verbonden. Met name op basis van de aldus verkregen informatie zal hij beslissen of hij gebonden wenst te zijn door de voorwaarden die de verkoper tevoren heeft vastgelegd (arrest van 21 april 2016, C 377/14, Radlinger en Radlingerová, EU:C:2016:283, punt 64). Daarnaast strekt de bepaling van het best aangepaste krediet ertoe de informatie waarover de consument beschikt, te vervolledigen zodat hij met volledige kennis van zaken een definitieve beslissing kan nemen. Ten slotte kan de verplichting om dergelijke informatie te verstrekken niet afdoen aan het beginsel dat de consument verantwoordelijk is voor de uiteindelijke beslissing om uit de hem door de kredietgever vóór het sluiten van de overeenkomst aangeboden kredietovereenkomsten de kredietovereenkomst te kiezen die hij wenst te sluiten.

35. Uit het voorgaande vloeit voort dat een nationale regeling op grond waarvan kredietgevers of kredietbemiddelaars verplicht zijn om het krediet te zoeken dat het best beantwoordt aan de behoeften van de consument en om hem dit krediet aan te bieden, niet verder gaat dan de speelruimte die richtlijn nr. 2008/48 de lidstaten toestaat voor zover de geharmoniseerde bepalingen van die richtlijn in acht worden genomen.

36. Bijgevolg dient op de eerste prejudiciële vraag, onder a), te worden geantwoord dat artikel 5, 6. van richtlijn nr. 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan kredietgevers of kredietbemiddelaars verplicht zijn om voor de kredietovereenkomsten die zij gewoonlijk aanbieden, het krediet te zoeken dat qua soort en bedrag het best is aangepast, rekening houdend met de financiële toestand van de consument op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst en met het doel van het krediet.

Eerste prejudiciële vraag, onder b) en tweede prejudiciële vraag

37. Met zijn eerste vraag, onder b) en zijn tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5, 6. van richtlijn nr. 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan de kredietgever verplicht is om van het sluiten van de kredietovereenkomst af te zien wanneer hij na de controle van de kredietwaardigheid van de consument niet redelijkerwijs kan aannemen dat de consument in staat zal zijn te voldoen aan de verplichtingen die uit de voorgenomen overeenkomst voortvloeien.

38. Gepreciseerd dient te worden dat de verwijzende rechter weliswaar enkel artikel 5, 6. van richtlijn nr. 2008/48 vermeldt, maar dat die vragen in wezen betrekking hebben op de beoordeling van de kredietwaardigheid van de consument door de kredietgever overeenkomstig artikel 8, 1. van die richtlijn. Zoals de advocaat-generaal in punt 66 van haar conclusie heeft opgemerkt, moet laatstgenoemde bepaling dan ook worden geacht te behoren tot de bepalingen van Unierecht om de uitlegging waarvan de verwijzende rechter het Hof verzoekt (zie in die zin arrest van 10 september 2014, C 34/13, Kuionová, EU:C:2014:2189, punt 45).

39. Volgens artikel 8, 1. van richtlijn nr. 2008/48 moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de kredietgever de kredietwaardigheid van de consument vóór het sluiten van de kredietovereenkomst beoordeelt op basis van toereikende informatie die in voorkomend geval is verkregen van de consument en, waar nodig, op basis van een raadpleging van het desbetreffende gegevensbestand.

40. In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat deze verplichting om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen ertoe strekt de kredietgever een verantwoordelijkheidsbesef bij te brengen en te voorkomen dat hij een krediet verleent aan consumenten die niet kredietwaardig zijn (arrest van 18 december 2014, C 449/13, CA Consumer Finance, EU:C:2014:2464, punt 43).

41. Voor zover de precontractuele verplichting van de kredietgever om de kredietwaardigheid van de kredietnemer te beoordelen ertoe strekt de consument te beschermen tegen de risico's van een overmatige schuldenlast en van insolvabiliteit, draagt zij dus bij tot de verwezenlijking van het met richtlijn nr. 2008/48 nagestreefde doel, dat in punt 28 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht.

42. Opgemerkt dient te worden dat richtlijn nr. 2008/48 geen enkele bepaling bevat over de wijze waarop de kredietgever zich dient te gedragen in geval van twijfel aan de kredietwaardigheid van de consument.

43. In dit verband zijn de lidstaten, zoals de advocaat-generaal in punt 71 van haar conclusie heeft opgemerkt, nog steeds bevoegd om - voor de kredietovereenkomsten waarop richtlijn nr. 2008/48 van toepassing is - de verplichtingen vast te stellen die aan de kredietgever kunnen worden opgelegd na de controle van de kredietwaardigheid, zodat die vaststelling niet binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt.

44. Weliswaar harmoniseert richtlijn nr. 2008/48 - zoals in punt 29 van dit arrest in herinnering is gebracht - slechts bepaalde aspecten van de voorschriften van de lidstaten inzake consumentenkredietovereenkomsten, maar volgens overweging 44 van die richtlijn dienen de lidstaten de nodige maatregelen te treffen met het oog op de regulering van en het toezicht op kredietgevers, teneinde voor transparantie en stabiliteit op de markt te zorgen, en in afwachting van verdere harmonisatie.

45. Het is dan ook niet in strijd met het doel van artikel 8, 1. van richtlijn nr. 2008/48 dat aan de verplichting van de kredietgever om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen een rechtsgevolg wordt verbonden met betrekking tot de wijze waarop de kredietgever zich dient te gedragen in geval van een negatieve beoordeling. In overweging 26 van die richtlijn wordt immers de doelstelling herhaald die erin bestaat kredietgevers verantwoordelijk te maken en te ontmoedigen om er onverantwoordelijke leningspraktijken op na te houden.

46. Voorts is richtlijn nr. 2014/17 - die, zoals in overweging 3 ervan in herinnering wordt gebracht, op het gebied van woonkredieten voor consumenten is vastgesteld naar aanleiding van de internationale financiële crisis, die heeft laten zien dat onverantwoordelijk gedrag van marktdeelnemers de grondslagen van het financiële stelsel kan ondermijnen - weliswaar temporeel en materieel niet van toepassing, maar uit de betreffende richtlijn blijkt dat de Uniewetgever kredietgevers verantwoordelijk wenste te maken door in artikel 18, 5. onder a) van die richtlijn te bepalen dat de lidstaten erop toezien dat “de kredietgever het krediet uitsluitend aan de consument beschikbaar stelt indien het resultaat van de kredietwaardigheidsbeoordeling uitwijst dat de uit de kredietovereenkomst voortvloeiende verplichtingen waarschijnlijk op de krachtens die overeenkomst vereiste wijze zullen worden nagekomen”.

47. Derhalve is de bij een nationale wettelijke regeling aan de kredietgever opgelegde verplichting om af te zien van het sluiten van de kredietovereenkomst wanneer hij redelijkerwijs niet kan aannemen dat de consument, gelet op zijn financiële en persoonlijke situatie, in staat zal zijn om het krediet in overeenstemming met de overeenkomst af te lossen, niet in strijd met het doel van artikel 8, 1. van richtlijn nr. 2008/48, en doet zij evenmin afbreuk aan de principiële verantwoordelijkheid van de consument om voor zijn eigen belangen te waken.

48. Uit het voorgaande volgt dat een nationale regeling waarbij aan de kredietgever de verplichting wordt opgelegd om geen kredietovereenkomst te sluiten wanneer hij vaststelt dat de consument niet kredietwaardig is, niet in strijd is met richtlijn nr. 2008/48.

49. Bijgevolg dient op de eerste prejudiciële vraag, onder b) en op de tweede prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 5, 6. en artikel 8, 1. van richtlijn nr. 2008/48 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan de kredietgever verplicht is om van het sluiten van de kredietovereenkomst af te zien wanneer hij na de controle van de kredietwaardigheid van de consument niet redelijkerwijs kan aannemen dat de consument in staat zal zijn te voldoen aan de verplichtingen die uit de voorgenomen overeenkomst voortvloeien.

Kosten

50. (…)

Het Hof (1ste k.) verklaart voor recht:

1) Artikel 5, 6. van richtlijn nr. 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn nr. 87/102/EEG van de Raad moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan kredietgevers of kredietbemiddelaars verplicht zijn om voor de kredietovereenkomsten die zij gewoonlijk aanbieden, het krediet te zoeken dat qua soort en bedrag het best is aangepast, rekening houdend met de financiële toestand van de consument op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst en met het doel van het krediet.

2) Artikel 5, 6. en artikel 8, 1. van richtlijn nr. 2008/48 moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan de kredietgever verplicht is om van het sluiten van de kredietovereenkomst af te zien wanneer hij na de controle van de kredietwaardigheid van de consument niet redelijkerwijs kan aannemen dat de consument in staat zal zijn te voldoen aan de verplichtingen die uit de voorgenomen overeenkomst voortvloeien.