|
CONSUMENTENKREDIET
Kredietovereenkomst - Precontractuele informatieverplichtingen - Verplichting om best aangepast krediet te zoeken - Onthoudingsverplichting - Verenigbaarheid richtlijn consumentenkrediet
Artikel VII.75 WER op grond waarvan kredietgevers of kredietbemiddelaars verplicht zijn om voor de kredietovereenkomsten die zij gewoonlijk aanbieden, het krediet te zoeken dat qua soort en bedrag het best is aangepast, rekening houdend met de financiële toestand van de consument op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst en met het doel van het krediet, is niet onverenigbaar met de richtlijn consumentenkrediet.
De richtlijn consumentenkrediet verzet zich niet tegen een nationale bepaling zoals die van artikel VII.77 WER op grond waarvan de kredietgever verplicht is om van het sluiten van de kredietovereenkomst af te zien wanneer hij na de controle van de kredietwaardigheid van de consument niet redelijkerwijs kan aannemen dat de consument in staat zal zijn te voldoen aan de verplichtingen die uit de voorgenomen overeenkomst voortvloeien.
|
CRÉDIT À LA CONSOMMATION
Contrat de crédit - Obligations d'information précontractuelle - Obligation de rechercher le crédit le mieux adapté - Devoir d'abstention - Compatibilité avec la directive crédit à la consommation
La directive crédit à la consommation ne s'oppose pas à l'article VII.75 CDE qui impose aux prêteurs ou aux intermédiaires de crédit l'obligation de rechercher, dans le cadre des contrats de crédits qu'ils offrent habituellement, le type et le montant du crédit les mieux adaptés, compte tenu de la situation financière du consommateur à la date de la conclusion du contrat et du but du crédit.
La directive crédit à la consommation ne s'oppose pas à une disposition pareille à celle de l'article VII.77 CDE, qui impose au prêteur de s'abstenir de conclure le contrat de crédit s'il ne peut pas raisonnablement estimer, à l'issue du contrôle de la solvabilité du consommateur, que ce dernier sera en mesure de respecter les obligations découlant du contrat envisagé.
|
| Inleiding |
1.Eén van de technieken die de Europese en Belgische wetgevers hanteren om consumenten [2] die een kredietovereenkomst sluiten te beschermen, bestaat erin in hoofde van kredietgevers en kredietbemiddelaars een groot aantal precontractuele verplichtingen te creëren (art. VII.69 et seq. WER) [3]. Deze regelen kaderen in de verplichting tot verantwoorde kredietverstrekking (responsible lending) die het consumentenkredietrecht beheerst. Verantwoord krediet verstrekken moet er enerzijds voor zorgen dat consumenten beschikken over de informatie die ze nodig hebben om een geïnformeerd besluit te nemen omtrent de aangeboden kredieten, anderzijds dat wordt vermeden dat consumenten in een situatie van overmatige schuldenlast terecht komen waarin ze niet meer aan hun terugbetalingsverplichtingen kunnen voldoen.
De Europese richtlijn consumentenkrediet [4] en Boek VII WER bevatten ter zake de volgende gemeenschappelijke voorschriften [5]:
- kredietgevers of kredietbemiddelaars moeten bij de consument informatie inwinnen die hen toelaat de terugbetalingsmogelijkheden van de consument te beoordelen (art. VII.69 WER) en de kredietwaardigheid van de consument daarna ook daadwerkelijk beoordelen (art. VII.77 WER; art. 8 Richtl. consumentenkrediet);
- kredietgevers of kredietbemiddelaars moeten aan de consument gepersonaliseerde informatie verstrekken die de consument toelaat verschillende kredietaanbiedingen te vergelijken en een geïnformeerd besluit te nemen (art. VII.70 WER; art. 5 Richtl. consumentenkrediet);
- kredietgevers of kredietbemiddelaars verstrekken de consument passende toelichting, die de consument toelaat te beoordelen of de voorgestelde kredietovereenkomst aan zijn behoeften en financiële situatie beantwoordt (art. VII. 74 WER; art. 5 Richtl. consumentenkrediet).
Boek VII WER bevat daarnaast echter nog een aantal bijkomende verplichtingen voor kredietgevers en kredietbemiddelaars (die niet in de richtlijn vervat liggen):
- de kredietgevers of kredietbemiddelaars moeten bij de consument informatie inwinnen aan de hand van een vragenlijst die minstens betrekking heeft op de volgende vier elementen: inkomen, personen ten laste, lopende financiële verbintenissen (waaronder het openstaand bedrag en het aantal kredieten in omloop) en het doel van het krediet (art. VII.69 WER);
- de kredietgever moet voorafgaand aan het sluiten van de kredietovereenkomst de Centrale voor Kredieten aan Particulieren raadplegen (art. VII.77 WER);
- de kredietgevers en kredietbemiddelaars moeten zoeken naar het voor de consument best aangepaste krediet, dit rekening houdend met zijn financiële situatie en het doel van het krediet (art. VII. 75 WER);
- de kredietgever mag slechts een kredietovereenkomst sluiten indien de kredietgever redelijkerwijze mag aannemen dat de consument in staat zal zijn om de verbintenissen die resulteren uit het sluiten van de kredietovereenkomst na te komen (art. VII.77, § 2 WER). Indien uit de raadpleging van de CKP blijkt dat er in hoofde van de consument reeds voor een bedrag van meer dan 1.000 EUR wanbetalingen (die resulteren uit consumentenkredieten of hypothecaire kredieten met roerende bestemming) die niet werden afgelost zijn geregistreerd, dan is de kredietgever verplicht om een nieuw krediet te weigeren. In alle andere gevallen van een niet-afgeloste wanbetaling is een bijzondere motivering vereist opdat een nieuw krediet zou kunnen tot stand komen.
2.Het moge duidelijk zijn dat de Belgische wet in vergelijking met de Europese richtlijn additionele verplichtingen bevat. Dit doet de vraag rijzen naar de verenigbaarheid van de bijkomende bescherming die consumenten wordt geboden met de richtlijn consumentenkrediet. De richtlijn consumentenkrediet van 2008 is immers gebaseerd op (gerichte) maximale harmonisatie, hetgeen impliceert dat de lidstaten binnen het door de richtlijn geharmoniseerde gebied geen additionele bescherming voor de consument meer kunnen voorzien/behouden (art. 22 richtlijn) [6].
Wat de verplichting tot raadpleging van de CKP betreft, kan er geen twijfel bestaan omtrent de verenigbaarheid ervan met de richtlijn, aangezien artikel 8 van de richtlijn consumentenkrediet de lidstaten uitdrukkelijk toelaat dit vereiste te behouden. Minder zekerheid is er, in het bijzonder ingevolge het arrest Consumer Finance [7], over de verplichting om in alle gevallen ten minste de in de wet bepaalde informatie in te winnen [8]. Ook wat de verenigbaarheid met de richtlijn van de artikelen VII.75 en VII.77 WER bestond in de Belgische rechtsleer heel wat twijfel en discussie [9].
| Impact van het arrest Schyns |
3.Met het geannoteerde arrest heeft het Hof van Justitie de twijfel en de discussie over de verenigbaarheid van de verplichtingen uit artikelen VII.75 (best aangepaste krediet) en VII.77 (onthoudingsverplichting) WER beslecht en de verenigbaarheid van de betrokken bepalingen met de richtlijn consumentenkrediet vastgesteld. Rechters kunnen voortaan dus met een gerust hart de artikelen VII.75 en VII.77, § 2 WER (en de aan een schending ervan verbonden civielrechtelijke sanctie, die er in de praktijk in bestaat de verplichtingen van de consument te reduceren tot het ontleende bedrag, dit met behoud van termijnen [10]) toepassen. Het Hof geeft evenwel nog een belangrijke beperking mee wat artikel VII.75 WER betreft (infra).
Het is nuttig om de argumenten waarop het Hof zich steunt om tot de verenigbaarheid van de Belgische regelen met de richtlijn consumentenkrediet te besluiten te schetsen.
4.Wat de onthoudingsverplichting uit artikel VII.77 WER betreft, is de redenering van het Hof eenvoudig: het komt tot de vaststelling dat enkel de verplichting tot kredietwaardigheidsbeoordeling door de richtlijn is geharmoniseerd. De gevolgen die aan een negatieve kredietwaardigheidsbeoordeling moeten worden verbonden, zijn dat niet [11]. Aangezien de gevolgen die aan een negatieve kredietwaardigheidsbeoordeling verbonden moeten worden (in casu de onthoudingsverplichtingen uit art. VII.77 WER) niet behoren tot het geharmoniseerde gebied, speelt het verbod op additionele bescherming van de consument niet. De Belgische wetgever kan dus wel degelijk een onthoudingsverplichting creëren. Hoewel het arrest enkel betrekking heeft op de algemene onthoudingsverplichting (verbod om krediet te verstrekken indien de kredietgever redelijkerwijze niet mag verwachten dat de consument zijn verbintenissen zal kunnen nakomen) is het duidelijk dat hetzelfde geldt voor de specifieke onthoudingsverplichting (verbod consumentenkrediet te verstrekken bij betalingsachterstand van meer dan 1.000 EUR die blijkt uit een raadpleging van de CKP).
Het Hof merkt in de context van de beoordeling van de verenigbaarheid van artikel VII.77, § 2 WER overigens ook op dat de Belgische onthoudingsverplichting bijdraagt tot de realisatie van één van de doelstellingen van de richtlijn consumentenkrediet, met name deze van verantwoorde kredietverstrekking. Dat het Hof de onthoudingsverplichting een nuttig instrument vindt om de consument te beschermen tegen overmatig schuldenlast blijkt ook duidelijk uit de referentie aan de richtlijn woningkredieten [12], die in tegenstelling tot de richtlijn consumentenkrediet wel een uitdrukkelijke onthoudingsverplichting bevat (art. 14). Het arrest zo lezen dat een onthoudingsverplichting ook voor consumentenkredieten indirect uit de richtlijn consumentenkrediet zelf voortvloeit (en elke lidstaat dus in een dergelijke verplichting zou moeten voorzien), is naar mijn overtuiging echter niet mogelijk. Het is derhalve aan de Europese wetgever om deze onthoudingsverplichting ook voor consumentenkredieten in te voeren.
5.Wat de bijstands- of adviesverplichting betreft om het best aangepaste krediet te zoeken, gooit het Hof het over een andere boeg. Een andere redenering drong zich immers op gelet op (de tekst van) artikel 5, 6. die het onmogelijk maakt om te argumenteren dat de bijstandsverplichting niet binnen het door de richtlijn geharmoniseerd gebied valt. Meer concreet bepaalt artikel 5, 6. van de richtlijn:
- dat kredietgevers en kredietbemiddelaars passende toelichting moeten verstrekken die er moet voor zorgen dat de consument in staat is om te beoordelen of de voorgestelde kredietovereenkomst beantwoordt aan zijn behoeften en financiële situatie en
- dat de lidstaten de wijze waarop en de mate waarin de bijstand wordt verleend kunnen aanpassen aan de specifieke omstandigheden waarin de overeenkomst wordt aangeboden, de persoon aan wie ze wordt aangeboden en het soort krediet dat wordt aangeboden.
In wezen steunt het Hof zich op de bewegingsruimte die in artikel 5, 6. van de richtlijn aan de lidstaten wordt gelaten om de verenigbaarheid van artikel VII.75 WER met de richtlijn te rechtvaardigen. Het Hof argumenteert dat de Belgische verplichting om verschillende wijzen van kredietverstrekking voor te stellen en de verplichting om het best aangepaste krediet te zoeken, een vorm is van aanvullende bijstand, die de consument moet toelaten een geïnformeerd besluit te nemen. Dit is evenwel opmerkelijk. Ofwel verliest het Hof uit het oog dat de richtlijn deze vrijheid en bewegingsruimte om de mate van bijstand in te vullen maar biedt indien de specifieke omstandigheden waarin de overeenkomst wordt aangeboden, de persoon aan wie ze wordt aangeboden en het soort krediet dat wordt aangeboden dat vereisen. Ofwel leest het daarin geen beperking en erkent het dat voor alle consumentenkredieten de bijstandsverplichting nader kan [13] worden ingevuld door de lidstaten.
In ieder geval, stelt het Hof wel een zeer belangrijke beperking aan de mogelijkheid om de bijstandsverplichting op nationaal niveau te preciseren en deze beperking dringt zich ook op aan de rechter die artikel VII.75 WER en de erin vervatte bijstandsverplichting toepast. Meer concreet geeft het Hof aan dat de uiteindelijke verantwoordelijkheid om voor het ene of het andere voorgestelde krediet te kiezen bij de geïnformeerde consument ligt. Indien de kredietgever of kredietbemiddelaar de verschillende kredietvormen correct heeft toegelicht en daarbij heeft aangegeven welke naar zijn overtuiging het best is aangepast aan het doel en de financiële situatie van de consument, dan heeft hij aan zijn verplichtingen voldaan. Kiest de consument naderhand voor het minder aan zijn behoeften aangepaste krediet, dan is dat zijn keuze en verantwoordelijkheid. De kredietgever kan dus enkel aansprakelijkheid oplopen (in het kader van de toelichtingsverplichting) indien hij ofwel de voorgestelde kredieten niet correct toelicht (art. VII.74 WER), ofwel verkeerd beoordeelt welk het best aangepaste krediet is of het best aangepaste krediet niet voorstelt (art. VII.75 WER). Indien de consument daarentegen zelf kiest niet het voorgestelde best aangepaste krediet te onderschrijven, dan kan de kredietgever niet gesanctioneerd worden.
| [1] | UGent. |
| [2] | In de artikelen VII.126 et seq. WER vindt men vergelijkbare regelen voor hypothecaire kredieten. In de KMO-financieringswet heeft de Belgische wetgever ook een aantal informatieverplichtingen gecreëerd voor het geval waarin ket krediet door een KMO wordt gesloten. Zie hierover o.m.: D. Blommaert, “Le crédit aux PME” in Traité pratique de droit commercial, tome 5, Droit bancaire et financier, Waterloo, Kluwer, 2016, 570-615; D. Bruloot en M. De Muynck, “Nieuw wettelijk kader voor kredieten aan KMO's”, TBH 2015, 321-328. |
| [3] | De in het geannoteerde arrest geciteerde art. 10 et seq. van de wet consumentenkrediet werden intussen geïncorporeerd in Boek VII WER. In deze bijdrage verwijzen we uitsluitend naar de artikelen in het WER. |
| [4] | Richtlijn nr. 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn nr. 87/102/EEG van de Raad (Pb. L. 22 mei 2008, afl. 133/66). |
| [5] | Voor een meer gedetailleerd overzicht van deze verplichtingen: R. Steennot, “De totstandkoming van de kredietovereenkomst: impact van Boek VII van het Wetboek van economisch recht en de rechtspraak van het Hof van Justitie op de precontractuele verplichtingen”, TBH 2016, 117 et seq.; F. de Patoul en V. Schoonheyt, “La responsabilité des prêteurs et des intermédiaires de crédit” in Crédit aux consommateurs et aux P.M.E., Brussel, Larcier, 2016, 171 et seq. |
| [6] | Zie ook: HvJ 12 juli 2012, C-602/10, SC Volksbank România SA / Autoritatea Naional pentru Protecia Consumatorilor - Comisariatul Judeean pentru Protecia Consumatorilor Clrai (CJPC), ECLI:EU:C:2012:443. Wat hypothecaire kredieten betreft, stelt de vraag naar de verenigbaarheid met de richtlijn zich niet, aangezien de richtlijn woningkredieten hoofdzakelijk op minimale harmonisatie is gesteund (behoudens wat het ESIS en de berekening van het JKP betreft) (zie art. 2 Richtl. woningkredieten). Minimale harmonisatie laat additionele bescherming op nationaal niveau wel toe. |
| [7] | HvJ 18 december 2014, C-449/13, CA Consumer Finance SA / Ingrid Bakkaus e.a., ECLI:EU:C:2014:2464. |
| [8] | Zie meer uitgebreid: R. Steennot, “De totstandkoming van de kredietovereenkomst: impact van Boek VII van het Wetboek van economisch recht en de rechtspraak van het Hof van Justitie op de precontractuele verplichtingen”, TBH 2016, 121. |
| [9] | Zie bv. M. De Muynck, “Consumentenkrediet: de wet van 13 juni 2010 gewikt en gewogen”, RABG 2011, 51-52; R. Steennot, “Case Volksbank Romania: Limits of the full harmonization approach of the Consumer Credit Directive”, EJCL 2013, 94; E. Terryn en J. Vannerom, “De nieuwe richtlijn consumentenkrediet en de implicaties voor de Belgische wetgeving” in VRG- Alumni ( ed.), Recht in beweging - 16de VRG Alumnidag, Antwerpen, Maklu, 2009, 34-37; F. Van Der Herten, “De omzetting in het Belgisch recht van de nieuwe Europese richtlijn inzake consumentenkrediet” in Liber Amicorum Achilles Cuypers, Gent, Larcier, 2009, 294. |
| [10] | Zie art. VII.199 WER. |
| [11] | In die zin ook reeds: R. Steennot, “Case Volksbank Romania: Limits of the full harmonization approach of the Consumer Credit Directive”, EJCL 2013, 94. |
| [12] | Richtlijn nr. 2014/17/U van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de richtlijnen nr. 2008/48/EG en nr. 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 (Pb. L. 28 februari 2014, afl. 60, 34). |
| [13] | Het Hof stelt uitdrukkelijk dat lidstaten niet verplicht zijn om in een verplichting te voorzien om het best aangepaste krediet voor te stellen. |

