Rb. Brussel 13 januari 2020
(Zaak: AR 2013/14608/A)
M.D. e.a. / I.B. NV
| Zet.: H. Storme (rechter) |
| Pl.: Mrs. R. Landuyt, J. Verlinden, L. Verdonck en N. Clijmans |
(…)
|
FINANCIËLE INSTELLINGEN EN TUSSENPERSONEN
Bemiddelaars - Aansprakelijkheid bankier
Wanneer vast staat dat een bankagent een bancaire activiteit ontwikkelt die onder toepassing van de wet van 22 maart 2006 valt, rusten ook op de principaal de verplichtingen van die wet, waaronder het feit dat de bankagent onder de volledige en onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid van zijn principaal handelt (art. 10, § 4 wet 22 maart 2006). Die (mede)verantwoordelijkheid van de principaal valt slechts weg voor handelingen die de bankagent buiten zijn gemandateerde activiteiten stelt - dat is voor activiteiten die geen taken meer zijn van een agent in bank- en beleggingsdiensten. Er is evenwel geen overschrijding van de gemandateerde activiteiten indien de bankagent een ongeoorloofde handeling stelt binnen zijn functie van agent.
Dat de bemiddeling wordt gedefinieerd als het in contact brengen van consument en gereglementeerde onderneming, betreft geen beperking van het toepassingsgebied van de wet van 22 maart 2006 maar betekent enkel dat het de tussenpersoon verboden is te bemiddelen inzake bankproducten voor ondernemingen die geen gereglementeerde onderneming zijn. Indien dat toch gebeurt, leidt dat niet tot een bevrijding van de toepassing van de wet van 22 maart 2006 maar precies tot een schending van die wet. Beslissend element is immers dat de tussenpersoon een bancair product verhandelt, vanaf dat moment moet hij de wet van 22 maart 2006 integraal respecteren, waaronder de plicht enkel te handelen voor een gereglementeerde onderneming in bank- en beleggingsdiensten, binnen zijn bancaire activiteiten.
Artikel 10, § 4 van de wet van 22 maart 2006 koppelt de aansprakelijkheid van de principaal voor de handelingen van de bankagent aan “zijn activiteit van bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten”. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt of die activiteit al dan niet foutief of rechtmatig was, noch of die activiteit in naam en voor rekening van een derde geschiedde. Van zodra er aldus vastgesteld wordt dat litigieuze handeling waarop men zich beroept, een handeling van de bankagent was die onderdeel was van zijn bancaire activiteit, kan de aansprakelijkheid van de principaal in het gedrang komen.
Een bemiddelaar bedoeld in artikel 14 van de wet van 22 maart 2006 heeft - ook bij afwezigheid van expliciete of precieze wettelijke bepaling in die zin - de plicht om het aangeprezen of verkochte product te onderzoeken op zijn kenmerken, wettelijke kwalificatie, kwaliteiten en risico's.
|
INSTITUTIONS ET INTERMÉDIAIRES FINANCIERS
Intermédiaires - Responsabilité du banquier
L'agent en services bancaires et en services d'investissement agit, en ce qui concerne son activité d'intermédiation en services bancaires et en services d'investissement, sous la responsabilité entière et inconditionnelle de son mandant. La (co)responsabilité du mandant ne peut être exclue que pour des actes étrangers à l'activité bancaire ou d'investissement. Un acte illicite commis dans le cadre de cette activité relève encore de la responsabilité du mandant.
Le fait que l'intermédiation soit définie par la loi du 22 mars 2006 comme l'activité qui consiste à mettre en contact des épargnants et des investisseurs d'une part et des entreprises réglementées d'autre part, n'exonère pas le mandant de sa responsabilité si l'intermédiaire met le consommateur en contact avec une entreprise non réglementée et ce, en violation de la loi. Dès le moment où l'intermédiaire vend un produit bancaire, il doit se soumettre à l'obligation de n'agir que pour une entreprise réglementée.
L'article 10, § 4, de la loi du 22 mars 2006 établit un lien entre la responsabilité du mandant et l'activité d'intermédiaire en services bancaires et d'investissement. Il est indifférent en ce qui concerne cette responsabilité, que l'activité ait été licite ou non, mais il suffit que cette activité se situe dans le champ de l'activité bancaire de l'intermédiaire.
L'intermédiaire visé à l'article 14 de la loi du 22 mars 2006 est tenu, même en l'absence de texte de loi spécifique, de vérifier les caractéristiques, qualification légale, qualités et risques des produits qu'il propose au consommateur.
|
| I. | Procedure |
1. De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder van:
- de inleidende dagvaarding, op verzoek van eisende partijen betekend aan I.B. NV op 15 november 2013;
- de dagvaarding in gedwongen tussenkomst en vrijwaring, op 17 april 2014 op verzoek van I.B. NV betekend aan de verwerende partijen in gedwongen tussenkomst;
- de akte van hervatting van geding, voor I.B. NV neergelegd ter griffie op 27 september 2018;
- de “syntheseconclusie”, voor eisende partijen neergelegd ter griffie op 7 oktober 2019;
- de “derde conclusie (syntheseconclusie)”, voor I.B. NV neergelegd ter griffie op 4 november 2019;
- de “tweede conclusie”, voor verwerende partijen in gedwongen tussenkomst neergelegd ter griffie op 6 september 2019;
- het stukkenbundel (18 stukken), voor eisende partijen neergelegd ter griffie op 21 november 2019 en ter zitting van 9 december 2019;
- het stukkenbundel (31 stukken), voor I.B. NV neergelegd ter griffie op 6 juni 2019 en ter zitting van 9 december 2019;
- het stukkenbundel (4 stukken), voor de verwerende partijen in gedwongen tussenkomst neergelegd ter zitting van 9 december 2019.
2. Op de openbare zitting van 9 december 2019:
- hebben mrs. R. en J. Landuyt gepleit voor de eisende partijen;
- hebben mrs. J. Verlinden en L. Verlinden gepleit voor I.B. NV;
- heeft mr. N. Clijmans gepleit voor de verwerende partijen in gedwongen tussenkomst;
- werd de heer R.D. gehoord in zijn opmerkingen;
- werden de debatten gesloten;
- werd de zaak in beraad genomen.
De procedure verliep met inachtneming van de toepasselijke bepalingen van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
| II. | Feiten en voorgaanden |
1. Op basis van de door partijen bijgebrachte stukken en conclusies kunnen de relevante feiten die ten grondslag liggen aan het geschil in deze zaak als volgt worden samengevat.
2. Eisende partijen kochten op 2 juni 2008 een beleggingsproduct aan bij de NV K. Het investeringsbedrag bedroeg 100.000 EUR en zou een rendement geven van 5% om te resulteren in een opeisbaar bedrag, op 2 juni 2010, van 110.250 EUR.
Partijen zijn het oneens over de aard van het product, met name over de vraag of het om een bank- dan wel verzekeringsproduct gaat.
Aangaande de inhoud en voorwaarden van het product ligt weinig informatie voor. In het zogenaamde “Kobli-contract” tussen eisende partijen en de NV K. wordt gesproken van een “investeringsbedrag”, “begunstigde(n) bij leven” en “begunstigde(n) bij overlijden”. De overeenkomst van 2 juni 2008 betrof een contract dat een eerdere Kobli-overeenkomst tussen partijen - daterend van juni 2007 - verving.
Eisende partijen betaalden de belegging met gelden van op hun zichtrekening bij I.B. NV (toen: R.B.) middels een cheque die werd getrokken op die rekening en met vermelding als begunstigde: de BVBA R.D. Financieel Advies. Dat is in ieder geval zo voor een eerdere Kobli-investering, daterend van mei 2007, voor hetzelfde investeringsbedrag van 100.000 EUR.
Hoe de betaling van de investering van 2008 verliep en of er überhaupt een bijkomende betaling gebeurde, is niet gekend nu daar geen stukken van voorliggen, maar er kan aangenomen worden dat het in 2007 geïnvesteerde bedrag overgenomen werd in de overeenkomst van 2008 en aldus verder werd ondergebracht in een Kobli-verhouding.
3. Bij vonnis van 28 april 2009 werd een gerechtelijke reorganisatie geopend voor de NV K. Bij vonnis van 2 februari 2010 werd de nv failliet verklaard.
Eisende partijen zagen hun investering in rook opgaan. De curatoren deelden mee dat zij niet mochten hopen op een dividend in het faillissement.
4. De activiteiten van de NV K. speelden zich blijkbaar af in de strafrechtelijke sfeer, een gerechtelijk onderzoek werd geopend.
In het kader daarvan werd onder meer de heer V., verantwoordelijk voor die controle van de zelfstandige filiaalhouders van R.B., verhoord. Er was immers gebleken dat de producten van de nv K. (“Kobliproducten”, benaming afgeleid van K. + obligatie) onder meer werden verkocht via dergelijke zelfstandige R.B.-filiaalhouders. De heer V. verklaarde in zijn verhoor van 25 juni 2012 dat het de filiaalhouders niet verboden was om naast hun activiteit als filiaalhouder van R.B. andere activiteiten te ontwikkelen, zoals optreden als verzekeringsmakelaar of immokantoor. Hij stelt dat R.B. kennis kreeg van de handel in Kobliproducten door de bankagenten bij een controle van de agent R.D. (datum wordt niet vermeld), maar dat: “Ons werd verteld dat dit een verzekeringsproduct betrof waarop wij geen toezichtrecht hebben.” Het is niet bekend wie dat aan R.B. zou verteld hebben (de bankagent(en), K., beide, derden, …?).
5. Bij de regeling van de rechtspleging wensten vele burgerlijke partijen dat I.B. NV (toen: R.B.) mee zou vervolgd worden omdat hun “Kobli”-contracten werden gestoten via zelfstandige bankagenten van I.B. NV.
De kamer van inbeschuldigingstelling besliste bij arrest van 30 juni 2014 evenwel R.B. buiten vervolging te stellen en overwoog daarbij dat het aangevoerde gebrek aan controle vanwege R.B. op haar zelfstandige bankagenten-verzekeringsmakelaars geen strafrechtelijke bezwaren kon opleveren.
6. In zijn uiteenzetting van de feiten geeft het parket te Antwerpen aan dat de werkwijze van de NV K. erin bestond haar financiële putten te dempen door geld op te halen bij de consument - via bank- en verzekeringsmakelaars. Daarbij liet ze uitschijnen dat het om beleggingsproducten ging maar in feite betrof het eenvoudige leningen of eigen ondernemingsobligaties waarbij werd beloofd dat het gestorte kapitaal na enige tijd met een interest zou worden terugbetaald. Die belofte werd telkens uitgesteld doordat de korte contracten werden verlengd. Ze konden in ieder geval onmogelijk nagekomen worden doordat K. het geld verbraste. De K.-trawanten werden om die redenen onder meer vervolgd wegens valsheid in geschrifte, erin bestaande dat zij lieten uitschijnen dat de Kobli-contracten beleggings- of verzekeringsproducten waren met een kapitaal- en rendementsgarantie, terwijl het om loutere risicovolle leningen ging waartegenover geen enkele terugbetalingscapaciteit werd geplaatst (tenlastelegging A.III.).
7. De correctionele rechtbank achtte tenlastelegging A.III. bewezen en overwoog in dat verband (p. 104-109 van het vonnis van 21 juni 2016):
“Uit de stukken van het strafdossier blijkt dat de betrokken Kobli-overeenkomsten werden gesloten door de drie K.-vennootschappen tussen 27 juni 2001 en 28 december 2008.
(…)
De rechtbank stelt vast dat de Kobli-overeenkomst zeer summier is opgesteld en nagenoeg enkel gewag maakt van een investeringsbedrag en een opeisbaar bedrag op vervaldag en eventuele begunstigden. De overeenkomst, die intern 'Kobli' werd genoemd, heeft geen officiële naam, noch betiteling. Er zijn geen contractvoorwaarden gestipuleerd.
Op grond van de bewoordingen van de overeenkomst, en in het bijzonder uit het gebruik van de term 'investeringsbedrag', kon worden afgeleid dat de Kobli een investering inhield en zulks met een kapitaalgarantie tegen interest, nu sprake is van een 'opeisbaar bedrag op de vervaldag' dat de som vormt van het ter beschikking gestelde kapitaal en de interest op jaarbasis. Er werden geen voorwaarden gekoppeld aan de opvraging van kapitaal of interest, noch werd deze opvraging op enigerlei wijze aan beperkingen onderworpen.
Gelet op het gebruik van de terminologie 'begunstigden bij leven of overlijden' is het tevens niet verwonderlijk dat sommige consumenten dachten in te tekenen op een verzekeringsproduct en zulks in weerwil van de vaststelling dat er geen verzekerd risico werd bepaald. Aldus mochten de consumenten er redelijkerwijs van uitgaan, op grond van de gebruikte terminologie dat de Kobli waarop ze intekenden, een investering inhield en een kapitaalgarantie bood. In acht genomen dat een investeringsproduct werd vooropgesteld, mocht de consument er tevens van uitgaan dat de ter beschikking gestelde gelden zouden worden aangewend voor investeringen zodat deze derhalve niet vrij beschikbaar waren, (…).
De rechtbank merkt nog op dat ook de raadslieden van de K.-vennootschappen van oordeel waren dat de Kobli een investeringsproduct betrof, zoals blijkt uit hun argumentatie naar de CBFA toe. Ook de verschillende makelaars, middels wiens tussenkomst de Kobli's werden aangeboden, gingen ervan uit dat de Kobli een beleggingsproduct was, en bestempelden de Kobli's ook als obligaties in verschillende werkdocumenten van makelaars, waarin zij het rendement van de Kobli voor hun cliënten berekende, wat, alhoewel het geen officiële benaming betreft, ook kan worden afgeleid uit de naam 'Kobli' (K van K. en obli van obligatie).
In werkelijkheid werden de gelden echter niet aangetrokken met het oog op een investering door de K.-vennootschappen of in andere beleggingsinstrumenten. Evenmin betreft het een verzekeringsproduct. De gelden werden daarentegen ab initio aangetrokken en aangewend voor de financiering van de werkingsmiddelen van de groep, zoals werd bevestigd door eerste beklaagde die de Kobli bestempelt als een 'contract private plaatsing', door tweede beklaagde en door de interne boekhouder (...). De Kobli betrof derhalve geen investerings- of verzekeringsproduct doch een loutere lening waarvan de gelden door de K.-vennootschappen vrij werden besteed aan werkingsmiddelen. De Kobli werd om die reden ook geboekt als korte termijnschuld op rekening-courant.
De rechtbank is van oordeel dat het aanbieden van een product met voormelde kenmerken van een investering waar het in werkelijkheid een lening betrof die vrij werd aangewend voor financiering van de werkingsmiddelen, een waarheidsvermomming inhoudt van de Kobli-overeenkomsten en zulks van bij het in werking stellen van het private financieringssysteem in 2001.
Ook de kapitaalgarantie, vervat in de bewoordingen 'opeisbaar bedrag op de vervaldag', kon niet worden gewaarborgd, omdat de gelden volledig werden opgesoupeerd als werkingsmiddelen en er geen investeringsgoederen voor in de plaats kwamen. (…). De Kobli-overeenkomsten die jaarlijks werden hernieuwd, omvatten dan ook een valsheid wat betreft de kapitaalgarantie.
De rechtbank acht voldoende aangetoond dat deze valsheden werden gepleegd met het opzet consumenten voor te spiegelen dat zij intekenden op een kapitaalgarante belegging met vast rendement en zulks met het oog op de oplichting van deze consumenten.
Het staat vast dat de betrokken consumenten allen in de veronderstelling verkeerden dat zij intekenden op een investerings- dan wel een verzekeringsproduct met kapitaalgarantie. Op grond van de gebruikte terminologie in de geviseerde Kobli-overeenkomsten mochten de consumenten daar ook van uitgaan. Ook de eigen raadslieden van de groep waren die mening toegedaan. Het voorspiegelen van een investeringsproduct heeft de consumenten er toe aangezet om in te tekenen op deze Kobli's, bereidheid die er ongetwijfeld veel minder zou zijn geweest, indien het product naar werkelijkheid zou zijn voorgesteld als een lening aan een verlieslatende groep vennootschappen die deze gelden enkel zou aanwenden voor de financiering van haar werkingsmiddelen.
(…)
In casu is er echter geen sprake van een beleggingsproduct waaromtrent de consument de risico's zou kunnen doorgronden, doch gaat het om een enkele lening, voorgesteld als een veilig beleggingsproduct met kapitaalgarantie. Dat de ter beschikking gestelde gelden niet zouden worden aangewend voor investeringen en dat de groep de kapitaalgarantie niet kon waarborgen, in weerwil van de gebruikte terminologie, kon de voorzichtige consument niet voorzien voorafgaand aan de afgifte van de gelden.
(…)
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat beklaagden zich niet kunnen verschuilen achter de makelaars die de Kobli's aanprezen aan hun cliënteel. Het zijn daarentegen eerste en tweede beklaagde die verantwoordelijk zijn voor de opstelling, aanbieding en ondertekening, onder valse voorwendselen, van de Kobli's en tevens voor de gebruikte terminologie, (...) Uit de stukken van het strafdossier blijkt bovendien dat ook de verschillende makelaars en zelfs de verkopers van de K.-vennootschappen zelf ervan overtuigd waren dat het om een investeringsproduct ging, zodat geenszins zonder meer kan worden voorgehouden dat de onterechte voorstelling van de Kobli's als investeringsproduct, volledig en met uitsluiting van iedere verantwoordelijkheid van eerste en tweede beklaagde, op het conto van de makelaars kan worden geschreven.”
8. Het hof van beroep trad in zijn arrest van 18 mei 2018 die beoordeling en motivering grotendeels bij - weliswaar slechts ten aanzien van één van de beklaagden (de tweede), nu enkel wat die beklaagde betreft hoger beroep werd ingesteld. Het hof nuanceerde evenwel (p. 151 van het arrest):
“Het hof herneemt [niet] de passages die betrekking hebben op hetgeen al dan niet door de makelaars zelf geweten was. Er kan enkel geoordeeld worden over de aansprakelijkheid van de personen die als beklaagde en verwezene betrokken zijn in de procedure. Dit is niet het geval voor de makelaars, zodat enige beoordeling daaromtrent niet relevant is. Ook over de verantwoordelijkheid van de R.B. of andere banken heeft het hof niet te oordelen.”
Het hof voegde eraan toe (p. 152):
“Uit het strafdossier blijkt duidelijk dat de Kobli-contracten enkel de bedoeling hadden om geld van particuliere spaarders op te halen om deze te gebruiken bij de werking van de K.-vennootschappen, dit bij gebrek aan voldoende liquiditeiten.
(…)
Dat de personen die een Kobli-contract tekenden zouden kunnen denken dat zij een bedrag leenden aan K. is totaal ongeloofwaardig. Er was geen sprake van enige periodieke terugbetaling. De bedragen werden overhandigd voor een jaar, waarna het bedrag opeisbaar was. De personen die hun geld in de Kobli's investeerden gaven aan dat zij meenden dat het ging om een verzekeringscontract of een kasbon of een andere belegging waarbij zowel het kapitaal als de interest gewaarborgd was. Geen van hen meende geld te lenen aan een bedrijf dat er vrij kon over beschikken.
Rekening houdend met het gegeven dat de K.-vennootschappen actief waren in de verzekeringssector en zij bedrijvig waren als verzekeringstussenpersoon voornamelijk m.b.t. levens- en beleggingsverzekeringen, alsook met de bewoordingen van de contracten, meenden diverse contractanten dat zij intekenden op een verzekering, waarbij het kapitaal gegarandeerd was. K. bood, behoudens de Kobli-contracten ook degelijke verzekeringsproducten aan. De verkoop van de Kobli-contracten verliep veelal via makelaars
die tevens bankproducten van R.B. of een andere bank (C.) hadden. De in de Kobli-contracten aangeboden interest was ook niet dermate hoog dat de spaarders moesten weten dat ze risico liepen. Alles wees erop dat het ging om een product zoals het werd voorgesteld, namelijk met gegarandeerd rendement en interest.
h) Tijdens de vergadering van het directiecomité van 5 januari 2009 werd door N.K. [dat is de eerste beklaagde] zelf gesteld: 'De Kobli's zijn in hun bankkantoren verkocht en werden aldus gepercipieerd als bankproducten. Hiervoor zou R.B. vroeg of laat aansprakelijk kunnen gesteld worden.'”
9. Eisende partijen in deze zaak stapten evenzeer in de Kobli-beleggjng via een persoon die zelfstandig bankagent van R.B. was, met name de heer R.D. - die tevens de zoon is van eisende partijen. [I.B. NV en in tussenkomst gedaagde partijen betwisten dat gegeven, maar zonder een overtuigend fundament, zoals hieronder wordt uiteengezet.]
De heer M.D. oefende die activiteit van agent van R.B. uit binnen zijn BVBA R.D. Financieel Advies, op basis van een overeenkomst van 13 april 2005 (gesloten tussen de BVBA en de rechtsvoorganger van R.B., E.B., na fusie door overname op 16 juni 2006).
Volgens artikel 2 van het “contract van zelfstandig gevolmachtigd handelsagent” van 13 april 2005 moet de bankagent exclusief R.B. vertegenwoordigen en mag hij dat principe niet omzeilen door het inschakelen van andere natuurlijke of rechtspersonen. Onder de bankactiviteiten waarvoor die exclusieve vertegenwoordiging geldt, somt bijlage I bij de overeenkomst onder meer op: het “in ontvangst nemen van deposito's en andere terugbetaalbare gelden”; het doen van “transacties voor (...) rekening van cliënten met betrekking tot (…) effecten”; “deelnemingen en effectenemissies en dienstverrichtingen in verband daarmee”.
Artikel 3 van de overeenkomst vult aan dat het de bankagent verboden is om die werkzaamheden voor eigen rekening te verrichten, ook niet via andere natuurlijke of rechtspersonen. Voorts stelt die bepaling dat de bankagent slechts een andere beroepsactiviteit mag uitoefenen op voorwaarde van een schriftelijke goedkeuring daartoe door E.B. (later: R.B. en vervolgens I.B. NV), waarbij werd gesteld dat sommige activiteiten in beginsel zouden goedgekeurd worden, met name die van: kredietmakelaar, verzekerings- of vastgoedmakelaar, fiscaal adviseur, ... Artikel 3 bepaalt verder dat de bankagent de plicht heeft de andere beroepsactiviteiten duidelijk te scheiden van die van bankagent zodat er geen indruk wordt gewekt dat die andere activiteit voor rekening van E.B. (later: R.B. en vervolgens I.B. NV) wordt uitgeoefend.
10. Eisende partijen (en andere gedupeerden) deden beroep op de Bemiddelingsdienst Banken, Krediet en Beleggingen, om hun investering te proberen recupereren maar dat resulteerde niet in een akkoord met R.B. De bank bleef immers van oordeel dat de Kobli-producten volledig vreemd waren aan haar en zij er dus geen verantwoordelijkheid kon voor opnemen, ook niet onrechtstreeks via haar verantwoordelijkheid voor of toezichtplicht op haar bankagenten.
11. Diverse gedupeerde consumenten startten bijgevolg procedures tegen R.B., tegen een bankagent van R.B. of tegen beide.
Eisende partijen in deze zaak gingen daartoe over bij dagvaarding van 15 november 2013. Zij richten zich enkel tegen R.B., gelet op hun familiale band met de bankagent, de heer R.D.
I.B. NV, rechtsopvolger van R.B., dagvaardde de heer R.D. en diens BVBA waarbinnen hij zijn activiteit als bankagent ontwikkelde in gedwongen tussenkomst en vrijwaring.
De procedure bleef enkele jaren inactief om het eindresultaat in de strafprocedure aangaande de K.-zaak af te wachten.
| III. | Vorderingen |
1. Eisende partijen formuleren volgende vorderingen:
“De zaken hangende voor uw zetel met de rolnrs. 2013/15069/A, 2013/14602/A, 2013/15067/A, 2014/411/A, 2013/14605/A, 2013/14604/A en 2014/2791/A, 2014/2794/A en 2013/14603/A, 2014/2554/A, 2019/686/A, 16/2156/A en 17/178/A, 13/14068/A, 13/14599/A, 13/14606/A , 13/14602/A, 13/14592/A, 13/14609/A wegens samenhang samen te voegen;
De vordering alvorens recht te doen conform artikel 877 Ger.W. ontvankelijk en gegrond te verklaren;
De vraag van I.B. NV om de vrijwaringsvordering naar de bijzondere rol te verwijzen af te wijzen; I.B. NV te veroordelen om te betalen aan concluant de som van 110.250 EUR vermeerderd met de vergoedende en gerechtelijke interesten vanaf 2 juni 2010 tot op heden.
I.B. NV te veroordelen tot de kosten van het geding, inbegrepen de basisrechtsplegingsvergoeding.”
2. I.B. NV vraagt in hoofdorde de vorderingen, verweermiddelen en excepties van eisende partijen “onontvankelijk, ontoelaatbaar of minstens ongegrond” te verklaren hen te veroordelen tot de gerechtskosten, waaronder een rechtsplegingsvergoeding van 6.000 EUR.
Voor zover de hoofdvordering gegrond zou worden verklaard, verzoekt ze haar vordering in vrijwaring naar de rol te verzenden in afwachting van verdere instaatstelling. Haar vordering in vrijwaring strekt ertoe verwerende partijen in gedwongen tussenkomst in solidum dan wel de ene bij gebrek aan de andere te veroordelen tot vrijwaring voor alle veroordelingen van I.B. NV ten aanzien van eisende partijen.
3. Verwerende partijen in gedwongen tussenkomst vorderen:
“De tussenvordering van I.B. NV ten aanzien van [de heer R.D.] ontoelaatbaar, minstens ongegrond te verklaren met veroordeling van I.B. NV tot betaling van de gerechtskosten in deze procesverhouding, zijdens [de heer R.D.] begroot op 6.000 EUR.
De tussenvordering van I.B. NV ten aanzien van [de BVBA R.D. financieel advies] te verwijzen naar de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel wegens aanhangigheid, minstens de vordering ontoelaatbaar, zo niet ongegrond verklaren met veroordeling van I.B. NV tot betaling van de gerechtskosten in deze procesverhouding, zijdens [de BVBA R.D. financieel advies] begroot op 6.000 EUR.”
| IV. | Beoordeling |
| A. | Ontvankelijkheid en samenvoeging |
1. I.B. NV vraagt in het beschikkend gedeelte van haar conclusie de vorderingen, verweermiddelen en excepties van eisende partijen ontoelaatbaar of onontvankelijk te verklaren. Zij voert geen argumenten of middelen aan om de vorderingen van eisende partijen onontvankelijk te verklaren.
2. Er zijn geen ambtshalve op te werpen redenen van onontvankelijkheid aanwezig.
De vordering van eisende partijen is ontvankelijk.
3. Verweermiddelen kunnen op zich beschouwd niet onontvankelijk verklaard worden. Zij vormen slechts een element ter ondersteuning (bestrijding) van de vordering waarover moet beslist worden maar zijn niet zelf, als zelfstandig element, het voorwerp van de rechterlijke beoordeling en beslissing.
4. Dat is anders voor middelen die een weerslag hebben op de procedurele afhandeling van een zaak en die aldus de procesgang en de uitoefening van het recht van verdediging aangaande de vordering ten gronde kunnen beïnvloeden. Dergelijke middelen hebben een eigen beoordelingsvoorwerp, met name de procedure die moet gevolgd worden bij de debatten betreffende een beoordeling van het geschil ten gronde. Zij vormen zelfstandige (procedurele) vorderingen die mogelijkerwijze aan eigen ontvankelijkheidsvoorwaarden zijn onderworpen.
5. In deze zaak betreft het verzoek van eisende partijen tot samenvoeging van deze zaak met een reeks andere procedures een dergelijke zelfstandige procedurele vordering.
Eisende partijen verzoeken inderdaad - voor het eerst in hun tweede conclusie, bijna 6 jaar na het aanhangig maken van het geschil - deze zaak samen te voegen met een reeks andere zaken die voor deze rechtbank zouden hangen (waarbij I.B. NV evenwel beweert dat sommige zaken voor de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen zouden hangen).
6. Artikel 856 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een vordering tot verwijzing wegens samenhang of aanhangigheid moet worden ingesteld zoals een exceptie van onbevoegdheid - dat wil zeggen vóór iedere andere exceptie en elk ander verweer (art. 854 Ger.W.). Een rechter kan slechts ambtshalve zaken samenvoegen indien ze allen hangen voor dezelfde rechtbank.
7. Eisende partijen hebben hun vraag tot voeging laattijdig ingesteld, zodat die onontvankelijk is.
8. Ten overvloede zij erop gewezen dat er geen objectieve gegevens bekend zijn met betrekking tot de zaken die zouden moeten gevoegd worden. Er kan niet nagegaan worden welke vorderingen ze betreffen, tussen welke partijen ze zouden ingesteld zijn, wat de feitelijke grondslag ervan is, noch voor welke rechtbank de zaken zouden hangen, noch wat de stand van zaken ervan is. Mogelijkerwijze werd al over een deel geoordeeld, zijn er al zaken in beraad genomen, doorgehaald, … De betrokken zaken worden waarschijnlijk volgens hun respectieve conclusiekalenders in staat gesteld door de partijen, waarbij onbekend is of die een voeging met andere zaken (en daaruit voortvloeiende vertraging en vermenging van discussies) wel genegen zijn.
Aldus kan niet geoordeeld worden of een samenvoeging van de zaken tot een betere rechtsbedeling kan leiden en of er wel aanvaardbare, objectieve redenen zijn tot een dergelijke voeging over te gaan. Het tegendeel lijkt waar nu iedere procedure al een zelfstandige ontwikkeling kende en een opgedrongen voeging enkel tot complicaties en vertragingen zou leiden, terwijl de vorderingen al zeer lang voor de rechtbank hangen.
9. Eisende partijen lijken met een voeging hun bewijsvoering te willen ondersteunen. Meer bepaald om met de veelheid van gelijkaardige vorderingen aan te tonen, enerzijds, dat I.B. NV systematisch mede verantwoordelijk was voor het spannen van de beleggingsval waarbij de zwakke consument tegenover de grote bank stond en, anderzijds, dat I.B. NV probeert de dans te ontspringen door het geschil te saucissoneren in kleine particuliere geschillen waardoor het vermeende misprijzen voor de belangen van de consumenten minder zou opvallen.
Wat dat laatste betreft, zij erop gewezen dat de diverse eisende partijen zelf hun processtrategie hebben bepaald en zelf hebben gekozen afzonderlijke procedures te starten. Een voeging van zaken is voorts niet vereist om het beoogde te realiseren, een normale bewijsvoering binnen iedere individuele procedure kan daartoe volstaan.
10. Er moet besloten worden dat er in ieder geval ten gronde geen elementen of redenen voorliggen om deze zaak met één of meerdere andere zaken samen te voegen.
| B. | Verweer van de in tussenkomst en vrijwaring gedaagde partijen op de hoofdvordering |
1. De in tussenkomst en vrijwaring gedaagde partijen voeren slechts een zeer summier verweer omtrent de hoofdvordering - hoewel zij als de bron van aansprakelijkheid worden gezien - en vragen een voorbehoud om hun middelen te ontwikkelen met betrekking tot de hoofdvordering.
2. Partijen in een geschil kunnen niet eenzijdig een voorbehoud vragen om hun standpunten (verder) te ontwikkelen. De instaatstelling van de zaak wordt beheerst door artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek, de vastgelegde conclusiekalender en rechtsdag en eventuele afwijkende akkoorden tussen de partijen. Het is aan iedere partij om binnen dat kader de feiten en argumenten aan te voeren die zij op dat moment nodig acht. Indien de andere partijen dat vragen, is de rechtbank er in beginsel toe gehouden de zaak op de rechtsdag in beraad te nemen en het geschil te beoordelen en te beslechten. Heeft een partij eenzijdig geen gebruik gemaakt van de vastgelegde conclusietermijnen, kan dat geen grond vormen om de zaak verder te vertragen.
Het gevraagde voorbehoud kan niet worden verleend en de hoofdvordering moet worden beoordeeld op basis van wat op heden voorligt.
3. Wat betreft de hoofdvordering stellen de in tussenkomst en vrijwaring gedaagde partijen dat zij niet zijn opgetreden als tussenpersoon om de Kobli-overeenkomst tot stand te brengen, maar dat eisende partijen die rechtstreeks met K. sloten. Het zouden bovendien niet zij, maar de BVBA RDH zijn, die de tussenpersoon voor K. was.
4. Die visie vindt geen steun in de voorgelegde feiten en is in zekere mate tegenstrijdig nu enerzijds gezegd wordt dat er geen tussenpersoon was en anderzijds dat de BVBA RDH de tussenpersoon was.
In de eerste plaats kan niet vastgesteld worden dat eisende partijen zelf en zonder tussenpersoon K. zouden hebben aangezocht om de Kobli-overeenkomst te sluiten. Dat lijkt ook geen plausibel scenario nu K. niet de vaste werkwijze had om rechtstreeks met consumenten te handelen, maar hoofdzakelijk werkte via makelaars. Het is meer dan aannemelijk dat dat ook in deze zaak gebeurde. Stuk Ib van eisende partijen - waaruit blijkt dat zij de voorgaande Kobli-overeenkomst van 2007 (die op 2 juni 2008 werd omgezet in de litigieuze, nieuwe Kobli-overeenkomst) betaalden aan de BVBA R.D. Financieel Advies - wijst daarop. Ook de familieband tussen eisende partijen en de heer R.D. laat er geen twijfel over bestaan dat zij hem inschakelden om hun financiële zaken te regelen.
Voor hun bewering dat K. in feite de BVBA RDH inzette als makelaar voor de Kobli-overeenkomsten, leggen in tussenkomst en vrijwaring gedaagde partijen geen bewijs voor. Een aanwijzing daarvoor vormen stukken 5 en 28 van I.B. NV (lijst van makelaars in het strafdossier waar de BVBA RDH als makelaar van K. wordt vermeld), maar bij gebrek aan enig bevestigend element, vormt dat geen voldoende tegenbewijs voor:
- de vaststelling dat de Kobli-overeenkomst een bancair product vormt (zie hieronder) en dus binnen de “bancaire” BVBA van de heer R.D. past, veeleer dan binnen zijn beweerde “verzekerings”-BVBA (er zij op gewezen dat inzake die BVBA RDH geen enkele informatie of enig bewijs wordt voorgelegd zodat het zelfs niet bekend is of die wel bestaat en welke activiteit erin ontwikkeld wordt);
- de vaststelling dat de betaling gebeurde aan de BVBA R.D. Financieel Advies;
- het feit dat R.B. binnen de bemiddelingspogingen van de Bemiddelingsdienst Banken, Krediet en Beleggingen niet ontkende of weerlegde dat de Kobli-overeenkomsten werden tot stand gebracht via de BVBA R.D. Financieel Advies (zie bv. stuk 8 van eisende partijen);
- het feit dat er geen enkel bewijs voorligt dat de voorwaarden van artikel 3 van de handelsagentuurovereenkomst van 18 april 2005 voor het ontwikkelen van bijkomende of andere activiteiten werden gerespecteerd. Inzonderheid blijkt niet dat de bankagent de toestemming kreeg om andere activiteiten te ontwikkelen - hoewel een schriftelijke toestemming vereist is - noch dat de bankagent zorgde voor een duidelijke scheiding tussen zijn bankactiviteiten en eventuele andere activiteiten en zo iedere verwarring omtrent zijn hoedanigheid ten aanzien van de consument uitsloot. Het is niet aan eisende partijen om op dit punt bewijs te leveren, nu zij vreemd zijn aan de overeenkomst van 18 april 2005 en de professionele organisatie van de bankagent en R.B., waaromtrent zij niet over informatiebronnen beschikken.
Mogelijkerwijze heeft de heer R.D. de activiteiten van de BVBA RDH en de BVBA R.D. Financieel Advies vermengd en de opdracht die eigenlijk bij de BVBA RDH zat (er zij herhaald: dat wordt niet bewezen) in feite uitgevoerd binnen de BVBA R.D. Financieel Advies. Ook in dat geval primeert evenwel de reële rechtsverhouding op de situatie die er volgens de contractuele verhouding normaal gezien had moeten zijn. De tussenpersoon tussen eisende partijen en K. blijft met andere woorden onverminderd de BVBA R.D. Financieel Advies, ook al zou dat een schending vormen van de handelsagentuurovereenkomst en/of de overeenkomst van de tussenpersoon met K. Wat dat laatste betreft, dient er trouwens op gewezen dat K. de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de reëel opgetreden tussenpersoon aanvaardde en bevestigde, nu zij de Kobli-overeenkomst ondertekende.
5. Het staat aldus vast dat eisende partijen in contact werden gebracht met K. door toedoen van de BVBA R.D. Financieel Advies en de ervoor handelende R.D.
| C. | Rolverzending van de vordering in vrijwaring |
1. Met eisende partijen kan vastgesteld worden dat het stilzwijgen van I.B. NV en in tussenkomst en vrijwaring gedaagde partijen aangaande de vordering in tussenkomst en vrijwaring, het debat in deze zaak informatie ontneemt die waarschijnlijk nuttig zou kunnen zijn voor de beoordeling van de hoofdvordering. Het gaat onder meer om de vraag wat de inhoud en omvang was van de controle die I.B. NV uitoefende op de bankagent en wanneer en in welke mate zij op de hoogte was van de Kobli-overeenkomsten, de kenmerken ervan evenals de wijze waarop die werden verhandeld en om het hierboven besproken aspect van de concretisering van de uit artikel 3 van de handelsagentuurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen.
Zoals hierboven al gezegd, is het evenwel in de eerste plaats aan de partijen om zelf te beslissen welke informatie zij aanleveren. De beslissing over de hoofdvordering wordt niet onmogelijk gemaakt door dat (onzekere) euvel, het risico op een verkeerde beoordeling stijgt, maar het is een risico dat I.B. NV en in vrijwaring gedaagde partijen zelf nemen en waarvan zij dan ook de eventuele negatieve gevolgen moeten dragen. Het kan immers beschouwd worden als een tekortkoming in de loyale bewijsvoering omtrent de hoofdvordering.
2. Voor het overige kan de rechtbank slechts overgaan tot een beoordeling van een vordering indien die daadwerkelijk gesteld wordt.
Op heden stelt I.B. NV nog geen vordering in vrijwaring in, zodat er ook nog geen grond is om ze ten gronde te beoordelen.
Over de door in tussenkomst en vrijwaring gedaagde partijen voorgestelde verdere procedurele afhandeling van de vordering in vrijwaring (aanhangigheid), wordt hieronder uitspraak gedaan, na behandeling van de hoofdvordering.
| D. | Aard van de “Kobli-overeenkomst” |
1. Partijen twisten over de aard van de belegging die eisende partijen deden. I.B. NV meent dat het om een verzekeringsovereenkomst ging.
2. In de eerste plaats zij erop gewezen dat de Kobli-overeenkomst per definitie onorthodox is en niet noodzakelijk of niet strikt op haar bewoordingen of vormgeving mag worden beoordeeld aangezien het om een geschrift gaat dat aangetast is door valsheid in geschrifte, zoals vastgesteld door de correctionele rechtbank en het hof van beroep te Antwerpen. De overeenkomst die eisende partijen sloten is volledige gelijkaardig aan degene die als vals werden bestempeld in de strafprocedure.
Er kunnen aldus niet zonder meer conclusies getrokken worden uit de gebruikte termen, zoals I.B. NV onterecht doet.
Ten tweede kan de overeenkomst niet eenvoudigweg onder het ene of andere financiële of verzekeringsproduct gebracht worden, precies omdat K. de financiële wetgeving aan haar laars lapte en niet bekommerd was om haar product en/of haar effectieve activiteiten te conformeren aan alle wettelijke voorwaarden die voor de feitelijke activiteit en het betrokken financieel product worden gesteld. Een feitelijke beoordeling van de rechtsverhouding - los van de kwalificatie die de partijen er zouden aan hebben gegeven - is dan ook noodzakelijk, teneinde de geveinsde constructie te vervangen door de realiteit.
Het feit dat bepaalde regels niet werden nageleefd, kan geen conclusie omtrent de feitelijke kwalificatie steunen nu het bedrieglijk opzet er precies in bestond te ontsnappen aan de toepassing van die regels door een verkeerde voorstelling van zaken te geven. Dat die regels niet werden toegepast, terwijl de feiten dat wel benodigden, betekent uiteraard niet dat die regels niet van toepassing zijn op de feiten. In tegendeel, eens de feitelijke kwalificatie vast staat, zijn de bepalingen die op dergelijke feiten in beginsel te respecteren zijn, van toepassing.
Om die redenen kan men ook niet terugvallen op de perceptie die consumenten zouden hebben gehad van het Kobli-product - die perceptie werd immers precies uitgelokt door de misdrijven en vormt niet de realiteit maar het door middel van misdrijven tot stand gebrachte bedrieglijk beeld. Dat de consumenten dachten dat het om een verzekeringsproduct ging, speelt dan ook geen rol en zegt niets over de werkelijke inhoud van de rechtsverhouding. Er zij trouwens opgemerkt dat de correctionele rechtbank oordeelde dat het merendeel van de consumenten en in ieder geval de makelaars van mening waren dat het om een investeringsproduct (waarmee “beleggingsproduct” bedoeld lijkt te worden) ging en niet om een verzekering.
3. In tegenstelling tot wat I.B. NV aanvoert, ligt geen gerechtelijke bekentenis van eisende partijen voor dat de Kobli-overeenkomst een verzekeringsproduct zou zijn. Waar zij dat vermelden, gaat het hoogstens om een weergave van de overtuiging die bij hen leefde bij het sluiten van de overeenkomst - dezelfde overtuiging of perceptie die volgens de strafrechter bij andere consumenten leefde maar die als niet relevant want niet in overeenstemming met de realiteit werd bestempeld. Het gaat niet om hun huidige standpunt en argument inzake de kwalificatie van de overeenkomst. Uit hun betoog in rechte blijkt duidelijk dat zij menen dat het om een lening, een obligatie of een overhandiging van deposito's of terugbetaalbare gelden gaat. In de cocktail van eisende partijen is veel aanwezig, maar niet de mening dat de Kobli-overeenkomst een verzekering is.
4. Het voorgelegde Kobli-contract (stuk la van eisende partijen, stuk 22 van I.) valt op door zijn eenvoud en rudimentair karakter.
Het vertoont geen enkel kenmerk van een verzekeringsproduct: er is geen sprake van een verzekerd risico (er is geen overlijdensdekking), een verzekeraar of een verzekeringnemer. Waar het woord “begunstigde” wordt vermeld, doelt men enkel op de persoon die aanspraak kan maken op terugbetaling van hetgeen geïnvesteerd werd. De vermeldingen “bij leven” en “bij overlijden” houden geen dekking van het overlijdensrisico in, maar leiden er enkel toe dat de schuldeiser wijzigt. Het betreft trouwens overbodige bepalingen, nu ze niets toevoegen aan de normale erfopvolging. Er kan inderdaad uit de overeenkomst niet afgeleid worden dat zij tot gevolg zou hebben dat het verschuldigde bedrag niet in de nalatenschap zou vallen, nu de “begunstigden” bestempeld worden als “wettige erfgenamen” en derhalve integraal onderworpen lijken te blijven aan de logica van de erfopvolging door openvallen van de nalatenschap, waaronder het vereiste van het betalen van de passiva en de verdeling van het restant tussen de verschillende erfgenamen. Op basis van de Kobli-overeenkomst op zich, kon K. niet bepalen aan wie ze diende te betalen in geval van overlijden van de contractant.
De overeenkomst tussen eisende partijen en K. is dan ook niets meer dan het overhandigen van geld door eisende partijen aan K. tegen de belofte dat K. het na afloop van twee jaar zal terugbetalen met een interest.
Zoals in de strafprocedure werd vastgesteld, betreft het aldus in feite een lening van de consument aan K. - dat terwijl K. geen enkele regelgeving inzake bancaire consument aan K.-activiteiten of het verhandelen van financiële instrumenten respecteerde.
Vertaald naar de regelgeving inzake bancaire activiteiten, gaat het om een activiteit waarbij de onderneming K. gelddeposito's of andere terugbetaalbare gelden in ontvangst nam in de zin van artikel 1, 1° en 4 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, zoals van toepassing op het moment van de contractsluiting tussen eisende partijen en K.
Voor zover de kwalificatie van “lening” zou omgezet worden naar een financieel instrument, zou men kunnen argumenteren dat een obligatie voorligt - zoals K. zelf leek te doen. De Kobli-overeenkomst betreft evenwel geen aankoop van een verhandelbaar effect of obligatie van K., maar wel het toevertrouwen van geld aan K. onder de plicht dat geld met een vast rendement terug te betalen op een vastgestelde vervaldag. De Kobli-overeenkomst is dan ook geen obligatie.
5. Of er nu sprake is van een deposito, het toevertrouwen van terugbetaalbaar geld of een obligatie, telkens gaat het om een bancair product waarvoor de bankagent van R.B. blijkens de handelsagentuurovereenkomst van 18 april 2005 en de bijlage I ervan beloofde dat hij dergelijke activiteiten enkel en allen in naam en voor rekening van R.B. zou doen. Hij was met andere woorden niet gerechtigd dergelijke producten of diensten aan te bieden voor andere opdrachtgevers dan R.B.
Het beleggingsproduct dat eisende partijen onderschreven, viel dan ook binnen de bancaire sfeer waarvoor de bankagent van R.B. voor niemand anders mocht optreden, dan voor R.B.
| E. | Geen contractuele band “Kobli” met I.B. NV |
1. De Kobli-overeenkomst en de plicht tot terugbetaling van het toevertrouwde geld met interest kwam niet tot stand tussen eisende partijen en I.
2. De wederpartij van eisende partijen bij de overeenkomst is enkel en alleen K., zoals ondubbelzinnig uit de overeenkomst blijkt.
De omstandigheid dat die overeenkomst werd tot stand gebracht door bemiddeling van een persoon die bankagent was van R.B., dat de transactie zou zijn aangepraat in een kantoor van die bankagent onder het uithangbord “R.B.” en dat de betaling zou zijn gebeurd middels een cheque die werd getrokken op een rekening van eisende partijen bij R.B. en met de bankagent als begunstigde, heeft daarop geen invloed.
3. Die elementen veranderen inderdaad niets aan de partijen bij de overeenkomst of aan de vraag op wie de ermee gecreëerde verbintenissen rusten - niet rechtstreeks, noch onrechtstreeks.
Gelet op de duidelijkheid van de identificatie van de partijen en handtekeningen in de overeenkomst, kan er bij eisende partijen immers geen enkele verwarring zijn ontstaan omtrent hun wederpartij en vormden de opgesomde contextuele factoren geen elementen op basis waarvan een normaal zorgvuldig consument in dezelfde omstandigheden gerechtvaardigd zou concluderen dat de wederpartij in feite (ook) R.B. was. Dat men een betaling doet met een rekening van R.B. is uiteraard compleet irrelevant en kan op geen enkele wijze een verwachting meebrengen dat R.B. de tegenprestatie moet leveren. Voorts was het duidelijk dat de bankagent een tussenpersoon was, zodat de betaling aan die bankagent (of zijn BVBA) evenmin kon gepercipieerd worden als een bron van verbintenissen voor de principaal (R.B.) - nu de concrete opdrachtgever duidelijk een andere persoon betrof (K.) dan die principaal.
Die contextuele factoren kunnen eventueel een katalysator zijn geweest die eisende partijen sneller tot het sluiten van de overeenkomst bracht omdat zij vertrouwen hadden in die context, maar dat kan niet gelijkgeschakeld worden met het (bijkomend) verbinden van een derde die op geen enkel moment enige wil heeft geuit betreffende lidmaatschap bij de overeenkomst of gehoudenheid door de verbintenissen ervan.
4. Enige element dat eventueel een beslissing in andere zin zou kunnen schragen, is het aanprijzen van de Kobli-overeenkomst door middel van instrumenten waarop de merknaam R.B. prijkt - zoals stuk 18 van eisende partijen.
Dat stuk heeft evenwel geen betrekking op de eisende partijen. Bovendien wordt er slechts een anoniem beleggingsproduct vermeld, zodat niet klaar en duidelijk is dat het hier om een Kobli-overeenkomst zou gaan.
Dat stuk kan dan ook geen rol spelen in deze zaak.
Er zijn geen andere elementen die erop wijzen dat de Kobli-overeenkomst zou zijn aangeprezen of afgedwongen als product van R.B. zelf.
5. Het bovenstaande betekent dat de verbintenissen die uit de Kobli-overeenkomst van 2 juni 2008 voortvloeien niet op I. rusten en niet op die contractuele basis van I. kunnen afgedwongen worden.
| F. | Optreden als bankagent van I. |
1. Het bovenstaande betekent niet automatisch dat de tussenpersoon die eisende partijen en K. samenbracht in de Kobli-overeenkomst niet optrad als een bankagent van R.B. Het is immers niet uitgesloten dat een consument binnen de werking van of op aanraden van zijn bank een product van een derde aankoopt of een overeenkomst sluit met een derde-leverancier van financiële instrumenten. Vertaald naar deze zaak: eisende partijen dienden niet zonder meer te weten dat ze bij de bankagent en in het kantoor van R.B. enkel in bancaire producten van R.B. konden stappen en waren gerechtigd te verwachten dat er ook producten van derden konden worden aangekocht, waarbij de bankagent - en bijgevolg ook R.B. onverminderd geldig optrad als tussenpersoon die de dienst verleende de klant in contact te brengen met het beleggingsproduct van de derde.
Er zij in dit verband op gewezen dat er een verschil is tussen het optreden van de bankagent als “verkoper” van zijn principaal en het optreden van de bankagent in naam en voor rekening van zijn principaal als verkoper van producten van derden.
Het eerste aspect is in deze zaak niet aanwezig, zoals uiteengezet met betrekking tot de tegenpartij in de Kobli-overeenkomst. Het tweede daarentegen wel: het Kobli-product werd aangeboden in de “winkel” “R.B.”. Dat R.B. dat product niet zelf produceerde of er niet de tegenpartij in was, betekent niet dat zij het niet kon verkopen en dat de consument haar niet als verkoper of bemiddelaar aangaande dat product kon zien.
2. Dat laatste is in deze zaak inderdaad het geval.
Zoals gezegd, betreft de Kobli-overeenkomst een zuiver financieel beleggingsproduct zonder verzekeringskenmerken. Eisende partijen konden om die reden verwachten dat het om een product ging dat onder auspiciën van de aangezochte bank - R.B. - werd verhandeld en dat de bankagent aldus optrad in zijn hoedanigheid van bankagent van R.B. Het feit dat het contract termen zou bevatten die ook voorkomen in een verzekeringsovereenkomst, is onvoldoende om tot de conclusie te leiden dat eisende partijen wisten of moesten weten dat ze in een verzekeringscontract stapten en dat dat onmogelijk kon binnen de werking van R.B. en de rol van de bankagent daarin. De overeenkomst is immers niet kennelijk een verzekeringsovereenkomst, nu er geen verzekerd risico is, noch een verzekeringsnemer. Zelfs al zouden eisende partijen eventueel gedacht hebben dat het om een soort verzekering ging, dan nog verhindert dat niet dat zij het alsnog als een aanbieding konden beschouwen die binnen de schoot van R.B. gebeurde - nu zij die bank blijkbaar opzochten om geld te beleggen (en niet om een risico te verzekeren) en zij erop mogen vertrouwen dat de bank en bankagent geen producten aanbieden die zij niet zouden gerechtigd zijn te verhandelen. Indien eisende partijen de betekenis en draagwijdte van de Kobli-overeenkomst niet correct zouden hebben ingeschat, kan hen dat bovendien niet verweten worden en mogen zij er niet voor gesanctioneerd worden. Het was immers de taak van de bank(agent), als professioneel raadgever en verkoper, om die betekenis en draagwijdte te duiden en verwarring daaromtrent te voorkomen.
Zoals eveneens gezegd, versterkten de concrete contextuele factoren die gerechtvaardigde perceptie: de “interne” betaling van de investering met de gelden op rekening van eisende partijen bij R.B., het overtuigen van de eisende partijen onder het uithangbord “R.B.”, het betalen van de investering aan de bankagent.
Voorts ligt er geen aanwijzing voor dat de bankagent zou zijn opgetreden in een andere hoedanigheid of in het kader van een andere activiteit op een voor eisende partijen waarneembare wijze. Er zij in dat verband herhaald dat niet bewezen wordt dat de Kobli-overeenkomst werd tot stand gebracht door tussenkomst van de BVBA RDH, maar wel dat die transactie verliep via de BVBA R.D. Financieel advies. Minstens lag een vermenging van activiteiten voor die voor de eisende partijen niet bekend en identificeerbaar was, gelet op de finaliteit die zij zochten (beleggen van geld) en het aanbod dat daaromtrent moet zijn geformuleerd door de bankagent (investering met kapitaalgarantie en vast rendement door louter verloop van tijd) - beide zijn in principe onderdelen van financiële of bancaire producten, niet van een verzekeringsverhouding.
Het feit dat eisende partijen de ouders zijn van de heer R.D., werpt daarop geen ander licht. In de eerste plaats vloeit uit die familiale band niet automatisch voort dat zij een beter zicht hadden op de professionele activiteiten van de heer R.D. en alle onderdelen daarvan. Het omgekeerde is soms waar, nu in familiale sfeer sterker op vertrouwen wordt gewerkt, waardoor minder informatie wordt ingewonnen of uitleg wordt gevraagd, omstandigheid die niet kan verweten worden aan de consument, maar hoogstens aan de professioneel. In ieder geval blijkt niet dat eisende partijen effectief werden geïnformeerd dat de Kobli-overeenkomst werd tot stand gebracht binnen een activiteit van de heer R.D. als verzekeringsmakelaar en dat dat betekende dat hij niet handelde als agent van R.B. De bekende elementen wijzen op het tegendeel en I. of in tussenkomst gedaagde partijen leveren geen tegenbewijs daarvoor, hoewel zij daartoe in staat zouden moeten zijn.
3. Er moet derhalve besloten worden dat de heer R.D. zich gedragen heeft als agent van R.B. die een beleggingsproduct binnen de bancaire sfeer tot stand bracht en dat eisende partijen hem ook terecht die hoedanigheid toedichtten.
4. De bankagent stelde dan ook een handeling van bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten in de zin van artikel 4, 1° van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten en is in beginsel onderworpen aan alle verplichtingen van die wet. Het feit dat hij die wet zou hebben overtreden (bv. door de exclusiviteit van de art. 4, 3° en 10, § 1 van die wet niet te respecteren), doet daaraan uiteraard geen afbreuk nu het anders zou volstaan om bepaalde wettelijke verplichtingen niet na te leven om aan de toepassing van de wet te ontsnappen.
Hetzelfde geldt voor de principaal, R.B. Eens vast staat dat de bankagent een bancaire activiteit ontwikkelde die onder toepassing van de wet van 22 maart 2006 valt, rusten ook op de principaal de verplichtingen van die wet, waaronder het feit dat de bankagent onder de volledige en onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid van zijn principaal handelt (art. 10, § 4 van de wet van 22 maart 2006).
Die (mede)verantwoordelijkheid van de principaal valt slechts weg voor handelingen die de bankagent buiten zijn gemandateerde activiteiten stelt - dat is voor activiteiten die geen taken meer zijn van een agent in bank- en beleggingsdiensten, bijvoorbeeld andere activiteiten als tussenpersoon, zoals immomakelaar. Er is evenwel geen overschrijding van de gemandateerde activiteiten indien de bankagent een ongeoorloofde handeling stelt binnen zijn functie van agent in bank- en beleggingsdiensten, binnen zijn bancaire activiteiten. Zo niet, zou de verantwoordelijkheid van de principaal ernstig uitgehold worden, nu iedere of vele misstappen van de bankagent het risico lopen beschouwd te worden als een mandaatoverschrijding met uitsluiting van de verantwoordelijkheid van de principaal tot gevolg. Dat zou de beschermingsfunctie van de wet van 22 maart 2006 deels teniet doen en de principaal een te grote machtspositie geven ten aanzien van de consument en bankagent.
Artikel 10, § 4 van de wet van 22 maart 2006 koppelt de aansprakelijkheid van de principaal voor de handelingen van de bankagent aan: “zijn activiteit van bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten”. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt of die activiteit al dan niet foutief of rechtmatig was, noch of die activiteit in naam en voor rekening van een derde geschiedde. Van zodra er aldus vastgesteld wordt dat litigieuze handeling waarop men zich beroept, een handeling van de bankagent was die onderdeel was van zijn bancaire activiteit, kan de aansprakelijkheid van de principaal in het gedrang komen.
5. I. kan zich in deze zaak bijgevolg niet verschuilen achter een eventuele schending door de bankagent van de wettelijk en contractueel vastgelegde exclusiviteitsverplichting, bestaande in het feit dat de bankagent niet voor R.B. als tussenpersoon bemiddelde in bank- en beleggingsdiensten, maar wel voor K.
Die exclusiviteitsverplichting is immers precies een wettelijke verplichting die op de bankagent rust van zodra hij bancaire activiteiten ontwikkelt en - via artikel 10, § 4 van de wet van 22 maart 2006 - daardoor ook op de principaal, die erop moet toezien dat de bankagent de exclusiviteitsverplichting naleeft. Het spreekt voor zich dat indien men zou betogen dat de aansprakelijkheid van de principaal wegvalt omdat de exclusiviteit werd geschonden, men de principaal vrijstelt van de verplichting toe te zien op die exclusiviteit, gevolg dat de wetgever niet kan gewild hebben.
R.B. kan zich dan ook niet bevrijden van aansprakelijkheid op grond van het feit dat de bankagent een bancaire activiteit in naam en voor rekening van een derde (K.) zou hebben verricht. Het was één van haar taken dat te verhinderen en voor zover het toch gebeurde, moest zij er de gevolgen van dragen op grond van artikel 10, § 4 van de wet van 22 maart 2006.
6. I. kan zich voorts niet beroepen op het argument dat de bankagent “buiten zijn mandaat” optrad omdat die constellatie werd veroorzaakt door de eigen fout van I. (toen R.B.), die het zogenaamde optreden buiten mandaat (in feite: het ontwikkelen van een bancaire activiteit voor een derde) niet voorkwam.
Zoals uit het strafdossier blijkt, was de praktijk van de Kobli-overeenkomsten al lang aan de gang (sinds 2001) en sterk aanwezig onder een aantal zelfstandige bankagenten van R.B. In zijn verhoor van 25 juni 2012 geeft de verantwoordelijke van de dienst controle van R.B. van 25 juni 2012 aan dat iedere bankagent één maal per jaar werd gecontroleerd en dat de praktijk van de Kobli-overeenkomsten werd ontdekt bij de heer R.D. Uit dat verhoor blijkt voorts dat R.B. ermee genoegen nam dat men (het is onduidelijk wie die “men” is) meedeelde dat het om een verzekeringsproduct ging waarop zij geen toezichtrecht had.
Dat betreft een te passieve invulling van de controle. In de eerste plaats zou men een diepgaandere controle verwachten omdat er ook moet worden op toegezien dat de (beweerde) nevenactiviteit nog verenigbaar is met de functie van bankagent. Ten tweede is een vermenging of verwarring tussen bancaire en verzekeringsproducten niet denkbeeldig, zodat een nader onderzoek geboden is. Een eenvoudige visie van de Kobli-overeenkomsten leert voorts dat zij ongewoon summier zijn en nauwelijks kenmerken van een verzekeringsovereenkomst tonen, terwijl het klaarblijkelijk om loutere bancaire beleggingen tegen vast rendement gaat.
Er zij herhaald dat niet blijkt dat R.B. toestemming gaf aan de bankagent voor het ontwikkelen van bijkomende activiteiten, noch dat werd toegezien op alle verplichtingen van artikel 3 van de handelsagentuurovereenkomst, waaronder de plicht de onderscheiden professionele bezigheden strikt te scheiden en verwarring met de bancaire activiteiten te voorkomen.
Op basis van die gegevens moet besloten worden dat R.B. door eigen fout en onzorgvuldigheid de wettelijke en contractuele exclusiviteitsplicht niet effectief controleerde, niet sanctioneerde en aldus mede veroorzaakte dat hun bankagent de bedrieglijke beleggingsproducten kon blijven aanbieden.
7. Datzelfde gebrek aan controle en toezicht - zowel op de Kobli-overeenkomst als op de bankagent - heeft ertoe geleid dat bancaire producten van een niet-gereglementeerde onderneming aan eisende partijen werden verkocht, wat verboden is.
In dat verband zij opgemerkt dat hier opnieuw de kringredenering van I. moet worden verworpen. Er kan niet aanvaard worden dat de beschermingsregeling van de wet van 22 maart 2006 niet van toepassing zou zijn omdat men vaststelt dat de consument niet in contact werd gebracht met een onderneming die een gereglementeerde onderneming is, maar slechts met een onderneming die wettelijk gezien geen bancaire producten mocht aanbieden. In dat geval zou men de tussenpersonen en hun principalen bevrijden van de door de wet van 22 maart 2006 opgelegde verplichting enkel voor een gereglementeerde onderneming te bemiddelen en de daaraan verbonden aansprakelijkheid uithollen.
Dat de bemiddeling wordt gedefinieerd als het in contact brengen van consument en gereglementeerde onderneming, betreft geen beperking van het toepassingsgebied van de wet van 22 maart 2006 maar betekent enkel dat het de tussenpersoon verboden is te bemiddelen inzake bankproducten voor ondernemingen die geen gereglementeerde ondernemingen zijn. Indien dat toch gebeurt, leidt dat niet tot een bevrijding van de toepassing van de wet van 22 maart 2006 maar precies tot een schending van die wet. Beslissend element is immers dat de tussenpersoon een bancair product verhandelt, vanaf dat moment moet hij de wet van 22 maart 2006 integraal respecteren, waaronder de plicht enkel te handelen voor een gereglementeerde onderneming.
8. Uit het bovenstaande volgt dat I. aansprakelijk is voor de fouten die de heer R.D. en/of de BVBA R.D. Financieel Advies (samen “bankagent” genoemd, zonder uitspraak te doen of beide of slechts één van hen bankagent zouden zijn) zouden hebben begaan in het kader van de sluiting van de Kobli-overeenkomst tussen eisende partijen en K.
Die aansprakelijkheid is contractueel op grond van het feit dat I. overeenkomstig artikel 10, § 4 van de wet van 22 maart 2006 als principaal aansprakelijk is voor de dienstverlening die de bankagent (minstens naar schijn) verleent in naam en voor rekening van I. - wat hier het geval is en eigenlijk al louter en alleen voortvloeit uit het feit dat de bankagent een bancaire handeling verricht.
9. Zelfs als men die contractuele band niet zou aanvaarden, zou I. trouwens aansprakelijk zijn omdat de genoemde fouten in toezicht en controle op de bankagent de oorzaak zijn van het aanbieden van de bedrieglijke beleggingsproducten. Bij een behoorlijke controle, had men de bankagenten verboden de Kobli-overeenkomsten (verder) aan te bieden en was de schade niet opgetreden. Er zou met andere woorden in iedere geval een buitencontractuele aansprakelijkheidsgrond voorliggen nu de fout in toezicht en controle van I. schade veroorzaakte bij de eisende partijen.
10. Het feit dat K. bedrieglijke misdrijven pleegde en een verkeerde voorstelling van zaken gaf, vormt geen verschoning voor die (contractuele en buitencontractuele) fout. Het bedrog was niet erg gesofisticeerd en voor een professioneel gemakkelijk detecteerbaar op basis van een zelfs summier onderzoek of informatiegaring. Er ligt evenwel geen enkel element voor waaruit blijkt dat de bankagent of I. zich op enig moment zouden hebben bevraagd naar de achtergrond en werkelijke draagwijdte van de Kobli-overeenkomsten. Zij zijn dan ook ten volle burgerrechtelijk verantwoordelijk voor hun medewerking aan de sluiting van de Kobli-overeenkomsten. Dat zij strafrechtelijk niet verantwoordelijk worden geacht, is daarmee niet in tegenstrijd, nu de constitutieve bestanddelen van de misdrijven waarvoor vervolging werd ingesteld, anders zijn dan de onderdelen van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid. Foutieve onwetendheid kan grond vormen voor burgerrechtelijke aansprakelijkheid maar onvoldoende zijn voor deelname aan opzettelijke/bedrieglijke misdrijven.
| G. | Fouten in de bemiddeling aangaande de Kobli-overeenkomsten |
1. Artikel 14, § 1 van de wet van 22 maart 2006 luidde op het moment van de sluiting van de Kobli-overeenkomst:
“De tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten dienen zich op loyale, billijke en professionele wijze in te zetten voor de belangen van hun cliënteel. De door hen verstrekte informatie moet correct, duidelijk, niet misleidend en volledig zijn.
De agent in bank- en beleggingsdiensten dient de gedragsregels na te leven die van toepassing zijn op gereglementeerde ondernemingen.”
Artikel 8, 7° van die wet bepaalde dat een tussenpersoon enkel mag optreden voor een onderneming die de vereiste erkenning heeft.
2. Die laatste wettelijke verplichting werd niet nageleefd. Uit het strafdossier - inzonderheid de veroordeling voor tenlastelegging F - blijkt immers dat bancaire activiteiten werden ontwikkeld voor een onderneming die daartoe geen erkenning had en die geen kredietinstelling was die toegelaten was op de Belgische markt. Het feit dat K. geen erkende kredietinstelling was, wordt in deze procedure niet betwist.
Een schending van artikel 8, 7° van de wet van 22 maart 2006 en dus het begaan van een fout, staat dan ook vast.
3. De eerstgenoemde wettelijke plicht betreft de verwoording van enkele aspecten van de globale plicht die rust op de professionele dienstverlener in bancaire zaken.
Het staat buiten kijf dat een dergelijke dienstverlener - ook bij afwezigheid van expliciete of precieze wettelijke bepaling in die zin - de plicht heeft om het aangeprezen of verkochte product te onderzoeken op zijn kenmerken, wettelijke kwalificatie, kwaliteiten en risico's. Enkel op die manier kan aan de consument immers bruikbare en waarheidsgetrouwe informatie worden verschaft en kan de consument gebracht worden in een situatie waarin die de voor- en nadelen kan inschatten en het wettelijk kader van het product kan kennen.
4. De bank(agent) had aldus de plicht - als onderdeel van de algemene zorgvuldigheidsplicht van de professionele dienstverlener en mede op grond van de in artikel 14, § 1 van de wet van 22 maart 2006 opgesomde voorwaarden - de Kobli-overeenkomst terdege te onderzoeken, correct te kwalificeren en de eraan verbonden risico's na te gaan.
Er ligt geen enkele aanwijzing voor dat die minimale onderzoeksplicht werd uitgevoerd. Het stilzwijgen van de bankagent wijst op het tegendeel, de onderdelen van het strafdossier die worden voorgelegd, bevatten minstens indicaties dat de bankagenten de Kobli-overeenkomsten niet onderzochten en dat zij blind meestapten in de “verzekeringskwalificatie”. Het verhoor van de verantwoordelijke controle van R.B., toont aan dat R.B. diezelfde fout beging - zoals hierboven uiteengezet.
5. De bankagent verhandelde aldus producten waarvan hij niet wist wat de feitelijke kenmerken waren en onder welke wettelijke regeling ze vielen, terwijl de bank niet naging welke producten de bankagent verkocht in de uitoefening van zijn bancaire activiteiten.
Daarmee creëerden ze uiteraard een enorm risico op het binnensluipen van malafide praktijken, risico dat zich in deze zaak realiseerde.
Eisende partijen werden daar slachtoffer van en begingen op dat vlak - het zij herhaald - geen eigen fout nu zij mochten vertrouwen op de professionele kwaliteiten van de bankagent en de bank onder wiens auspiciën de belegging werd aangegaan en nu het voor hen als leken veel minder evident was om de ware aard en kwaliteit van de Kobli-overeenkomst te achterhalen.
Zoals hierboven al aangegeven, kunnen bank noch bankagent zich beroepen op het feit dat zij mede slachtoffer werden van de misdrijven van K. Indien zij de gepaste invulling hadden gegeven aan hun professionele plichten hadden zij die misdrijven immers tijdig ontmaskerd en de transactie tussen K. en eisende partijen voorkomen.
Ook de inbreuk op artikel 14 van de wet van 22 maart 2006 en op de algemene zorgvuldigheidsplicht van een normaal financieel dienstverlener in dezelfde omstandigheden, is aldus bewezen.
6. Op andere aangevoerde fouten wordt niet verder ingegaan, nu zij niet tot een ruimere vergoedingsplicht kunnen leiden. Sommige van die gronden zijn trouwens niet van toepassing in deze zaak, zoals de vermeende inbreuk op de prospectuswet (wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt), die niet van toepassing is op het ophalen van deposito's en terugbetaalbare gelden - kwalificatie die aan de Kobli-overeenkomst moet worden gegeven.
| H. | Vergoedingsplicht |
1. I. is als aansprakelijke voor de fouten van de bankagent en voor de eigen fouten gehouden tot vergoeding van de schade die eisende partijen als gevolg ervan leden.
De begroting van die schade is in deze zaak niet verschillend in resultaat naargelang de grondslag van aansprakelijkheid contractueel of buitencontractueel zou zijn. Het moet gaan om schade die in oorzakelijk verband staat met de bewezen verklaarde fouten.
2. Eisende partijen zagen hun belegging volledig verdwijnen en hebben aldus zonder de minste twijfel schade geleden.
3. Ook over het oorzakelijk verband kan geen discussie bestaan: indien de bovengenoemde onderzoeks- en professionele zorgvuldigheidsplicht was in acht genomen, hadden eisende partijen de belegging bij K. niet aangegaan en was het geïnvesteerde bedrag niet verdwenen in de schuldenput van K.
4. Eisende partijen begroten hun schade op de integraliteit van het geïnvesteerde kapitaal en de door K. beloofde interestopbrengst.
Dat is niet de schade die door de fouten werd veroorzaakt.
Eisende partijen kunnen de naleving van het door K. contractueel beloofde niet afdwingen van een derde die geen partij was bij de Kobli-overeenkomst. Zoals hierboven aangegeven, waren bankagent noch R.B. partij in de Kobli-overeenkomst zodat de erin vastgelegde verbintenissen niet op hen rusten.
5. De schade die eisende partijen leden was het verlies van hun kapitaal en het niet kunnen plukken van de vruchten van dat kapitaal.
Er kan aangenomen worden dat eisende partijen - indien zij de Kobli-overeenkomst niet hadden gesloten - hadden belegd in een ander veilig beleggingsproduct met kapitaalgarantie en een vast rendement.
Dat zij minstens de geïnvesteerde 100.000 EUR zouden hebben behouden, kan als voldoende zeker worden aanvaard.
Omtrent het rendement dat zij uit die 100.000 EUR zouden hebben gehaald tussen 2 juni 2008 en 2 juni 2010, kan evenwel geen zekere uitspraak gedaan worden, nu geen gegevens beschikbaar zijn aangaande vergelijkbare alternatieve beleggingen. Aangezien dat onderdeel in ieder geval vrij klein in omvang is, is het niet verantwoord daaromtrent de partijen verder te laten debatteren of een deskundige aan te stellen en moet de rechtbank naar redelijkheid een vergoeding toekennen. Rekening houdend met de korte looptijd van 2 jaar, is een rente van 2,50% per jaar gepast. Bijgevolg is het verlies aan beleggingsopbrengst te begroten op 5.000 EUR.
In hoofdsom is I. aldus 105.000 EUR verschuldigd.
6. Op dat bedrag zijn interesten verschuldigd vanaf het ogenblik waarop eisende partijen schadevergoeding verlangden vanwege I. - wat kan gelegd worden op het moment waarop zij middels een klacht met burgerlijke partijstelling de veroordeling van I. nastreefden, zijnde 13 oktober 2010.
Er zijn geen redenen om af te wijken van de toepassing van de wettelijke interestvoet.
7. Eisende partijen werd al vergoeding voor dezelfde schade toegekend in de strafprocedure, waar twee beklaagden hoofdelijk werden veroordeeld tot betaling van 100.350 EUR, bestaande uit het geïnvesteerde bedrag (100.000 EUR), een morele schadevergoeding (250 EUR) en een vergoeding voor administratiekosten (100 EUR).
Voor die twee laatste schadeposten, vragen eisende partijen in deze zaak geen vergoeding, zodat er geen sprake kan zijn van een cumulatie van schadevergoedingen.
Dat is uiteraard anders voor het geïnvesteerde bedrag van 100.000 EUR dat ook in deze procedure als vergoeding wordt toegekend. Eisende partijen mogen beide niet cumuleren en niet tweemaal 100.000 EUR ontvangen.
Dat neemt evenwel niet weg dat zij ook in deze procedure gerechtigd zijn om een uitvoerbare titel te bekomen voor de gehele schade. De fouten van de strafrechtelijk veroordeelden en de in deze zaak bewezen verklaarde fouten van I., hebben immers samen de schade veroorzaakt, zodat zij allen gehouden zijn om de gehele schade te vergoeden. I. is derhalve in solidum gehouden met de strafrechtelijk veroordeelde personen en eisende partijen zijn gerechtigd zich voor betaling van de gehele schadevergoeding te richten tegen I. en, bijgevolg, lastens I. een uitvoerbare titel aangaande die gehele schadevergoeding te bekomen.
Het probleem van de dubbele betaling moeten partijen oplossen in het kader van de uitvoering van de diverse beslissingen en de eventuele gedwongen tenuitvoerlegging ervan, waarbij I. onder meer het recht heeft om de strafrechtelijk veroordeelde partijen aan te spreken.
De eerder aan eisende partijen toegekende schadevergoeding neemt aldus niet weg dat I. in deze zaak tot betaling van de gehele schadevergoeding moet worden veroordeeld.
| I. | Vordering in vrijwaring |
1. I. maakte een vordering in vrijwaring aanhangig tegen beide in tussenkomst en vrijwaring gedaagde partijen, maar stelt die op heden nog niet effectief in.
2. Aangezien I. zich aldus nog niet als een eisende partij gedraagt en er geen actieve vordering voorligt, kan de vordering in vrijwaring nog niet beoordeeld worden. De zaak is op dat punt trouwens helemaal niet in staat om te worden beslecht, nu partijen op dat vlak slechts zeer summier informatie verschaffen of middelen ontwikkelen.
3. In tussenkomst en vrijwaring gedaagde partijen wijzen erop dat dezelfde vrijwaringsvordering al eerder werd ingesteld, voor de ondernemingsrechtbank Brussel, en vragen dat zij naar die ondernemingsrechtbank zou verwezen worden. Zij beroepen zich daarvoor op artikel 565, tweede lid, 3° en derde lid van het Gerechtelijk Wetboek.
4. De situatie van artikel 565, 3° van het Gerechtelijk Wetboek ligt niet voor aangezien de ondernemingsrechtbank nog geen beslissing velde over de vordering, maar die louter naar de rol verwees - onder meer op grond van de overweging dat er aanhangigheid zou kunnen bestaan met vrijwaringsvorderingen voor rechtbanken van eerste aanleg, waarmee de ondernemingsrechtbank aldus zelf aangaf dat zij op grond van aanhangigheid niet alle zaken naar zich zou moeten trekken, maar die precies zou moeten afstaan aan de respectieve rechtbanken van eerste aanleg.
De vrijwaringsvordering betreft geen materie waarvoor de ondernemingsrechtbank exclusief bevoegd is.
Het loskoppelen van de vrijwaringsvordering en hoofdvordering in deze zaak zou de goede echtsbedeling niet dienen. Zij is meer gebaat door een situatie waarin de instantie die besliste over de hoofdvordering ook uitspraak doet over de vordering in vrijwaring die eruit voortvloeit.
5. Er is geen grond om in te gaan op de vraag van in tussenkomst gedaagde partijen de vrijwaringsvordering van I. naar de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel te verwijzen.
| J. | Gerechtskosten |
1. In de verhouding tussen I. en in tussenkomst gedaagde partijen, wordt nog geen beslissing geveld zodat ook nog geen uitspraak kan worden gedaan over de gerechtskosten in die verhouding.
2. In de verhouding tussen eisende partijen en I., is die laatste in het ongelijk gesteld en gehouden tot de gerechtskosten. Er zijn geen redenen om de rechtsplegingsvergoeding niet op het basisbedrag te begroten.
| K. | Uitvoerbaarheid |
1. Deze zaak werd aanhangig gemaakt onder het oude artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek, dat aan het instellen van het hoger beroep een schorsende werking verleent. Aan die regeling kwam een einde door een wijziging van genoemd artikel bij artikel 41 van de wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, waardoor een hoger beroep zijn schorsende werking in beginsel verloor - tenzij andersluidende rechterlijke beslissing. Die wijziging trad in werking op 1 november 2015 en werd slechts toepasselijk verklaard op zaken die vanaf die datum aanhangig werden gemaakt (art. 50 van de wet van 19 oktober 2015).
De door artikel 41 van de wet van 19 oktober 2015 ingevoerde wijziging werd in artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek verplaatst van het tweede naar het eerste lid, bij wet van 16 juli 2017, maar bleef woordelijk en inhoudelijk ongewijzigd. De wet van 16 juli 2017 bracht op dat vlak met andere woorden geen wetswijziging en (nieuw) overgangsrechtelijk probleem mee, zodat aan het huidige artikel 1397, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek de overgangsregel van artikel 50 van de wet van 19 oktober 2015 is blijven kleven.
2. Dat betekent dat op deze zaak de oude regeling van toepassing is gebleven en deze beslissing in principe niet uitvoerbaar bij voorraad is, tenzij anders beslist.
Geen van de partijen vraagt een uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zodat niet van het wettelijk principe kan worden afgeweken.
OM DEZE REDENEN
DE RECHTBANK
Stelt vast dat de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals gewijzigd, werden toegepast.
Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak.
Geeft akte aan de NV I.B. van haar hervatting van geding, in de plaats van de NV R.B.
| Ten aanzien van de vordering van de heer M.D. en mevrouw M.D. |
Verklaart de vordering van de heer M.D. en mevrouw M.D. tot voeging van deze zaak met een aantal andere zaken onontvankelijk.
Zegt dat er geen grond is tot voeging van deze zaak met een andere zaak.
Verklaart de vordering van de heer M.D. en mevrouw M.D. voor het overige ontvankelijk en in volgende mate gegrond.
Veroordeelt de NV I.B. tot betaling aan de heer M.D. en mevrouw M.D. van 105.000 EUR, te vermeerderen met verwijlinteresten aan de wettelijke interestvoet vanaf 13 oktober 2010 tot de dag van volledige betaling.
Veroordeelt de NV I.B. tot betaling aan de heer M.D. en mevrouw M.D. van 342,30 EUR (kosten van dagvaarding en rolrecht) + 6.000 EUR (rechtsplegingsvergoeding).
| Ten aanzien van de vordering van de NV I.B. |
Wijst de vraag tot verzending van de vrijwaringsvordering van de NV I.B. naar de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel af.
Verwijst dat vrijwaringsvordering van de NV I.B., inclusief de kwestie van de gerechtskosten in dat verband, naar de bijzondere rol.

