Article

Hof van Justitie, 30/01/2020, R.D.C.-T.B.H., 2020/5, p. 643-647

Hof van Justitie 30 januari 2020

HERSTRUCTURERING VAN VENNOOTSCHAPPEN
Regeling inzake fusies, splitsingen en gelijkgestelde verrichtingen - Gevolgen overeenkomsten t.a.v. derden - Actio pauliana
Artikel 12 van de zesde richtlijn, gelezen in samenhang met de artikelen 21 en 22 van deze richtlijn, moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat de schuldeisers van een gesplitste vennootschap wier vorderingen dateren van vóór de splitsing, een actio pauliana instellen nadat de splitsing van kracht is geworden, hoewel zij de overeenkomstig dit artikel 12 in het nationaal recht vastgelegde beschermingsinstrumenten niet hebben aangewend, teneinde de splitsing jegens hen overbindend te laten verklaren en executie- of bewarende maatregelen te treffen aangaande de activa die aan de nieuw opgerichte vennootschap zijn overgedragen.
Artikel 19 van de zesde richtlijn, dat voorziet in de regeling inzake nietigheid van splitsingen, gelezen in samenhang met de artikelen 21 en 22 van deze richtlijn, moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat de schuldeisers van de gesplitste vennootschap nadat de splitsing van kracht is geworden een actio pauliana instellen die de geldigheid van die splitsing niet aantast maar het enkel mogelijk maakt dat de splitsing niet aan deze schuldeisers kan worden tegengeworpen.
RESTRUCTURATION DE SOCIÉTÉS
Réglementation des fusions, scissions et opérations assimilées - Effets des conventions à l'égard des tiers - Action paulienne
L'article 12 de la sixième directive, lu en combinaison avec les articles 21 et 22 de cette directive, doit être interprété en ce sens qu'il ne s'oppose pas à ce que, après la réalisation d'une scission, les créanciers de la société scindée, dont les droits sont antérieurs à cette scission et qui n'ont pas fait usage des instruments de protection des créanciers prévus par la réglementation nationale en application dudit article 12, puissent intenter une action paulienne afin de faire déclarer que ladite scission ne produit pas d'effets à leur égard et de former des actions exécutoires ou conservatoires sur les biens transférés à la société nouvellement constituée.
L'article 19 de la sixième directive, lu en combinaison avec les articles 21 et 22 de cette directive, qui prévoit le régime des nullités de la scission, doit être interprété en ce sens qu'il ne s'oppose pas à l'introduction, après la réalisation d'une scission, par des créanciers de la société scindée, d'une action paulienne qui ne porte pas atteinte à la validité de cette scission, mais permet seulement de rendre celle-ci inopposable à ces créanciers.

I.G.I. Srl / M.G.C., M.D.P., S.D.V. EN A.R.

Zet.: A. Arabadjiev (kamerpresident), P.G. Xuereb (rapporteur), T. von Danwitz, C. Vajda en A. Kumin (rechters)
OM: M. Szpunar (advocaat-generaal)
Zaak: C-394/18

(…)

1. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 12 en 19 van de zesde richtlijn (nr. 82/891/EEG) van de Raad van 17 december 1982 op de grondslag van artikel 54, 3., onder g) van het verdrag, betreffende splitsingen van naamloze vennootschappen, (Pb. 1982, L. 378, p. 47), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 2007/63/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 (Pb. 2007, L. 300, p. 47) (hierna: “zesde richtlijn”).

2. Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds I.G.I. Srl en anderzijds M.G.C., M.D.P., S.D.V. en A.R. betreffende de mogelijkheid dat laatstgenoemden, als schuldeisers van een gesplitste vennootschap waarvan een deel van het vermogen is overgedragen aan I.G.I., een actio pauliana instellen teneinde de splitsingsakte jegens hen onverbindend te laten verklaren en executie- of bewarende maatregelen te treffen ten aanzien van de activa die aan I.G.I. zijn overgedragen.

(…)

Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen

25. Bij notariële akte van 16 september 2009 heeft Costruzioni Ing. Iandolo Srl in het kader van een splitsing een deel van haar vermogen overgedragen aan I.G.I., die daartoe bij dezelfde notariële akte is opgericht.

26. Aangezien M.C., M.D., S.V. en A.R. van mening waren dat door deze splitsing een groot deel van het vermogen van Costruzioni Ing. G. Iandolo was weggesluisd en deze vennootschap inmiddels alleen maar enkele percelen grond van geringe waarde in eigendom had, hebben zij beroep ingesteld bij de Tribunale di Avellino (rechter in eerste aanleg Avellino, Italië) tegen I.G.I. en Costruzioni Ing. G. Iandolo, in het kader waarvan zij hebben verklaard schuldeisers te zijn van laatstgenoemde. Primair hebben zij krachtens artikel 2901 van de Codice civile een vordering tot vernietiging, of actio pauliana, ingesteld waarbij zij verzochten om de aan de orde zijnde splitsingshandeling jegens hen onverbindend te verklaren. Subsidiair hebben zij verzocht om een verklaring voor recht dat Costruzioni Ing. G. Iandolo en I.G.I. op grond van artikel 2506quater van de Codice civile hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schuldvorderingen van Costruzioni Ing. G. Iandolo.

27. Bij vonnis van 11 december 2015 heeft de Tribunale di Avellino de primaire vordering van de schuldeisers toegewezen en de in de aan de orde zijnde splitsingsakte opgenomen overdracht van activa ten aanzien van hen onverbindend verklaard “voor zover deze betrekking heeft op de activa als bedoeld in de handeling waarvan de vernietiging is ingeroepen die thans nog in eigendom zijn van I.G.I.”

28. I.G.I. en Costruzioni Ing. G. Iandolo hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Corte d'appello di Napoli (rechter in tweede aanleg Napels, Italië), waarbij zij aanvoeren dat de door de betrokken schuldeisers ingestelde actio pauliana niet-ontvankelijk is, aangezien het in artikel 2503 van de Codice civile bedoelde verzet de enige beroepsweg is die de schuldeisers van de bij de splitsing betrokken vennootschappen ter beschikking staat, en dat, wanneer er geen verzet wordt ingesteld, de gevolgen van de splitsing ook voor deze schuldeisers onherroepelijk worden. Deze vennootschappen voeren bovendien aan dat artikel 2504quater van de Codice civile uitsluit dat de akte van splitsing ongeldig wordt verklaard nadat voldaan is aan de verplichting tot publicatie.

29. De verwijzende rechter geeft aan dat de artikelen 12 en 19 van de zesde richtlijn bij de artikelen 2503, 2504quater, 2506ter en 2506quater, laatste alinea, van de Codice civile in nationaal recht zijn omgezet.

30. Om uitvoering te geven aan artikel 12 van de zesde richtlijn, dat betrekking heeft op de bescherming van de belangen van de schuldeisers van de vennootschappen die aan de splitsing deelnemen wier vorderingen vóór de openbaarmaking van het splitsingsvoorstel zijn ontstaan, heeft de Italiaanse wetgever volgens de verwijzende rechter meer in het bijzonder bepaald dat schuldeisers wier vorderingen van vóór de splitsing dateren, binnen een korte termijn tegen de splitsing in verzet kunnen komen. De Italiaanse wetgever heeft ook bepaald dat iedere vennootschap binnen de grenzen van de reële waarde van het nettoactief dat aan haar is overgedragen of dat zij heeft behouden, hoofdelijk aansprakelijk is voor de schulden van de gesplitste vennootschap die niet zijn voldaan door de vennootschap waarop de verbintenis is overgegaan. Ten slotte heeft de Italiaanse wetgever bepaald dat het eventuele recht op vergoeding van schade van vennoten of derden onverlet blijft wanneer de splitsingsakte niet meer ongeldig kan worden verklaard.

31. De verwijzende rechter merkt eveneens op dat de Italiaanse wetgever ter naleving van artikel 19 van de zesde richtlijn, waarin de nietigheid van splitsingen wordt geregeld, heeft bepaald dat de splitsingsakte na inschrijving ervan in het handelsregister niet meer ongeldig kan worden verklaard.

32. De verwijzende rechter wijst er ook op dat er met betrekking tot de vraag of een door de schuldeisers van een gesplitste vennootschap ingestelde actio pauliana ontvankelijk is, in de rechtspraak twee tegengestelde lijnen bestaan die de feitenrechters hebben ontwikkeld.

33. De eerste lijn binnen de rechtspraak houdt in dat een dergelijke vordering ontvankelijk is omdat het in artikel 2503 van de Codice civile bedoelde verzet en de vordering tot vernietiging waarin artikel 2901 van dit wetboek voorziet, weliswaar beide bedoeld zijn om de waarborg op het vermogen van de schuldenaar voor de schuldeisers veilig te stellen, maar deze vorderingen niet vergelijkbaar zijn. Zo verschillen zij op het punt van de rechtssubjecten die ze kunnen inroepen, het tijdstip waarop zij kunnen worden ingesteld, de termijnen waarbinnen ze moeten worden ingesteld, het feit dat de vordering tot vernietiging is bedoeld als sanctie op frauduleus handelen, en ten slotte op het punt van hun uitwerking.

34. Volgens de tweede lijn binnen de rechtspraak moet een vordering tot vernietiging van de schuldeisers van de gesplitste vennootschap worden uitgesloten in het licht van de doelstelling van de zesde richtlijn om te zorgen dat de gevolgen van de splitsing binnen een korte termijn definitief en onherroepelijk ten aanzien van de schuldeisers zijn, teneinde de belangen te beschermen van de talrijke andere stakeholders dan de schuldeisers van de gesplitste vennootschap die betrokken zijn bij de splitsingsprocedure.

35. De verwijzende rechter merkt dienaangaande op dat de effectieve bescherming van de bestendigheid van de gevolgen van de splitsing en van de belangen van alle bij de splitsingsprocedure betrokken stakeholders - een van de doelstellingen van de zesde richtlijn - alleen kan worden verzekerd door aan het niet aanwenden van de rechtsgang bedoeld in artikel 12 van de zesde richtlijn het gevolg te verbinden dat nadere en andere vorderingen ter bescherming van hun waarborg op het vermogen van de schuldenaar zijn uitgesloten. Bijgevolg dient het begrip “nietigheid” zoals bedoeld in artikel 19 van de zesde richtlijn alle rechtsvorderingen te omvatten waarmee de onwerkzaamheid van de splitsingshandeling kan worden ingeroepen, zowel in absolute als relatieve zin en in dit laatste geval los van de geldigheid van de splitsingshandeling.

36. De verwijzende rechter benadrukt echter dat artikel 12 van de zesde richtlijn het uitoefenen van nadere rechtsvorderingen ter bescherming van de vermogenswaarborg niet uitsluit en dat er in het intern recht een aantal verschillen bestaan tussen de vordering tot nietigverklaring en de vordering tot vernietiging.

37. Daarop heeft de Corte d'appello di Napoli de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

“1) Kunnen de schuldeisers van de gesplitste vennootschap van wie de vorderingen zijn ontstaan vóór de splitsing, maar die het rechtsmiddel van verzet als bedoeld in artikel 2503 van de Codice civile (dat wil zeggen van het beschermingsinstrument dat is ingevoerd ter uitvoering van artikel 12 van de [zesde] richtlijn) niet hebben aangewend, de vordering tot vernietiging (of actio pauliana) als bedoeld in artikel 2901 van de Codice civile instellen nadat de splitsing tot stand is gebracht, teneinde de splitsing jegens hen onverbindend te laten verklaren en dus in hun verhaalsmogelijkheden bevoorrecht te worden ten opzichte van de schuldeisers van (een van) de verkrijgende vennootschap(pen) alsmede voorrang te krijgen boven de vennoten van bedoelde vennootschap(pen)?

2) Heeft het begrip “nietigheid” als bedoeld in artikel 19 van de [zesde] richtlijn uitsluitend betrekking op de rechtsvorderingen waarmee aan de splitsingshandeling de geldigheid kan worden ontnomen of ook op die welke, zonder dat zij de geldigheid eraan ontnemen, ertoe leiden dat wordt vastgesteld dat de splitsingshandeling relatief onverbindend is of dat zij niet kan worden tegengeworpen?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen
Toepasselijke richtlijn

38. In het verzoek om een prejudiciële beslissing verwijst de nationale rechter zowel naar de zesde richtlijn als naar richtlijn (EU) nr. 2017/1132 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht (Pb. 2017, L. 169, p. 46), waarbij de zesde richtlijn met ingang van de inwerkingtreding ervan op 20 juli 2017 is ingetrokken. Aangezien de feiten in het hoofdgeding alle dateren van vóór de inwerkingtreding van richtlijn nr. 2017/1132, is de zesde richtlijn van toepassing.

Bevoegdheid van het Hof

(…)

Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

(…)

Eerste vraag

61. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 12 van de zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de schuldeisers van een gesplitste vennootschap wier vorderingen dateren van vóór de splitsing, een actio pauliana instellen nadat de splitsing van kracht is geworden, hoewel zij het overeenkomstig dit artikel in het nationaal recht vastgelegde beschermingsinstrument niet hebben aangewend, teneinde de splitsing jegens hen overbindend te laten verklaren en executie- of bewarende maatregelen te treffen aangaande de activa die aan de verkrijgende vennootschap zijn overgedragen.

62. Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de artikelen 12 en 19 van de zesde richtlijn krachtens artikel 22, 1. ervan van toepassing zijn op splitsingen door oprichting van nieuwe vennootschappen in de zin van artikel 21, 1. van de zesde richtlijn. Uit artikel 22, 1. volgt dat men daartoe in plaats van “vennootschappen die aan de splitsing deelnemen” “de gesplitste vennootschap” en in plaats van “verkrijgende vennootschap” “nieuwe vennootschap” dient te lezen.

63. Volgens artikel 12, 1. van de zesde richtlijn moeten de lidstaten een passende bescherming bieden van de belangen der schuldeisers van de gesplitste vennootschap wier vorderingen vóór de openbaarmaking van het splitsingsvoorstel zijn ontstaan en ten tijde van die openbaarmaking nog niet opeisbaar zijn.

64. Artikel 12, 2. van de zesde richtlijn bepaalt dat de wetgevingen der lidstaten voor de toepassing van lid 1. van dit artikel ten minste bepalen dat deze schuldeisers recht hebben op passende waarborgen wanneer de financiële toestand van de gesplitste vennootschap en van de vennootschap waarop de verbintenis overeenkomstig het splitsingsvoorstel overgaat, deze bescherming nodig maakt en deze schuldeisers niet reeds over dergelijke waarborgen beschikken.

65. Bovendien volgt uit artikel 12, 3. en 6. van de zesde richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 22, 1. van deze richtlijn, dat de lidstaten kunnen voorzien in hoofdelijke aansprakelijkheid van de nieuw opgerichte vennootschappen voor de verplichtingen van de gesplitste vennootschap.

66. Het is waar dat artikel 12 van de zesde richtlijn, dat betrekking heeft op de beschermingsinstrumenten van de schuldeisers, geen melding maakt van de actio pauliana.

67. Desalniettemin wijst het gebruik van de uitdrukking “ten minste” in artikel 12, 2. van de zesde richtlijn er, zoals de advocaat-generaal in de punten 59 en 60 van zijn conclusie heeft opgemerkt, op dat dit artikel voorziet in een minimumregeling voor de bescherming van de belangen van de schuldeisers van de gesplitste vennootschap ten aanzien van de vorderingen die vóór de openbaarmaking van het splitsingsvoorstel zijn ontstaan en ten tijde van die openbaarmaking nog niet opeisbaar zijn. Dit lid belet de lidstaten dus niet te voorzien in bijkomende instrumenten om de belangen van deze schuldeisers te beschermen voor wat deze vorderingen betreft.

68. Bovendien blijkt uit artikel 12 van de zesde richtlijn niet dat schuldeisers die nalaten om zich te beroepen op een van de beschermingsinstrumenten voor de schuldeisers van de gesplitste vennootschap die overeenkomstig dit artikel in nationaal recht zijn vastgelegd, geen gebruik kunnen maken van andere dan in dit artikel genoemde beschermingsinstrumenten.

69. Derhalve moet worden geoordeeld, gelet op de in overweging 8 van deze richtlijn geformuleerde doelstelling om schuldeisers, met inbegrip van obligatiehouders, alsook de houders van andere effecten van de vennootschappen die aan de splitsing deelnemen, te beschermen tegen benadeling door splitsing, dat artikel 12 van de zesde richtlijn niet uitsluit dat de schuldeisers van een gesplitste vennootschap een actio pauliana kunnen instellen zoals aan de orde in het hoofdgeding, wanneer deze bescherming noodzakelijk is wegens de financiële toestand van de gesplitste vennootschap en die van de vennootschap waaraan de verplichting overeenkomstig het splitsingsvoorstel zal worden overgedragen. De gevolgen van een dergelijke vordering mogen echter niet in strijd zijn met het doel van deze bepaling.

70. In dit verband moet worden opgemerkt dat uit de bewoordingen van de eerste vraag blijkt dat de schuldeisers van de gesplitste vennootschap middels een beroep op de actio pauliana zoals bedoeld in artikel 2901 van de Codice civile bij de gedwongen tenuitvoerlegging kunnen worden bevoorrecht ten opzichte van de schuldeisers van de verkrijgende vennootschap(pen) alsmede rang kunnen nemen boven de vennoten van deze vennootschappen. Aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde splitsing een splitsing door oprichting van een nieuwe vennootschap is, moet de door de verwijzende rechter gebruikte uitdrukking “verkrijgende vennootschap(pen)” worden opgevat als de nieuw opgerichte vennootschap(pen).

71. De in artikel 12, 1. van de zesde richtlijn bedoelde minimumregeling voor de bescherming van de belangen van de schuldeisers, gelezen in samenhang met artikel 22, 1. van deze richtlijn, heeft echter betrekking op de schuldeisers van de gesplitste vennootschap en niet op die van de nieuw opgerichte vennootschappen of de vennoten ervan, aangezien deze vennootschappen voorafgaand aan de splitsing niet bestonden.

72. Bovendien volgt uit artikel 12, 4. van de zesde richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 2, 3. van deze richtlijn en artikel 13, 3. van de derde richtlijn dat de bescherming “kan verschillen” voor de schuldeisers van de nieuw opgerichte vennootschappen en die van de gesplitste vennootschap.

73. Artikel 12 van de zesde richtlijn vereist dus niet dat de bescherming die de lidstaten aan schuldeisers van nieuw opgerichte vennootschappen bieden, gelijkwaardig is aan de bescherming die de schuldeisers van de gesplitste vennootschap genieten.

74. Uit al deze bepalingen kan dus worden afgeleid dat de door de zesde richtlijn doorgevoerde minimale harmonisatie van de bescherming van de belangen van de schuldeisers van de bij de splitsing betrokken vennootschappen er niet aan in de weg staat dat bij een splitsing door oprichting van een nieuwe vennootschap, zoals in het hoofdgeding het geval is, voorrang wordt verleend aan de bescherming van de belangen van de schuldeisers van de gesplitste vennootschap.

75. Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 12 van de zesde richtlijn, gelezen in samenhang met de artikelen 21 en 22 van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat de schuldeisers van een gesplitste vennootschap wier vorderingen dateren van vóór de splitsing, een actio pauliana instellen nadat de splitsing van kracht is geworden, hoewel zij de overeenkomstig dit artikel 12 in het nationaal recht vastgelegde beschermingsinstrumenten niet hebben aangewend, teneinde de splitsing jegens hen overbindend te laten verklaren en executie- of bewarende maatregelen te treffen aangaande de activa die aan de nieuw opgerichte vennootschap zijn overgedragen.

Tweede vraag

76. Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 19 van de zesde richtlijn, dat voorziet in de regeling inzake nietigheid van splitsingen, aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de schuldeisers van de gesplitste vennootschap nadat de splitsing van kracht is geworden een actio pauliana instellen die de geldigheid van die splitsing niet aantast maar het enkel mogelijk maakt dat de splitsing niet aan deze schuldeisers kan worden tegengeworpen.

77. Artikel 19 van de zesde richtlijn bevat de regels inzake nietigheid van splitsingen. Meer bepaald beperkt dit artikel de gevallen van nietigheid, voorziet het in een korte termijn om nietigheid in te roepen en bepaalt het dat, wanneer herstel mogelijk is van het gebrek dat tot nietigverklaring van de splitsing kan leiden, daartoe een termijn wordt toegekend aan de betrokken vennootschappen.

78. De zesde richtlijn geeft geen definitie van het begrip “nietigheid”.

79. Bij gebreke van een definitie ervan moeten de betekenis en de draagwijdte van dat begrip volgens vaste rechtspraak van het Hof worden bepaald in overeenstemming met de gebruikelijke betekenis van de gebruikte termen, met inachtneming van de context waarin zij worden gebruikt en de door de regeling waarvan zij deel uitmaken beoogde doelstellingen (arrest van 26 juli 2017, C646/16, Jafari, EU:C:2017:586, punt 73 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

80. In zijn gebruikelijke betekenis verwijst het begrip “nietigheid” naar vorderingen tot nietigverklaring van een handeling, als gevolg waarvan deze handeling tenietgaat en die rechtswerking hebben ten aanzien van eenieder.

81. Deze betekenis van het begrip “nietigheid” wordt bevestigd door de context ervan en de door de zesde richtlijn nagestreefde doelstellingen, zoals de advocaat-generaal in de punten 73 tot en met 75 van zijn conclusie heeft opgemerkt.

82. Wat de context van dit begrip betreft, zij erop gewezen dat artikel 19, 1., onder b) van de zesde richtlijn bepaalt dat de nietigheid van een van kracht geworden splitsing slechts kan worden uitgesproken in drie gevallen, namelijk wegens het ontbreken van het preventieve toezicht door de rechter of de overheid op de rechtmatigheid, of het ontbreken van een authentieke akte, dan wel omdat is vastgesteld dat het besluit van de algemene vergadering waarbij het splitsingsvoorstel is goedgekeurd, krachtens het nationaal recht nietig of vernietigbaar is.

83. Deze drie gevallen van nietigheid betreffen de totstandkoming van de splitsing en zijn van invloed op het bestaan ervan. Het gaat dus om gevallen die de splitsing doen tenietgaan.

84. Wat de door de zesde richtlijn nagestreefde doelstellingen betreft, blijkt uit overweging 11 ervan dat de Uniewetgever het noodzakelijk heeft geacht om de gevallen van nietigheid te beperken, waarbij enerzijds moet worden uitgegaan van het beginsel dat gebreken waar mogelijk worden hersteld, en anderzijds voor het inroepen van nietigheid een korte termijn moet worden gesteld om de rechtszekerheid te waarborgen in de verhouding tussen zowel de bij de splitsing betrokken vennootschappen als tussen deze vennootschappen en derden alsook tussen de aandeelhouders. Deze doelstelling van de zesde richtlijn, die in artikel 19 ervan is uitgevoerd, bevestigt dat de nietigheid van een splitsing rechtswerking heeft ten aanzien van eenieder.

85. Zoals de advocaat-generaal in punt 79 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is de actio pauliana, zoals aan de orde in het hoofdgeding, alleen voor de bescherming van de door de splitsing benadeelde rechten van schuldeisers bedoeld, terwijl de vordering tot nietigverklaring tot doel heeft het niet naleven van de totstandkomingsvoorwaarden van de splitsingshandeling te sanctioneren.

86. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt inderdaad dat de door verweerders in het hoofdgeding op grond van artikel 2901 van de Codice civile ingestelde actio pauliana het enkel mogelijk maakt dat de betrokken splitsing, en in het bijzonder de overdracht van bepaalde in de splitsingsakte genoemde goederen, niet aan hen kan worden tegengeworpen. Deze vordering heeft geen invloed op de geldigheid van de splitsing, doet haar niet teniet en heeft geen rechtswerking ten aanzien van eenieder.

87. Bijgevolg valt die vordering niet onder het begrip “nietigheid” in de zin van artikel 19 van de zesde richtlijn.

88. Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 19 van de zesde richtlijn, dat voorziet in de regeling inzake nietigheid van splitsingen, gelezen in samenhang met de artikelen 21 en 22 van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat de schuldeisers van de gesplitste vennootschap nadat de splitsing van kracht is geworden een actio pauliana instellen die de geldigheid van die splitsing niet aantast maar het enkel mogelijk maakt dat de splitsing niet aan deze schuldeisers kan worden tegengeworpen.

Kosten

89. (…)

Het Hof (2de k.) verklaart voor recht:

1) Artikel 12 van de zesde richtlijn (nr. 82/891/EEG) van de Raad van 17 december 1982 op de grondslag van artikel 54, 3., onder g) van het verdrag betreffende splitsingen van naamloze vennootschappen zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 2007/63/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007, gelezen in samenhang met de artikelen 21 en 22 van richtlijn nr. 82/891, moet aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat de schuldeisers van een gesplitste vennootschap wier vorderingen dateren van vóór de splitsing, een actio pauliana instellen nadat de splitsing van kracht is geworden, hoewel zij de overeenkomstig dit artikel 12 in het nationaal recht vastgelegde beschermingsinstrumenten niet hebben aangewend, teneinde de splitsing jegens hen overbindend te laten verklaren en executie- of bewarende maatregelen te treffen aangaande de activa die aan de nieuw opgerichte vennootschap zijn overgedragen.

2) Artikel 19 van richtlijn nr. 82/891, zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 2007/63, dat voorziet in de regeling inzake nietigheid van splitsingen, gelezen in samenhang met de artikelen 21 en 22 van richtlijn nr. 82/891, moet aldus worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat de schuldeisers van de gesplitste vennootschap nadat de splitsing van kracht is geworden een actio pauliana instellen die de geldigheid van die splitsing niet aantast maar het enkel mogelijk maakt dat de splitsing niet aan deze schuldeisers kan worden tegengeworpen.