Article

Gent, 06/05/2019, 2019/AR/539, R.D.C.-T.B.H., 2020/6, p. 781-782

Gent 6 mei 2019

INSOLVENTIE
Faillissement - Kwijtschelding - Vervaltermijn
Volgens artikel XX.173 WER moet een verzoek tot kwijtschelding worden ingediend 3 maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis. De termijn van 3 maanden, zoals bedoeld in artikel XX.173, § 2 WER, moet worden beschouwd als een vervaltermijn.
INSOLVABILITÉ
Faillite - Effacement - Délai de forclusion
Selon l'article XX.173 WER, une demande d'effacement doit être présentée 3 mois après la publication du jugement de faillite. Le délai de 3 mois, tel que visé à l'article XX.173, § 2, WER, doit être considéré comme un délai de forclusion. [1]

C.A. / V.E.

Zet.: F. Deschoolmeester (kamervoorzitter)
Pl.: Mr. B. Van Waes
Zaak: 2019/AR/539

(…)

Beoordeling

4. Artikel XX.173 WER bepaalt:

§ 1. Indien de gefailleerde een natuurlijke persoon is, zal hij ten aanzien van de schuldeisers worden bevrijd van de restschulden, onverminderd de zakelijke zekerheden gesteld door de schuldenaar of derden.

De kwijtschelding heeft gevolgen voor de onderhoudsschulden van de gefailleerde noch voor de schulden voortvloeiend uit de verplichting tot herstel van de schade verbonden aan het overlijden of aan de aantasting van de lichamelijke integriteit van een persoon waaraan de gefailleerde schuld heeft.

§ 2. De kwijtschelding wordt enkel toegekend door de rechtbank op verzoek van de gefailleerde, welk verzoekschrift hij dient te voegen bij zijn aangifte van het faillissement of dient neer te leggen in het register uiterlijk drie maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis, zelfs indien het faillissement is afgesloten voor het verstrijken van die termijn.

Het verzoekschrift wordt door de griffier ter kennis gebracht van de curator. Deze legt uiterlijk na één maand een verslag neer in het register over omstandigheden die kunnen aanleiding geven tot de vaststelling van kennelijk grove fouten, bedoeld in § 3.

Zonder de sluiting van het faillissement af te wachten en van zodra de termijn van zes maanden is verstreken, kan de gefailleerde de rechtbank verzoeken uitspraak te doen over de kwijtschelding. Op verzoek van de gefailleerde deelt de rechtbank aan deze laatste, via het register, binnen een termijn van een jaar vanaf de opening van het faillissement, de redenen mee die rechtvaardigen waarom ze zich niet over de kwijtschelding heeft uitgesproken zonder dat deze mededeling vooruitloopt op de latere beslissing inzake de kwijtschelding.

De rechtbank spreekt zich uit over het verzoek tot kwijtschelding uiterlijk bij de sluiting van het faillissement of, indien het verzoek bedoeld in het eerste lid nog niet is ingediend op het ogenblik van sluiting, binnen een maand na het verzoek.

Het vonnis dat de kwijtschelding van de schuldenaar beveelt wordt door de griffier ter kennis gebracht van de curator en in het register neergelegd. Het wordt door de curator bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

5. Samen met de eerste rechter stelt het hof vast dat het faillissement van appellant werd uitgesproken op zijn aangifte bij vonnis van 19 juni 2018, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 18 juli 2018 (stuk 4 appellant).

Appellant heeft pas een verzoek tot kwijtschelding neergelegd ex artikel XX.173 WER in het register op 10 januari 2019 (stuk 9 appellant). Hij liet na om uiterlijk 3 maanden na de bekendmaking een verzoek tot kwijtschelding in te dienen.

Anders dan de stelling die appellant verdedigt, moet de termijn van 3 maanden (zoals bedoeld in art. XX.173, § 2 WER) worden beschouwd als een vervaltermijn:

- “Het verzoek om kwijtschelding te verkrijgen kan maar worden verleend aan de gefailleerde op voorwaarde dat hij daartoe een verzoek indient. Dit verzoek moet tijdig worden ingediend, d.w.z. ofwel samen met de aangifte van het faillissement, ofwel uiterlijk 3 maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis in het Belgisch Staatsblad. Deze ultieme termijn van 3 maanden geldt ook in het geval dat het faillissement reeds werd afgesloten voor het verstrijken van deze 3 maanden. In dat geval dient de rechtbank, die bij gebrek aan verzoek niet zal hebben geoordeeld over de kwijtschelding bij de sluiting van het faillissement, binnen de maand na het verzoek uitspraak te doen.

Er kan geen twijfel over bestaan dat de sanctie voor het niet tijdig indienen van een verzoek bestaat in het verval van het recht om kwijtschelding te verkrijgen. De memorie van toelichting bij het regeringsontwerp is op dit punt zeer duidelijk: als de kwijtschelding niet gevraagd is bij de aangifte van faillissement of binnen een zekere tijd erna, 'heeft de schuldenaar elk recht daarop verloren'.” (Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 2407/001, 89) (zie B. Wylleman, “Kwijtschelding” in X, Faillissement & Reorganisatie, 2018, 7.F-34).

Anders oordelen zou afbreuk doen aan een duidelijke wettelijke bepaling en zou de afwikkeling van de faillissementsprocedure kunnen vertragen.

- “Artikel XX.173 WER maakt een onderscheid tussen het verzoek tot kwijtschelding dat gedaan wordt samen met de aangifte van het faillissement en het gescheiden verzoek. Dit laatste moet gedaan worden in een periode van 3 maanden na de faillietverklaring.” (E. Van Camp en I. Mertens, Insolventie van ondernemingen. De wet van 11 augustus 2017, Wolters Kluwer, 2017, p. 196).

- Dat de rechter zich uiterlijk bij de sluiting van het faillissement moet uitspreken over het verzoek tot kwijtschelding, houdt geen verband met de wettelijk opgelegde termijn voor het indienen van dit verzoek.

- Dat het verzoek tot kwijtschelding nog kan worden ingediend na de sluiting van het faillissement (art. XX.173, § 2, 3° WER) geldt enkel in het geval dat het faillissement reeds werd afgesloten vóór het verstrijken van 3 maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis (art. XX.173, § 2, 1° WER).

- Dat geen enkele belanghebbende, noch de curator, noch het Openbaar Ministerie zich verzetten tegen de kwijtschelding, doet geen afbreuk aan de insolventiewetgeving die van openbare orde is.

- Dat de wettekst zelf uitdrukkelijk zou moeten stipuleren dat de voorgeschreven termijn “op straffe van verval” is voorzien, kan niet worden gevolgd. De expliciete vermelding van deze (zonder enige twijfel door de wetgever gewenste) sanctie in de wettekst, is niet noodzakelijk. Vele andere termijnen worden met verval gesanctioneerd, ook al staat dat niet met zoveel woorden in de wettekst, bijvoorbeeld de korte termijn van artikel 1648 BW inzake vrijwaring tegen verborgen gebreken (B. Wylleman, “Kwijtschelding”, in X, Faillissement & Reorganisatie, 2018, 7.F-34).

- Dat de aangifte van het faillissement van appellant via Regsol is gebeurd door J.D., als gevolmachtigde medewerker van Dyzo, die naliet om de kwijtschelding te vragen, is uiteraard geen verantwoording om de wettelijke bepalingen te negeren, teméér appellant dit verzoek zelf nog tot 3 maanden erna kon doen.

Aldus kan aan appellant geen kwijtschelding worden verleend van de restschulden.

Het hoger beroep is ongegrond.

(…)

[1] Zie dit nummer, D. Pasteger en P. Van de Weyer, “Examen de jurisprudence en matière d'effacement (et d'excusabilité): exorde (et épilogue)”.