Article

Gent, 03/06/2019, 2019/AR/666, R.D.C.-T.B.H., 2020/6, p. 783-784

Gent 3 juni 2019

INSOLVENTIE
Faillissement - Kwijtschelding - Vervaltermijn
Volgens artikel XX.173 WER, moet een verzoek tot kwijtschelding worden ingediend 3 maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis. De termijn van 3 maanden, zoals bedoeld in artikel XX.173, § 2 WER, moet worden beschouwd als een vervaltermijn.
INSOLVABILITÉ
Faillite - Effacement - Délai de forclusion
Selon l'article XX.173 WER, une demande d'effacement doit être présentée 3 mois après la publication du jugement de faillite. Le délai de 3 mois, tel que visé à l'article XX.173, § 2 WER, doit être considéré comme un délai de forclusion. [1]

D.S. / V.J.

Zet.: G. De La Ruelle (kamervoorzitter)
Pl. : Mr. E. Leenknecht
Zaak: 2019/AR/666

(…)

Beoordeling

4. Hiervoor werd al aangegeven dat het bestreden vonnis op 19 maart 2019 in kennis werd gesteld van het bestreden vonnis.

De op 11 april 2019 ter griffie van dit hof neergelegde beroepsakte is tijdig en regelmatig naar de vorm.

De enkele vaststelling dat het hoger beroep niet hoefde te worden aangezegd aan het Openbaar Ministerie, dat geen partij was in de procedure voor de eerste rechter, staat de regelmatigheid van het hoger beroep niet in de weg.

Het hoger beroep komt dan ook ontvankelijk voor.

5. Artikel XX.173 WER bepaalt:

§ 1. Indien de gefailleerde een natuurlijke persoon is, zal hij ten aanzien van de schuldeisers worden bevrijd van de restschulden, onverminderd de zakelijke zekerheden gesteld door de schuldenaar of derden.

De kwijtschelding heeft gevolgen voor de onderhoudsschulden van de gefailleerde noch voor de schulden voortvloeiend uit de verplichting tot herstel van de schade verbonden aan het overlijden of aan de aantasting van de lichamelijke integriteit van een persoon waaraan de gefailleerde schuld heeft.

§ 2. De kwijtschelding wordt enkel toegekend door de rechtbank op verzoek van de gefailleerde, welk verzoekschrift hij dient te voegen bij zijn aangifte van het faillissement of dient neer te leggen in het register uiterlijk drie maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis, zelfs indien het faillissement is afgesloten voor het verstrijken van die termijn.

Het verzoekschrift wordt door de griffier ter kennis gebracht van de curator. Deze legt uiterlijk na één maand een verslag neer in het register over omstandigheden die kunnen aanleiding geven tot de vaststelling van kennelijk grove fouten, bedoeld in § 3.

Zonder de sluiting van het faillissement af te wachten en van zodra de termijn van zes maanden is verstreken, kan de gefailleerde de rechtbank verzoeken uitspraak te doen over de kwijtschelding. Op verzoek van de gefailleerde deelt de rechtbank aan deze laatste, via het register, binnen een termijn van een jaar vanaf de opening van het faillissement, de redenen mee die rechtvaardigen waarom ze zich niet over de kwijtschelding heeft uitgesproken zonder dat deze mededeling vooruitloopt op de latere beslissing inzake de kwijtschelding.

De rechtbank spreekt zich uit over het verzoek tot kwijtschelding uiterlijk bij de sluiting van het faillissement of, indien het verzoek bedoeld in het eerste lid nog niet is ingediend op het ogenblik van sluiting, binnen een maand na het verzoek.

Het vonnis dat de kwijtschelding van de schuldenaar beveelt wordt door de griffier ter kennis gebracht van de curator en in het register neergelegd. Het wordt door de curator bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

6. Het faillissement van appellant werd uitgesproken bij vonnis van 26 september 2018 en bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 oktober 2018.

Samen met de eerste rechter stelt het hof vast dat door appellant bij de aangifte van zijn faillissement geen verzoek tot kwijtschelding ex artikel XX.173 WER heeft gevoegd, noch uiterlijk 3 maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis een dergelijk verzoekschrift tot kwijtschelding heeft neergelegd in het register.

Anders dan de stelling die appellant verdedigt, treedt het hof de eerste rechter bij in de beoordeling dat de termijn van 3 maanden (zoals bedoeld in art. XX.173, § 2 WER) moet worden beschouwd als een vervaltermijn:

- “Het verzoek om kwijtschelding te verkrijgen kan maar worden verleend aan de gefailleerde op voorwaarde dat hij daartoe een verzoek indient. Dit verzoek moet tijdig worden ingediend, d.w.z. ofwel samen met de aangifte van het faillissement, ofwel uiterlijk 3 maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis in het Belgisch Staatsblad. Deze ultieme termijn van 3 maanden geldt ook in het geval dat het faillissement reeds werd afgesloten voor het verstrijken van deze 3 maanden. In dat geval dient de rechtbank, die bij gebrek aan verzoek niet zal hebben geoordeeld over de kwijtschelding bij de sluiting van het faillissement, binnen de maand na het verzoek uitspraak te doen.

Er kan geen twijfel over bestaan dat de sanctie voor het niet tijdig indienen van een verzoek bestaat in het verval van het recht om kwijtschelding te verkrijgen. De memorie van toelichting bij het regeringsontwerp is op dit punt zeer duidelijk: als de kwijtschelding niet gevraagd is bij de aangifte van faillissement of binnen een zekere tijd erna, ''heeft de schuldenaar elk recht daarop verloren'.” (Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 2407/001, 89) (zie B. Wylleman, “Kwijtschelding” in X, Faillissement & Reorganisatie, 2018, 7.F-34) (In dezelfde zin: D. Pasteger, “De l'excusabilité à l'effacement: le point sur les mécanismes de fresh strart, et de décharge des cautions, dans le Livre XX du Code de droit économique”, TBH 2018 (266) 268).

Anders oordelen zou afbreuk doen aan een duidelijke wettelijke bepaling en zou de afwikkeling van de faillissementsprocedure kunnen vertragen.

- “Artikel XX.173 WER maakt een onderscheid tussen het verzoek tot kwijtschelding dat gedaan wordt samen met de aangifte van het faillissement en het gescheiden verzoek. Dit laatste moet gedaan worden in een periode van 3 maanden na de faillietverklaring.” (E. Van Camp en I. Mertens, Insolventie van ondernemingen. De wet van 11 augustus 2017, Wolters Kluwer, 2017, p. 196).

- Dat de rechter zich uiterlijk bij de sluiting van het faillissement moet uitspreken over het verzoek tot kwijtschelding, houdt geen verband met de wettelijk opgelegde termijn voor het indienen van dit verzoek.

- Dat het verzoek tot kwijtschelding nog kan worden ingediend na de sluiting van het faillissement (art. XX.173, § 2, 3° WER) geldt enkel in het geval dat het faillissement reeds werd afgesloten vóór het verstrijken van 3 maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis (art. XX.173, § 2, 1° WER).

- Dat de curator zich niet verzet tegen de kwijtschelding, zoals uit het door deze laatste ter terechtzitting neergelegd schrijven van 12 april 2019 aan de raadsman van appellant blijkt, doet geen afbreuk aan de insolventiewetgeving die van openbare orde is.

- Dat ook de vaststelling dat - gelet op artikel 1675/13, § 3 Ger.W. - appellant in het kader van een collectieve schuldenregeling geen kwijtschelding kan bekomen van de schulden die overblijven na het sluiten van een faillissement, het gebrek aan het tijdig indienen van het door artikel XX.173, § 2 vereiste verzoek tot kwijtschelding niet ongedaan kan maken. Dat deze bepaling precies het belang van het indienen van een verzoek tot kwijtschelding overeenkomstig artikel XX.173, § 2 WER onderlijnt.

Aldus kan, bij gebrek aan een daartoe overeenkomstig artikel XX.173, § 2 WER tijdig neergelegd verzoekschrift, aan appellant geen kwijtschelding worden verleend van de restschulden.

Ook indien het verzoekschrift hoger beroep als een alsnog geformuleerd verzoek tot kwijtschelding in aanmerking zou kunnen worden genomen, dan nog komt dit verzoek in toepassing van artikel XX.173, § 2 WER laattijdig voor, met als gevolg dat appellant vervallen is van zijn recht om kwijtschelding te verkrijgen.

Het hoger beroep is bijgevolg ongegrond en het bestreden vonnis wordt bevestigd in zoverre bestreden.

7. In toepassing van de artikelen 1017, 1042 en 1022 Ger.W. legt het hof de gedingkosten van het hoger beroep ten laste van appellant.

Waar artikel 2791, 4° W.Reg. in een vrijstelling van rolrechten voorziet voor alle zaken die ingeleid worden in het kader van Boek XX WER, met betrekking tot de insolventie van ondernemingen, is er geen aanleiding om in toepassing van artikel 2692, § 1 W.Reg. enige veroordeling tot betaling van rolrechten uit te spreken.

Aan geïntimeerde qualitate qua, die uitsluitend optreedt als gerechtelijk mandataris die de hem bij de wet toevertrouwde gemeenschappelijke rechten van het geheel van de schuldeisers uitoefent, komt geen rechtsplegingsvergoeding toe.

(…)

[1] Zie dit nummer, D. Pasteger en P. Van de Weyer, “Examen de jurisprudence en matière d'effacement (et d'excusabilité): exorde (et épilogue)”.