Ondernemingsrechtbank Antwerpen (afd. Antwerpen)12 juli 2018
|
INSOLVENTIE
Faillissement - Rechten van de schuldeisers - Aansprakelijkheid gefailleerde
De aard van de procedure brengt met zich mee dat een eventuele kennelijk grove fout in de zin van artikel XX.173 WER zich ook - minstens per hypothese - zou kunnen situeren in het privéleven van de gefailleerde en niet louter beperkt dient te zijn tot een eventuele fout in het kader van de uitoefening van de ondernemingsactiviteit. Anders gezegd: voor de toepassing van artikel XX.173 WER is niet vereist dat de kennelijk grove fout zich situeert in de activiteit van of de uitoefening van de onderneming.
|
INSOLVABILITÉ
Faillite - Droits des créanciers - Responsabilité du failli
La nature de la procédure implique que toute faute grave au sens de l'article XX.173 CDE pourrait également - du moins en théorie - se produire dans la vie privée du failli et ne devrait pas se limiter à une faute éventuelle commise dans l'exercice de l'activité commerciale. En d'autres termes, l'application de l'article XX.173 CDE n'exige pas que la faute manifestement grave se situe dans l'activité ou l'exercice de l'entreprise. [1]
|
D.D.M. / D.V.
| Pl.: Mrs. M. Crommen en S. Spiessens |
| Zaak: AR/18/00335 |
(…)
2. De aard van de procedure brengt met zich mee dat een eventuele kennelijk grove fout in de zin van artikel XX.173 WER zich ook - minstens per hypothese - zou kunnen situeren in het privéleven van de gefailleerde en niet louter beperkt dient te zijn tot een eventuele fout in het kader van de uitoefening van de ondernemingsactiviteit. Anders gezegd: voor de toepassing van artikel XX.173 WER is niet vereist dat de kennelijk grove fout zich situeert in de activiteit van of de uitoefening van de onderneming. Dit geldt in casu eens te meer nu het merendeel van de schulden in dit faillissement niet gelieerd is aan de ondernemingsactiviteit. De ondernemingsactiviteit van de gefailleerde was en is rendabel. De gefailleerde heeft die activiteit ook zonder meer verdergezet of minstens hernomen na faillissement. Het is onbetwist dat de privéschulden in casu de enige reden zijn waarom een faillissementsprocedure aangevat werd.
3. Een “kennelijk grove fout” in de zin van artikel XX.173 WER is “een flagrante fout die een redelijk zorgvuldige en voorzichtige bestuurder niet zou hebben gepleegd en die in strijd is met de essentiële regels van het vennootschapsleven. Ze is kennelijk in de zin dat ze zwaar lijkt in de ogen van elke redelijke bestuurder” (zie: S. De Geyter, “Bestuurdersaansprakelijkheid wegens kennelijk grove fout die heeft bijgedragen tot het faillissement”, NJW 2019, nr. 399, 255; H. Braeckmans en R. Houben, Handboek vennootschapsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2012, 349, nr. 631; S. De Geyter, Organisatieaansprakelijkheid, Antwerpen, Intersentia, 2012, 275, nr. 279; M. Vandenbogaerde, Aansprakelijkheid van vennootschapsbestuurders, Antwerpen, Intersentia, 2009, 168-171, nrs. 195-201).
Doorgaans bestaat de kennelijk grove fout uit een geheel van feiten die door hun samenhang als kennelijk grof worden beschouwd (K. Geens, M. Wyckaert, C. Clottens, F. Parrein, S. De Dier, S. Cools, F. Jenne en A. Steeno, “Overzicht van rechtspraak. Vennootschappen (1999-2010)”, TPR 2012, 327, nr. 265).
Er moet geen causaal verband worden aangetoond tussen de kennelijk grove fouten en het faillissement. Het volstaat dat zij ertoe hebben bijgedragen, ook al waren zij niet de enige oorzaak (K. Geens, M. Wyckaert, C. Clottens, F. Parrein, S. De Dier, S. Cools, F. Jenne en A. Steeno, “Overzicht van rechtspraak. Vennootschappen (1999-2010)”, TPR 2012, 331, nr. 267).
(…)
| [1] | Zie dit nummer, D. Pasteger en P. Van de Weyer, “Examen de jurisprudence en matière d'effacement (et d'excusabilité): exorde (et épilogue)”. |

