Article

Ondernemingsrechtbank Gent, 14/05/2019, N/18/00018 en N/18/00019, R.D.C.-T.B.H., 2020/6, p. 795-796

Ondernemingsrechtbank Gent 14 mei 2019

INSOLVENTIE
Faillissement
Het is duidelijk de wil van de wetgever dat de inkomsten die gegenereerd worden na het faillissement buiten de faillissementsboedel vallen. De verwijzing naar het begrip oorzaak moet in dit kader dan ook gelezen worden als de tegenprestatie, namelijk de concrete geleverde arbeid na faillissement, in het kader van de arbeidsovereenkomst. Er anders over oordelen zou indruisen tegen de duidelijke wil van de wetgever.
De oorzaak van de vordering ontstaat na het faillissement als het rechtsfeit, de rechtshandeling (overeenkomst of eenzijdige handeling) of de toestand die rechtstreeks aan de vordering ten grondslag ligt, zich na het faillissement situeert.
Het is de geleverde arbeid na het faillissement die rechtstreeks aan de vordering tot betrokken loon ten grondslag ligt. Zo ook zal de werkonbekwaamheid voor een periode na het faillissement rechtstreeks aan de vordering tot een uitkering en/of gewaarborgd loon ten grondslag liggen.
INSOLVABILITÉ
Faillite
Il est clair que la volonté du législateur est que les revenus générés après la faillite tombent en dehors de la masse de la faillite. La référence à la notion de cause doit donc être lue dans ce contexte comme la contrepartie, c'est-à-dire le travail effectif accompli après la faillite, dans le cadre du contrat de travail. Juger autrement serait contraire à la volonté claire du législateur.
La cause de l'acquisition des biens ou des sommes est postérieure à la faillite si le fait juridique, l'acte juridique (contrat ou acte unilatéral) ou la situation directement sous-jacente à la demande survient après la faillite.
C'est le travail fourni après la faillite qui fonde directement la demande visant le salaire en question. De même, pendant une période après la faillite, l'incapacité de travail constituera directement le fondement de la demande de prestation et/ou de salaire garanti.

G.V. / J.B. en L.S.

Zet.: C. Van Caekenberg (rechter, voorzitter), M. Rasschaert en M. Jacobus (rechters in ondernemingszaken)
Pl.: Mr. B. Bekaert
Zaak: N/18/00018 en N/18/00019

(…)

5. De curator stelt dat alle inkomsten geïnd na faling en die hun oorzaak/oorsprong vinden in de voor faling gesloten arbeidsovereenkomst, beslagbaar zijn zodat het beslagbaar gedeelte ervan toekomt aan de boedel van de faling.

Verweerders menen echter dat het niet de bedoeling van de nieuwe insolventiewetgeving was dat de inkomsten, waarvoor de gefailleerde arbeidsprestaties heeft geleverd na de datum van faling, tot de faillissementsboedel zouden behoren. De oorzaak van die inkomsten zou niet de arbeidsovereenkomst maar de vergoeding voor geleverde prestaties zijn.

De rechtbank kan de stelling van verweerders bijtreden.

Artikel XX.110 WER voorziet thans:

§ 1. Te rekenen van de dag van het vonnis van faillietverklaring verliest de gefailleerde van rechtswege het beheer over al zijn goederen evenals over de goederen die hij tijdens de procedure verkrijgt op grond van een oorzaak die het faillissement voorafgaat.

§ 2. Alle betalingen, verrichtingen en handelingen van de gefailleerde en alle betalingen aan de gefailleerde gedaan vanaf de dag van het vonnis van faillietverklaring, kunnen niet aan de boedel worden tegengeworpen.

§ 3. De goederen bedoeld in artikel 1408 van het Gerechtelijk Wetboek, met uitzondering van de goederen die de beslagene volstrekt nodig heeft voor zijn beroep, bedoeld in het 3° van dit artikel, worden uit het actief van het faillissement gesloten en blijven onder het beheer en ter beschikking van de gefailleerde.

Uit het actief van het faillissement worden eveneens uitgesloten de goederen, de bedragen, sommen en uitkeringen die de gefailleerde ontvangt sinds de faillietverklaring op grond van een oorzaak die dateert van na het faillissement.

Uit het actief van het faillissement wordt eveneens uitgesloten, de vergoeding voor schade die aan de persoon is verbonden en die aan de gefailleerde toekomt uit onrechtmatige daad.

De gefailleerde beheert eveneens de in het tweede en derde lid bedoelde goederen en bedragen en beschikt erover.

De voorbereidende werken verduidelijken dat:

Het kan hierbij dan bijvoorbeeld gaan om een na het faillissement opengevallen nalatenschap of een na het faillissement ontvangen schenking maar ook om het inkomen dat de gefailleerde na het faillissement verwerft uit hoofde van een arbeidsovereenkomst of andere nieuwe activiteiten. De omvang van het aldus door de gefailleerde na het faillissement verworven vermogen speelt hierbij geen enkele rol.

Deze wijziging kadert in het streven van de wetgever om de tweede kans te bevorderen: “Dit artikel is gegrond op het vroegere artikel 16 van de faillissementswet maar bevat enkele belangrijke wijzigingen. De belangrijkste, die aansluit op het tweedekansenbeleid, beperkt de samenstelling van de boedel. Waar vroeger alle goederen die de gefailleerde mocht verkrijgen tijdens het faillissement deel uitmaken van de boedel, geldt dit slechts voor goederen die verkregen zijn krachtens een oorzaak die voor het faillissement bestond. Zo maken bijvoorbeeld opbrengsten van arbeidsprestaties geleverd na opening van het faillissement of erfenissen verkregen ingevolge een overlijden dat na het openen gebeurt of dito giften, geen deel uit van de boedel. (1037): MvT 83”(D. Demarez en C. Stragier, Boek XX, 2018, p. 259-260).

Het is duidelijk de wil van de wetgever dat de inkomsten die gegenereerd worden na de faling buiten de faillissementsboedel vallen. De verwijzing naar het begrip oorzaak moet in dit kader dan ook gelezen worden als de tegenprestatie, namelijk de concrete geleverde arbeid na faling, in het kader van de arbeidsovereenkomst. Er anders over oordelen zou indruisen tegen de duidelijke wil van de wetgever.

De oorzaak van het verkrijgen van de goederen, de bedragen, sommen en uitkeringen valt niet samen met het ontstaan van de rechtsverhouding. Het feit dat de rechtsverhouding waaruit de aanspraak op een erfenis kan volgen, ontstaat bij de geboorte, neemt niet weg dat de oorzaak gesitueerd wordt bij het openvallen van de nalatenschap.

Ook de verwijzing van de curator naar het begrip “oorzaak” in het verbintenissenrecht kan niet overtuigen. Daar heeft het begrip oorzaak een functie in het tot stand komen van de overeenkomst, niet in het ontstaan van het concrete recht op de goederen, de bedragen, sommen en uitkeringen in uitvoering van de overeenkomst.

De oorzaak van de vordering ontstaat na de faling als het rechtsfeit, de rechtshandeling (overeenkomst of eenzijdige handeling) of de toestand die rechtstreeks aan de vordering ten grondslag ligt, zich na de faling situeert.

Het is de geleverde arbeid na de faling die rechtstreeks aan de vordering tot betrokken loon ten grondslag ligt. Zo ook zal de werkonbekwaamheid voor een periode na de faling rechtstreeks aan de vordering tot een uitkering en/of gewaarborgd loon ten grondslag liggen.

De vordering van de curator dient dan ook te worden afgewezen als ongegrond.

(…)