Article

De faillissementsboedel en fresh start kort bekeken, R.D.C.-T.B.H., 2020/6, p. 796-797

INSOLVENTIE
Faillissement
Het is duidelijk de wil van de wetgever dat de inkomsten die gegenereerd worden na het faillissement buiten de faillissementsboedel vallen. De verwijzing naar het begrip oorzaak moet in dit kader dan ook gelezen worden als de tegenprestatie, namelijk de concrete geleverde arbeid na faillissement, in het kader van de arbeidsovereenkomst. Er anders over oordelen zou indruisen tegen de duidelijke wil van de wetgever.
De oorzaak van de vordering ontstaat na het faillissement als het rechtsfeit, de rechtshandeling (overeenkomst of eenzijdige handeling) of de toestand die rechtstreeks aan de vordering ten grondslag ligt, zich na het faillissement situeert.
Het is de geleverde arbeid na het faillissement die rechtstreeks aan de vordering tot betrokken loon ten grondslag ligt. Zo ook zal de werkonbekwaamheid voor een periode na het faillissement rechtstreeks aan de vordering tot een uitkering en/of gewaarborgd loon ten grondslag liggen.
INSOLVABILITÉ
Faillite
Il est clair que la volonté du législateur est que les revenus générés après la faillite tombent en dehors de la masse de la faillite. La référence à la notion de cause doit donc être lue dans ce contexte comme la contrepartie, c'est-à-dire le travail effectif accompli après la faillite, dans le cadre du contrat de travail. Juger autrement serait contraire à la volonté claire du législateur.
La cause de l'acquisition des biens ou des sommes est postérieure à la faillite si le fait juridique, l'acte juridique (contrat ou acte unilatéral) ou la situation directement sous-jacente à la demande survient après la faillite.
C'est le travail fourni après la faillite qui fonde directement la demande visant le salaire en question. De même, pendant une période après la faillite, l'incapacité de travail constituera directement le fondement de la demande de prestation et/ou de salaire garanti.
De faillissementsboedel en fresh start kort bekeken
Inge Van de Plas [1]

1.In dit arrest wordt het fresh start-beleid van het nieuwe Boek XX WER verder geïnterpreteerd. De feiten waren als volgt: op 18 april 2019 wordt een vennootschap, waarvan de verweerders zaakvoerder zijn, failliet verklaard. De daaropvolgende dag vragen verweerders een KBO-nummer aan om een eenmanszaak op te starten. In juni 2019 leggen verweerders de boeken neer van deze eenmansoperatie. Bij bevraging naar de redenen van deze faillissementsaangifte geven zij aan dat zij aangifte hebben gedaan op aanbeveling van DYZO (platform voor ondernemingen in moeilijkheden). De aanvraag van het KBO-nummer en de opstart van de eenmanszaak zouden dan weer het idee zijn geweest van hun advocaat.

Echter, het geschilpunt betreft niet de opstart van de eenmanszaak of de aangifte hiervan in faillissement, maar de beslagbaarheid van de inkomsten die voortvloeien uit arbeidsprestaties van de verweerders verricht na het faillissement.

Volgens artikel XX.110, § 3, tweede lid WER is nu voorzien dat:

Uit het actief van het faillissement worden eveneens uitgesloten de goederen, de bedragen, sommen en uitkeringen die de gefailleerde ontvangt sinds de faillietverklaring op grond van een oorzaak die dateert van na het faillissement.

Deze bepaling is duidelijk geïnspireerd op het fresh start-principe dat is overgewaaid uit de Verenigde Staten. Dit idee stelt voorop dat gefailleerde ondernemers de kans moeten krijgen om hun restschulden te laten kwijtschelden, zodat zij zonder de schuldenberg van hun voormalige onderneming een nieuwe activiteit kunnen opstarten. [2] Het fresh start-principe zat natuurlijk ook al verwerkt in de faillissementswet van 1997. [3] Op basis hiervan kon de gefailleerde natuurlijke persoon zijn restschulden laten kwijtschelden en opnieuw beginnen. Voor de verschoonbaarheid gold wel de voorwaarde dat de gefailleerde ongelukkig en te goeder trouw was. [4]

2.In het Wetboek economisch recht wordt deze maatregel uitgebreid met het regime van de kwijtschelding. Boek XX WER stelt nu voorop dat een gefailleerde, die binnen 3 maanden na de aangifte van het faillissement om kwijtschelding vraagt, automatisch wordt kwijtgescholden. [5]

Bovendien gaat Boek XX WER nog iets verder door de faillissementsboedel te kristalliseren. Vroeger was het uitgangspunt dat vanaf het faillissementsvonnis het gehele vermogen van de gefailleerde binnen de faillissementsboedel viel [6] en dat alle nieuwe inkomsten van de gefailleerde die dateren van ná het faillissementsvonnis ook in de faillissementsboedel vielen. [7] Zoals hierboven aangegeven, wijzigt dit in Boek XX WER. Onder de huidige wetgeving, wordt de faillissementsboedel gekristalliseerd op het ogenblik van het faillissementsvonnis en alles wat de gefailleerde hierna verwerft vanwege een oorzaak van na het faillissementsvonnis komt aan de gefailleerde toe. Deze wijziging is duidelijk ingegeven door het fresh start-principe en heeft tot doel om de gefailleerde zo snel mogelijk de kans te geven om nieuwe activiteiten te ontwikkelen. [8]

3.De vraag voor het hof van beroep is of het loon voor arbeidsprestaties geleverd na het faillissementsvonnis op basis van arbeidsovereenkomst die dateert van voor het faillissementsvonnis beslagbaar is. De curator is van oordeel dat het loon volgt uit een oorzaak die voorafgaat aan het faillissementsvonnis, namelijk de arbeidsovereenkomst, en dat bijgevolg dit loon binnen de faillissementsboedel valt. De verweerders daarentegen stellen dat het loon volgt uit de arbeidsprestaties die dateren van ná het faillissementsvonnis en bijgevolg dus buiten de faillissementsboedel vallen.

Het hof volgt de argumentatie van de verweerders. Het hof leest in artikel XX.110 WER een duidelijke wil van de wetgever om inkomsten van na het faillissementsvonnis te vrijwaren. [9] De rechters zijn dan ook van oordeel dat de arbeidsprestaties moeten worden beschouwd als de oorzaak van het loon en niet de arbeidsovereenkomst. Er anders over oordelen zou indruisen tegen de wil van de wetgever. Het hof maakt hierbij een onderscheid tussen het ontstaan van de rechtsverhouding en de oorzaak van het verkrijgen van de goederen, de bedragen, sommen en uitkeringen. De rechtsverhouding mag misschien zijn ontstaan bij de arbeidsovereenkomst, de oorzaak van het verkregen loon moet worden gezocht bij de geleverde arbeidsprestaties. Het hof gebruikt hiervoor een analogie met een opengevallen nalatenschap. De rechtsverhouding is ontstaan op het ogenblik van de geboorte, maar de oorzaak van het verkrijgen van de erfenis is het overlijden van de erflater. Dezelfde redenering wordt toegepast voor arbeidsprestaties geleverd na het faillissementsvonnis, waarbij de oorzaak van het loon moet worden gezocht na het faillissementsvonnis.

Bijgevolg is het hof van oordeel dat de loonsvorderingen voor arbeidsprestaties na het faillissementsvonnis niet beslagbaar zijn en buiten de faillissementsboedel vallen. De vordering van de curator wordt aldus afgewezen.

[1] Mandaatassistent Insolventierecht, Universiteit Antwerpen.
[2] Local Loan Co. / Hunt, 292 U.S. 234, 244 (1934); B.H. Mann, Republic of Debtors: Bankruptcy in the Age of American Independence, Cambridge, Harvard University Press, 2002, 253.
[3] Art. 80 faillissementswet van 8 Augustus 1997 (BS 28 oktober 1997, p. 28.562).
[4] I. Verougstraete, Manuel de l'insolvabilité de l'entreprise, Wolters Kluwer, 2019, 1193.
[5] Art. XX.173 WER.
[6] Hierop bestonden natuurlijk uitzonderingen; zie oud art. 16, tweede en derde lid Faill.W.
[7] Oud art. 16 Faill.W.
[8] Wetsontwerp houdende invoeging van het Boek XX “Insolventie van ondernemingen” in het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX, in Boek I van het Wetboek van economisch recht, Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 2407/001, 83. Zie ook, I. Verougstraete, Manuel de l'insolvabilité de l'entreprise, Wolters Kluwer, 2019, 788.
[9] Ibid., 83.