Rechtbank van koophandel Brussel (Nl.)25 juni 2019
|
ONDERNEMING, KLEINHANDELAAR, KOOPMAN
Begrip - Zaakvoerder - Inschrijving in de KBO
Een natuurlijke persoon die onderworpen is aan het sociale statuut der zelfstandigen wordt vermoed zelfstandig te zijn in de zin van artikel I.1, 1°, (a) WER. Dit vermoeden geldt ook voor bestuurders en zaakvoerders van vennootschappen en verenigingen, die worden uitgesloten van de inschrijvingsplicht in de KBO en van de boekhoudplicht. Dit vermoeden wordt weerlegd wanneer het bewijs wordt geleverd dat het mandaat onbezoldigd wordt uitgeoefend, of wanneer de betrokken activiteit geen regelmatige activiteit uitmaakt.
|
ENTREPRISE, MARCHAND, COMMERCANT
Définition - Gérant - Inscription à la BCE
Une personne physique qui est soumise au statut social des travailleurs indépendants est présumée être un travailleur indépendant au sens de l'article I.1, 1°, (a) CDE. Cette présomption s'applique également aux directeurs et gérants de sociétés et d'associations, qui sont exclus de l'obligation d'enregistrement dans la BCE et de l'obligation comptable. Cette présomption est renversée si la preuve est apportée que le mandat est exercé sans rémunération, ou si l'activité en question ne constitue pas une activité régulière. [1]
|
S.D.
| Zet: Van Liempt (kamervoorzitter), Vidts en Leys (rechters in ondernemingszaken) |
| Pl.: Mr. M. Bentein |
| Zaak: O/19/00502 |
(…)
2. Artikel XX.99 WER bepaalt dat de schuldenaar die op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen en van wie het krediet geschokt is, zich in staat van faillissement bevindt.
Artikel XX.102 WER bepaalt dat de schuldenaar verplicht is binnen een maand nadat hij heeft opgehouden te betalen, daarvan aangifte te doen ter griffie van de bevoegde rechtbank.
In geval van aangifte van staking van betalingen dient de rechtbank na te gaan of alle voorwaarden van het faillissement aanwezig zijn (I. Verougstraete, Manuel de la continuité des entreprises et de la faillite, Kluwer, 2010-11, p. 370, nr. 3.2.1.4.).
Artikel XX.103 WER bepaalt welke stukken de schuldenaar bij zijn aangifte moet voegen.
Artikel I.22, 8° WER, zoals gewijzigd door de wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht en van toepassing vanaf 1 mei 2018, definieert “schuldenaar” voor de toepassing van Boek XX WER als “een onderneming met uitzondering van iedere publiekrechtelijke rechtspersoon”.
Artikel I.22, 7°/1 WER, zoals ingevoegd door de wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht en van toepassing vanaf 1 mei 2018, definieert “onderneming” voor de toepassing van Boek XX WER als “een onderneming in de zin van artikel I.1, eerste lid, 1° van dit boek”.
Artikel I.1, 1° WER, zoals gewijzigd door de wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht en voor wat betreft de toepassing van de bepalingen van Boek XX van toepassing vanaf 1 mei 2018, definieert “onderneming” voor de toepassing van Boek I WER als “elk van volgende organisaties:
(a) iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent;
(b) iedere rechtspersoon;
(c) iedere andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid.”
In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp houdende hervorming van het ondernemingsrecht (Parl.St. Kamer, 2828/001, p. 9-10) wordt vermeld dat de nieuwe definitie van onderneming zoveel als mogelijk louter formele criteria, die meer rechtszekerheid bieden en die een ruimer bereik hebben dan economische sectoren, gebruikt, en dus niet langer een materieel criterium (“economisch doel nastreven”), waarvan het pertinente karakter voor het insolventierecht niet evident is.
Verder in de memorie van toelichting (Parl.St. Kamer, 2828/001, p. 10-11) leest men:
“De nieuwe algemene ondernemingsdefinitie omvat vooreerst iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent. De keuze voor de begrippen 'zelfstandig' en 'beroepsactiviteit' hebben tot gevolg dat vroegere discussies met betrekking tot 'een duurzame economische activiteit' worden geëlimineerd. Immers, het begrip 'zelfstandig' is de tegenpool van 'in dienstverband' (het onderscheid tussen een zelfstandige en een werknemer), terwijl 'duurzaamheid' inherent is aan een 'beroepsactiviteit'. Bij wijze van voorbeeld kan hier worden gedacht aan natuurlijke personen die handelaars, ambachtsmannen, vrij beroepers of bestuurders van vennootschappen zijn.
(...)
Anderzijds is het belangrijk te onderstrepen dat niet elke activiteit van een natuurlijke persoon onder het ondernemingsbegrip moet vallen. Zo kan een activiteit die louter kadert in het normale beheer van het persoonlijk vermogen van een natuurlijke persoon niet onder het ondernemingsbegrip vallen. In die zin wordt de loutere inschrijving op, verwerving van of aanhouden van aandelen, effecten of deelbewijzen in een vennootschap met rechtspersoonlijkheid door een natuurlijke persoon vermoed te kaderen in het normale beheer van zijn persoonlijk vermogen.”
De duurzame staking van betaling impliceert dat de schuldenaar niet langer beschikt over liquide middelen, andere activa, zoals binnen afzienbare tijd realiseerbare goederen of inbare schuldvorderingen, een bron van inkomsten of voldoende externe financieringsmogelijkheden, waardoor hij op duurzame wijze niet langer in staat is om binnen een redelijke termijn aan zijn zekere, vaststaande en opeisbare verbintenissen het hoofd te bieden.
Geschokt krediet betekent dat de schuldenaar het vertrouwen van zijn schuldeisers heeft verloren. Indien de schuldenaar nog voldoende solvabel is om krediet te bekomen of het vertrouwen van zijn schuldeisers geniet, is zijn krediet niet geschokt.
Betalingsmoeilijkheden van voorbijgaande aard, die kunnen worden opgelost door een krediet aan te vragen, kunnen niet als een duurzame staking van betaling beschouwd worden.
De aanwezigheid van belangrijke activa, zoals een onroerend goed, belet niet dat er sprake kan zijn van staking van betaling en een geschokt krediet. De toestand van staking van betaling houdt verband met het gebrek aan liquiditeiten, en niet met de solvabiliteit.
De faillissementsvoorwaarden moeten worden beoordeeld op de datum van het vonnis van faillietverklaring.
(…)
| [1] | Zie dit nummer, N. Appermont, “De vennootschapsbestuurders als ondernemingsrechtelijke twistappel. Rechtspraak en beleidsmatige overwegingen”. |

