Article

Hof van Cassatie (2e k.), 25/02/2020, P.19.1121.N, R.D.C.-T.B.H., 2020/9, p. 1183-1184

Hof van Cassatie 25 februari 2020

VERZEKERINGEN
Landverzekeringsovereenkomst - Schadeverzekering - Aansprakelijkheidsverzekering - Dekking in de tijd - Artikel 78, § 1 WLVO (art. 142, § 1 W.Verz.) - Begrip voorvallen van schade
Artikel 78, § 1 wet landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat de verzekering slaat op de schade voorgevallen tijdens de duur van de overeenkomst en zich uitstrekt tot vorderingen die na het einde van deze overeenkomst zijn ingediend.
Hieruit volgt dat de verzekeraar tot dekking gehouden is wanneer de schade zich tijdens de duur van de verzekeringsovereenkomst heeft voorgedaan.
Wanneer de verzekerde door zijn fout het overlijden van het slachtoffer heeft veroorzaakt, doet de schade van de rechtsopvolgers en degenen die door het overlijden schade bij terugslag lijden, zich voor op het ogenblik van dat overlijden en is de verzekeraar tot dekking gehouden indien dit tijdstip binnen de duur van de verzekeringsovereenkomst valt.
ASSURANCES
Assurances terrestres - Assurance de dommages - Assurance responsabilité civile - Couverture dans le temps - Article 78, § 1er, LCAT (art. 142, § 1er, LA) - Concept de la survenance du dommage
L'article 78, § 1er, de la loi sur le contrat d'assurance terrestre prévoit que l'assurance porte sur les dommages survenus pendant la durée du contrat et s'étend aux réclamations introduites après la fin du contrat.
Il s'ensuit que l'assureur est tenu de couvrir le dommage si celui-ci est survenu pendant la durée du contrat d'assurance.
Si l'assuré a causé le décès de la victime par sa faute, les dommages des ayants droit et de ceux qui subissent des dommages par répercussion causés par ce décès, surviennent au moment de ce décès et l'assureur est tenu de les couvrir si ce moment se situe pendant la durée du contrat d'assurance.

Fidea NV / P. VDC e.a.

Zet.: G. Jocqué (raadsheer wnd. voorzitter), P. Hoet, A. Lievens, E. Francis en E. Van Dooren (raadsheren)
OM: H. Vanderlinden (advocaat-generaal)
Pl.: Mrs. R. Vermeiren, J. Verbist en H. Geinger
Zaak: P.19.1121.N

(…)

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 18 oktober 2019.

De eiseres voert in de memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseres haar cassatieberoep heeft laten betekenen aan B.D., die op 6 september 2019 meerderjarig is geworden.

In zoverre het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing op de vordering van de dertiende en veertiende verweerders qualitate qua voor B.D., is het niet ontvankelijk.

Middel
Eerste onderdeel

2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 142, § 1 wet verzekeringen 2014 en artikel 78, § 1 wet landverzekeringsovereenkomst, zoals van toepassing vóór zijn opheffing bij de wet verzekeringen 2014: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de eiseres tot dekking van het schadegeval gehouden is op grond dat de schade is voorgevallen op het ogenblik waarop de schadelijders kennis kregen van de schade, met name in de periode medio 2009 tot 26 augustus 2010.

3. Artikel 78, § 1 wet landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat de verzekering slaat op de schade voorgevallen tijdens de duur van de overeenkomst en zich uitstrekt tot vorderingen die na het einde van deze overeenkomst zijn ingediend. Hieruit volgt dat de verzekeraar tot dekking gehouden is wanneer de schade zich tijdens de duur van de verzekeringsovereenkomst heeft voorgedaan.

Wanneer de verzekerde door zijn fout het overlijden van het slachtoffer heeft veroorzaakt, doet de schade van de rechtsopvolgers en degenen die door het overlijden schade bij terugslag lijden, voor op het ogenblik van dat overlijden en is de verzekeraar tot dekking gehouden indien dit tijdstip binnen de duur van de verzekeringsovereenkomst valt.

4. De appelrechters stellen vast en oordelen dat:

- de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, bij vonnis van 27 juni 2016 D.B. onder meer heeft veroordeeld om door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg onopzettelijk de dood te hebben veroorzaakt, in de periode van 1 december 2005 tot 5 februari 2013, van A.W. door niet adequaat te hebben gereageerd en behandeld en in de periode van 1 september 2009 tot 26 augustus 2010 verzuimd te hebben hulp te verlenen aan iemand die in groot gevaar verkeert;

- de eerste tot en met negentiende verweerders zich voor de correctionele rechtbank burgerlijke partij stelden om vergoeding te verkrijgen voor hun schade veroorzaakt door voormelde misdrijven gepleegd door D.B.;

- de eiseres dekking verleent voor de aansprakelijkheid van D.B. in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2010;

- A.W. op 5 februari 2013 is overleden.

5. De appelrechters die oordelen dat de eiseres die dekking verleende tot 31 december 2010, het schadegeval moet ten laste nemen omdat de schade is ontstaan in de periode vanaf medio 2009 tot 26 augustus 2010, dit is het ogenblik waarop het slachtoffer het verband kon leggen tussen de klachten en de eraan voorafgaande fouten van de arts, terwijl het slachtoffer overleden is op 5 februari 2013, hetzij na 31 december 2010, datum waarop de gehoudenheid van de eiseres verstreek, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Overige onderdelen

6. De onderdelen die niet kunnen leiden tot een ruimere cassatie, behoeven geen antwoord.

Omvang van de cassatie

7. De vernietiging van de beslissing over de vordering van de eerste tot en met negentiende verweerders, behoudens de dertiende en veertiende verweerders qualitate qua voor B.D. tegen de eiseres, strekt zich uit tot de beslissing over de vorderingen van deze verweerders tegen de eenentwintigste en tweeëntwintigste verweersters die er onlosmakelijk mee verbonden is.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de vorderingen van de eerste tot en met de negentiende verweerders, behoudens de dertiende en de veertiende verweerders qualitate qua voor B.D., tegen de eiseres, de eenentwintigste verweerster en de tweeëntwintigste verweerster en de hieraan verbonden kosten.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiseres tot een tiende van de kosten van haar cassatieberoep.

Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Bepaalt de kosten op 2.667,44 euro, waarvan 426,42 euro verschuldigd is.