Hof van beroep Brussel 22 maart 2018
|
VERZEKERINGEN
Landverzekering - Schadeverzekeringen - Aansprakelijkheidsverzekering - Verzekering BA na levering van goederen - Begrip gerechts-, advocaten- en deskundige kosten - Artikel 82, derde lid WLVO (art. 146, derde lid W.Verz.) - Belangenconflict
Het belangenconflict dat voortspruit uit de beperkingen van de dekking in de polis heeft een aan het schadegeval voorafgaande objectieve oorzaak en is niet te wijten aan de aansprakelijkheidsverzekeraar, noch aan de verzekeringnemer.
Het begrip kosten betreffende de burgerlijke rechtsvorderingen in artikel 82, derde lid WLVO heeft noodzakelijkerwijze betrekking op de gerechtskosten waartoe de verzekerde jegens de benadeelde wordt veroordeeld.
Het begrip honoraria en kosten van de advocaten en deskundigen in deze wetsbepaling heeft noodzakelijkerwijze betrekking op de erelonen en kosten van advocaten en deskundigen die de verzekerde heeft moeten uitgeven om het gedeelte van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde waarvoor de verzekeraar dekking weigerde en waardoor het belangenconflict ontstond, met redelijke kans op succes te bestrijden.
Zijn daarentegen geen kosten die onder deze wetsbepaling vallen de erelonen en kosten van advocaten en deskundigen die de verzekerde heeft uitgegeven om een vordering te ondersteunen tegen zijn eigen aansprakelijkheidsverzekeraar die verzekeringsdekking voor een deel terecht weigerde, evenals de gerechtskosten waarin de verzekerde jegens zijn eigen aansprakelijkheidsverzekeraar als in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld.
|
ASSURANCES
Assurances terrestres - Assurances de dommages - Assurance responsabilité - Assurance RC après livraison des marchandises - Notion de frais de justice, d'avocat et d'expert - Article 82, alinéa 3, de la loi sur le contrat d'assurance terrestre (art. 146, al. 3, de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances) - Conflit d'intérêts
Le conflit d'intérêts découlant des limitations de couverture de la police a une cause objective antérieure au sinistre et n'est pas imputable à l'assureur RC ni au preneur d'assurance.
La notion de frais afférents aux actions civiles de l'article 82, alinéa 3, LCAT se réfère nécessairement aux frais de justice auxquels l'assuré a été condamné envers la personne lésée.
La notion d'honoraires et de frais d'avocats et d'experts dans cette disposition de la loi se réfère nécessairement aux honoraires et frais d'avocats et d'experts que l'assuré a dû exposer pour combattre avec une chance raisonnable de succès la partie de la demande d'indemnisation de la personne lésée pour laquelle l'assureur a refusé la couverture, refus à la suite duquel le conflit d'intérêts est apparu.
En revanche, les honoraires et frais d'avocats et d'experts que l'assuré a dû exposer dans le cadre d'une réclamation contre son propre assureur responsabilité qui a refusé à juste titre, pour partie, sa couverture d'assurance, ainsi que les frais de justice auxquels l'assuré est condamné comme partie succombant contre son propre assureur responsabilité, ne sont pas des frais qui tombent sous cette disposition légale.
|
NV KBC Verzekeringen / BVBA Immo D.M.
| Zet.: B. Veeckmans (voorzitter), Ph. Soetaert en F. Gillijns (raadsheren) |
| Pl.: Mrs. D'Haene loco L. Sol, Feytons loco P. Van Rompaey |
| Zaak: 2014/AR/2743 |
(…)
| De procedure in eerste aanleg |
(…)
| De procedure in hoger beroep |
(…)
| De feiten |
Immo D.M. heeft bij KBC Verzekeringen een bedrijfspolis aansprakelijkheidsverzekeringen afgesloten.
Artikel 2 van de algemene voorwaarden van de verzekering “BA. na levering van goederen” bepaalt:
“Deze verzekering dekt de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, overeenkomstig het Belgisch of buitenlands recht, van de verzekeringnemer (…) voor schadegevallen die aan derden worden veroorzaakt door goederen na hun levering of door werken na hun uitvoering en die onder meer toe te schrijven zijn aan het eigen gebrek van deze goederen of werken, of aan een fout of vergissing bij de conceptie, de fabricage, de verpakking, de etikettering, de gebruiksaanwijzing, de behandeling, de opslag, de levering, de constructie, de montage, het onderhoud, de herstelling, de omvorming.”
Artikel 3 van dezelfde algemene voorwaarden bepaalt:
“Zijn van de verzekering uitgesloten:
- de schade aan de geleverde goederen of uitgevoerde werken zelf alsmede de kosten om ze te vervangen of te herstellen;
- de kosten van het terugnemen, het intrekken, het herstellen of het vervangen van goederen of werken die een reëel of vermoed gebrek vertonen zelfs wanneer deze verrichtingen tot doel hebben schade te voorkomen.
(…)”
Bij gerechtsdeurwaardersexploten van 15 mei 2007 en 18 mei 2007 liet mevrouw I.D. overgaan tot dagvaarding van Immo D.M. en KBC Verzekeringen voor de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout.
De vordering van mevrouw D. strekte er toe om Immo D.M. en KBC Verzekeringen in solidum te horen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding wegens een voorgehouden gebrekkige uitvoering van chapewerken door Immo D.M. in haar woning.
Zowel Immo D.M. als KBC Verzekeringen werden voor de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout bijgestaan en vertegenwoordigd door dezelfde advocaat.
In deze procedure werden diverse andere partijen tot gedwongen tussenkomst gedagvaard.
Bij tussenvonnis van 26 juli 2007 heeft de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout een deskundigenonderzoek bevolen.
Na neerlegging van het eindverslag van de gerechtsdeskundige en de verdere instaatstelling van de zaak, werd voor de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout een pleitdatum bepaald op 21 juni 2010.
Op 5 mei 2010, nadat alle conclusies reeds waren ingediend, verstuurde de advocaat van Immo D.M. en KBC Verzekeringen een brief aan Immo D.M. en de verzekeringsmakelaar met volgende inhoud:
“In dit dossier deelde KBC Verzekeringen mij de polis mee en meldt mij:
In BA na levering is uitgesloten:
- de schade aan de geleverde goederen of de uitgevoerde werken zelf alsmede de kosten om ze te vervangen of te herstellen;
- de kosten van het terug nemen, het intrekken, het herstellen of het vervangen van goederen of werken die een reëel of vermoed gebrek vertonen zelfs wanneer deze verrichtingen tot doel hebben schade te voorkomen.
Volgens KBC is het hic et nunc niet helemaal duidelijk of het afschuren van de bovenlaag onder de uitsluitingen valt. Als dit gebeurt om herstellingen uit te voeren aan de uitgevoerde werken, kan KBC Verzekeringen geen waarborg verlenen.
Ik houd er aan U dit mee te delen.”
Bij eindvonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 20 september 2010 werden lmmo D.M. en KBC Verzekeringen in solidum veroordeeld tot betaling aan mevrouw D. van 110.626,55 euro, te vermeerderen met de vergoedende interesten tegen de wettelijke interestvoet vanaf 1 december 2005 en van 150 euro per maand vanaf 1 april 2009 tot de datum van volledige betaling van voormeld bedrag.
De door Immo D.M. en KBC Verzekeringen ingestelde vorderingen tot vrijwaring tegen vier andere partijen werden ongegrond verklaard.
Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 15 november 2010 hebben Immo D.M. en KBC Verzekeringen, nog steeds vertegenwoordigd door dezelfde advocaat, tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Dit hoger beroep werd gericht tegen mevrouw D., oorspronkelijke eiseres, en de NV C., één van de vier oorspronkelijke verweerders tot gedwongen tussenkomst en vrijwaring.
Op 20 december 2010 schreef de advocaat van Immo D.M. en KBC Verzekeringen aan zijn beide cliënten en aan de verzekeringsmakelaar een brief met volgende inhoud:
“Ik verwijs naar mijn brief van 3 december 2010 waarin ik aan KBC Verzekeringen vroeg om uitsluitsel te geven over de mate waarin dekking wordt gegeven aan uw verzekerde Immo D.M.
In het verleden deelde u in een brief van 8 februari 2010 uw standpunt mee, maar was het mij niet volledig duidelijk of dit uw standpunt was. U schreef immers:
'Het is me niet helemaal duidelijk of het afschuren van de bovenlaag onder onze uitsluitingen valt, als dit gebeurt om herstellingen uit te voeren aan de uitgevoerde werken, kunnen wij hiervoor geen waarborg verlenen.”
Een definitief standpunt hierover ontving ik niet.
Voor zover u meent dat het afschuren van de bovenlaag onder de uitsluitingen valt, betekent dit vanzelfsprekend dat een bedrag van 52.570 euro (exclusief btw) niet gedekt wordt. U vindt dit bedrag terug op blz. 43 van het verslag van de deskundige.
Het spreekt voor zich dat er m.b.t. dat aspect een tegenstrijdigheid van belangen kan ontstaan tussen KBC Verzekeringen en Immo D.M. en Immo D.M. aangeraden wordt, in dat geval een andere raadsman te contacteren.
(…)”
Immo D.M. raadpleegde een andere advocaat, die haar voor het verdere verloop van de procedure in hoger beroep bijstond en vertegenwoordigde. De vroegere gemeenschappelijke advocaat van Immo D.M. en KBC Verzekeringen bleef verder uitsluitend optreden voor KBC Verzekeringen.
Voor het hof van beroep te Antwerpen voerde KBC Verzekeringen aan dat zij op grond van de polis enkel dekking moet verlenen voor de gevolgschade en dat de schade aan de uitgevoerde werken zelf en de kosten van vervanging uit de dekking zijn gesloten.
Mevrouw D., die tegen KBC Verzekeringen een rechtstreekse vordering had ingesteld, betwistte de dekkingsvoorwaarden als zodanig niet maar stelde dat alle schade, waarvoor zij vergoeding vorderde, voor haar gevolgschade uitmaakte.
Het hof van beroep te Antwerpen is in zijn arrest van 10 mei 2012 niet het standpunt van mevrouw D. maar het standpunt van KBC Verzekeringen bijgetreden.
Uitsluitend Immo D.M. werd veroordeeld tot betaling aan mevrouw D. van de kosten van vervanging van de vloer, hetzij 52.750 euro, vermeerderd met de interesten vanaf 1 december 2005.
Immo D. en KBC Verzekeringen werden wel in solidum veroordeeld tot betaling aan mevrouw D. van een vergoeding voor de gevolgschade, hetzij 48.872,55 euro, vermeerderd met de interesten vanaf 1 december 2005.
Immo D.M. had voor het hof van beroep te Antwerpen ook een tussenvordering ingesteld tegen KBC Verzekeringen tot betaling van 1 euro provisioneel voor de kosten van de deskundige en de kosten en erelonen van haar advocaat en om KBC Verzekeringen te horen veroordelen om haar te vrijwaren voor alle bedragen waartoe zij zou worden veroordeeld.
In voormeld arrest van 10 mei 2012 heeft het hof van beroep te Antwerpen deze tussenvordering, die een agressief karakter had en voor het eerst in hoger beroep werd ingesteld, onontvankelijk verklaard.
De door Immo D.M. en KBC Verzekeringen in hoger beroep hernomen vordering tot vrijwaring tegen de NV C. bleef ongegrond.
Het wordt niet betwist dat Immo D.M., zoals overigens ook de andere partijen, in dit arrest van 10 mei 2012 heeft berust.
In deze procedure vordert Immo D.M. de kosten (gerechtskosten, advocatenkosten en kosten van deskundige) die zijzelf als gevolg van de procedure voor het hof van beroep te Antwerpen heeft betaald, terug van KBC Verzekeringen.
| De beoordeling |
1. De huidige vordering van Immo D.M. tegen KBC Verzekeringen is uitsluitend gesteund op artikel 82, derde lid van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, thans artikel 146, derde lid van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen.
Deze wetsbepaling luidt als volgt:
“De verzekeraar betaalt, zelfs boven de dekkingsgrenzen, de kosten betreffende burgerlijke rechtsvorderingen, alsook de honoraria en de kosten van de advocaten en de deskundigen, maar alleen in zover die kosten door hem of met zijn toestemming zijn gemaakt of, in geval van belangenconflict dat niet te wijten is aan de verzekerde, voor zover die kosten niet onredelijk zijn gemaakt.”
2. In hoger beroep heeft Immo D.M. haar vordering, gesteund op deze wetsbepaling, verminderd tot 13.838,53 euro. Dit bedrag is als volgt samengesteld:
- 4.6250 euro: gerechtskosten betaald aan de NV C.;
- 6.746,72 euro: erelonen en kosten van de advocaat die voor haar is opgetreden in de procedure voor het hof van beroep te Antwerpen;
- 1.500 euro: erelonen en kosten van een door haar geraadpleegde advocaat bij het Hof van Cassatie;
- 966,81 euro: erelonen en kosten van een door haar geraadpleegde deskundige in de procedure voor het hof van beroep te Antwerpen.
3. Nadat zowel Immo D.M. als KBC Verzekeringen op verzoek van mevrouw D. voor de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout werden gedagvaard, heeft KBC Verzekeringen een advocaat aangesteld om de gemeenschappelijke belangen van de verzekeraar en de verzekerde te verdedigen.
KBC Verzekeringen als aansprakelijkheidsverzekeraar heeft daarbij ongetwijfeld met toepassing van artikel 143 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen de leiding van het geschil waargenomen.
Tijdens de ganse procedure voor de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout heeft KBC Verzekeringen, die zelf ook partij was en tegen wie mevrouw D. een rechtstreekse vordering had ingesteld, niet betwist dat zij voor een gedeelte van schade, waarvoor vergoeding werd gevorderd, op grond van de polisvoorwaarden geen dekking moest verlenen.
Slechts nadat de gemeenschappelijke advocaat van Immo D.M. en KBC Verzekeringen tegen het eindvonnis van 20 september 2010 van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout hoger beroep instelde, deelde hij voor het eerst op 20 december 2010 op duidelijke wijze mee dat, voor zover KBC Verzekeringen meende dat de kosten van het afschuren van de bovenlaag voor 52.750 euro onder de uitsluitingen van de dekking vielen, er een tegenstrijdigheid van belangen kon ontstaan tussen KBC Verzekeringen en Immo D.M. en deze laatste werd aangeraden een andere advocaat te contacteren.
Vervolgens raadpleegde Immo D.M. effectief een andere advocaat en bleef de vroegere gemeenschappelijke advocaat van Immo D.M. en KBC Verzekeringen verder uitsluitend optreden voor de verzekeraar.
In haar voor het hof van beroep te Antwerpen ingediende conclusies betwistte KBC Verzekeringen wel voor het eerst dat zij voor alle schade, waarvoor vergoeding werd gevorderd, op grond van de polisvoorwaarden dekking moest verlenen. Zij stelde dat haar dekkingsplicht beperkt was tot de gevolgschade en geen betrekking had op de kosten van vervanging van de vloer zelf.
Deze stelling was niet alleen strijdig met de belangen van de benadeelde maar ook met die van haar verzekerde, Immo D.M.
4. Uit het voorgaande volgt dat KBC Verzekeringen, gelet op haar gewijzigde proceshouding voor het hof van beroep te Antwerpen, bezwaarlijk kan betwisten dat voor het eerst voor dit hof er een belangenconflict ontstond tussen haar en haar verzekerde. Zo niet, dan zou zij haar verzekerde ook niet hebben aangeraden een andere advocaat te raadplegen.
Dit belangenconflict sproot voort uit de beperkingen van de dekking die tussen verzekeringnemer en verzekeraar in de tussen hen afgesloten polis waren overeengekomen, en waaruit de verzekeraar voor het eerst in de loop van de aansprakelijkheidsprocedure in hoger beroep de juridische consequenties trok.
Het belangenconflict had met andere woorden een aan het schadegeval voorafgaande objectieve oorzaak.
Op grond van pertinente motieven oordeelde de eerste rechter dan ook terecht dat dit belangenconflict te wijten was noch aan KBC Verzekeringen, noch aan Immo D.M. en dat alleszins niet wordt aangetoond dat het belangenconflict te wijten was aan Immo D.M. (een belangenconflict dat wél te wijten is aan de verzekerde is bijvoorbeeld het geval waarin de verzekeraar de verzekerde moet aanraden een eigen advocaat te raadplegen omdat hij de intentie heeft om bij veroordeling van de verzekerde nadien een regresvordering in te stellen én deze regresvordering in een navolgend proces gegrond wordt verklaard).
De bovenstaande overwegingen impliceren echter niet dat Immo D.M. gerechtigd is om van alle door haar gevorderde bedragen zonder meer terugbetaling vanwege KBC Verzekeringen te bekomen.
De juiste draagwijdte van de in artikel 146, derde lid van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen geviseerde kosten moet hierna worden onderzocht.
5. De dwingende wetsbepaling van artikel 146, derde lid van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen heeft betrekking op het voorwerp van de dekking in een aansprakelijkheidsverzekering.
De uitslag van het aansprakelijkheidsgeschil tussen de benadeelde en de verzekerde is voor de bepaling van het voorwerp van de dekking als zodanig niet relevant.
Het volstaat dat door een derde benadeelde een aanspraak wordt geformuleerd waarvoor de verzekeraar tot dekking kan gehouden zijn. Dit was hier het geval. Mevrouw D. vorderde een vergoeding voor haar volledige schade tegen zowel Immo D.M. als KBC Verzekeringen.
De “kosten betreffende burgerlijke rechtsvorderingen” in deze wetsbepaling hebben noodzakelijkerwijze betrekking op de gerechtskosten, waarin de verzekerde jegens de benadeelde wordt veroordeeld.
De “honoraria en de kosten van de advocaten en de deskundigen” in deze wetsbepaling hebben noodzakelijkerwijze betrekking op erelonen en kosten van advocaten en deskundigen die de verzekeraar of de verzekerde heeft moeten uitgeven om de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde tegen de verzekerde met redelijke kans op succes te bestrijden.
Hierboven werd reeds geoordeeld dat er sprake is van een belangenconflict, dat niet te wijten is aan Immo D.M., zodat laatstgenoemde ook aanspraak kan maken op verzekeringsdekking voor de erelonen en kosten van advocaten en deskundigen, die niet door of met toestemming van de verzekeraar werden betaald.
Het gaat dan echter uitsluitend om de erelonen van advocaten en deskundigen, die Immo D.M. heeft moeten uitgeven om het gedeelte van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde, waarvoor KBC Verzekeringen de dekking weigerde en waardoor het belangenconflict precies ontstond, met redelijke kans op succes te bestrijden.
Het gaat niet om de erelonen van advocaten en deskundigen, die Immo D.M. zelf zou hebben uitgegeven om het gedeelte van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde te bestrijden, waarvoor KBC Verzekeringen nooit heeft betwist dat zij dekking moet verlenen en waarvoor deze laatste verder de leiding van het geding heeft waargenomen, omdat hierover geen belangenconflict bestond.
Vallen evenmin onder het voorwerp van deze wetsbepaling de erelonen en kosten van advocaten en deskundigen die de verzekerde heeft uitgegeven om een vordering tegen zijn eigen aansprakelijkheidsverzekeraar, die de verzekeringsdekking voor een deel terecht weigert, te ondersteunen.
Vallen evenmin onder het voorwerp van deze wetsbepaling de gerechtskosten waarin de verzekerde als de in het ongelijk gestelde partij in een dergelijk verzekeringsgeschil jegens zijn eigen aansprakelijkheidsverzekeraar wordt veroordeeld.
De aansprakelijkheidsverzekering dekt, binnen bepaalde voorwaarden, de kosten van het geschil tussen de benadeelde en de verzekerde en niet van het geschil tussen de verzekerde en zijn verzekeraar, alleszins niet indien de verzekerde in het verzekeringsgeschil in het ongelijk wordt gesteld.
Dat in dit geval Immo D.M. in het verzekeringsgeschil tussen haar en KBC Verzekeringen in het ongelijk werd gesteld, kan niet ernstig worden betwist. Oordelend over de rechtstreekse vordering van mevrouw D. tegen KBC Verzekeringen, heeft het hof van beroep te Antwerpen in zijn definitief geworden arrest van 10 mei 2012 beslist dat de verzekeraar uitsluitend dekking moet verlenen voor de gevolgschade en niet voor de kosten van vervanging van de vloer zelf. Uiteraard zou het hof van beroep te Antwerpen de onderlinge rechtsverhouding tussen de verzekerde en de verzekeraar ten gronde op dezelfde wijze hebben beoordeeld, indien de vordering tot vrijwaring van Immo D.M. tegen KBC Verzekeringen niet voor het eerst in hoger beroep werd ingesteld en om die reden onontvankelijk moest worden verklaard.
6. De door Immo D.M. gevorderde bedragen moeten aan de hierboven vermelde criteria worden getoetst.
6.1. Vooreerst vordert Immo D.M. een bedrag van 4.625 euro, zijnde gerechtskosten die zij betaald heeft aan de NV C.
KBC Verzekeringen betwist niet dat Immo D.M. dit bedrag zelf heeft betaald.
Deze gerechtskosten vallen op grond van artikel 146, derde lid van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen onder het voorwerp van de aansprakelijkheidsverzekering en moeten bijgevolg door KBC Verzekeringen ten laste worden genomen.
6.2. Verder vordert Immo D.M. een bedrag van 6.746,72 euro, zijnde de erelonen en kosten die zij aan haar advocaat heeft betaald voor vertegenwoordiging en bijstand in de procedure voor het hof van beroep te Antwerpen.
Een gedetailleerde staat van erelonen en kosten wordt niet overgelegd.
Immo D.M. legt een kopie over van de syntheseconclusie die haar advocaat voor het hof van beroep te Antwerpen heeft ingediend.
Deze syntheseconclusie heeft voor een groot deel betrekking op de betwisting van de principiële aansprakelijkheid van Immo D.M. jegens mevrouw D., wat ook relevant was voor het onderdeel van de vordering tot schadevergoeding, waarvoor KBC Verzekeringen in hoger beroep de dekking weigerde.
Daarnaast betwistte Immo D.M. ook kort het gevorderde bedrag van 52.750 euro, waarvoor KBC Verzekeringen de dekking weigerde.
In zoverre werden deze verdedigingskosten niet onredelijk gemaakt.
In deze syntheseconclusie verweerde Immo D.M. zich echter ook tegen de door mevrouw D. gevorderde bedragen, waarvoor KBC Verzekeringen nooit betwist heeft dat zij in geval van veroordeling van haar verzekerde dekking moest verlenen. Voor dit onderdeel van de vordering tot schadevergoeding bleef KBC Verzekeringen de leiding van het geschil waarnemen en was er geen belangenconflict. In de mate dat Immo D.M. haar advocaat gelastte om betreffende dit onderdeel van de vordering zich niet louter aan te sluiten bij de conclusies van KBC Verzekeringen maar zelf ook verweer te voeren, vallen de kosten van dit onderdeel van het verweer niet onder de dekking, waarop zij op grond van artikel 146, derde lid van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen aanspraak wenst te maken.
Ten slotte bevatte deze door Immo D.M. ingediende syntheseconclusie ook een luik over het verzekeringsgeschil tussen haar en KBC Verzekeringen en over de agressieve vordering, die zij voor het eerst in hoger beroep tegen de verzekeraar instelde. Om de redenen die hierboven werden uiteengezet, valt dit onderdeel van de verdedigingskosten van Immo D.M. niet onder de dekking, waarop zij op grond van artikel 146, derde lid van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen aanspraak wenst te maken.
Bij gebrek aan meer nauwkeurige beoordelingsgronden, wordt het deel van de staat van erelonen en kosten van de advocaat van Immo D.M. betreffende de procedure voor het hof van beroep te Antwerpen, dat door KBC Verzekeringen moet worden gedragen, ex aequo et bono bepaald op 4.500 euro.
6.3. Verder vordert Immo D.M. een bedrag van 1.500 euro, zijnde de erelonen en kosten die zij heeft betaald aan een advocaat bij het Hof van Cassatie voor een advies nopens de kansen op welslagen om tegen het arrest van 10 mei 2012 van het hof van beroep te Antwerpen een voorziening in cassatie in te stellen.
Uit de overgelegde brief van de advocaat bij het Hof van Cassatie van 4 juni 2012 blijkt dat hij met een ruime opdracht werd belast om “het dossier te onderzoeken naar de slaagkansen van mogelijke cassatiemiddelen die zouden kunnen worden aangevoerd tegen het arrest”.
In de mate dat deze adviesopdracht betrekking had op de veroordeling in dit arrest van Immo D.M. tot betaling aan mevrouw D. van 52.750 euro, vermeerderd met de interesten, vallen de aan dit advies verbonden advocatenkosten en -erelonen onder de dekking, waarop Immo D.M. op grond van artikel 146, derde lid van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen ten aanzien van KBC Verzekeringen aanspraak kan maken.
Het wordt niet aangetoond dat deze kosten onredelijk werden gemaakt.
In de mate dat deze adviesopdracht echter betrekking had op de tussenvordering die Immo D.M. voor het eerst in hoger beroep tegen haar eigen verzekeraar KBC Verzekeringen had ingesteld en die in het arrest van 10 mei 2012 onontvankelijk werd verklaard, vallen de aan dit advies verbonden advocatenkosten en -erelonen om de hierboven ontwikkelde redenen niet onder de dekking, waarop Immo D.M. op grond van artikel 146, derde lid van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen ten aanzien van KBC Verzekeringen aanspraak kan maken.
Bij gebrek aan meer nauwkeurige beoordelingsgronden, wordt het deel van de staat van erelonen en kosten van de advocaat bij het Hof van Cassatie, dat door KBC Verzekeringen moet worden gedragen, ex aequo et bono bepaald op 750 euro.
6.4. Ten slotte vordert Immo D.M. een bedrag van 966, 81 euro, zijnde de erelonen en kosten van de deskundige A., die als technisch raadsman door haar werd geraadpleegd om haar in de procedure voor het hof van beroep te Antwerpen bij te staan.
De heer A. heeft na onderzoek van het dossier een nota opgesteld, die door Immo D.M. als overtuigingsstuk werd overgelegd in de procedure voor het hof van beroep te Antwerpen (zie stuk nr. 4 op de inventaris gevoegd aan haar syntheseconclusie voor het hof van beroep te Antwerpen).
In deze nota verstrekte de heer A. een technisch advies over wat als schade aan de uitgevoerde werken zelf, waarvoor KBC Verzekeringen de dekking weigerde, moest aanzien worden, stellende dat alle overige schadeposten te beschouwen waren als gevolgschade.
Aldus is het hof van oordeel dat dit technisch advies deel uitmaakte van het door Immo D.M. gevoerde verweer tegen het onderdeel van de vordering tot schadevergoeding van mevrouw D., waarvoor KBC Verzekeringen de dekking weigerde en waardoor er voor het eerst in hoger beroep een belangenconflict was ontstaan, dat niet aan Immo D.M. was te wijten.
Het wordt niet aangetoond dat deze verdedigingskosten onredelijk werden gemaakt.
Deze verdedigingskosten vallen op grond van artikel 146, derde lid van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen onder het voorwerp van de aansprakelijkheidsverzekering en moeten bijgevolg door KBC Verzekeringen ten laste worden genomen.
6.5. Uit het voorgaande volgt dat de vordering van Immo D.M. gegrond is tot beloop van 10.841,81 euro, te vermeerderen met de verwijlinteresten tegen de wettelijke interestvoet vanaf 7 juni 2013.
7. Immo D.M. vordert tevens om te horen zeggen voor recht dat KBC Verzekeringen niet gerechtigd is de door haar betaalde bedragen, waartoe zij in solidum werd veroordeeld met Immo D.M., van deze laatste terug te vorderen.
KBC Verzekeringen betwist dit onderdeel van de vordering niet.
Voor zoveel als nodig wordt dit onderdeel van de vordering dan ook toegewezen.
8.1. Voor de eerste rechter vorderde Immo D.M. 57.754,15 euro. Het overgrote deel van dit bedrag bestond uit gerechtskosten, die echter nooit door haar betaald werden.
Gelet op de waarde van de vordering in eerste aanleg, heeft de eerste rechter de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg terecht bepaald op 2.750 euro.
Aangezien de vordering van Immo D.M. slechts gegrond is voor 10.841,81 euro, komt het aangewezen voor om Immo D.M. tot drie vierden en KBC Verzekeringen tot één vierde van alle gerechtskosten in eerste aanleg te veroordelen.
8.2. In hoger beroep heeft Immo D.M. haar vordering verminderd tot 13.838,53 euro.
Gelet op de waarde van de vordering in hoger beroep, heeft Immo D.M. de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep in haar laatste conclusie van 2 december 2015 terecht bepaald op 1.210 euro.
Aangezien de vordering van Immo D.M. slechts gegrond is voor 10.841,81 euro, komt het aangewezen voor om Immo D.M. tot één vijfde en KBC Verzekeringen tot vier vijfden van alle gerechtskosten in hoger beroep te veroordelen.
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Rechtsprekend op tegenspraak;
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en als volgt gegrond;
Hervormt het bestreden vonnis, behalve in zoverre het de vordering ontvankelijk heeft verklaard en de gerechtskosten in eerste aanleg heeft vereffend;
Voor het overige opnieuw rechtsprekend;
Verklaart de vordering van de BVBA Immo D.M., zoals aangepast in hoger beroep, als volgt gegrond;
Veroordeelt de NV KBC Verzekeringen tot betaling aan de BVBA Immo D.M. van 10.841,81 euro, te vermeerderen met de verwijlinteresten tegen de wettelijke interestvoet vanaf 7 juni 2013 tot de datum van volledige betaling;
Zegt voor recht dat de NV KBC Verzekeringen niet gerechtigd is de door haar betaalde bedragen, waartoe zij in solidum werd veroordeeld met de BVBA Immo D.M., van deze laatste terug te vorderen;
Veroordeelt de BVBA Immo D.M. tot drie vierden en de NV KBC Verzekeringen tot één vierde van alle gerechtskosten in eerste aanleg, zoals vereffend in het bestreden vonnis;
Veroordeelt de NV KBC Verzekeringen tot vier vijfden en de BVBA Immo D.M. tot één vijfde van alle gerechtskosten in hoger beroep, vereffend voor de NV KBC Verzekeringen op 210 euro rolrecht hoger beroep en 1.210 euro rechtsplegingsvergoeding en voor de BVBA Immo D.M. op 1.210 euro rechtsplegingsvergoeding.

