Duurzaamheid en consumentenrecht
Hoogleraar ondernemingsrecht, Europees institutioneel recht en Europees economisch recht KU Leuven
Codirecteur van Consument Concurrentie Mededinging (CCM)
Gewoon hoogleraar consumentenrecht en ondernemingsrecht KU Leuven
Gastdocent UHasselt
Codirecteur CCM
| I. | Inleiding |
| A. | Wat er op het spel staat … [1] |
Sinds de Industriële Revolutie wordt onze economie gekenmerkt door een lineair patroon van groei en grondstoffenverbruik: 'take - make - use - dispose'. [2] Producenten ontginnen grondstoffen, gebruiken deze om een product te vervaardigen en verkopen dit aan een klant, die het op zijn beurt weggooit als afval. [3] De lineaire benadering waarop traditionele bedrijfsmodellen zijn gebaseerd, botst echter op limieten: ze put de natuurlijke grondstoffen van onze aarde uit en veroorzaakt grote milieuproblemen. [4] Veel producten gaan te snel stuk (de levensduur van veel producten is de afgelopen jaren zelfs afgenomen), veel producten kunnen niet gemakkelijk worden hergebruikt, gerepareerd of gerecycleerd, veel producten zijn uitsluitend bestemd voor eenmalig gebruik en veel producten worden afval vóór het einde van hun potentiële nuttige levensduur.
De circulaire economie vormt een veelbelovend alternatief om onze economie duurzamer te maken. In dit alternatieve kader staan het efficiënt gebruik van grondstoffen en een levenscyclusbenadering ('life-cycle thinking') centraal om materialen en producten zo lang mogelijk in de waardeketen te houden in plaats van ze te vervangen. [5]
Op de mogelijke spanningen tussen consumenten- en milieubescherming werd al een aantal decennia geleden gewezen. [6] Recent krijgt deze discussie meer aandacht in het kader van een verruimd besef dat ons consumptiegedrag inderdaad een enorme impact heeft op onze omgeving, op het gebruik van grondstoffen, op het klimaat, op biodiversiteit …, maar ook op de kansen van toekomstige generaties om nog toegang te hebben tot basisbehoeften. [7] Ook het besef dat ons consumptiegedrag en onze consumptiemogelijkheden niet los gezien kunnen worden van de (werk)omstandigheden waarin onze voeding, kledij, elektronica … worden geproduceerd, groeit.
De nood aan duurzame ontwikkeling, een ontwikkeling «die aan de noden van de huidige generatie voldoet zonder de mogelijkheden van de toekomstige generaties om aan hun noden te voldoen te hypothekeren», staat niet langer ter discussie. [8] Ook over het feit dat «duurzame consumptie en productie» een vereiste is om die duurzame ontwikkeling te kunnen bereiken, bestaat weinig discussie. Sinds 2015 is «verantwoorde consumptie en productie» - wat nauw samenhangt met het idee van een circulaire economie [9] - als een van de zeventien duurzame ontwikkelingsdoelstellingen opgenomen in de VN-Agenda voor duurzame ontwikkeling (SDG-12). [10] Over wat duurzame consumptie dan precies inhoudt (ecologisch duurzaam? sociaal duurzaam? economisch duurzaam?) [11]; over de manier waarop deze duurzame consumptie kan worden bereikt en over de rol die het consumentenrecht daar al dan niet in te spelen heeft, leeft de discussie des te meer.
De voorbije decennia lag de focus van het consumentenrecht vooral op het verzekeren van de economische rechten van de consument op de markt, op het garanderen van het zelfbeschikkingsrecht van de consument. [12] Dit blijkt onder meer uit de speech die Kennedy gaf in 1962 over de rechten van de consument, met als een van de basisrechten het recht om te kiezen tussen een verscheidenheid aan producten. [13] Het blijkt eveneens uit de eerste Europese consumentenprogramma's, die evenzeer focusten op de economische rechten van de consument. [14] Op Europees niveau komt daar nog eens bovenop dat consumentenrecht beoogt bij te dragen aan de verwezenlijking van de interne markt. Aandacht voor de externe effecten van consumptiegedrag of voor de manier waarop consumentenrecht zelf die externe gevolgen zou sturen of beïnvloeden, kon daarbij afwezig blijven. Milieu effecten van consumptie, sociale omstandigheden … werden vooral gezien als problemen voor andere rechtstakken en andere rechtsinstrumenten. [15]
Consumentenrecht kon zo - in isolatie - als een corrigerend mechanisme worden beschouwd, een geheel van regels dat tussenkomt via corrigerende beschermingsmaatregelen (hoofdzakelijk bestaande uit informatieverplichtingen, herroepingsrechten of inhoudelijke regulering van contracten) wanneer de contractvrijheid en het mededingingsrecht niet volstonden om een daadwerkelijke zelfbeschikking te garanderen [16], het recht om keuzes te maken volgens de eigen voorkeuren. Dit model liet bijvoorbeeld toe om het herroepingsrecht bij een aankoop op afstand te zien als een correctie op de informatieasymmetrie die ontstond door online te kopen. Een afweging tussen belangen van consumenten en ondernemingen kon dan bepalen hoe lang het herroepingsrecht ingeroepen kon worden en hoe rechten en plichten van beide partijen vorm kregen. [17] De milieu-impact van consumentvriendelijke herroepings- en retourregels kwam in deze analyse niet aan bod. Nochtans zijn die gevolgen van consumptie en van de manier waarop consumptie wordt geregeld er wel degelijk (zie infra, sub V). [18]
Het is dan ook bijzonder positief dat er recent zowel op nationaal als op Europees niveau wél (meer) aandacht gaat naar het herdenken / 'herijken' van het consumentenrecht, waarbij er opnieuw ruimte is voor een holistisch perspectief en duurzaamheidsdoelstellingen wél worden meegenomen in de uitwerking van het consumentenrecht en de afweging niet langer beperkt is tot belangen van consumenten en ondernemingen op een markt die in 'splendid isolation' opereert van wat daar aan voorafgaat of wat daarna komt.
Voor het consumentenrecht brengt de terechte aandacht voor duurzaamheid de nodige uitdagingen mee. De traditionele uitgangspunten - de focus op de rechten van de consument als marktdeelnemer, het verzekeren van het zelfbeschikkingsrecht van die consument en de afweging van de belangen van ondernemingen en consument om een 'evenwicht' te komen - zijn achterhaald. Een 'evenwicht' dat geen rekening houdt met externaliteiten, zoals het effect van consumptie op milieu, grondstoffenverbruik, sociale omstandigheden …, maar ook de impact op toekomstige generaties, is een vals evenwicht en een herijking van het consumentenrecht dringt zich dan ook op. [19]
Wanneer consumentenrecht een rol wil spelen in duurzame ontwikkeling en op langere termijn relevant wil blijven, is het cruciaal om de bescherming van de consument te verzoenen met duurzame ontwikkeling. Dit zijn doelstellingen die soms parallel lopen, maar evenzeer kunnen botsen. [20] Een duurzaam consumentenrecht vraagt dat consumptiepatronen worden gestimuleerd die de grenzen van wat ecologisch mogelijk is respecteren en tegelijk voor iedereen bereikbaar zouden moeten zijn. [21] Hoewel consumentenbescherming en duurzaamheid als doelstellingen kunnen botsen op korte termijn, is duurzaamheid op lange termijn in het belang van elke consument en burger. [22]
In een duurzaam consumentenrecht is er allicht nog een rol voor het beschermen van het zelfbeschikkingsrecht van de consument (en burger), maar ook hier zal een herijking nodig zijn. Zelfbeschikking (partijautonomie) als uitgangspunt is nooit volledig onbegrensd geweest [23], maar in een duurzaam consumentenrecht is dit enkel nog houdbaar als er een intra- en intergenerationeel element wordt aan toegevoegd. Zelfbeschikking wordt dan het recht om eigen (consumptie)keuzes te maken, zolang deze keuzes de kansen voor anderen op een goed leven niet hypothekeren. [24] Met 'anderen' wordt dan zowel naar huidige als naar toekomstige generaties verwezen. [25]
In elk geval kan de consument en bij uitbreiding het consumentenrecht alleen de duurzaamheidsuitdagingen niet oplossen. Meer nog, het lijkt inderdaad een gemakkelijkheidsoplossing om als maatschappij de verantwoordelijkheid bij de consument te leggen, zonder oog te hebben voor de nood aan grondigere wijzigingen van ons (economisch) systeem. [26] De traditionele oplossing in het consumentenrecht, in de vorm van informatieverplichtingen die geïnformeerde keuzes mogelijk maken [27], zal in elk geval niet volstaan. Hoewel gewijzigde consumptiepatronen absoluut noodzakelijk zijn en informatie daar een rol in speelt, hangen die keuzes onlosmakelijk samen met een nood aan gewijzigde productiemethodes en dit voor de volledige levenscyclus van het product (design, waste). [28] Niet voor niets maken duurzame productie en consumptie deel uit van één en hetzelfde duurzaam ontwikkelingsdoel (SDG-12). Op (korte) termijn zal het economische en juridische systeem zodanig herzien moeten worden dat er (enkel) keuze is uit duurzame opties. Duurzame productie is een noodzakelijke voorwaarde voor duurzame consumptie en de verantwoordelijkheid ligt dus in de eerste plaats bij de overheid en de producent om die duurzame productie te garanderen. Duurzame consumptie is dan een logisch gevolg. In het consumentenrecht zal wel meer dan ooit aandacht moeten zijn voor de zwakkere consument, voor wie toegang tot duurzame consumptie verzekerd moet blijven. Dit wordt ook erkend in de Nieuwe consumentenagenda: consumenten zijn weliswaar bereid meer te betalen voor producten die langer meegaan, maar de toegang tot duurzame producten mag niet afhangen van het inkomensniveau van een consument of de plaats waar hij woont; dit moet voor iedereen een optie zijn. [29]
Meer fundamenteel kunnen individuele keuzes niet los gezien worden van achterliggende economische modellen waarin groei als onverdeeld positief wordt voorgesteld zonder oog te hebben voor de planetaire grenzen en de houdbaarheid op lange termijn [30], en van een maatschappij waarin consumptie overwegend als positief wordt beschouwd en de negatieve aspecten van overconsumptie en materialisme weinig aandacht krijgen. [31] Ook de circulaire modellen die hieronder aan bod komen blijven sterk gefocust op verhaal van groei en op consumptie als deel van de oplossing. [32] Ze kunnen zeker bijdragen tot een oplossing, maar die oplossing kan evenzeer in niet consumeren liggen eerder dan anders consumeren (weiger, beperk, repareer, hergebruik en recycle). [33]
| B. | Wat op stapel staat, wat van stapel loopt … |
De vele recente beleidsinitiatieven op Europees, nationaal en regionaal niveau die een circulaire economie willen stimuleren, zijn zeker een positieve evolutie. Zowel de interne markt, het milieu als consumentenbescherming zijn belangrijke bevoegdheden die de EU deelt met de lidstaten. [34] Hieronder volgt een algemeen overzicht van de vele CE-initiatieven op verschillende beleidsniveaus en vervolgens komen vooral de mogelijke aanpassingen van het consumentenrecht in meer detail aan bod.
Tegelijk willen we in deze bijdrage ook oog hebben voor de belangrijke belendende percelen van de productwetgeving (design) en de afvalreglementering (waste). Tot 80% van de milieueffecten van energie-gerelateerde producten worden tijdens de ontwerpfase bepaald. [35] Op EU-niveau speelt de Ecodesign-Richtlijn een cruciale rol. [36] De EU-afvalwetgeving heeft sinds de jaren 1970 sterke verbeteringen op het gebied van afvalbeheer tot stand gebracht. Zo zijn er onder meer de Afvalstoffen-Richtlijn [37] en heel wat specifieke richtlijnen inzake batterijen, verpakkingen, autowrakken en gevaarlijke stoffen in elektronische apparatuur. [38]
De transitie naar een circulaire economie is vooral sinds 2015 een echte topbeleidsprioriteit van de Europese Unie en haar lidstaten geworden. Op 2 december 2015 presenteerde de Europese Commissie het Actieplan voor een circulaire economie als onderdeel van een strategie om de economie van de EU duurzamer, hulpbronnenefficiënter en competitiever te maken. [39] In 2019 zette de Europese Commissie die koers verder met haar ambitieuze Europese Green Deal. [40] Een van de belangrijkste bouwstenen van de Europese Green Deal was de goedkeuring van een Nieuw Actieplan voor een circulaire economie - voor een schoner en concurrerender Europa op 11 maart 2020. [41] Hierin worden verschillende wetgevende en niet-wetgevende initiatieven aangekondigd voor de gehele levenscyclus van producten, diensten en bedrijfsmodellen, zodat grondstoffen en materialen zo lang mogelijk in de economie blijven. Op de basis van een studie in opdracht van het IMCO [42] stemde het Europees Parlement op 25 november 2020 de Resolutie «Naar een duurzamer eengemaakte markt voor het bedrijfsleven en consumenten». [43] Het topic staat duidelijk hoog op de politieke agenda op EU-niveau. Dit blijkt ook uit de Nieuwe Consumentenagenda van 13 november 2020, die de «groene transitie» als een prioritair actiegebied vooruitschuift. [44] Uit het Werkprogramma van de Commissie voor 2022 [45] blijkt dat er op korte termijn vijf grote initiatieven gepland zijn. We belichten deze hier kort; ze komen verderop meer in detail aan bod.
Ten eerste is er, met betrekking tot het productbeleid, het Initiatief over Duurzame producten, oorspronkelijk voor 2021 aangekondigd, maar nu verwacht in het eerste kwartaal van 2022. [46] De kern van dit wetgevingsinitiatief is het toepassingsgebied van de bovenvermelde Ecodesign-Richtlijn zodanig te verruimen dat deze niet alleen van toepassing is op energie-gerelateerde, maar op een zo breed mogelijk gamma producten, wat ten goede komt aan de circulariteit. In het kader van dit wetgevingsinitiatief en, in voorkomend geval, door middel van aanvullende wetgevingsvoorstellen, zal de Commissie overwegen duurzaamheidsbeginselen vast te stellen en andere geschikte mechanismen te vinden om de duurzaamheidsaspecten te regelen in een brede waaier van productwetgeving. [47] Er zal voorrang worden gegeven aan het aanpakken van de productgroepen zoals elektronica, ICT en textiel, maar ook aan meubilair en producten met een hoge impact (zoals staal, cement en chemische stoffen). Verdere productgroepen zullen worden geïdentificeerd op basis van hun milieueffect en circulariteitspotentieel. [48] Daarnaast zal de Commissie ook de doeltreffendheid van het huidige kader inzake ecologisch ontwerp voor energie-gerelateerde producten verhogen, onder meer door een nieuw Werkplan voor ecologisch ontwerp en energie-etikettering voor 2020-2024 vast te stellen en uit te voeren voor individuele productgroepen. [49] Ook dit wordt verwacht in het eerste kwartaal van 2022.
Ten tweede, is er, met grote impact op het consumenteninformatierecht, het Initiatief over de grotere rol voor de consument bij de groene transitie, oorspronkelijk aangekondigd voor het tweede kwartaal van 2021 (initieel zelfs voor het vierde kwartaal van 2020), nu verwacht in het eerste kwartaal van 2022. [50] Om de deelname van consumenten aan de circulaire economie te bevorderen, zal de Commissie een herziening van de EU-consumentenwetgeving voorstellen om ervoor te zorgen dat consumenten bij het verkooppunt betrouwbare en relevante informatie ontvangen over producten, met inbegrip van de levensduur ervan en repareerbaarheid, de beschikbaarheid van reparatiediensten, reserveonderdelen en reparatiehandleidingen, en software-updates en -upgrades. De Commissie zal ook overwegen om de consumentenbescherming verder te versterken tegen greenwashing en «vroegtijdige veroudering», en minimumeisen vast te stellen voor duurzaamheidsetiketten/logo's en voor informatiehulpmiddelen. [51] Dit alles zou kunnen gebeuren door wijzigingen in de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken [52] en de Richtlijn Consumentenrechten [53] (gepreciseerde informatieverplichting in verband met ecologische kenmerken van het product; toevoeging aan de zwarte lijst van per se verboden handelspraktijken van welbepaalde vormen van 'greenwashing' en van «voortijdige veroudering»). Een andere mogelijkheid is een nieuw, op zichzelf staand instrument voor consumentenbescherming met minimale of maximale harmonisatie.
Ten derde, en nauw samenhangend met de strijd tegen greenwashing, is er het initiatief Milieuprestaties van producten en bedrijven - onderbouwing van claims. [54] Door dit initiatief zouden bedrijven verplicht worden om beweringen over de ecologische voetafdruk van hun producten/diensten te onderbouwen aan de hand van standaardmethoden. Hierdoor moeten dergelijke beweringen in de hele EU betrouwbaar, vergelijkbaar en controleerbaar worden en wordt green washing bestreden. [55]
Ten vierde is er, met potentieel grote impact op het consumentenkooprecht, het Initiatief over Duurzame consumptie van goederen - stimuleren van reparatie en hergebruik, nu voorzien voor het derde kwartaal van 2022. [56] In dit kader zal de Commissie werken aan de invoering van een nieuw «recht op reparatie» en nieuwe horizontale materiële rechten voor de consument in overweging nemen, bijvoorbeeld wat betreft de beschikbaarheid van reserveonderdelen of de toegang tot reparatie en, in het geval van ICT en elektronica, tot upgradediensten. Met betrekking tot de rol die garanties kunnen spelen bij het verstrekken van meer circulaire producten, zal de Commissie ook in het kader van de herziening van de nieuwe Richtlijn Consumentenkoop [57] mogelijke wijzigingen onderzoeken. [58] Het initiatief zou tot de invoering van een nieuw «recht op reparatie» kunnen leiden (zie in meer detail, infra sub IV, «recht op reparatie»). [59]
Ten vijfde zal de Commissie nieuwe afvalreductiedoelen voorstellen voor specifieke stromen als onderdeel van een breder pakket maatregelen inzake afvalpreventie, in het kader van een herziening van de Afvalstoffen-Richtlijn 2008/98/EG. Ondanks de inspanningen op EU- en nationaal niveau dalen de hoeveelheden geproduceerd afval immers niet. De Commissie zal ook de tenuitvoerlegging van de onlangs goedgekeurde vereisten voor regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid verbeteren, stimulansen bieden en de uitwisseling van informatie en goede praktijken op het gebied van afvalrecycling bevorderen. Daarom zal ook de EU-afvalwetgeving inzake batterijen, verpakkingen, autowrakken en gevaarlijke stoffen in elektronische apparatuur worden voorgesteld. [60] Zo is er reeds een voorstel voor een nieuwe verordening inzake batterijen en afgedankte batterijen. [61]
Ook op het niveau van de lidstaten beweegt er heel wat. Bepaalde lidstaten hebben reeds heel wat maatregelen aangenomen om hun nationaal productbeleid en consumentenrecht te verduurzamen en kringloopvriendelijk te maken, binnen de grenzen van het Unierecht. Zoals hierna zal blijken, zijn er met name in Frankrijk en Nederland heel wat initiatieven genomen om het consumentenrecht te verduurzamen.
In België zijn het productbeleid en de consumentenbescherming twee federale bevoegdheden. De federale overheid heeft een belangrijke bijdrage te leveren aan de verwezenlijking van het Nieuwe actieplan voor een circulaire economie van de Commissie. [62] In februari 2020 hebben de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en de Raad voor Duurzame Ontwikkeling de federale regering dringend opgeroepen om de nodige stappen te nemen om de transitie naar de kringloopeconomie te bevorderen. [63] Zoals aangekondigd in haar Regeerakkoord van 30 september 2020 [64], heeft de federale regering in december 2021 een nieuw Federaal Actieplan Circulaire Economie 2021-2024 [65] goedgekeurd. Dit plan kwam tot stand in afstemming met de deelstaten. Het bevat in totaal 25 maatregelen om de transitie naar een circulaire economie te bevorderen, waarvan sommige hierna besproken zullen worden. Voordien reeds waren in afstemming met diezelfde deelstaten heel wat CE-projecten vastgelegd in het Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht [66] om Europese corona-middelen via de Faciliteit voor Herstel en Veerkracht (FHV) te krijgen. [67]
Het federaal productbeleid ligt vervat in de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werknemers. [68] Binnen het Plan Voor Veerkracht en Herstel is er een federaal project «Belgium Builds Back Circular», dat zich onder meer richt op ecologisch ontwerp. [69] De ecodesignprojecten die in het kader van deze financiering zullen worden gesteund, hebben tot doel producten op de markt te brengen of nieuwe soorten diensten te ondersteunen die beantwoorden aan de circulariteitscriteria (herbruikbaarheid, repareerbaarheid, opknapbaarheid, opwaardeerbaarheid/upscaling, gerecycleerde inhoud en recycleerbaarheid). De bedoeling is de Belgische bedrijven te helpen om te anticiperen op de toekomstige Europese wetgeving op dit gebied en zich zo te verzekeren van een strategische positie op de opkomende markten. De feedback van de projecten zou het ook mogelijk moeten maken de moeilijkheden op het terrein te identificeren die door wetgevende en/of normatieve verbeteringen zouden kunnen worden opgelost. Deze feedback zal het onder andere mogelijk maken om de Europese debatten over de toekomstige wetgeving rond producten (bv. essentiële vereisten om de circulariteit van producten te bevorderen, LCA-analyse, overdracht van informatie langs de waardeketen …) of toekomstige normalisatiewerkzaamheden te voeden. In sommige gevallen kunnen verbeteringen in de wetgeving ook rechtstreeks op Belgisch niveau worden aangebracht en getest. [70]
Momenteel zijn er in België drie wetsvoorstellen uit 2019-2020 hangende in de Kamer [71], die diverse bepalingen inzake duurzame consumentenbescherming voorstellen in het Wetboek van economisch recht (WER) en in het oud BW (consumentenkoop). Deze voorstellen, waarover ook reeds interessante hoorzittingen in de bevoegde Kamercommissie werden georganiseerd [72], komen infra verder aan bod. Bij de behandeling van het op 17 maart 2022 in de Kamer goedgekeurde wetsontwerp ter omzetting van de nieuwe Richtlijn 2019/771 inzake verkoop van goederen [73] en Richtlijn 2019/770 inzake levering van digitale inhoud [74] bleek dat de uitgesproken ambitie om in te zetten op duurzaamheid [75] tot dusver nog niet weerspiegeld wordt in de tekst van de voorgestelde omzettingswetgeving. [76] Ook dit voorstel komt infra verder ter sprake.
Een van de maatregelen in het Federaal Plan Circulaire Economie 2021-2024 is het huidige informele intra-Belgische platform over circulaire economie (opgericht op initiatief van de gewestelijke en federale administraties) om te vormen tot een structureel instrument met een politieke draagwijdte voor een betere coördinatie van het federaal en gewestelijk beleid op het gebied van de circulaire economie. [77] Inderdaad, ook op regionaal niveau zijn er heel wat CE-initiatieven, wat logisch is vermits de gewesten bevoegd zijn voor milieu en het afvalstoffenbeheer. [78] Wanneer een afvalstof het einde van de afvalfase heeft bereikt, wordt zij idealiter een nieuw product. Dat productwetgeving een federale bevoegdheid is terwijl materialenwetgeving een regionale bevoegdheid is, legt het spanningsveld dat door de Belgische staatsstructuur wordt gecreëerd goed bloot. Noch de federale overheid noch de gewesten kunnen, gelet op deze bevoegdheidsverdeling, alle schakels van de circulaire keten benaderen. Het Vlaams Gewest heeft een heel arsenaal aan instrumenten ter beschikking om de (ecologische component van de) circulaire economie verder vorm te geven. Cruciaal is het Materialendecreet [79], dat uitgaat van een integrale kijk op de materiaalketen. De doelstelling van dit decreet is maatregelen vast te stellen om een circulaire economie te bevorderen en om materiaalkringlopen tot stand te brengen waarbij: 1° de gezondheid van de mens en het milieu beschermd worden door afvalproductie en de negatieve gevolgen van afvalproductie en -beheer te voorkomen of te verminderen; 2° de uitputting van hernieuwbare en niet-hernieuwbare hulpbronnen, de verspilling van materialen en energie in het algemeen en de schadelijke gevolgen voor mens en milieu, verbonden aan materiaalgebruik en -verbruik, worden tegengegaan. [80] Vlaanderen heeft met Vlaanderen Circulair een centraal platform dat als missie heeft de transitie naar een circulaire economie te faciliteren in samenwerking met industriële partners, kennisinstellingen, overheden, banken en het maatschappelijk middenveld. [81] Binnen het Plan voor Herstel en Veerkracht zijn er drie projecten voor Vlaanderen voorzien: «Governance Circular Flanders» (verbetering en uitbreiding van het bestaande platform Vlaanderen circulair [82], «Recyclage Hub» (zes belangrijke investeringen in nieuwe recyclagefaciliteiten [83]) en «Circulair bouwen en maakindustrie» (opschaling naar de circulaire economie in deze twee belangrijke domeinen). [84] Ook in het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn er soortgelijke platformen («Circular Wallonia» [85], «Circular Brussels» [86]) en soortgelijke projecten in het kader van het Plan voor Herstel en Veerkracht («Uitrol van de circulaire economie in Wallonië» [87], «Gewestelijke Strategie voor Economische Transitie» [88]).
Hierna zoomen we in op ecologisch ontwerp en de strijd tegen voortijdige veroudering (sub II), de strijd tegen 'greenwashing' en de rol van informatieverplichtingen inzake duurzaamheidsaspecten (sub III), de modulering van de wettelijke garantie en de nood aan een «recht op herstelling» (sub IV), de schaduwzijde van de uitoefening van het herroepingsrecht en de nood aan vergroening van de e-commerce (sub V) en het potentieel van verdienstelijking en de nood aan modern consumentencontractenrecht voor huur- en dienstenovereenkomsten (sub VI). Tot slot volgt een conclusie.
| II. | Ecologisch ontwerp en de strijd tegen voortijdige veroudering |
| A. | Ecologisch ontwerp |
De Europese en Belgische wetgeving inzake ecologisch ontwerp focust in essentie op energie-efficiëntie (beperken van het energieverbruik tijdens de gebruiksfase) van energie-gerelateerde producten. [89]
Een gamechanger was het Werkplan inzake ecologisch ontwerp 2016-2019, in de lijn van het Actieplan voor een circulaire economie uit 2015. Daarin werd opgemerkt dat in de toekomst ecologisch ontwerp een veel grotere bijdrage zou moeten leveren aan de circulaire economie, bijvoorbeeld door op een meer systematische wijze kwesties rond materiaalefficiëntie aan te pakken, zoals de duurzaamheid en de mate waarin het product hersteld, hergebruikt of gerecycleerd kan worden. [90] Met het nieuwe werkplan wilde de Commissie de mogelijkheid onderzoeken om meer productspecifieke en/of horizontale vereisten in te voeren op gebieden als duurzaamheid (bv. minimale levensduur van producten of kritieke componenten), herstelbaarheid (bv. de beschikbaarheid van reserveonderdelen en reparatiehandboeken, ontwerpen voor reparatie), opwaardeerbaarheid, het ontwerpen met het oog op demontage (bv. het eenvoudig verwijderen van bepaalde onderdelen), informatie (bv. het markeren van plastic onderdelen) en het gemak van hergebruik en recycling (bv. het vermijden van soorten plastic die hiervoor niet geschikt zijn), broeikasgassen en andere emissies, en om tot een verdere wetenschappelijke basis te komen om overeenkomstige criteria te ontwikkelen die voldoen aan de eisen van de Richtlijn ecologisch ontwerp. [91] De Commissie kondigde ook aan, parallel aan de evaluatie van bestaande verordeningen specifieke studies in gang zetten voor de producten die de grootste besparingsmogelijkheden lijken te bieden (zoals waterkokers, handdrogers en hogedrukreinigers). Een apart traject werd voorgesteld voor ICT-producten (bv. smartphones), dat ook volledig rekening zou houden met mogelijke verbeteringen vanuit het oogpunt van de circulaire economie. [92] Het Europees Parlement stelde in dezelfde zin voor om verder te gaan dan louter het huidige opzet inzake energie-efficiëntie en alle milieuaspecten van een product in acht te nemen: de samenstelling, de duurzaamheid, de demontage, de herstelbaarheid en de herbruikbaarheid. [93]
Op EU-niveau gelden momenteel - de totstandkoming verloopt notoir traag - uitvoeringsverordeningen die eisen inzake ecologisch ontwerp stellen voor reeds heel wat productgroepen [94], op sommige punten laatst gewijzigd door de zogenaamde Ecodesign-'Omnibusverordening'. [95] Vanuit het bijkomende perspectief van materiaalefficiëntie, valt bijvoorbeeld op dat de uitvoeringsverordeningen voor lampen en stofzuigers vereisten inzake duurzaamheid bevatten en daaraan worden ook specifieke informatieverplichtingen gekoppeld. Voor onder andere wasmachines, vaatwassers en koelkasten geldt dat het energieverbruik en alle andere opgegeven parameters van het product niet mogen verslechteren na een software- of firmware-update, gemeten met dezelfde testnorm die oorspronkelijk voor de verklaring van overeenstemming werd gebruikt, tenzij de eindgebruiker daartoe voorafgaand aan de update expliciet toestemming heeft gegeven. Wanneer de update wordt geweigerd, mogen de prestaties niet veranderen. Een software-update mag voorts nooit tot gevolg hebben dat de prestaties van het product zodanig veranderen dat het niet langer voldoet aan de eisen inzake ecologisch ontwerp die van toepassing zijn op de verklaring van overeenstemming. Opnieuw worden hieraan ook specifieke informatieverplichtingen gekoppeld. Een maatregel die voorgesteld wordt in het Federaal Actieplan Circulaire Economie 2020-2024 ligt in dezelfde lijn. [96]
Er zijn intussen ook voor bepaalde productgroepen (zoals computers, computerservers en elektronische beeldschermen) vereisten inzake demonteerbaarheid. Bovendien zijn er ook voor bepaalde productgroepen (wasmachines, vaatwassers, koelkasten, elektronische beeldschermen) vereisten inzake de beschikbaarheid en levering van reserveonderdelen en reparatiehandleidingen.
Het nieuw Werkplan voor ecologisch ontwerp en energie-etikettering voor 2020-2024 moet nog vastgesteld worden [97], maar zal op dezelfde weg van materiaalefficiëntie verder gaan. [98] Zoals aangegeven, wordt in het kader van het initiatief voor Duurzame producten een wijziging van de Richtlijn onderzocht om het toepassingsgebied ervan uit te breiden tot meer dan alleen energie-gerelateerde producten en de Richtlijn van toepassing te maken op het breedst mogelijke scala aan producten. Dit lijkt ons een goede zaak. Bovendien is het aangewezen om het scala van producten waarvan het ecologisch ontwerp effectief door een uitvoeringsverordening wordt geregeld, uit te breiden en er circulariteitscriteria, die gericht zijn op een efficiënt gebruik van hulpbronnen en grondstoffen, in op te nemen. [99]
Zeker naarmate er meer uitvoeringsverordeningen zouden worden aangenomen met meer vereisten, moet er ook meer op handhaving ingezet worden. Volgens het Europees Parlement voldoet naar schatting 10 à 25% van de producten op de markt niet aan de wetgeving inzake ecologisch ontwerp. [100]
Samenhangend met de Ecodesign-Richtlijn is er ook de bekende Energielabellingverordening [101], die in 2021 door de Omnibusverordening werd gewijzigd. [102] Vereisten in verband met ecologisch ontwerp gaan vaak hand in hand met nieuwe of bijgewerkte energie-etiketten voor dezelfde producten, die informatie geven over de energie-efficiëntie van het product en andere parameters. [103] We gaan hier niet verder op in en beperken ons verderop in het onderdeel over informatieverplichtingen (infra, sub III) tot de specifieke consumentenrechtelijke informatieverplichtingen.
| B. | Voortijdige veroudering |
In navolging van Frankrijk [104], staat sinds een vijftal jaar ook in België de strijd tegen voortijdige veroudering hoog op de politieke agenda. [105] Reeds in 2017 lanceerde de FOD Economie een meldpunt voor klachten in verband met voortijdige veroudering. [106] Geïnspireerd op de Franse wetgeving, stellen de auteurs van de hangende wetsvoorstellen telkens nieuwe specifieke verbodsbepalingen inzake «geplande veroudering», «voortijdige veroudering» [107] of «georganiseerde veroudering» [108] voor.
Er bestaan heel wat classificaties van voortijdige veroudering. [109] Zo wordt in een studie door het EEB het onderscheid gemaakt tussen absolute en relatieve veroudering. [110] Er is sprake van absolute veroudering wanneer een product om objectieve redenen niet meer functioneert, vanwege een mechanisch defect (mechanische veroudering) of incompatibiliteit van software (incompatibiliteit veroudering). Relatieve veroudering betekent dat het product nog steeds functioneel is, maar wordt beschouwd als verouderd vanwege een verlangen naar een nieuw item (psychologisch, stijl, cosmetisch of esthetische veroudering); een nieuw product heeft een betere kwaliteit, functionaliteit of effectiviteit (technologische veroudering); of de prijs van reparatie of upgrade is te hoog in vergelijking met een nieuw product (economische veroudering). Voor sommige producten, bijvoorbeeld wasmachines, is de belangrijkste drijfveer voor aankopen van nieuwe items absolute veroudering. Voor mobiele telefoons of tv's is relatieve veroudering belangrijker. Volgens de EEB is er sprake van voortijdige veroudering wanneer een product vroeger kapot gaat dan de ontworpen of de gewenste levensduur. Als voortijdige veroudering opzettelijk is, is er sprake van geplande of geprogrammeerde veroudering.
De bepalingen ter omzetting van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken kunnen gebruikt worden om voortijdige veroudering en/of geplande veroudering te beteugelen. [111] De laatste versie van de Richtsnoeren bij de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken gaan ook in op de problematiek van de «geplande of geprogrammeerde veroudering». [112] De Richtsnoeren benadrukken dat de Richtlijn geen bepalingen bevat die veroudering specifiek aanpakken. Wanneer retailers, tussenpersonen of fabrikanten handelen met de consument, kan hun nalaten om de consument te informeren dat het product is ontworpen met een beperkte levensduur, op basis van een beoordeling per geval, worden beschouwd als een omissie van essentiële informatie op grond van artikel 7 Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken. Dergelijke praktijken kunnen bovendien in strijd zijn met de vereisten van professionele toewijding op grond van artikel 5, lid 2 Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken als zij het economische gedrag van de gemiddelde consument wezenlijk verstoren of kunnen verstoren. [113]
Op Europees niveau zou overwogen kunnen worden om de meest evidente vormen van voortijdige veroudering (zoals het beperken van de functionaliteit of het vertragen van de werking van slimme en verbonden goederen door middel van software-updates zonder goede reden) per se te verbieden (door toevoeging van een verbodsbepaling aan de zwarte lijst van de Richtlijn). Zoals vermeld, zal dit in het kader van het Initiatief over de grotere rol voor de consument bij de groene transitie, nu verwacht in het eerste kwartaal van 2022, inderdaad mogelijks voorgesteld worden. [114]
| III. | Greenwashing en informatie verplichtingen |
Consumenten (correct) informeren over de duurzaamheid van goederen en diensten blijft een dubbele uitdaging. Er is enerzijds de uitdaging om misleidende duurzaamheidsclaims tegen te gaan. Daarnaast is er de uitdaging om consumenten correct en begrijpelijk te informeren over 'duurzaamheid', op zich reeds een vlag die vele ladingen kan dekken. We bespreken hieronder stand van zaken en de uitdagingen voor beide aspecten.
Greenwashing - producten of diensten groener voorstellen dan ze daadwerkelijk zijn - komt helaas erg frequent voor. [115] Duurzaamheidsclaims blijken vaak misleidend of kunnen niet worden onderbouwd. Naar Belgisch (en Europees) recht bieden de algemene normen die oneerlijke handelspraktijken verbieden weliswaar mogelijkheden om hier tegen op te treden [116], maar deze algemene normen laten o.i. nog steeds te veel ruimte voor interpretatie. Zoals reeds vermeld, zijn er Europese richtsnoeren die deze normen concretiseren [117] en recent werd hier ook een set van Belgische richtsnoeren aan toegevoegd. [118] Niettemin wordt daar in de rechtspraak niet steeds rekening mee gehouden. Zo blijken sommige rechters vage statements als 'ecologisch' als hyperbolisch te beschouwen, waardoor de consument niet zou worden misleid [119], terwijl er in de richtsnoeren net voor wordt gepleit om algemene claims te vermijden. [120]
We zien in veel ons omringende landen een tendens naar een steeds strengere aanpak in de handhaving. [121] Zo neemt de Deense consumentenombudsman als uitgangspunt aan dat algemene claims als 'duurzaam' of 'groen' (zonder verdere uitleg) misleidend zijn. Het zijn feitelijke claims en aangezien elke productie een impact heeft op het klimaat, is het uitgangspunt dat dergelijke claims misleidend zijn. Een grondige onderbouwing is nodig voor dergelijke claims. [122] Ook claims als 'CO2-neutraal' botsen steeds vaker op kritiek. De Nederlandse richtsnoeren vereisen hiervoor een berekening van de totale uitstoot van het product of bedrijf, die nul moet zijn. Indien een beroep wordt gedaan op CO2-compensatie, moet informatie gegeven worden over dit project en of het gecertificeerd is. [123]
De huidige algemene normen inzake oneerlijke handelspraktijken bieden dus zeker mogelijkheden om tegen misleidende groene claims op te treden, maar de variatie in mogelijke interpretatie (ook in de richtsnoeren) [124] blijft te groot om een efficiënte handhaving toe te laten en bonafide bedrijven duidelijkheid te bieden over hoe dan wél correct groene claims te gebruiken.
Op Europees niveau zijn een aantal wetgevende initiatieven aangekondigd die absoluut nuttig kunnen zijn in de strijd tegen misleidende groene claims. Een eerste (reeds vermeld) initiatief - Milieuprestaties van producten en bedrijven - onderbouwing van claims - zou erin bestaan bedrijven te verplichten hun groene claims hard te maken aan de hand van een geharmoniseerde methode: de «Product/Organisation Environmental Footprint» (PEF/OEF)-methode. [125] Deze PEF/OEF-methodologie werd de voorbije jaren uitgebreid getest in verschillende sectoren in pilootprojecten [126] en recent werd ook een nieuwe aanbeveling gepubliceerd met geactualiseerde milieuvoetafdruk-methoden. [127] Daarnaast zou de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken worden aangepast, waarbij de lijst met in alle omstandigheden verboden praktijken zou worden uitgebreid en een aantal vormen van greenwashing zouden worden verboden.
Frankrijk heeft deze Europese initiatieven niet afgewacht om zelf verdergaande maatregelen tegen greenwashing in te voeren, met de Loi sur l'économie circulaire [128] en nog recenter de Loi Climat et Résilience'. [129] Zo werd een totaal verbod op reclame voor fossiele brandstoffen ingevoerd [130] en werd het gebruik van de term 'CO2-neutraal' (of enig synoniem daarvan) aan strikte voorwaarden onderworpen. [131] In de afwezigheid van (bindende) wetgeving op Europees niveau, kan de Franse wetgever moeilijk worden verweten hier de vlucht vooruit te nemen (althans voor zover het primaire Unierecht dit toelaat), maar het spreekt voor zich dat idealiter op Europees niveau een bindend instrument wordt aangenomen dat een geharmoniseerde methodologie oplegt aan ondernemingen die willen communiceren over de milieuprestaties van hun product of onderneming.
Informeren. Nog uitdagender dan het tegengaan van misleidende claims is het verplichten van ondernemingen om consumenten te informeren over de duurzaamheid of milieu-impact van hun goederen en diensten. De uitdagingen om dit goed te reglementeren hebben verschillende oorzaken. We weten reeds langer dat de consument niet gebaat is bij te veel informatie en de bestaande informatieverplichtingen in het consumentenrecht zijn reeds bijzonder ruim. Aan een uniforme, algemeen aanvaarde methodologie om de duurzaamheid in het algemeen of de milieu-impact in het bijzonder van een product of dienst te meten, wordt gewerkt, maar het is niet eenvoudig overeenstemming te bereiken over de precieze informatie die zou moeten worden gegeven. Bovendien blijft het een uitdaging om complexe, op levenscyclus analyse gebaseerde 'milieuvoetafdruk'-informatie op een begrijpelijke manier te 'vertalen' voor de consument. Tot slot blijft het ook belangrijk te beseffen dat met informatieverplichtingen alleen geen duurzame consumptie (en productie) zal worden bereikt. We schetsen hieronder niettemin kort de stand van zaken op Europees en nationaal niveau, zowel wat de wetgeving als wat private initiatieven betreft, en kijken even naar bepaalde buurlanden die ook reeds verdergaande stappen ondernamen.
Precontractuele informatie voor consumentencontracten in het algemeen en voor overeenkomsten op afstand en buiten de verkoopruimten wordt voornamelijk geregeld in de Richtlijn consumentenrechten. [132] In eerdere bijdragen werd erop gewezen dat in deze richtlijn weinig aandacht gaat naar informatie die toelaat de milieu-impact van een aankoop te bepalen. [133] De richtlijn vraagt weliswaar om informatie te verstrekken over de 'voornaamste kenmerken' van een goed of dienst en ook over het tijdstip en de wijze van levering, maar wat hieronder begrepen wordt, volstaat niet om bijvoorbeeld een consument die op afstand koopt toe te laten de milieu-impact van zijn aankoop in te schatten. [134] Hiertoe is ook informatie nodig over gebruikte vervoermiddelen, de 'last mile'-levering, de verpakking, het al dan niet opsplitsen van leveringen enz. Ook een expliciete verplichting om te informeren over de verwachte levensduur of de repareerbaarheid van goederen (inclusief de beschikbaar van reserveonderdelen) ontbreekt momenteel. [135]
Op Europees niveau zijn verschillende initiatieven in de maak die hieraan zouden tegemoetkomen. Er is eerst en vooral het 'Digital Product Passport'-initiatief, dat op zijn beurt kadert in het bovenvermelde Initiatief Duurzame producten [136] binnen het Nieuw actieplan voor een circulaire economie. [137] Een digitaal paspoort zou moeten toelaten informatie over een product doorheen de volledige keten te verzamelen en ter beschikking te stellen en zou zowel ondernemingen, consumenten als overheden ten goede komen. Welke concrete vorm dit zal aannemen en in welk sectoren dit eerst zal uitgerold worden, blijft voorlopig afwachten. [138] Ook op Belgisch niveau is een voorstel hangende in de Kamer dat de Koning de bevoegdheid zou geven een digitaal paspoort in te voeren. [139] Op Europees niveau wordt verder ook nagedacht over informatieverplichtingen over de levensduur, de herstelbaarheid en de beschikbaarheid van reserveonderdelen (cf. het in de inleiding vermelde Initiatief over de grotere rol voor de consument bij de groene transitie). [140]
Frankrijk staat hier opnieuw al verder. Daar geldt sinds januari 2021 een verplichting om (bepaalde goederen) van een 'indice de réparabilité' te voorzien [141], een score op 10 die de herstelbaarheid van het product aangeeft. [142] Ook in België voorziet het Federaal Actieplan Circulaire Economie 2021-2024 in de invoering van zo'n score, gebaseerd op het Franse systeem. [143] Zoals in Frankrijk, zou het de bedoeling zijn de herstelbaarheid te bevorderen door een verplichte score die bij de aankoop van producten (ook online) op het product moet worden vermeld. Ook in België zou de voorgestelde maatregel in een beginfase op bepaalde elektrische en elektronische toestellen van toepassing zijn. Net als in Frankrijk zou het de bedoeling zijn deze score te laten evolueren naar een 'duurzaamheidsindex', waarbij bijkomende criteria zouden worden opgenomen die informatie moeten geven over 'de robuustheid en betrouwbaarheid' van producten. [144]
De Franse 'Loi Climat et Résilience' zet nog een bijkomende stap en voert een nog ruimere duurzaamheidsinformatieverplichting in die rekening houdt met milieu-impact naast het respecteren van een aantal sociale criteria. [145] De exacte - op levenscyclusanalyse gebaseerde - methodologie, de manier van weergave en de producten waarvoor dit zou worden opgelegd, zijn nog verder per decreet te bepalen [146], na evaluatie van een pilootfase waarin wettelijk is voorzien. [147] De producten en diensten die niet onder deze verplichtingen vallen, zullen wanneer ze vrijwillig over duurzaamheid communiceren, dezelfde criteria moeten naleven. Deze Franse wetgeving komt niet uit het niets aanwaaien. In Frankrijk bestond zo'n 'Eco-score' reeds als privé-initiatief. Ze werd ontwikkeld door spelers uit de voedings- en cateringsector als open-datamethode: de score wordt berekend op basis van kwantitatieve gegevens uit de databases van door deskundigen uitgevoerde levenscyclusanalyses (LCA's) van producten en bijkomende kwalitatieve criteria die milieuvoordelen (of negatieve effecten) weergeven die niet in de LCA zijn opgenomen. [148] Dit resulteert in een eindscore op 100 punten, samengevat met een letter van A tot E. Deze methodologie werd overgenomen door verschillende grote supermarktketens in België. [149]
Het blijft controversieel of dergelijke informatieverplichtingen effectief tot grote gedragswijzigingen kunnen leiden. Ervaring met de 'Nutri-Score' - die op een vergelijkbare manier complexe voedingsinformatie in een simpele score vertaalt - leert dat er een effect kan zijn (in de vorm van een keuze voor gezondere voedingsproducten), maar dat dit effect beperkt is. [150] Gelijkaardige studies werden reeds opgezet om de impact van een 'Eco-score' te meten. Zo toonden empirische tests aan dat het verstrekken van informatie over de milieu-impact (PEF) 11,5% extra consumenten kon aanzetten een meer ecologische keuze te maken (een stijging van 24,3% naar 35,8%). [151] Belgisch empirisch onderzoek (eveneens in een experimentele setting) naar de impact van het gelijktijdige gebruik van de Nutri-score en een Eco-score kon daarentegen niet vaststellen dat consumenten significant ecologischere keuzes maken (wel gezondere keuzes). [152]
Hoewel informatie een impact kan hebben op consumentengedrag, mag het duidelijk zijn dat dit niet voldoende zal zijn om uiteindelijk een duurzame consumptie te bereiken. Wanneer in de vermelde studies een impact kon worden vastgesteld, dan bleef die beperkt in absolute cijfers. Dit betekent echter niet dat het verder ontwikkelen van vergelijkbare en duidelijke duurzaamheidsinformatie zinloos is. Het betekent vooral dat niet uitsluitend op informatie kan worden vertrouwd om tot duurzame consumptie te komen. Er zijn ook aanmoedigende effecten aan de kant van de producent: een (eco)score kan ook een effect hebben op het gedrag van de producent en hem ertoe aanzetten het product aan te passen om een betere score te behalen. [153] Zo'n effect werd waargenomen bij de invoering van energie-efficiëntie-labelling [154], maar ook bij de invoering van voedingslabels als de Nutri-score. Zo ging de invoering van deze score in België bijvoorbeeld samen met een gezondere samenstelling van ontbijtgranen. [155]
Tot slot spreekt het voor zich dat zo'n verplichte informatie of label idealiter (minstens) op Europees niveau wordt uitgewerkt. Aan lidstaten (of ondernemingen) kan opnieuw moeilijk worden verweten dat ze het voortouw te nemen wanneer (vooralsnog) actie uitblijft op Europees niveau, maar het spreekt voor zich dat een proliferatie van bijkomende labels met een verschillende methodologie geenszins wenselijk is.
| IV. | Wettelijke garantie - «recht op reparatie» |
Levensduurverlenging is een van de mogelijke manieren om grondstofgebruik en milieu-impact te beperken en is tevens een van de belangrijkste circulaire strategieën. [156] Ook op dit vlak is nog grote winst te behalen. [157] Om slechts één voorbeeld te geven: het Europees Milieuagentschap berekende dat het verlengen van de levensduur van alle smartphones met (slechts) één jaar, een besparing in CO2-uitstoot van 2,1 miljoen ton CO2 per jaar zou betekenen tegen 2030, het equivalent van een miljoen wagens minder op de weg. [158] Momenteel stimuleren de relevante consumentenrechtelijke bepalingen noch ondernemingen, noch consumenten voldoende om goederen op de markt te brengen met een lange levensduur of om ze zo te gebruiken/te behandelen dat de levensduur wordt geoptimaliseerd. Dit is helaas ook het geval voor de nieuwe bepalingen inzake consumentenkoop. We bespreken deze bepalingen hieronder kort. Daarnaast gaan we even in op de Europese en nationale initiatieven om in een 'recht op herstelling' te voorzien.
| Consumentenkoop - vooral gemiste kansen |
De nieuwe Richtlijn Consumentenkoop (EU) 2019/771 voorziet opnieuw in een wettelijke garantietermijn van twee jaar [159], met de mogelijkheid om deze periode voor tweedehandsgoederen te reduceren tot één jaar. [160] Tweedehandsgoederen verkocht op een openbare veiling kunnen zelfs volledig van het toepassingsgebied van de omzettingsbepalingen worden uitgesloten. [161] Hoewel de richtlijn een maximale harmonisatierichtlijn is, zijn er belangrijke uitzonderingen: zo blijft het mogelijk in een langere wettelijke garantietermijn te voorzien en ook de omkering van de bewijslast - door de richtlijn vastgelegd op één jaar (in het regime van Richtlijn 1999/44 nog zes maanden) - kan worden uitgebreid naar twee jaar. In de rechtsleer werd er reeds uitgebreid op gewezen dat de nieuwe richtlijn te weinig aandacht heeft voor duurzaamheid en kansen mist om een langere levensduur van goederen sterk te stimuleren. [162] Het goede nieuws was dan weer dat de richtlijn ondanks haar maximumharmonisatiekarakter toch nog wat mogelijkheden liet voor lidstaten om bij de omzetting beter te doen. Het recent goedgekeurde wetsontwerp tot omzetting van de richtlijn in het Belgische recht ('nieuwe Wet consumentenkoop') mist deze kansen echter grotendeels. [163]
Positief is alvast dat de nieuwe Wet consumentenkoop geen gebruik maakt van de mogelijkheid bepaalde tweedehandsgoederen uit te sluiten. Dit stemt overeen met het huidige recht en is ook vanuit een duurzaamheidsperspectief toe te juichen; een wettelijke garantietermijn kan net bijdragen tot een groter vertrouwen in de tweedehandsgoederen. De nieuwe Wet consumentenkoop behoudt wel de mogelijkheid om contractueel de garantietermijn bij tweedehandsgoederen te beperken tot één jaar. Van Gool en Michel argumenteerden overtuigend dat deze mogelijkheid overbodig is. Het conformiteitsbegrip laat perfect toe om rekening te houden met het gebruikte karakter van een goed en niet alle aanwezige gebreken moeten daarom tot aansprakelijkheid leiden. [164] De mogelijke inperking van de garantietermijn geeft ook het (verkeerde) signaal dat bij tweedehandsgoederen per definitie een korte levensduur en een mindere kwaliteit verwacht kan worden. De auteurs wijzen er terecht op dat de te verwachten levensduur eerder afhankelijk is van het soort goed dan van het tweedehandse karakter ervan. Een bijkomend probleem waar Van Gool terecht op wijst is het ontbreken van een definitie van 'tweedehandse' goederen. [165] Het kan allicht niet de bedoeling zijn dat ook bij 'refurbished' [166] of 'remanufactured' [167] goederen de garantie wordt beperkt wanneer de bedoeling van deze circulaire strategieën er net in bestaat goederen hun originele functies verder te laten vervullen (bij 'refurbishing') of terug 'als nieuw' te laten werken (bij 'remanufacturing').
De nieuwe Wet consumentenkoop kiest ervoor voor de verkoop van consumptiegoederen de termijn van twee jaar voor de aansprakelijkheid van de eindverkoper te behouden, hoewel de richtlijn een langere termijn toeliet. Er wordt evenmin in de mogelijkheid voorzien om bij KB de garantieduur te verlengen voor bepaalde soorten goederen [168], noch voor een langere garantietermijn gekozen (zoals in eerder wetsvoorstellen). Vanuit een duurzaamheidsperspectief is het behoud van de aansprakelijkheidstermijn van twee jaar absoluut een gemiste kans [169] en gaat de voorkeur uit naar een koppeling van de wettelijke garantietermijn aan de te verwachten levensduur [170], zoals dit bijvoorbeeld het geval is in het Nederlandse systeem, dat ook na de omzetting van de nieuwe richtlijn behouden zal blijven. [171] Eerdere wetsvoorstellen waren op dit vlak een stuk ambitieuzer. [172] Positief is dan wel weer dat de nieuwe Wet consumentenkoop de periode waarin een omkering van de bewijslast geldt ten voordele van de consument uitbreidt naar twee jaar. [173] Gedurende de volledige garantieperiode zal er dus een (weerlegbaar) vermoeden gelden dat het gebrek al bestond ten tijde van de levering (tenzij dat vermoeden onverenigbaar is met de aard van de goederen of het conformiteitsgebrek). Dit betekent niet alleen een grotere bescherming van de consument, het is ook vanuit een duurzaamheidsperspectief positief. Aangezien het voor de consument inderdaad eenvoudiger wordt gedurende deze periode een conformiteitsgebrek in te roepen, houdt deze regeling een incentive in voor ondernemingen om te vermijden dat er zich gedurende de volledige periode van wettelijke aansprakelijkheid een gebrek voordoet. [174]
Aansprakelijkheidstermijn - recht op updates. Hoe lang een goed kan gebruikt worden, hangt - voor 'slimme goederen' - vaak af van (software) updates. [175] Deze kunnen er zowel voor zorgen dat apparatuur minder lang meegaat als net levensduurverlengend werken. Tegen de eerste praktijk werden de (omzettings)bepalingen van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken al met succes ingeroepen [176] en ook bepaalde Ecodesignreglementering (zie supra, sub II) verbiedt dit expliciet. Voor de tweede mogelijkheid brengen de Richtlijn Consumentenkoop 2019/771 en de nieuwe Wet consumentenkoop wél een fundamentele vernieuwing: verkopers van 'slimme goederen' (goederen met digitale elementen) zijn nu verplicht om updates te leveren en dit gedurende een periode die de consument «redelijkerwijs kan verwachten» (bij één enkele levering van het digitale element) of gedurende twee jaar (bij een continue levering van het digitale element). Indien in de overeenkomst is bepaald dat de digitale inhoud of de digitale dienst gedurende een langere periode dan twee jaar continu wordt geleverd, is de verkoper bovendien verplicht om gedurende deze langere periode updates te leveren. [177] Waar de conformiteit van een goed voorheen in essentie op het moment van de levering werd bekeken, creëren deze bepalingen verplichtingen voor de verkoper die veel verder reiken dan het moment van de levering. Hoe de notie «redelijke verwachtingen» zal worden ingevuld, blijft afwachten; duidelijke standaarden hiervoor ontbreken vooralsnog. In de overwegingen bij de richtlijn wordt onder meer naar het type en het doel van de goederen verwezen en naar de omstandigheden en de aard van de koopovereenkomst. Er wordt ook aangenomen dat de consument in sommige gevallen (bv. voor beveiligingsupdates) gedurende een langere periode dan de wettelijke garantietermijn updates mag verwachten. [178] De concrete invulling van deze «redelijke verwachtingen» kan in elk geval een belangrijke invloed hebben op de levensduur van goederen met digitale elementen en het tegengaan van technologische veroudering.
Duurzame remedies? Teleurstellend wat betreft duurzaamheid is dan weer de algemene uitwerking van de remedies in Richtlijn Consumentenkoop (EU) 2019/771 (en in de nieuwe Wet consumentenkoop). [179] De nieuwe wetgeving behoudt in grote lijnen het huidige systeem waarbij de consument in eerste instantie (zelf) kiest tussen herstel of vervanging en pas in tweede instantie tussen prijsvermindering of ontbinding. [180] Deze hiërarchie houdt weinig tot geen rekening met de nochtans sterk variërende (ecologische) duurzaamheid van de verschillende remedies. Nochtans is het herstellen van een goed vanuit duurzaamheidsoogpunt quasi steeds te verkiezen boven een vervanging. Een studie van het Europese milieuagentschap is hier bijzonder duidelijk: zelfs bij vervanging door een energie-efficiënter model, zou men een nieuwe wasmachine 25 tot 40 jaar moeten houden om de impact van productie, distributie (van de nieuwe machine) en de verwerking van de oude te compenseren; bij stofzuigers is dat 18 tot 48 jaar en bij smartphones 25 tot 232 jaar … [181] De huidige wetgeving geeft helaas geen voorrang aan herstel. Het blijft de consument die een keuze kan maken tussen beide primaire remedies. Als de consument al kiest voor herstel, kan de verkoper dat op zijn beurt weigeren (en opteren voor vervanging) wanneer dit onmogelijk is dan wel onevenredige kosten met zich meebrengt. [182] Naar duurzaamheidsoverwegingen wordt alvast niet expliciet verwezen in deze afweging. Het laatste woord over de interpretatie van deze bepaling zal aan het Hof van Justitie zijn, maar de artikelen 7 en 11 VWEU in acht genomen is het niet onredelijk deze bepaling zo te interpreteren dat bij de afweging wel degelijk ook rekening kan worden gehouden met de milieu-impact. [183]
Niettemin kunnen nationale wetgevers ook met deze richtlijn nog steeds herstel stimuleren, weliswaar niet door de hiërarchie te wijzigen, maar door in een bijkomende garantietermijn te voorzien indien de consument kiest voor herstel. Zo geeft de Franse wetgever de consument die kiest voor herstel in het kader van de wettelijke garantie, een bijkomende garantietermijn van zes maanden. [184] Ook in het Belgische recht kan dit met de nieuwe richtlijn nog steeds perfect worden ingevoerd. Het is opnieuw erg spijtig dat de nieuwe Wet consumentenkoop hier niet voor kiest, de recente voorstellen van de Europese Commissie (cf. infra) bieden hier wel nog hoop.
Vervanging. Naast herstel kan ook vervanging door een 'refurbished' of 'remanufactured' goed bijdragen tot een circulaire economie. Momenteel is betwist of het huidige (en toekomstige) consumentenkooprecht dit wel toelaat. In een aantal Nederlandse zaken werd alvast beslist dat de consument die een vervanging vraagt naar aanleiding van een conformiteitsgebrek, recht heeft op een nieuw vervangingsgoed en geen genoegen hoeft te nemen met een 'refurbished' toestel (in het concrete geval: een smartphone). [185] Het is in elk geval spijtig dat deze vraag niet aan het Hof van Justitie werd voorgelegd, ook de nieuwe richtlijn brengt hier geen verduidelijking. Van Gool vindt de conclusie van de Nederlandse rechters alvast te kort door de bocht en pleit overtuigend voor een genuanceerdere oplossing: in essentie is de vraag of volgens de concrete koopovereenkomst een initiële levering van een 'refurbished' of 'remanufactured' goed mogelijk was geweest en of de voorgestelde vervanging dus aan de (subjectieve en objectieve) conformiteitscriteria voldoet. [186] Ook in deze benadering zal het antwoord in de meeste gevallen negatief zijn, maar het is niet uitgesloten dat een remanufactured of refurbished goed (dat eventueel gecertificeerd werd) wel degelijk aan alle conformiteitscriteria voldoet. [187] In elk geval blijft het o.i. de lege ferenda aangewezen om een vervanging door een 'refurbished' of 'remanufactured' goed steeds toe te laten, maar dit te koppelen aan een nieuwe wettelijke garantietermijn. [188] Dit kan meteen ook helpen om het gebrek aan vertrouwen van consumenten in dergelijke goederen tegen te gaan. [189] De meest recente voorstellen van de Europese Commissie gaan in deze richting (infra) en verdienen steun.
Commerciële garanties. Ook commerciële garanties kunnen een rol spelen in het stimuleren van duurzaamheid. Producenten kunnen deze gebruiken als kwaliteitssignaal en consumenten zo informeren over de verwachte levensduur van hun goederen. [190] De huidige reglementering is echter erg beperkt en laat heel veel vrijheid, ook voor initiatieven die weinig duurzaam zijn, zoals bijvoorbeeld commerciële garanties die de consument in elk geval recht geven op vervanging (en herstel dus volledig buitenspel zetten). De nieuwe Richtlijn Consumentenkoop verandert weinig op dit vlak. Ze verwijst nu weliswaar naar een «commerciële garantie van duurzaamheid» die een producent kan aanbieden als specifieke vorm van vrijwillige commerciële garantie. [191] Een producent die zo'n garantie aanbiedt, is rechtstreeks aansprakelijk jegens de consument tijdens de volledige duur van de commerciële garantie van duurzaamheid, voor herstelling of vervanging van de goederen en dit kosteloos, binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor de consument. [192] Net als bij de wettelijke garantie, ziet de richtlijn vervanging als een gelijkwaardig alternatief voor herstel, terwijl het dat vanuit een duurzaamheidsoogpunt absoluut niet is. Verder werd ook hier een kans gemist om sterker in te zetten op commerciële garanties als een manier om een langere levensduur te stimuleren. Een van de mogelijkheden bestaat erin om producenten te verplichten informatie te geven over de te verwachten levensduur en hen tegelijk te verplichten een commerciële garantie te geven voor de aangegeven levensduur. [193] Dit zou minstens de nodige transparantie creëren en opnieuw een incentive geven voor het op de markt brengen van goederen met een langere levensduur.
Beterschap op komst? Specifiek wat de remedies betreft, is er wel Europese hoop. Een van de aangekondigde maatregelen in het kader van het Nieuw Actieplan voor een circulaire economie en de Nieuwe consumentenagenda betreft het stimuleren van reparatie en hergebruik. Een concreet wetgevend initiatief zou in september 2022 volgen. Een aantal beleidsopties liggen momenteel op tafel en ofwel zou een aanpassing van de Richtlijn Consumentenkoop volgen, ofwel een afzonderlijk nieuw wetgevingsvoorstel inzake het 'recht op reparatie'. [194] Concreet liggen volgende mogelijke wetgevende interventies voor [195]: 1. 'Matige interventie': hierbij wordt het verlengen van de wettelijke garantieperiode overwogen i) voor nieuwe goederen wanneer consumenten kiezen voor herstel (in plaats van vervanging); en/of ii) voor tweedehands en/of opgeknapte goederen. Daarnaast wordt ook een aanpassing van de hiërarchie overwogen waarbij reparatie de voorkeur krijgt telkens wanneer dit niet duurder is dan vervanging. Tot slot wordt ook een verplichting overwogen voor producenten of verkopers om goederen na de wettelijke garantieperiode te repareren tegen een redelijke prijs. 2. 'Krachtige interventie': hierbij zou reparatie de voorkeur krijgen boven vervanging; zou een nog verdergaande verplichting aan producenten of verkopers opgelegd worden om goederen na de wettelijke garantieperiode te repareren (in sommige gevallen kosteloos); wordt ook een langere minimale wettelijke garantieperiode overwogen en het introduceren van een recht voor de verkoper om goederen te vervangen door 'opgeknapte' goederen in plaats van nieuwe. Het mag duidelijk zijn dat elk van deze voorstellen - met een voorkeur voor de 'krachtige interventie' - herstel inderdaad kan stimuleren.
Voor een daadwerkelijk 'recht op reparatie' zullen echter ook flankerende maatregelen noodzakelijk zijn. Het vermelde voorstel focust op herstel door de eindverkoper of de producent. De mogelijkheid om een goed te herstellen is daar natuurlijk niet toe beperkt. Ook een 'DIY'-herstel of een herstel door onafhankelijke spelers blijven mogelijkheden die de levensduur van goederen kunnen verlengen. Ook in dat geval bestaan er belangrijke hinderpalen, zowel voor een 'DIY'-herstel als voor een herstel door onafhankelijke spelers. Het gaat daarbij onder meer over de afwezigheid van de nodige documentatie en informatie om een herstelling te kunnen doen en de onbeschikbaarheid van reserveonderdelen (tegen een correcte prijs). We verwijzen voor een uitgebreide analyse naar een eerdere bijdrage. [196]
Enkel een wijziging van remedies bij consumentenkoop zal niet volstaan. Het is afwachten hoe het Initiatief over de grotere rol voor de consument bij de groene transitie (zie supra, sub I) concreet vorm zal krijgen [197], maar ook in de EU moet informatie over repareerbaarheid, de beschikbaarheid van reparatiediensten, reserveonderdelen en reparatiehandleidingen gegarandeerd worden. Het is ook afwachten of de EU-wetgeving even ver zal gaan als de 'right to repair'-wetgeving die bijvoorbeeld reeds in Massachusetts [198] werd aangenomen (beperkt weliswaar tot de auto-industrie) en - met een verruimd toepassingsgebied - werd ingediend in een groot aantal andere Amerikaanse staten. [199] In essentie wil deze (ontwerp)wetgeving producenten van digitale elektronische apparatuur ertoe verplichten onder billijke en redelijke voorwaarden documentatie, onderdelen en gereedschap ter beschikking te stellen van onafhankelijke reparateurs of eigenaars (in de mate dat die ook beschikbaar is voor erkende reparatienetwerken). Dit mag er wel niet toe leiden dat de producent verplicht zou worden bedrijfsgeheimen bekend te maken. [200] Ook in de EU zou een dergelijke wetgeving welkom zijn.
| V. | Herroepingsrecht - vergroening e-commerce [201] |
Ook e-commerce kan duurzamer en ook hier argumenteerden we eerder (met Elias Van Gool) reeds dat het consumentenrecht, meer bepaald de Richtlijn Consumentenrechten [202] en haar omzettingsbepalingen, momenteel geen duurzame keuzes stimuleert. Hoewel online bestellen niet per definitie minder duurzaam is dan een aankoop in een traditionele 'brick and mortar'-shop [203], zijn er een aantal evoluties die de ecologische impact van e-commerce nodeloos verhogen: de hoge retourpercentages [204] (gestimuleerd door het 'gratis'-retourbeleid), mislukte leveringen, lastminuteleveringen, te grote verpakkingen, het vernietigen van geretourneerde goederen … [205] Het huidige reglementaire kader voor B2C e-commerce verergert o.i. de negatieve milieueffecten van het distributieproces voor e-commerce. Noch de huidige informatieverplichtingen, noch de risicoregeling, noch het dwingende herroepingsrecht stimuleren duurzame keuzes. Een wijziging van deze reglementering lijkt ons dan ook aangewezen. [206] Gelukkig lijken ook meer en meer beleidsmakers daarvan overtuigd [207] en daarnaast denkt ook de bedrijfswereld na over het groener maken van e-commerce. [208] Hiervoor werd er al op gewezen dat een aanpassing van de informatieverplichtingen aangewezen is om de consument de nodige informatie te geven (over manier en snelheid van leveren, manier van verpakken enz.) om een duurzame keuze te kunnen maken. Hieronder bespreken we kort hoe het herroepingsrecht zou kunnen worden aangepast.
Het herroepingsrecht bij overeenkomsten op afstand is vandaag allerminst op duurzame keuzes gericht. Er geldt een termijn van veertien dagen na de levering van goederen, tijdens de herroepingstermijn mag een consument vaak meer dan in een gewone winkel (ook al kan dit ertoe leiden dat goederen niet langer als nieuw kunnen worden verkocht) en ook de beperkte interpretatie van de uitzonderingen op het herroepingsrecht zorgt ervoor dat consumenten bepaalde goederen mogen terugsturen die dan niet langer als nieuw kunnen worden verkocht. [209] Het wettelijke kader is erg 'retour-vriendelijk' en daarnaast is de commerciële druk hoog om erg soepel om te gaan met retours en komt een 'gratis retour'-beleid erg vaak voor.
Eerder pleitten we er (met Elias Van Gool) dan ook al voor om de regels over herroeping te 'herijken' en ook met duurzaamheid rekening te houden bij het - idealiter op Europees niveau - herformuleren van deze consumentenrechtelijke bepalingen. We hernemen hieronder kort de belangrijkste voorstellen uit deze eerdere bijdrage. Zo zijn er o.i. geen redenen om een consument die op afstand kocht meer toe te laten tijdens de bedenktermijn dan in een 'gewone' winkel. De bedenktermijn bij overeenkomsten op afstand moet de informatie-asymmetrie die ontstaat door op afstand te contracteren compenseren, maar ook niet meer dan dat. Het recht om de werking om de goederen te testen tijdens de bedenktermijn [210], zelfs wanneer dit de goederen degradeert, kan dan ook beter worden afgeschaft. Dit maakt het immers vaak onmogelijk dat goed nog als nieuw te verkopen, het degradeert goederen onnodig en creëert extra milieu-impact. Als bepaalde goederen uiteindelijk niet zouden functioneren en gebrekkig zijn, dan blijft de consument nog steeds beschermd door de dwingende wettelijke garantie. [211]
Ook de regel dat een consument nog steeds mag herroepen ook al heeft hij het goed behandeld op een manier die verder gaat dan nodig om de aard, de kenmerken en de werking van het goed vast te stellen, kan beter verdwijnen. In dat geval laat de wet de verkoper weliswaar toe om de waardevermindering aan de consument aan te rekenen, maar de consument mag nog steeds herroepen. [212] In de praktijk rapporteren ondernemingen moeilijkheden om de waardevermindering correct te bepalen of daar een akkoord over te vinden met de consument, naast de verliezen die ze lijden omdat bepaalde goederen niet meer opnieuw verkocht kunnen worden. [213] Dit leidt ertoe dat vaak toch het volledige bedrag wordt terugbetaald, zowel omdat het efficiënter is als om slechte reviews te vermijden. [214] Het rapport over de toepassing van de Richtlijn Consumentenrechten concludeerde dan ook dat dit het doel van de richtlijn - namelijk «een juist evenwicht tussen een hoog beschermingsniveau voor de consument en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven» - kan ondermijnen. [215] Als we ook nog eens rekening houden met duurzaamheid, dan is het duidelijk dat een (dwingende) regel die consumenten toelaat de waarde van goederen te reduceren zonder dat daaraan (in de praktijk) gevolgen verbonden zijn, beter afgeschaft kan worden. O.i. moeten handelaars in dit geval herroeping kunnen weigeren. [216]
Verdergaande maatregelen zijn bovendien nodig om onnodig terugzenden af te raden. Een maatregel (op Europees niveau) zou erin kunnen bestaan gratis retours simpelweg te verbieden. [217] Een (minimum)prijs die de consument moet betalen bij terugzending zou automatisch een beperking zetten op excessief retourneren en kan ertoe bijdragen de economische en ecologische externaliteiten van een retourbeslissing toch (gedeeltelijk) te internaliseren. Het zou de consument ook een incentive geven om reeds bestaande technologie die kan assisteren bij het maken van een juiste keuze ook effectief te gebruiken. [218] Gratis terugzenden zou weliswaar blijven bestaan, maar enkel in die situaties waar daar een geldige reden voor bestaat, namelijk als onderdeel van de (kosteloze) remedies die de consument hoe dan ook geniet in geval van een niet-conforme levering bij een consumentenkoop. Allicht is dat niet wat de meeste consumenten willen [219], maar even stilstaan bij wat we momenteel als normaal beschouwen lijkt noodzakelijk, om kleinere e-commerce-spelers toe te laten te overleven, maar ook om de ecologische impact van de groeiende e-commerce-markt te verbeteren. Daarnaast zou zo'n maatregel ook een einde maken aan de kruissubsidiëring die nu bestaat tussen consumenten die zelden herroepen en 'veelretourneerders'. Zo'n regel zou minstens duidelijk maken dat 'gratis terugzenden' sowieso een illusie is.
Ook het dwingende karakter van het herroepingsrecht kan in vraag worden gesteld. Dit gebeurde reeds eerder [220], maar ook hier werd de discussie vooral gevoerd in termen van economische efficiëntie. Zo werd geargumenteerd dat een dwingend herroepingsrecht bij verkoop op afstand niet efficiënt is. [221] Hoewel dit recht wel degelijk voordelen heeft voor consumenten (en handelaars) [222], is er een kostprijs aan verbonden, «zeker wanneer het misbruikt wordt door een subgroep van opportunistische consumenten». [223] Die kosten worden uiteindelijk, «minstens deels gedragen door de consument, aangezien handelaars de mogelijkheid van retours in rekening brengen en hun prijzen hieraan aanpassen». [224] Bar-Gill en Ben-Shahar zien voornamelijk twee categorieën van consumenten die mogelijk benadeeld worden door een dwingend herroepingsrecht dat handelaars niet toelaat om verschillende prijzen te hanteren voor contracten mét en zonder dit recht [225]: (1) de armste consument die de voorkeur geeft aan lagere prijzen eerder dan aan een herroepingsrecht; en (2) consumenten van wie het weinig waarschijnlijk is dat ze zullen herroepen. De tweede categorie kan bestaan uit mensen die reeds vertrouwd zijn met het aangekochte product, of gewoon om praktische redenen opzien tegen retourneren, of om andere redenen niet houden van retourneren, wat gebaseerd kan zijn op ecologische redenen. Beide categorieën van consumenten betalen dus voor een recht dat ze wellicht niet zullen gebruiken en subsidiëren gedwongen de 'veelretourneerders'. [226]
Een systeem met verschillende prijzen naar gelang al dan niet kan herroepen worden is niet volledig nieuw. De hotelsector - momenteel uitgezonderd van het dwingende herroepingsrecht [227] - werkt vandaag al met een prijsdifferentiatie tussen boekingen met én zonder recht om te annuleren, en dit wordt positief onthaald. [228] Hotels hanteren verschillende prijzen afhankelijk van de mogelijkheid om al dan niet te annuleren of te wijzigen en consumenten kunnen zo genieten van een lagere prijs als ze afzien van hun recht om te annuleren. [229] Zo'n prijsdifferentiatie bij de verkoop op afstand van goederen zou gelijkaardige voordelen hebben.
We pleiten er dan ook niet voor het (dwingende) herroepingsrecht volledig af te schaffen, maar wel om handelaars te verplichten om een optioneel herroepingsrecht aan te bieden [230], met een verplichte prijsdifferentiatie tussen contracten mét en zonder herroepingsrecht. Zo'n dwingend optioneel recht, laat handelaars toe om ook een duurzamere optie aan te bieden en verplicht hen niet langer om uitsluitend een minder duurzaam retoursysteem te hanteren. Een verplichte optie met prijsdifferentiatie biedt consumenten bovendien een incentive om een bestelling beter te overdenken en ook gebruik te maken van de beschikbare tools om bijvoorbeeld de juiste maat te bepalen. Het zou verder de huidige kruissubsidiëring ten nadele van consumenten die net duurzamer handelen, beëindigen. Het dwingende herroepingsrecht afschaffen betekent weliswaar ook minder consumentenbescherming. Maar ook hier geldt dat deze vermindering in bescherming uiteindelijk beperkt is omdat de remedies bij een consumentenkooprechtelijke niet-conformiteit immers blijven bestaan.
Zo'n verplichte prijsdifferentiatie tussen duurzame en minder duurzame contracten bestaat bijvoorbeeld in Frankrijk voor afhaaldrankjes. [231] Bij e-commerce is het goede nieuws alvast dat de groenste optie (op afstand kopen zonder herroepingsrecht) ook de goedkoopste optie is voor consumenten, voor wie de prijs nog steeds het doorslaggevende element is in het beslissingsproces. [232] In de 'groene optie' (geen herroepingsrecht) kan dan meteen ook als standaardoptie worden voorzien.
Opnieuw mag duidelijk zijn dat dit niet de enige mogelijke maatregelen zijn om e-commerce duurzamer te maken. Er is dan ook een ruimere waaier van mogelijke aanvullende maatregelen die de milieu-impact van retours bij e-commerce verder kunnen beperken. Dergelijke aanvullende maatregelen kunnen variëren van ogenschijnlijk simpele maatregelen zoals geharmoniseerde Europese standaarden voor kledingmaten [233], het gebruik van de technologieën om maten correct te bepalen en goederen beter te visualiseren [234], het investeren in afhaalpunten, tot maatregelen die het lot van geretourneerde goederen bepalen. Zo heeft Frankrijk reeds wetgeving aangenomen die verbiedt om nieuwe producten, behalve voedingswaren, te vernietigen. [235]
| VI. | Verdienstelijking - nood aan modern consumentencontractenrecht voor huur- en dienstenovereenkomsten [236] |
In een circulaire economie worden verschillende strategieën en bedrijfsmodellen gebruikt om materialen en producten zo lang mogelijk in de economie te houden. Deze strategieën omvatten circulair ontwerp, meer duurzame aankoopbeslissingen, het stimuleren van onderhoud, reparatie en hergebruik, herfabricatie ('refurbishing'), recycling enz. [237] Daarnaast wordt vaak beweerd dat de trend van de servitisation ('verdienstelijking') van de economie een groot potentieel heeft om bij te dragen aan de overgang naar een meer circulaire economie in de roerende consumptiegoederen- en dienstensector. [238] Ook in het Federaal actieplan CE 2021-2024 vinden we dit terug onder de noemer «functionaliteitseconomie». [239], [240]
Het idee achter deze 'verdienstelijkte' bedrijfsmodellen is dat de gebruiker niet zozeer een specifiek product, maar een specifieke functionaliteit nodig heeft: «they don't want quarter-inch drill bits, they want quarter inch holes». [241] Bijgevolg brengen deze nieuwe modellen een verschuiving met zich mee van het verkopen van producten naar het aanbieden van 'products-as-a-service' ('PaaS') [242] of - vanuit het perspectief van de consument - van het kopen van producten naar het gebruik van producten ('access-based-consumption'). [243] In de marketing- en managementliteratuur over servitisation wordt vaak de verzamelterm 'product-dienst-systeem' ('PDS') gebruikt [244], dit is «een combinatie van producten en diensten die ontworpen zijn om gezamenlijk aan de behoeften van de klanten te voldoen». [245]
Eerder stelden we reeds (met Elias Van Gool en Harry Slachmuylders) dat PDS op vele manieren kunnen worden gecategoriseerd. De meest gebruikte indeling van PDS is gebaseerd op het voorwerp van het contract en de verschuiving in eigendom. [246] Op deze manier worden drie hoofdtypes PDS onderscheiden: productgeoriënteerde, gebruikgeoriënteerde en resultaatgeoriënteerde PDS. [247] Bij productgeoriënteerde PDS worden diensten (onderhoud, herstelling …) toegevoegd aan de traditionele verkoop van een product ('after-sales services'). Deze bedrijfsmodellen houden dus nog steeds een eigendomsoverdracht in (in tegenstelling tot gebruikers- en resultaatgerichte PDS). [248] Gebruikgeoriënteerde PDS (ook wel 'product-as-a-service' contracten genoemd) zijn contracten die de klant een gebruiksrecht verlenen voor een specifiek product tegen betaling van een eenmalige of periodieke vergoeding. [249] Kenmerkend voor deze contracten is dat de producent gedurende de gehele levenscyclus van het product eigenaar blijft en de verantwoordelijkheid voor het product behoudt. [250] Als voorbeelden van gebruikgeoriënteerde PDS kan gedacht worden aan abonnementsformules voor huishoudtoestellen, fietsen of meubels (zie hieronder). Resultaatgeoriënteerde PDS hebben niet langer betrekking op een of meer specifieke producten, maar op een specifiek functioneel resultaat. Om aan deze specifieke behoefte te voldoen, krijgt de producent de vrijheid om dit resultaat op de meest efficiënte manier te bereiken. In ruil daarvoor betaalt de klant een servicevergoeding voor een bepaalde kwaliteit of continuïteit die wordt gegarandeerd door een prestatiecontract. De prijs voor deze dienst kan zowel op 'pay-per-use'- als op abonnementsbasis worden berekend. [251] Een goed voorbeeld van een resultaatsgeoriënteerde PDS is het 'Light as a Service'-model, waarmee licht wordt verkocht in plaats van lampen (zie hieronder).
Het idee om producten en diensten te integreren is niet geheel nieuw. In feite bestaan voorbeelden van servitisation en PDS al tientallen jaren op B2B-markten. Servitisation- en PDS-contracten kennen recent ook een opmars op B2C-markten. Zo biedt het Nederlandse bedrijf Mudjeans een 'Lease a Jeans'-formule aan waarbij de consument tegen een maandelijkse vergoeding een jeans kan leasen. [252] Wanneer de broek versleten is, of na twaalf maanden, kan de consument de jeans opsturen om een nieuw exemplaar te ontvangen, terwijl Mudjeans het oude recycleert. In de sector voor thuisprinters introduceerde HP het 'HP Instant Ink' [253]-plan waarbij het maandelijkse abonnementsgeld gebaseerd is op het aantal geprinte pagina's en niet op de hoeveelheid gebruikte inkt. Er zijn ook abonnementsformules beschikbaar in de sector van de huishoudelijke apparaten. Abonnementen voor Miele wasmachines, wasdrogers en vaatwassers worden beschikbaar gesteld door 'Bundles' [254], terwijl 'Blue Movement' [255] abonnementsformules aanbiedt voor BSH (Bosch)-machines. [256] In de meubelsector maakt 'Live light' [257] het mogelijk om uw interieur te huren tegen een maandelijkse prijs en ook Ikea kondigde onlangs pilootprojecten aan waarbij het zijn producten zal verhuren aan consumenten. [258] Nog een bekend voorbeeld is 'Swapfiets', een service waarbij u tegen een maandelijkse vergoeding een fiets kunt huren, en in ruil daarvoor garandeert het bedrijf dat u altijd een werkende fiets heeft terwijl uw abonnement actief is. [259]
PDS en circulaire bedrijfsmodellen zijn dus in opkomst en kunnen zeker heel wat voordelen bieden, zowel voor ondernemingen als voor consumenten. Toch bestaan er aan beide zijden van de markt nog steeds verschillende economische, gedrags- en juridische belemmeringen voor de overgang van producten naar diensten. Bedrijven worden bijvoorbeeld geconfronteerd met verhoogde voorfinanciering en een trager ritme van ontvangsten; problemen en kosten verbonden met disintermediatie; de noodzaak om een logistiek systeem te ontwikkelen voor levering, installatie en ophaling van de producten; het risico van 'kannibalisering' van de eigen traditionele verkoop en hogere transactiekosten vanwege de noodzaak om complexere contracten op te stellen. [260] Ook is het niet steeds eenvoudig om te bepalen hoe lang de producten 'dienst' moeten doen en wat hun restwaarde na uitdienstneming bedraagt. [261] Ook bestaat er een aanzienlijk risico dat de gebruiker zich mogelijk minder zorgvuldig gedraagt dan wanneer hij wel eigenaar van het product zou zijn (moral hazard-probleem). [262] Ook aan de consumentenzijde bestaan er uitdagingen. [263] Zo heeft de gedragsliteratuur aangetoond dat klanten vaak terughoudend lijken te zijn om deze nieuwe bedrijfsmodellen te omarmen. Er werden verschillende belemmeringen vastgesteld: sommige afhankelijk van de kenmerken van de consument (optimisme, interesse in innovatie, risicopercepties en de perceptie van een gebrek aan controle), andere afhankelijk van het type product (de respondenten waren bv. gunstiger over het huren of leasen van huishoudapparaten dan over woningtextiel of bedden). [264] Tot slot vloeiden ook belemmeringen voort uit de bezorgdheden van de consument die te maken hebben met het gebruiken van producten in plaats van ze te kopen. [265]
Bedrijven promoten PDS vaak als een milieuvriendelijker en meer circulair alternatief voor de traditionele verkoop van producten ('groene claims'). Ook vele academici argumenteren dat servitisation en PDS kunnen bijdragen aan de transitie naar een meer circulaire economie. De achterliggende gedachte is dat servitisation producenten (dienstverleners die eigenaar blijven van het product) kan aanmoedigen om de levensduur van de producten te verlengen door betere materialen te gebruiken en de herstelbaarheid, duurzaamheid en recycleerbaarheid te verbeteren. Ook wordt beweerd dat servitisation kan leiden tot een duurzamer ontwerp van producten waardoor de ecologische voetafdruk van producten verkleint. [266] Daarnaast stellen sommigen dat PDS consumenten kunnen stimuleren om producten (en materialen) efficiënter te gebruiken. [267] Anderen benadrukken echter terecht dat servitisation niet noodzakelijk bijdraagt aan de transitie naar een circulaire economie. Zo baseren bedrijven hun keuze voor PDS vaak op economische en niet zozeer op ecologische redenen. Daardoor zijn zeker niet alle PDS noodzakelijkerwijs duurzamer dan de traditionele bedrijfsmodellen die gebaseerd zijn op de verkoop van producten (risico van greenwashing). [268] Inderdaad, in een studie over acht types PDS werd vastgesteld dat de meerderheid van deze bedrijfsmodellen slechts een marginale vermindering van de ecologische impact oplevert. [269] In sommige gevallen hebben PDS zelfs een negatief effect op de duurzaamheid door onzorgvuldig gebruik van een product door klanten die niet de eigenaar zijn of door een toename van 'nodeloze' consumptie van PDS die goedkoper zijn dan de aankoop van het product (zogenaamde 'rebound-effecten'). [270] Claims over het ecologischr karakter van PDS moeten dus steeds zorgvuldig worden beoordeeld. [271] Nieuwe 'verdienstelijkte' bedrijfsmodellen hebben dus potentieel om de transitie naar een meer circulaire economie te faciliteren, maar kunnen ook 'rebound-effecten' met zich meebrengen. De Europese Commissie erkent dit ook [272], maar wenst deze modellen wel te stimuleren. [273] Het Federaal Actieplan Circulaire Economie 2021-2024 wil hier verder onderzoek naar laten uitvoeren. [274]
Naast problemen in de marketingfase (zie supra over greenwashing en gebrek aan transparantie), creëren PDS en circulaire bedrijfsmodellen voor de consument ook een verhoogd risico op overmatige schuldenlast. PDS bieden mogelijk toegang tot hoogwaardige en luxeproducten die de consument zich anders niet zou kunnen veroorloven. Het risico bestaat echter dat de toename van op toegang gebaseerde consumptie leidt tot nieuwe vormen van overmatige schuldenlast bij de consument. [275] Zo is het denkbaar dat een groot aantal verschillende (en vaak kleine) abonnementen of 'private leasecontracten' financiële verplichtingen met zich meebrengen die vergelijkbaar zijn met de verplichtingen die voortvloeien uit kredietovereenkomsten. [276] Hoewel de risico's die voortvloeien uit PDS-overeenkomsten vergelijkbaar zijn met de risico's die voortvloeien uit kredietovereenkomsten, worden consumenten (in de regel) niet beschermd door de Richtlijn Consumentenkrediet omdat die niet van toepassing is op huur- of leasecontracten die geen verplichting bevatten om het product aan het einde van de overeenkomst te kopen. [277] In de initiële effectbeoordeling in het kader van de herziening van de Richtlijn Consumentenkrediet erkent de Europese Commissie ook dat de opkomst van nieuwe kredietverstrekkers en nieuwe vormen van consumentenkrediet nieuwe uitdagingen voor een effectieve consumentenbescherming creëren. Het Voorstel van de Commissie voor een nieuwe Richtlijn heeft dan ook een meer uitgebreid toepassingsgebied. [278] In het voorgestelde nieuw omschreven toepassingsgebied wordt onder meer de uitzondering met betrekking tot leasingovereenkomsten met een optie om goederen of diensten aan te kopen, geschrapt.
In tegenstelling tot bij productgeoriënteerde PDS, waar de consument eigenaar is van het product, bevindt de consument zich bij gebruikgeoriënteerde en resultaatgeoriënteerde PDS in een relatief zwakke positie omdat hij enkel een gebruiksrecht over de goederen verkrijgt, terwijl de dienstverlener de eigendom behoudt. Toch creëert het verlenen van een gebruiksrecht zonder eigendomsoverdracht ook voor de dienstverlener risico's omdat hij de fysieke controle over het goed verliest. Het is dan ook essentieel dat de dienstverlener zich beschermt tegen een verkrijgende verjaring of een deugdelijke bezitter te goeder trouw die zich beroept op artikel 2279 oud BW, bijvoorbeeld bij beslag of wederverkoop van het goed. De PDS-aanbieder of een andere eigenaar zoals een leasingmaatschappij kan dit risico beperken door op het product op duurzame en zichtbare wijze een naamplaatje aan te brengen dat de eigendomssituatie vermeldt. [279] Een ander risico betreft het intreden van onroerende natrekking bij de incorporatie van het gebruikte product in een onroerend goed, bijvoorbeeld bij huishoudelijke apparaten en infrastructuur voor verlichting, binnenklimaat of energie. [280]
Ondanks het groeiende belang van de dienstensector in de EU en de overgang naar een meer circulaire en functionele economie, blijft de focus van het EU-consumentencontractenrecht en de juridische literatuur gefocust op het klassieke lineaire model van de verkoop van producten en de overdracht van eigendom. Zo is de wetgeving inzake consumentenkoop grotendeels geharmoniseerd en voorziet deze in dwingende regels ter bescherming van de consument. De EU-regels voor dienstencontracten en PDS zijn daarentegen eerder beperkt. Afgezien van de Dienstenrichtlijn, de Richtlijn inzake Elektronische Handel en de nieuwe Richtlijn Digitale Inhoud en Digitale Diensten is er geen gedetailleerde en geharmoniseerde regelgeving over de kwaliteit, aansprakelijkheid en veiligheid van diensten, over de totstandkoming van (product-)dienstencontracten, over de wettelijke garantie voor diensten die niet in overeenstemming zijn met het contract enz. Het feit dat er nooit een EU-harmonisatie op dit gebied tot stand is gekomen, wordt voornamelijk toegeschreven aan «de complexiteit en de diversiteit van diensten». Als gevolg daarvan blijven dienstencontracten - ook B2C - hoofdzakelijk onderworpen aan het nationale recht en de contractvrijheid. In België is de wetgeving voor dienstencontracten zeer summier, sterk verouderd en vaak slechts suppletief van aard. [281]
Eerder stelden we reeds vast (met Elias Van Gool en Harry Slachmuylders) dat wat de contractuele kwalificatie van PDS naar Belgisch recht betreft, er soms moeilijkheden rijzen. PDS-overeenkomsten zijn immers vaak complex en bevatten kenmerken van verschillende (al dan niet benoemde) overeenkomsten zoals huur, aanneming, leasing enz. Zoals reeds aangegeven, impliceren productgeoriënteerde PDS een traditionele koop-verkoop van een product, aangevuld met bijkomende diensten. Hoewel ook andere benoemde dienstenovereenkomsten mogelijk zijn, heeft de dienstencomponent doorgaans de vorm van een aanneming. Tenzij de PDS bestaat uit twee of meer onafhankelijke en afzonderlijke overeenkomsten, zal een productgeoriënteerde PDS beschouwd worden als één gemengde overeenkomst. [282] Bij de keuze tussen koop- en aannemingsovereenkomsten hanteert de meerderheid van rechtspraak en rechtsleer de absorptietheorie, en daarbij vooral het specificiteitscriterium [283] om de determinerende component te bepalen. [284] Voor complexe productgeoriënteerde PDS met meer verscheiden en minder met de levering geïntegreerde diensten zoals onderhoud, herstelling en/of digitale diensten, lijkt de cumulatietheorie de beste kwalificatiemethode te vormen, op voorwaarde dat de koop- en dienstencomponent voldoende van elkaar onderscheiden zijn. [285] Gelet op de verschillende tijdstippen en het verschillend voorwerp van de prestaties bij deze types productgeoriënteerde PDS, zal aan deze voorwaarde meestal voldaan zijn. Enkel wanneer de koop- en dienstencomponenten ondeelbaar zijn en er toch verenigbaarheden zouden optreden, is het beter om de absorptietheorie toe te passen. [286]
In tegenstelling tot productgeoriënteerde PDS, houden gebruikgeoriënteerde PDS niet langer een eigendomsoverdracht van een product in. Bijgevolg zijn de dwingende koopregels niet van toepassing. Wanneer gebruiksgeoriënteerde PDS zich beperken tot een loutere terbeschikkingstelling van een goed (bv. wasmachine, koffieapparaat, fiets) tegen betaling, zal de overeenkomst in de regel kwalificeren als een huurovereenkomst voor roerende goederen. Wanneer gebruikgeoriënteerde PDS echter een kortstondige en occasionele dienst inhouden (zoals bij de meeste 'pay-per-use'-overeenkomsten), zou men kunnen stellen dat er niet langer sprake is van een huurcontract van roerende goederen, maar van aanneming. Toch is dit onderscheid niet eenvoudig te maken, want voor de huur van goederen kan een bepaalbare prijs volstaan. [287] Mogelijk is de vraag of het goed ook buiten gebruik permanent in de macht van de gebruiker is (bv. bij een slimme wasmachine en in tegenstelling tot een elektrische step die op 'free floating'-basis beschikbaar is) relevant voor een kwalificatie als huur van goederen. [288] Ook bij gebruikgeoriënteerde PDS zullen aanvullende diensten zoals onderhoud, herstel enz. in de regel vallen onder het regime van aanneming van werk. De kwalificatie wordt echter ingewikkelder wanneer het contract zowel de terbeschikkingstelling van een goed als het verrichten van diensten omvat. Er is dan sprake van een gemengde overeenkomst waarbij de regels van huur en aanneming op elkaar moeten worden afgestemd. De absorptietheorie lijkt het meest aangewezen wanneer huur en diensten één geheel vormen en de ene component in functie staat van de andere. [289] Zijn verschillende componenten daarentegen minder geïntegreerd, dan vormt de cumulatietheorie een betere optie zodat een kunstmatige eenmaking van een complexe overeenkomst vermeden wordt. [290] Voorbeelden zijn de combinatie van de terbeschikkingstelling van een goed met onderhouds- of hersteldiensten of bij aanvullende leveringen van verbruiksgoederen.
Ook bij resultaatgeoriënteerde PDS verkrijgt de gebruiker niet langer een eigendomsrecht. Het verschil met gebruikgeoriënteerde PDS zit echter daarin dat de gebruiker niet langer een gebruiksrecht verkrijgt over een of meer specifieke producten, maar in de plaats daarvan beschikbaarheid van een specifiek functioneel resultaat. Deze PDS-overeenkomsten worden onder Belgisch recht gekwalificeerd als aanneming. [291]
Eerder onderzochten we reeds (met Elias Van Gool en Harry Slach muylders) de vraag welke remedies er openstaan voor de consument wanneer de dienstverlener zijn verplichtingen niet nakomt. In tegenstelling tot productgeoriënteerde PDS, waar de dwingende regels inzake consumentenkoop [292] van toepassing zijn, zien we dat een kwalificatie als huur of aanneming slechts weinig bescherming biedt. Het Belgische Burgerlijk Wetboek bevat geen specifieke bepalingen voor huurcontracten voor roerende goederen. Daarom past de vaste rechtspraak voor zover mogelijk de artikelen 1714-1762bis oud BW toe per analogie. [293] Deze bepalingen bevatten een aanvullende regeling voor de meest essentiële contractuele aspecten, zoals de basisverplichtingen van beide partijen, herstellingsverplichtingen, huurschade en het tenietgaan van het verhuurde goed. [294] Zo staat de dienstverlener bijvoorbeeld in voor het rustige huurgenot [295] en is hij verantwoordelijk voor gebreken. [296] Daarnaast zijn onderhoud en grotere reparaties ten laste van de dienstverlener [297], terwijl de gebruiker verantwoordelijk blijft voor kleine reparaties. [298] Aangezien deze regels echter niet dwingend zijn, kan hiervan in de PDS-overeenkomst worden afgeweken. Aanneming kent binnen het Belgische contractenrecht slechts een summiere wettelijke regeling in de vorm van de artikelen 1787-1799 oud BW, die nog hoofdzakelijk dateren uit 1804. Hoewel zij zijn opgesteld met de bouw van onroerende goederen in het achterhoofd, wordt aanvaard dat zij ook van toepassing zijn op andere aannemingsovereenkomsten. [299] Ook deze bepalingen zijn voornamelijk van aanvullend recht, waardoor de aanbieder er in zijn algemene voorwaarden van kan afwijken. Zoals vermeld, ontbreekt een uitgebreid wettelijk kader voor dienstencontracten. Bijgevolg is er bij PDS nood aan een goed contractueel regime dat de rechten en verplichtingen van partijen duidelijk vastlegt. Gelet op de Richtlijn Consumentenkoop [300] en de Richtlijn Digitale Inhoud [301], zal binnenkort in België een nieuw (dwingend) wetgevend kader gelden voor consumentenkoop en voor digitale inhoud en digitale diensten. De Richtlijn Digitale Inhoud en Digitale Diensten bevat onder meer dwingende regels over de conformiteit van digitale diensten met de overeenkomst (o.a. updates, zie supra) [302], aansprakelijkheid van de handelaar en remedies bij non-conformiteit [303], en de rechten en verplichtingen van partijen bij de ontbinding van de overeenkomst. [304]
In de nabije toekomst zal het belang van de wetgeving van puur Belgische oorsprong dus enigszins worden beperkt, aangezien digitale diensten en digitale inhoud in toenemende mate deel zullen uitmaken van gebruikgeoriënteerde PDS. [305] Dit geldt nog meer voor resultaatgeoriënteerde PDS, aangezien bijna al deze contracten «digitale diensten» in de zin van de richtlijn omvatten. Veel van deze PDS worden namelijk gekenmerkt door het feit dat de geleverde producten op het internet zijn aangesloten om het beloofde resultaat te bereiken en te optimaliseren door gegevens over het gebruik, de noodzaak van reparatie enz. te communiceren. [306]
Een belangrijke opmerking hierbij is dat de Richtlijn Digitale Inhoud en Digitale Diensten enkel van toepassing is op de elementen van de overeenkomst die de digitale inhoud of de digitale dienst betreffen. [307] De overige diensten blijven dus nog steeds onderworpen aan het nationale dienstenovereenkomstenrecht (bv. huur, aanneming) of (sector)specifiek Unierecht, waar relevant. [308]
Zoals hierboven besproken, is er bij gebrek aan duidelijk wettelijk kader voor PDS-contracten nood aan een goed contractueel regime. Hieronder schetsen we (zoals eerder reeds met Elias Van Gool en Harry Slachmuylders) enkele aandachtspunten bij het opstellen van de algemene voorwaarden van een overeenkomst voor een gebruikgeoriënteerde of resultaatgeoriënteerde PDS.
Vooreerst is het zeer belangrijk om de basisverplichting, dit is het verlenen van de dienst en het ter beschikking stellen van het product, duidelijk contractueel vast te leggen. Bij gebruikgeoriënteerde PDS betekent dit dat het specifieke product waarvan de gebruiker een gebruiksrecht verkrijgt, geïdentificeerd moet worden. Bij resultaatgeoriënteerde PDS zal daarentegen niet langer verwezen worden naar individuele producten, maar naar meer immateriële concepten ('licht', 'binnenklimaat', 'verwarming' enz.) en het resultaat dat bereikt moet worden. Hierbij is het belangrijk om de outputspecificaties, dit zijn de eisen op vlak van functionaliteit, uitzicht, kwaliteit, duurzaamheid enz., duidelijk contractueel te omschrijven. [309] Daarnaast is het ook belangrijk om te definiëren welke continuïteit van de dienstverlening ('beschikbaarheid' van de PDS) de aanbieder zal garanderen. Dit kan een doorlopende continuïteit zijn, maar het is ook mogelijk om een clausule in het contract op te nemen die geplande of ongeplande onderbrekingen regelt. [310] Hoe precies deze clausules over de outputspecificaties zijn omschreven en welke continuïteit van de dienstverlening is gegarandeerd in de overeenkomst, zal een belangrijke rol spelen in de kwalificatie als resultaatsverbintenis dan wel inspanningsverbintenis. [311] Het is overigens perfect mogelijk dat sommige onderdelen van de PDS-overeenkomst als resultaatsverbintenis kwalificeren en andere als middelenverbintenis. [312] De kwalificatie van de verbintenis heeft belangrijke gevolgen voor de contractuele aansprakelijkheid van de aanbieder. Zo zal bijvoorbeeld het kwalificeren van het leveren van 'licht als dienst' als resultaatsverbintenis tot gevolg hebben dat de aanbieder aansprakelijk zal zijn bij onderbreking, tenzij hij overmacht kan aantonen. [313] Het aanvullende karakter van de regels van aanneming maakt het daarnaast perfect mogelijk om de verbintenis te kwalificeren als een middelenverbintenis, bijvoorbeeld door te bepalen dat er enkel sprake is van een wanprestatie wanneer de onderbreking een bepaalde termijn overschrijdt of dat het volstaat dat de aanbieder redelijke inspanningen levert om de continuïteit van de dienstverlening te garanderen. [314]
Ten tweede bevatten PDS-overeenkomsten vaak een beding dat de dienstverlener verantwoordelijk is voor onderhoud, herstel en vervanging van het goed. Indien een PDS-overeenkomst gekwalificeerd wordt als huur, wijkt een dergelijk beding dus af van het gemene recht in het voordeel van de gebruiker/consument. [315] Zo garandeert de aanbieder dat de gebruiker/consument 'ontzorgd' wordt en ononderbroken van de dienst gebruik kan maken. Onderhoud kan zowel gebeuren op basis van een onderhoudsplan als wanneer de gebruiker de aanbieder op de hoogte brengt van een defect.
Ten derde is het voor ondernemingen belangrijk om na te denken over hun prijszetting om de aankoop van het product en de gemaakte investeringen terug te verdienen. Een mogelijke factor bij deze prijszetting is de vraag of de aanbieder de producten na afloop van de overeenkomst kan hergebruiken bij een andere contractant dan wel of de producten op een andere manier (herfabricatie, 'refurbishing' enz.) 'dienst' kunnen doen. Ten eerste zal de gebruiker een periodieke vergoeding betalen voor de geleverde diensten. Daarnaast is het zeker mogelijk om een opstartkost te bedingen. [316] Tot slot kan de aanbieder ook bedingen dat de gebruiker bij voortijdige beëindiging van de overeenkomst een vergoeding betaalt die toelaat de gemaakte investeringskosten te recupereren. [317]
Hierboven werd reeds toegelicht dat het risico bestaat dat consumenten zich minder zorgvuldig gedragen wanneer zij niet de eigenaar van het product zijn (moral hazard-probleem). Om dit risico te beperken kan de aanbieder een beding opnemen in de overeenkomst dat de gebruiker/consument de goederen moet behandelen als een goede huisvader. [318] In overeenkomsten met consumenten kan dit abstracte criterium eventueel verder worden ingevuld door infofiches die het juiste gebruik van het product toelichten. [319]
In het licht van de nieuwe Richtlijn Digitale Inhoud en Digitale Diensten vormen updates een belangrijk element voor het beoordelen van de conformiteit van de digitale dienst met de overeenkomst. [320] Daarom is het aangewezen dat aanbieders bedingen opnemen in de PDS-overeenkomst over de kwaliteit en frequentie van deze updates. Daarnaast kunnen partijen in het licht van de transitie naar een meer circulaire economie ook contractueel bepalen dat op de aanbieder een innovatieverplichting rust. Op deze manier kan bijvoorbeeld rekening gehouden worden met innoverende ontwikkelingen op de markt die een duurzamer, zuiniger of efficiënter gebruik van de dienst mogelijk maken. [321]
Ten zesde is het aangewezen om een beding op te nemen over wat er gebeurt met de ter beschikking gestelde producten op het einde van de PDS-overeenkomst. In de meeste gevallen zal de aanbieder zich ertoe verbinden de producten terug te nemen of te laten terugnemen. In andere gevallen zal dit echter niet altijd even haalbaar of betaalbaar zijn omdat de producten niet eenvoudig kunnen worden teruggenomen of een relatief lage restwaarde hebben. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan ventilatiesystemen die in de woning van de gebruiker geïnstalleerd werden. Eventueel kan in dat geval bedongen worden dat de gebruiker eigenaar wordt van de producten na de overeenkomst wanneer alle periodieke vergoedingen betaald zijn of bij betaling van een vergoeding voor voortijdige beëindiging. Toch garandeert een terugnameplicht niet dat de aanbieder het product op duurzame wijze zal herbestemmen, bijvoorbeeld door hergebruik, refurbishing, herfabricatie, upcycling enz. Vanuit het oogpunt van de circulaire economie is het daarom een goed idee om in de PDS-overeenkomst een beding op te nemen waarin de aanbieder zich ertoe verbindt zelf het ter beschikking gestelde product op een hoogwaardige en circulaire manier te herbestemmen of hiervoor een beroep te doen op een derde. [322]
Tot slot kan de PDS-aanbieder via allerhande exoneratiebedingen en overmachtsclausules zich trachten te exonereren of zijn aansprakelijkheid te beperken. Hoewel exoneratiebedingen onder Belgisch recht principieel erkend zijn op grond van de contractvrijheid van de partijen, zijn deze aan zeer strenge voorwaarden onderworpen. [323] Zo mogen deze clausules i) niet in strijd zijn met dwingend recht of de openbare orde; ii) de dienstverlener niet bevrijden voor persoonlijk bedrog of opzet; en iii) de overeenkomst niet uithollen. [324] Daarnaast verbiedt artikel VI.83, 13° WER in een B2C-context ook de exoneratie voor eigen zware fout en exoneratie voor opzet van aangestelden. Ook de nieuwe B2B-wet voert enkele veranderingen door. Zo is het mogelijk om exoneratiebedingen te toetsen aan de algemene norm (art. VI.91/3 WER) en worden bedingen die een onderneming ontslaan van haar persoonlijke zware fout en de zware fout en opzet van aangestelden (weerlegbaar) vermoed onrechtmatig te zijn (art. VI.91/5, 6° WER). [325]
Bij het opstellen van de algemene voorwaarden beschikt de dienstverlener echter niet over een absolute vrijheid. Zo kunnen in een B2C-context kennelijk onevenwichtige regelingen van onder meer de gebruiksrechten, het risico, de opschortingsrechten enz. worden aangevochten op basis van het controlemechanisme van de onrechtmatige bedingen. [326] Sinds 1 december 2020 geldt een gelijkaardige regeling ook voor B2B-overeenkomsten. [327] De controle op oneerlijke bedingen biedt echter alleen maar een negatief beschermingsmechanisme, dat toelaat onevenwichtig clausules nietig te verklaren, maar geen minimum aan rechten en remedies voor PDS-consumenten garandeert. [328] Daarnaast is het moeilijk te voorspellen hoe dit controlemechanisme in de context van PDS-contracten zal worden toegepast, aangezien de huidige lijst overwegend vanuit het perspectief van de koopovereenkomst werd opgesteld en er geen standaardset van rechten bestaat.
Voor het bijzonder contractenrecht is de moderniseringsoefening, die moet leiden tot een Boek 6 «Bijzondere overeenkomsten» [329] met betere regels voor onder meer de in de praktijk zo belangrijke koop-, diensten- en huurovereenkomsten, pas gestart. [330] Wij durven hopen dat de modernisering van het verbintenissenrecht niet vóór, maar ten vroegste samen met de modernisering van het bijzonder contractenrecht voltooid zal worden, onder meer met de uitwerking van zo uniform mogelijke bepalingen van bijzonder contractenrecht over conformiteit en remedies. [331] Dit kan voor de ontwikkeling van PDS en circulaire bedrijfsmodellen, die een bijdrage aan de transitie naar een duurzame economie kunnen leveren, een modern juridisch kader bieden. De ontwikkeling van moderne wettelijke regels om de consument beter te beschermen tijdens de verschillende contractuele fases bij PDS lijkt ons cruciaal. Hierbij kan zowel gedacht worden aan een sectorspecifieke aanpak als aan de mogelijke ontwikkeling van een minimumpakket van rechten, verplichtingen en remedies voor diensten. De aard van de regel (dwingend, aanvullend recht) zou daarbij kunnen afhangen van de doelgroep, ondernemingen of consumenten. Zoals hierboven uiteengezet, is het wettelijk kader naar huidig Belgisch recht voor dienstenovereenkomsten (huur, aanneming) immers zeer beperkt en werden deze regels ontworpen voor andere soorten overeenkomsten dan PDS. Wel zijn er enkele uitdagingen verbonden aan het ontwikkelen van wettelijke regels. Vooreerst maakt de diversiteit van bedrijfsmodellen voor PDS en andere dienstenovereenkomsten het moeilijker om een set van rechten, plichten en remedies uit te werken die ook nog eens een hoog niveau van consumentenbescherming garandeert. Ten tweede houdt het opstellen van dwingende regels het risico in dat innovatie tegengehouden wordt. De B2C-markt voor (duurzame) PDS is immers nog volop in ontwikkeling. Regels van aanvullend recht zijn in die zin flexibeler en bieden toch ook enige consumentenbescherming, aangezien hiermee rekening kan worden gehouden bij het toetsen van het (on)rechtmatige karakter van afwijkende contractuele clausules. [332] Tot slot moet bij het uitwerken van wettelijke regels niet enkel een evenwicht worden gevonden tussen ondernemingen en consumenten, maar moeten ook de nodige duurzaamheidswaarborgen [333] ingebouwd worden. [334]
Aanvullend is verdere standaardisatie van diensten aangewezen. Zo kunnen voor verschillende sectoren sectorspecifieke standaarden worden ontwikkeld (op Belgisch of EU-niveau) met minimumregels voor de kwaliteit van dienstverlening. Deze kunnen houvast bieden aan de consument en ondernemingen en mogelijk een aanvullende rol spelen bij de beoordeling van de conformiteit van dienstverlening. Nog een voordeel van standaardisatie is dat het flexibeler kan omgaan met de diversiteit van diensten en PDS dan wat mogelijk lijkt bij een traditionele hard law-aanpak. [335] Sinds 2012 is de Verordening Europese Normalisatie ook op diensten van toepassing en niet langer enkel op goederen. [336] Het gebruik van standaarden voor diensten staat in vergelijking met goederen echter nog in de kinderschoenen. [337] Daarnaast bestaan er ook op nationaal niveau initiatieven om standaarden te ontwikkelen voor de circulaire economie. [338]
| VII. | Conclusie |
Onze Europese Unie heeft heel wat doelstellingen. «De Unie brengt een interne markt tot stand» (art. 3, lid 3, al. 1, eerste zin VEU). Maar ook: «zij zet zich in voor de duurzame ontwikkeling van Europa, op basis van … een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu» (art. 3, lid 3, al. 2, tweede zin VEU). En: «de Unie bevordert … de solidariteit tussen de generaties en de bescherming van de rechten van het kind» (art. 3, lid 3, al. 2, tweede zin VEU). Het Verdrag van Lissabon erkent reeds in grote mate het belang van de niet-economische waarden zoals duurzame ontwikkeling «die aan de noden van de huidige generatie voldoet zonder de mogelijkheden van de toekomstige generaties om aan hun noden te voldoen te hypothekeren» (Brundlandt-rapport). Zowel milieubescherming als consumentenbescherming zijn transversale beleidsdoelen (art. 11 en 12 VWEU).
De lineaire benadering waarop traditionele bedrijfsmodellen zijn gebaseerd, botst op limieten: ze put de natuurlijke grondstoffen van onze aarde uit en veroorzaakt grote milieuproblemen. De circulaire economie vormt een veelbelovend alternatief om onze economie duurzamer te maken. In dit alternatieve kader staan het efficiënte gebruik van grondstoffen en een levenscyclusbenadering ('life-cycle thinking') centraal om materialen en producten zo lang mogelijk in de waardeketen te houden in plaats van ze te vervangen. Er staat in onze tijd heel veel op het spel.
Het Europees en nationaal consumentenrecht focust tot dusver vooral op het garanderen van het zelfbeschikkingsrecht van de consument en op de verwezenlijking van de interne markt met voldoende consumentenvertrouwen in cross-border shopping. Daarbij staat het evenwicht tussen economische belangen van ondernemingen en consumenten en het algemeen economisch belang van een goed werkende markt centraal.
Recent groeit echter het besef dat een 'evenwicht' dat weinig of geen rekening houdt met externaliteiten, zoals het effect van consumptie op milieu, grondstoffenverbruik …, een vals evenwicht is en dat daarom een 'herijking' van het consumentenrecht zich opdringt. Hoewel consumentenbescherming en duurzaamheid als doelstellingen kunnen botsen op korte termijn, is duurzaamheid op lange termijn in het belang van elke consument en burger.
Heel wat Europese, federale en regionale initiatieven staan dan ook op stapel om het consumentenrecht en de belendende domeinen van de product- en afvalwetgeving kringloopvriendelijker te maken, liefst 50 jaar na het visionaire The Limits to Growth. [339] Vooral sinds 2015 is de transitie naar een circulaire economie een echte topbeleidsprioriteit van de Europese Unie en haar lidstaten geworden. Het huidige programma ligt vervat in de Europese Green Deal (2019) en in het Nieuw Actieplan voor een circulaire economie (2020). Hierin worden verschillende wetgevende en niet-wetgevende initiatieven aangekondigd voor de gehele levenscyclus van producten, diensten en bedrijfsmodellen zodat grondstoffen en materialen zo lang mogelijk in de economie blijven.
In deze bijdrage hebben we deze vele recente en toekomstige beleidsinitiatieven op diverse beleidsniveaus verwelkomd, beschreven maar niet noodzakelijk allemaal omarmd (zie daarover infra). Vooral de mogelijke aanpassingen van het consumentenrecht kwamen in meer detail aan bod. Op korte termijn zijn er vijf grote EU-initiatieven gepland. Ten eerste is er, met betrekking tot het productbeleid, het Initiatief over Duurzame producten. De kern van dit wetgevingsinitiatief zou erin bestaan het toepassingsgebied van de Ecodesign-Richtlijn zodanig te verruimen dat deze niet alleen van toepassing is op energie-gerelateerde, maar op een zo breed mogelijk gamma producten, wat ten goede komt aan de circulariteit, en allerlei duurzaamheidsaspecten (o.a. verbetering van de levensduur, herbruikbaarheid, opwaardeerbaarheid en herstelbaarheid van producten) te verankeren in een brede waaier van productwetgeving. Ten tweede betreft het Initiatief over de grotere rol voor de consument bij de groene transitie de mogelijke invoering van een informatieverplichting in verband met ecologische kenmerken van producten en van per se verbodsbepalingen inzake welbepaalde vormen van greenwashing en van voortijdige veroudering. Ten derde is er het initiatief Milieuprestaties van producten en bedrijven - onderbouwing van claims, waarbij bedrijven verplicht zouden worden om beweringen over de ecologische voetafdruk van hun producten/diensten te onderbouwen aan de hand van standaardmethoden. Ten vierde overweegt de Europese Commissie met het Initiatief over Duurzame consumptie van goederen - stimuleren van reparatie en hergebruik de invoering van een nieuw «recht op reparatie» (voor de consument) en verplichtingen (voor ondernemingen), bijvoorbeeld om reserveonderdelen ter beschikking te stellen gedurende een bepaalde termijn. Ten vijfde zal de Commissie nieuwe afvalreductiedoelen voorstellen voor specifieke stromen als onderdeel van een breder pakket maatregelen inzake afvalpreventie, in het kader van een herziening van de Afvalstoffen-Richtlijn alsook van de specifieke afvalwetgeving inzake batterijen, verpakkingen, autowrakken en gevaarlijke stoffen in elektronische apparatuur.
Sinds december 2021 is er een nieuw Federaal Actieplan Circulaire Economie 2021-2024 dat tot stand kwam in afstemming met de deelstaten en in totaal 25 maatregelen bevat om de transitie naar een circulaire economie te bevorderen. We bespraken hierboven ook drie overlappende wetsvoorstellen die hangende zijn in de Kamer en die diverse bepalingen inzake duurzame consumentenbescherming voorstellen in het Wetboek van economisch recht (WER) en in het oud BW (consumentenkoop).
Tot slot enkele algemene conclusies, aanbevelingen en perspectieven:
- Het EU-niveau is het aangewezen niveau voor de verduurzaming van het consumentenrecht. Een noodzakelijke voorwaarde voor het verduurzamen van consumptie is het verduurzamen van de productie. De verantwoordelijkheid ligt niet in de eerste plaats bij de consument. Veel mag ook verwacht worden van het kringloopvriendelijker maken van de productwetgeving - tot 80% van de milieueffecten van energie-gerelateerde producten worden tijdens de ontwerpfase bepaald - en van de - wellicht zichzelf nooit helemaal overbodig makende - afvalwetgeving. Het creatieve geëxperimenteer op nationaal niveau heeft zeker zijn nut als laboratorium en ideeënfabriek, maar nieuwe duurzaamheidsmaatregelen, hoe nobel ook, kunnen ook hoogst problematisch zijn vanuit het perspectief van de interne markt, dual burdens en compliance costs.
- Het herijken van het consumentenrecht betekent ook een grondige correctie op van het rijk van de keuzevrijheid van de consument. Zelfbeschikkingsrecht, ja, maar met de toevoeging van een intra- en intergenerationeel element. Zelfbeschikking wordt dan het recht om eigen (consumptie)keuzes te maken, zolang deze keuzes de kansen voor anderen (zowel huidige als toekomstige generaties) op een goed leven niet hypothekeren. Het herijken van het consumentenrecht zal bovendien de nodige aandacht vragen voor het garanderen van inclusiviteit en van de toegang tot duurzame goederen en diensten voor elke consument, ook kwetsbare consumenten.
- Wij zijn principieel voorstander van een uitbreiding van het toepassingsgebied van de Richtlijn ecologisch ontwerp. Bovendien is het aangewezen om het scala van producten waarvan het ecologisch ontwerp effectief door een uitvoeringsverordening wordt geregeld, uit te breiden en er circulariteitscriteria, die gericht zijn op een efficiënt gebruik van hulpbronnen en grondstoffen, in op te nemen. Zeker naarmate er meer uitvoeringsverordeningen zouden worden aangenomen met meer vereisten, moet er ook meer op handhaving ingezet worden.
- Op Europees niveau zou overwogen kunnen worden om de meest evidente vormen van voortijdige veroudering per se te verbieden (zoals het beperken van de functionaliteit of het vertragen van de werking van slimme en verbonden goederen door middel van software-updates zonder goede reden), bijvoorbeeld door een wijziging van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken.
- Ook idealiter op Europees niveau wordt het best een bindend instrument aangenomen dat een geharmoniseerde methodologie oplegt aan ondernemingen die willen communiceren over de milieuprestaties van hun product of onderneming.
- Een versterking van de informatieverplichting inzake de ecologische kenmerken van producten (levensduur, herstelbaarheid enz.) moet zeker overwogen worden, gekoppeld aan een eengemaakte methodologie voor een repareerbaarheids- of ruimere duurzaamheidscore. Zeer belangrijk is de vorm waarin de informatie wordt verstrekt en een monitoring van de effecten van repareerbaarheids- of duurzaamheidslabelling op consumenten, maar ook op ondernemingen en op de kwaliteit van de aangeboden producten op de markt.
- Wat het consumentenkooprecht betreft zijn wij principieel tegen de uitsluiting van tweedehandsgoederen uit het toepassingsgebied van de Richtlijn. Onze voorkeur gaat uit naar een langere garantietermijn en naar de koppeling van de wettelijke garantietermijn aan de te verwachten levensduur. De Belgische keuze om de omkering van de bewijslast te laten spelen tijdens de volledige wettelijke garantietermijn van twee jaar is verantwoord vanuit duurzaamheidsperspectief. We zijn voorstander om op Europees niveau de consument niet langer het keuzerecht te geven tussen herstelling of vervanging, maar voorrang te geven aan herstel (of minstens op nationaal niveau te bepalen dat een nieuwe aansprakelijkheidstermijn voor de onderneming loopt indien de consument kiest voor herstel). Ook vervanging door 'refurbished' of 'remanufactured' goederen zou expliciet toegelaten moeten worden. Voor een daadwerkelijk 'recht op reparatie' zullen echter ook flankerende maatregelen noodzakelijk zijn.
- We pleiten ervoor om ook de regels over het herroepingsrecht bij verkoop op afstand te 'herijken' en ook met duurzaamheid rekening te houden bij het - idealiter op Europees niveau - herformuleren van deze consumentenrechtelijke bepalingen. Ook de regel dat een consument nog steeds mag herroepen ook al heeft hij het goed behandeld op een manier die verder gaat dan nodig om de aard, de kenmerken en de werking van het goed vast te stellen, kan beter verdwijnen. Een maatregel (op Europees niveau) zou erin kunnen bestaan gratis retours simpelweg te verbieden. Een (minimum)prijs die de consument moet betalen bij terugzending is een optie, waarbij gratis retour zou blijven bestaan enkel in die situaties waar daar een geldige reden voor bestaat. Ook het dwingende karakter van het herroepingsrecht kan in vraag worden gesteld.
- In afwachting van meer Uniewetgeving over contractuele rechten en verplichtingen bij dienstenovereenkomsten - de Richtlijn Digitale Inhoud en de Richtlijn Pakketreizen kunnen in die zin als bescheiden précurseurs gezien worden - is het aangewezen op Belgisch niveau vaart te maken met de uitwerking van zo uniform mogelijke bepalingen van bijzonder contractenrecht over conformiteit en remedies. Dit kan voor de ontwikkeling van PDS en circulaire bedrijfsmodellen, die een bijdrage aan de transitie naar een duurzame economie kunnen leveren, een modern juridisch kader bieden. De ontwikkeling van moderne wettelijke regels om de consument beter te beschermen doorheen de verschillende contractuele fases bij PDS lijkt ons cruciaal. Bij het uitwerken van wettelijke regels moet niet enkel een evenwicht worden gevonden tussen ondernemingen en consumenten, maar moeten ook de nodige duurzaamheidswaarborgen ingebouwd worden.
- 5. Het recht kan, mag en moet o.i. de duurzaamheidstrein nu echt op gang trekken, op de sporen houden en met een rotvaart laten doordenderen. Een omvattend duurzaamheidsbeleid, dat alle rechtstakken doordesemt, is o.i. een no-brainer in het licht van de omvang van de duurzaamheidscrisis waarin we ons bevinden. Bij dit alles is een goede samenwerking tussen het Europese, nationale en regionale beleidsniveau absoluut noodzakelijk, ook wanneer bevoegdheden niet homogeen zijn. Du choc des idées jaillit la lumière. Het is belangrijk na een grondig debat (maar snel) tot een set maatregelen te komen voor de verduurzaming van het consumentenrecht, elk binnen zijn bevoegdheid. De effectiviteit van deze maatregelen moet nauwkeurig gemonitord worden. Beter slechts enkele, maar zeer effectieve maatregelen, dan een waslijst van overlappende en contraproductieve maatregelen. You cannot have it all. Ook de handhaving verdient, vanaf de conceptie van maatregelen tot de eventueel herwerking of afschaffing, de nodige aandacht. Alleen dan is de cirkel rond.
| [1] | Vrij naar P. Blom, Wat op het spel staat, 2017. |
| [2] | Europese Commissie, Naar een circulaire economie: Een afvalvrij programma voor Europa, 2 juli 2014, COM(2014) 398 final, 2. |
| [3] | Ellen MacArthur Foundation, Towards the Circular Economy vol. 1. Economic and business rationale for an accelerated transition, EMF, 2013, 14-20. |
| [4] | Europese Commissie, Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa, 20 september 2011, COM(2011) 571 final, 1-2. |
| [5] | A. Murray, K. Skene en K. Haynes, «The Circular Economy: An Interdisciplinary Exploration of the Concept and Application in a Global Context», J.Bus.Ethics 2017, 369-380; N.M. Bocken, I. De Pauw, C. Bakker en B. Van Der Grinten, «Product design and business model strategies for a circular economy», JIPE 2016, (308) 308 en N. Kobza en A. Schuster, «Building a responsible Europe - the value of circular economy», IFAC-PapersOnLine 2013, 111-116. |
| [6] | Zie o.m. K. Tonner, «Consumer protection and environmental protection: Contradictions and suggested steps towards integration», Journal of Consumer Policy, 23, 63-78; U. Hansen en U. Schrader, «A Modern Model of Consumption for a Sustainable Society», Journal of Consumer Policy 1997, 447-448; C. Kye, «Environmental Law and the Consumer in the European Union», Journal of Environmental Law 1995, 34-35. |
| [7] | Zie o.m. B. Keirsbilck en, E. Terryn, Consumer protection in a circular economy, Antwerpen, Intersentia, 2019; H. Micklitz, «Squaring the Circle? Reconciling consumer law and circular economy?», Journal of European Consumer and Market Law 2019/6, 229-237; E. Van Gool, «De nieuwe richtlijn consumentenkoop en duurzame consumptie» in I. Claeys en, E. Terryn, Nieuw recht inzake koop & digitale inhoud en diensten, Antwerpen, Intersentia, 2020, 303- 381; C. Pavillon, «Herijking van consumentencontractenrecht: duurzaamheid als nieuw ijkpunt?» in Privaatrechtelijke bescherming herijkt. Preadviezen 2021, Zutphen, Paris, 2021, 13-104. |
| [8] | 'Brundlandt rapport', UN World Commission on Environment and Development, Our Common Future, «Sustainable development is development that meets the needs of the present without compromising the ability of future generations to meet their own needs», www.un-documents.net/ocf-02.htm_I. |
| [9] | J.M. Rodriguez-Anton, L. Rubio-Andrada, M.S. Celemin-Pedroche en M.D.M. Alonso-Almeida, «Analysis of the relations between circular economy and sustainable development goals», Int J Sust Dev World 2019, 708-720. |
| [10] | Resolutie 70/1 van de Algemene Vergadering van de VN, «Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development», 25 september 2015, UN Doc. A/RES/70/1. |
| [11] | Zie o.m. A. Halfmeier, «Nachhaltiges Privatrecht», AcP 2016, 718-762. Zie ook E. Van Gool, die er terecht op wijst dat een vaak voorkomende omschrijving van dit doel, nl. aan de hand van de volgende vier basisprincipes - (1) het verbeteren van levenskwaliteit zonder aantastingen van het leefmilieu en zonder grondstoffen en ecosysteemdiensten te hypothekeren voor toekomstige generaties; (2) het loskoppelen van economische groei en verdere degradatie van het leefmilieu; (3) het toepassen van levenscyclusdenken op producten en diensten; en (4) het vermijden van rebound-effecten, waarbij efficiëntiewinsten worden tenietgedaan door consumptietoenames - onvolledig is en te sterk gefocust op enkel de ecologische component, zonder oog te hebben voor de sociale en humanitaire component (E. Van Gool, «De nieuwe richtlijn consumentenkoop en duurzame consumptie» in I. Claeys en E. Terryn, Nieuw recht inzake koop & digitale inhoud en diensten, Antwerpen, Intersentia, 2020, 307). |
| [12] | Zie in deze zin o.m. G. Straetmans, Consument en markt, Antwerpen, Kluwer, 1988, 68 e.v.; E. Terryn, Bedenktijden in het consumentenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2005, 27 e.v.; J. Drexl, Die wirtschaftliche Selbstbestimmung des Verbrauchers, München, Mohr Siebeck, 1998. |
| [13] | Naast het recht op veiligheid, het recht op informatie en het recht om gehoord te worden, zie de boodschap van Kennedy aan het US Congress, 15 maart 1962, https://www.presidency.ucsb.edu/documents/speech-senator-john-f-kennedywittenberg-college-springfield-ohio-advance-release-tekst (geraadpleegd op 25 januari 2022). |
| [14] | Zie de Resolutie van de Raad van 14 april 1975 - eerste programma voor een beleid inzake bescherming en voorlichting van de consument, Pb.C., afl. 92, waarin de rechten van de consument werden beschreven als: recht op de bescherming van zijn gezondheid en veiligheid, recht op bescherming van zijn economische belangen; recht op schadevergoeding, recht op voorlichting en informatie en recht om gehoord te worden. |
| [15] | Zo beschermt de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken bv. enkel de economische belangen van de consument; in de richtsnoeren wordt bevestigd dat er geen impact is op nationale bepalingen die niet-economische belangen beschermen (punt 1.1.1.). Zie https://ec.europa.eu/info/sites/default/files/c_2021_9320_1_ucpd-guidance_en.pdf. |
| [16] | Zie bv. J. Drexl, Die wirtschaftliche Selbstbestimmung des Verbrauchers, München, Mohr Siebeck, 1998; E. Terryn, Bedenktijden in het consumentenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2005, 27 e.v. |
| [17] | Ook een van de medeauteurs van dit artikel pleit schuldig: zie de analyse van het herroepingsrecht in haar doctoraat (zonder enige aandacht voor externe gevolgen van de consumentenrechtelijke regels): E. Terryn, Bedenktijden in het consumentenrecht. Het herroepingsrecht als instrument van consumentenbescherming, Antwerpen, Intersentia, 2005. Zie ook de bijgestelde analyse in: E. Terryn en E. Van Gool, «Kunnen we e-commerce vergroenen door het consumentencontractenrecht te herzien?», TvC 2021/1, 15-28. |
| [18] | David van Reybrouck noemde ons gedrag onlangs treffend de kolonisatie van de toekomst: «Kolonialisme is niet alleen iets van het verleden. We zijn vandaag volop bezig met het koloniseren van de toekomst. En we nemen vandaag toekomstige decennia in met dezelfde brutaliteit en roekeloosheid als waarmee in vorige eeuwen andere continenten en werelddelen werden ingenomen. Alsof daar in de toekomst nog nìets is, alsof daar niemand woont, alsof het van ons is. Alsof wij daar gewoon onze gang mogen gaan. We kunnen dat exploiteren, uitputten, opmaken. We mogen onze kinderen en kleinkinderen er in bestelen en zelfs hun vrijheid beperken of hun gezondheid conditioneren.» Lezing op de 'informele top van Vlaanderen', 17 november 2021. |
| [19] | C. Pavillon, «Herijking van consumentencontractenrecht: duurzaamheid als nieuw ijkpunt?» in Preadviezen 2021 Vereniging voor Burgerlijk Recht, Zutphen, Paris, 2021, 13-104; V. Mak en E. Terryn, «Circular Economy and Consumer Protection: The Consumer as a Citizen and the Limits of Empowerment Through Consumer Law», Journal of Consumer Policy 2020, 227-248; H.-W. Micklitz, «Squaring the Circle? Reconciling consumer law and circular economy?», Journal of European Consumer and Market Law 2019/6, 229-237. |
| [20] | Zie o.m. K. Tonner, «Consumer Protection and Environmental Protection: Contradictions and Suggested Steps towards Integration», JCP 2000, vol. 23, 1, 63-78. |
| [21] | Cf. het VN Brundlandt report, «Sustainable development requires the promotion of values that encourage consumption standards that are within the bounds of the ecological possible and to which all can reasonably aspire», www.un-documents.net/ocf-02.htm_I, nr. 5; zie ook het 'Doughnut'-model van K. Raworth in Doughnut economics: seven ways to think like a 21st century economist, Chelsea publishing, 2018, 320 p. |
| [22] | F. Trentmann, The Empire of Things. How We Became a World of Consumers, from the fifteenth Century to the Twenty-first, Londen, Penguin, 2017 (epiloog). |
| [23] | Zie ook A. Halfmeier, Nachhaltiges Privatrecht, AcP 216, 717-762. |
| [24] | A. Di Giulio en D. Fuchs, «Sustainable Consumption Corridors: Concept, Objections, and Responses», GAIA - Ecological Perspectives for Science and Society 2014, 23(3), 184-92; R. Defila en A. Di Giulio, «The Concept of 'Consumption Corridors' Meets Society: How an Idea for Fundamental Changes in Consumption is Received», Journal of Consumer Policy 2020, vol. 43, 315-344. |
| [25] | Zie in vergelijkbare zin (toevoeging van een intergenerationeel element) ook de uitspraak van het Duitse BverfG in verband met de Duitse klimaatwet. Het Duitse Grondwettelijk Hof leidde uit de Duitse Grondwet ook een verplichting voor de Duitse staat af om toekomstige generaties te beschermen: beslissing van 24 maart 2021, 1 BvR 2656/18, 1 BvR 288/20, 1 BvR 96/20, 1 BvR 78/20. |
| [26] | P. Mc Donagh, S. Dobscha en A. Prothero, «Sustainable consumption and production: challenges for transformative consumer research» in Transformative Consumer Research for Personal and Collective Well-Being, Routledge, 2012, 278. Het is in dit verband bv. ook veelzeggend dat de fossiele industrie er geen dreiging in ziet de consument te responsabiliseren, allicht omdat daar niet veel effect van wordt verwacht. Zo zou British Petroleum aan de oorsprong liggen van de 'carbon footprint calculator' die in samenwerking met het pr-bureau Ogilvy & Mather in de markt gezet hebben als een instrument om individuen te responsabiliseren (eerder dan bedrijven), zie R. Solnit, Big oil coined 'carbon footprints' to blame us for their greed. Keep them on the hook, 23 August 2021, https://www.theguardian.com/commentisfree/2021/aug/23/big-oil-coined-carbon-footprints-to-blame-us-for-their-greed-keep-them-on-the-hook. |
| [27] | Zie o.m. over dit informatieparadigma dat een zeer belangrijke rol speelt binnen het Europese consumentenbeleid: N. Reich en H. Micklitz, «Economic Law, Consumer Interests and EU Integration in N. Reich e.a. (eds.), European Consumer Law, Cambridge, Intersentia, 2014, 1, 21; S Weatherill, EU Consumer Law and Policy, Cheltenham, Edward Elgar, 2013, ch. 4. |
| [28] | P. Mc Donagh, S. Dobscha en A. Prothero, «Sustainable consumption and production: challenges for transformative consumer research» in Transformative Consumer Research for Personal and Collective Well-Being, Londen, Routledge, 2012, 272. |
| [29] | Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad, Nieuwe consumentenagenda - De weerbaarheid van de consument versterken met het oog op duurzaam herstel, 13 november 2020, COM(2020) 696 final, 5-6. |
| [30] | K. Raworth, Doughnut economics: seven ways to think like a 21st century economist, Chelsea publishing, 2018, 320 p. |
| [31] | P. Mc Donagh, S. Dobscha en A. Prothero, «Sustainable consumption and production» in D. Mick, S. Pettigrew, C. Pechmann en J. Ozanne (eds.), Reviews and Frontiers, 2011, Florida, Taylor & Francis, 268. |
| [32] | Zo ook het Europees Actieplan Circulaire Economie 2015 en het implementatierapport van 2019. |
| [33] | Refuse als eerste stap in een duurzamer consumptiemodel ('Refuse, reduce, reuse, repair, recycle', zie J. Malcorps, «Naar een duurzame circulaire economie in Vlaanderen? Hoe ambitieus durft Vlaanderen te zijn?», Tijdschrift voor sociaal-ecologische verandering 2016, 50 e.v.; of in een nog uitgebreidere circulaire 'R-ladder': Refuse, Reduce, Re-use, Repair, Refurbish, Remanufacture, Re-purpose, Recycle, Recover, zie Transitie-agenda circulaire economie (NL) 2018, https://www.circulaireeconomienederland.nl/transitieagendas/default.aspx, als onderdeel van Nederland circulair 2050. |
| [34] | Zie art. 4, lid 2, a), e) en f) VWEU. |
| [35] | Resolutie van het Europees Parlement van 31 mei 2018 over de uitvoering van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp, Pb.C. 9 maart 2020, nr. 76, 192-199, sub J. |
| [36] | Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten, Pb.L. 285, 31 oktober 2009, 10-35 («Ecodesign-Richtlijn»). |
| [37] | Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen, Pb.L. 22 november 2008, nr. 312, 3-30 («Afvalstoffen-Richtlijn»). |
| [38] | Zie ook o.m. Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval, Pb.L. 31 december 1994, nr. 365, 10-23; Richtlijn (EU) 2019/904 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de vermindering van de effecten van bepaalde kunststofproducten op het milieu, Pb.L. 12 juni 2019, nr. 155, 1-19. Zie ook Richtlijn 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende autowrakken, Pb.L. 21 oktober 2000, nr. 269, 34-43; Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 inzake batterijen en accu's, alsook afgedankte batterijen en accu's en tot intrekking van Richtlijn 91/157/EEG, Pb.L. 26 september 2006, nr. 266, 1-14; Richtlijn 2012/19/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, Pb.L. 24 juli 2012, nr. 197, 38-71. |
| [39] | Europese Commissie, Maak de cirkel rond - Een EU-actieplan voor de circulaire economie, 2 december 2015, COM(2015) 614 final. Zie ook Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2017 over een langere levensduur voor producten: voordelen voor consumenten en bedrijven, Pb.C. 19 september 2018, nr. 344, 60-68. |
| [40] | Europese Commissie, De Europese Green Deal, 11 december 2019, COM(2019) 640 final. |
| [41] | Europese Commissie, Een nieuw actieplan voor een circulaire economie. Voor een schoner en concurrerender Europa, 11 maart 2020, COM(2020) 98 final. |
| [42] | See B. Keirsbilck, E. Terryn, A. Michel en I. Alogno, Sustainable Consumption and Consumer Protection Legislation, In-Depth Analysis for the Committee on Internal Market and Consumer Protection (IMCO), Policy Department for Economic, Scientific and Quality of Life Policies, Luxembourg, European Parliament, 2020, beschikbaar op www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/IDAN/2020/648769/IPOL_IDA(2020)648769_EN.pdf. |
| [43] | Resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2020 «Naar een duurzamer eengemaakte markt voor het bedrijfsleven en consumenten», Pb.C. 20 oktober 2021, nr. 425, 10-18. Zie ook Resolutie van het Europees Parlement van 10 februari 2021 over het nieuwe actieplan voor de circulaire economie, Pb.C. 17 november 2021, nr. 425, 11-29. |
| [44] | Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad, Nieuwe consumentenagenda - De weerbaarheid van de consument versterken met het oog op duurzaam herstel, 13 november 2020, COM(2020) 696 final. |
| [45] | European Commission, Commission work programme 2022. Making Europe stronger together, 19 oktober 2021. |
| [46] | Zie https://ec.europa.eu/info/law/better-regulation/have-your-say/initiatives/12567-Duurzame-producten_nl. |
| [47] | O.a. verbetering van de duurzaamheid, herbruikbaarheid, verbeterbaarheid en herstelbaarheid van producten, vergroting van hun energie- en hulpbronnenefficiëntie; verhoging van het gehalte aan gerecycleerd materiaal in producten, zonder afbreuk te doen aan de prestaties en veiligheid daarvan; facilitering van herproductie en hoogwaardige recycling; beperking van eenmalig gebruik en het tegengaan van vroegtijdige veroudering; invoering van een verbod op de vernietiging van onverkochte, duurzame goederen; mobilisering van de mogelijkheden van digitalisatie van productinformatie, waaronder oplossingen zoals digitale paspoorten, tags en watermerken. |
| [48] | Zie ook reeds Europese Commissie, Een nieuw actieplan voor een circulaire economie. Voor een schoner en concurrerender Europa, 11 maart 2020, COM(2020) 98 final, 4-5. |
| [49] | Idem, 5. |
| [50] | Zie https://ec.europa.eu/info/law/better-regulation/have-your-say/initiatives/12467-Consumentenbeleid-grotere-rol-voor-de-consument-bij-de-groene-transitie_nl. |
| [51] | Zie ook reeds Europese Commissie, Een nieuw actieplan voor een circulaire economie. Voor een schoner en concurrerender Europa, 11 maart 2020, COM(2020) 98 final, 5-6. |
| [52] | Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad, Pb.L. 11 juni 2005, nr. 149, 22-39 (Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken'). |
| [53] | Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad, Pb.L. 22 november 2011, nr. 304, 64-88 (Richtlijn Consumentenrechten). |
| [54] | Zie https://ec.europa.eu/info/law/better-regulation/have-your-say/initiatives/12511-Milieuprestaties-van-producten-en-bedrijven-onderbouwing-van-claims_nl. |
| [55] | Zie ook reeds Europese Commissie, Een nieuw actieplan voor een circulaire economie. Voor een schoner en concurrerender Europa, 11 maart 2020, COM(2020) 98 final, 6. |
| [56] | Zie https://ec.europa.eu/info/law/better-regulation/have-your-say/initiatives/13150-Duurzame-consumptie-van-goederen-stimuleren-van-reparatie-en-hergebruik_nl. |
| [57] | Richtlijn (EU) 2019/771 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de verkoop van goederen, tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2394 en Richtlijn 2009/22/EG, en tot intrekking van Richtlijn 1999/44/EG, Pb.L. 22 mei 2019, nr. 136, 28-50. |
| [58] | Zie ook reeds Europese Commissie, Een nieuw actieplan voor een circulaire economie. Voor een schoner en concurrerender Europa, 11 maart 2020, COM(2020) 98 final, 6. |
| [59] | Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad, Nieuwe consumentenagenda - De weerbaarheid van de consument versterken met het oog op duurzaam herstel, 13 november 2020, COM(2020) 696 final, 8-9. |
| [60] | Zie Europese Commissie, Een nieuw actieplan voor een circulaire economie. Voor een schoner en concurrerender Europa, 11 maart 2020, COM(2020) 98 final, 14-16. |
| [61] | Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake batterijen en afgedankte batterijen, tot intrekking van Richtlijn 2006/66/EG en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/1020, COM(2020) 798 final. |
| [62] | Zie, reeds onder de vorige federale regering, de Roadmap voor de Kringloopeconomie, 2016, bestaande uit niet minder dan 21 maatregelen. |
| [63] | Centrale Raad voor het bedrijfsleven & Raad voor duurzame ontwikkeling, CRB 2020-415 & FRDO 2020a03n, Gezamenlijk advies over de circulaire economie, 21 februari 2020, www.frdo-cfdd.be/sites/default/files/content/download/files/2020a03n.pdf. |
| [64] | Federale Regering, «Regeerakkoord, Voor een welvarend, solidair en duurzaam België», 30.09.2020, 62-63, beschikbaar via https://www.belgium.be/sites/default/files/Regeerakkoord_2020.pdf. Zie onder vorige federale regering: Ministers Kris Peeters en Marie Christine Marghem, Samen de economie doen draaien dankzij de circulaire economie in ons land, 2016, beschikbaar op www.health.belgium.be/sites/default/files/uploads/fields/fpshealth_theme_file/circ-econ-nl-light.pdf. |
| [65] | Federaal actieplan circulaire economie 2021-2024, beschikbaar op https://khattabi.belgium.be/nl/pb-een-ambitieus-federaal-plan-voor-de-ontwikkeling-van-de-circulaire-economie. Zie ook CRB en Brc Verbruik, Advies over ontwerp van federaal actieplan circulaire economie, 15 juli 2021, beschikbaar op https://www.ccecrb.fgov.be/p/nl/882/ontwerp-van-federaal-actieplan-circulaire-economie. |
| [66] | Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht (BE), juni 2021, 694 p., beschikbaar op https://dermine.belgium.be/sites/default/files/articles/NL%20-%20Nationaal%20plan%20voor%20herstel%20een%20veerkracht_1.pdf. |
| [67] | Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit, Pb.L. 18 februari 2021, nr. 57, 17-75. |
| [68] | BS 11 februari 1999, 398. |
| [69] | Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht (BE), juni 2021, 542-549. |
| [70] | Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht (BE), juni 2021, 545-546. |
| [71] | Voorstel om geprogrammeerde veroudering tegen te gaan en de repaireconomie te steunen (hierna: «Voorstel I»), 19 juli 2019, Parl.St. Kamer 2019-20, nr. 55-0193/001; Voorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van economisch recht, teneinde geprogrammeerde en voortijdige veroudering tegen te gaan en in meer herstellingsmogelijkheden te voorzien (hierna: «Voorstel II»), 19 november 2019, Parl.St. Kamer 2019-20, nr. 55-0771/001; Voorstel om georganiseerde veroudering tegen te gaan en de circulaire economie te steunen (hierna: «Voorstel III»), 7 januari 2020, Parl.St. Kamer 2019-20, nr. 55-0914/001. |
| [72] | Zie Verslag van de hoorzittingen, 26 maart 2020, Parl.St. Kamer 2019-20. |
| [73] | Richtlijn (EU) 2019/771 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de verkoop van goederen, tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2394 en Richtlijn 2009/22/EG, en tot intrekking van Richtlijn 1999/44/EG, Pb.L. 22 mei 2019, nr. 136, 28-50. |
| [74] | Richtlijn (EU) 2019/770 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de levering van digitale inhoud en digitale diensten, Pb.L. 22 mei 2019, nr. 1-27. |
| [75] | Zie Beleidsnota Economie van 29 oktober 2021, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 55-2294/005, 13-14; Beleidsnota Consumentenbescherming van 29 oktober 2021, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 55-2294/021, 9-10. |
| [76] | Wetsontwerp van 7 december 2021 tot wijziging van de bepalingen van het oud Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de verkopen aan consumenten, tot invoeging van een nieuwe titel VIbis in boek III van het oude Burgerlijk Wetboek en tot wijziging van het Wetboek van economisch recht, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 55-2355/001. Zie daarover ook Beleidsnota Economie van 29 oktober 2021, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 55-2294/005, 13-14; Beleidsnota Consumentenbescherming van 29 oktober 2021, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 55-2294/021, 9-10. |
| [77] | Federaal actieplan circulaire economie 2021-2024, 9. |
| [78] | Art. 6 Bijz.Wet 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. |
| [79] | Decr.Vl. 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, BS 28 februari 2012, 12943 («Materialendecreet»). Zie ook B.Vl.Reg. 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, BS 23 maart 2012, 29590 («VLAREMA»). Zie voor het Brussels Gewest: Ordonnantie van 14 juni 2012 betreffende afvalstoffen, BS 27 juni 2012, 35675. Zie voor het Waals Gewest: Decr.W. 10 mai 2012 transposant la Directive 2008/98/CE du Parlement européen et du Conseil du 19 novembre 2008 relative aux déchets et abrogeant certaines directives, MB 29 mei 2012, 30502. |
| [80] | Art. 4, § 2 Materialendecreet. |
| [81] | Https://vlaanderen-circulair.be/nl. |
| [82] | Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht (BE), juni 2021, 535-539. |
| [83] | Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht (BE), juni 2021, 539-542. |
| [84] | Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht (BE), juni 2021, 557-560. |
| [85] | Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht (BE), juni 2021, 550-556. |
| [86] | Zie https://economiecirculaire.wallonie.be/ en zie Circular Wallonia, Stratégie de déploiement de l'économie circulaire, 2021, https://content.digitalwallonia.be/post/20210310121023/rapport_circular_wallonia_def_v6.pdf. |
| [87] | Zie https://www.circulareconomy.brussels/homepage/?lang=nl. |
| [88] | Nationaal Plan voor Herstel en Veerkracht (BE), juni 2021, 532-535. |
| [89] | Zie voor een overzicht A. Michel, «The design and production stage: ecodesign requirements» in E. Terryn en B. Keirsbilck (eds.), Consumer Protection in a Circular Economy, Antwerpen, Intersentia, 2019, 61-91. |
| [90] | Mededeling van de Commissie, Werkplan inzake ecologisch ontwerp 2016-2019, 30 november 2016, COM(2016) 773 final, 2-3. |
| [91] | Mededeling van de Commissie, Werkplan inzake ecologisch ontwerp 2016-2019, 30 november 2016, COM(2016) 773 final, 10-11. |
| [92] | P. 8-9. |
| [93] | Resolutie van het Europees Parlement van 31 mei 2018 over de uitvoering van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp, Pb.C. 9 maart 2020, nr. 76, 192-199. |
| [94] | 1. airconditioners en ventilatoren (Verordening (EU) nr. 206/2012 van de Commissie van 6 maart 2012, Pb.L. 10 maart 2012, nr. 72, 7-27); 2. huishoudelijke ovens, kookplaten en afzuigkappen (Verordening (EU) nr. 66/2014 van de Commissie van 14 januari 2014, Pb.L. 31 januari 2014, nr. 29, 33-47); 3. lichtbronnen en afzonderlijke voorschakelapparatuur (Verordening (EU) 2019/2020 van de Commissie van 1 oktober 2019, Pb.L. 5 december 2019, nr. 315, 209-240); 4. huishoudelijke afwasmachines (Verordening (EU) 2019/2022 van de Commissie van 1 oktober 2019, Pb.L. 5 december 2019, nr. 315); 5. koelapparaten (Verordening (EU) 2019/2019 van de Commissie van 1 oktober 2019, Pb.L. 5 december 2019, nr. 315, 187-208); 6. huishoudelijke droogtrommels (Verordening (EU) nr. 932/2012 van de Commissie van 3 oktober 2012, Pb.L. 12 oktober 2012, nr. 278, 12 oktober 2012, 1-10); 7. huishoudelijke wasmachines en huishoudelijke was-droogcombinaties (Verordening (EU) 2019/2023 van de Commissie van 1 oktober 2019, Pb.L. 5 december 2019, nr. 315, 285-312); 8. toestellen voor lokale ruimteverwarming (Verordening (EU) 2015/1188 van de Commissie van 28 april 2015, Pb.L. 21 juli 2015, nr. 193, 76-99) (die vaste brandstoffen gebruiken) (Verordening (EU) 2015/1185 van de Commissie van 24 april 2015, Pb.L. 21 juli 2015, nr. 193, 1-19); 9. professionele koelbewaarkasten, snelkoelers/-vriezers, condensoreenheden en proces-chillers (Verordening (EU) 2015/1095 van de Commissie van 5 mei 2015, Pb.L. 8 juli 2015, nr. 177, 19-51); 10. ventilatie-eenheden (Verordening (EU) nr. 1253/2014 van de Commissie van 7 juli 2014, Pb.L. 25 november 2014, nr. 337, 25 november 2014, 8-26); 11. verwarmingsketels voor vaste brandstoffen (Verordening (EU) 2015/1189 van de Commissie van 28 april 2015, Pb.L. 21 juli 2015, nr. 193, 100-114); 12. ruimteverwarmingstoestellen en combinatieverwarmingstoestellen (Verordening (EU) nr. 813/2013 van de Commissie van 2 augustus 2013, Pb.L. 6 september 2013, nr. 239, 136-161); 13. elektronische beeldschermen (Verordening (EU) 2019/2021 van de Commissie van 1 oktober 2019, Pb.L. 5 december 2019, nr. 315, 241-266); 14. stofzuigers (Verordening (EU) nr. 666/2013 van de Commissie van 8 juli 2013, Pb.L. 13 juli 2013, nr. 192, 24-34); 15. waterverwarmingstoestellen en warmwatertanks (Verordening (EU) nr. 814/2013 van de Commissie van 2 augustus 2013, Pb.L. 6 september 2013, nr. 239, 162-183); 16. luchtverwarmingsproducten, koelproducten, hogetemperatuurproces-chillers en ventilatorluchtkoelers (Verordening (EU) 2016/2281 van de Commissie van 30 november 2016, Pb.L. 20 december 2016, nr. 346, 1-50); 17. stand-alone natloper-circulatiepompen en in producten ingebouwde natloper- circulatiepompen (Verordening (EG) nr. 641/2009 van de Commissie van 22 juli 2009, Pb.L. 23 juli 2009, nr. 191, 35-41); 18. computers en computerservers (Verordening (EU) nr. 617/2013 van de Commissie van 26 juni 2013, Pb.L. 27 juni 2013, nr. 175, 13-33); servers en gegevensopslagproducten (Verordening (EU) 2019/424 van de Commissie van 15 maart 2019, Pb.L. 18 maart 2019, nr. 74, 46-66); 19. elektromotoren en snelheidsvariatoren (Verordening (EU) 2019/1781 van de Commissie van 1 oktober 2019, Pb.L. nr. 272 van 25 oktober 2019, 74-94) 20. externe stroomvoorzieningen (Verordening (EU) 2019/1782 van de Commissie van 1 oktober 2019, Pb.L. 25 oktober 2019, nr. 272, 95-10); 21. door motoren aangedreven ventilatoren (Verordening (EU) nr. 327/2011 van de Commissie van 30 maart 2011, Pb.L. 6 april 2011, nr. 90, 8-21); 22. eenvoudige set-top boxes (Verordening (EG) nr. 107/2009 van de Commissie van 4 februari 2009, Pb.L. 5 februari 2009, nr. 36, 8-14); 23. kleine, middelgrote en grote vermogenstransformatoren (Verordening (EU) nr. 548/2014 van de Commissie van 21 mei 2014, Pb.L. 22 mei 2014, nr. 152, 1-15); 24. het elektriciteitsverbruik van elektrische en elektronische huishoud- en kantoorapparatuur in de stand-by- en uit-stand (Verordening (EG) nr. 1275/2008 van de Commissie van 17 december 2008, Pb.L. 18 december 2008, nr. 339, 18 december 45-52; Verordening (EU) nr. 801/2013 van de Commissie van 22 augustus 2013, Pb.L. 23 augustus 2013, nr. 225, 1-12); 25. Waterpompen (Verordening (EU) nr. 547/2012 van de Commissie van 25 juni 2012, Pb.L. 26 juni 2012, nr. 165, 28-36); 26. Lasapparatuur (Verordening (EU) 2019/1784 van de Commissie van 1 oktober 2019, Pb.L. 25 oktober 2019, nr. 272, 121-135); 27. koelapparaten met een directe-verkoopfunctie (Verordening (EU) 2019/2024 van de Commissie van 1 oktober 2019, Pb.L. 5 december 2019, nr. 315, 313-334). |
| [95] | Zie Verordening (EU) 2021/341 van de Commissie van 23 februari 2021, Pb.L. 26 februari 2021, nr. 68, 108-148. |
| [96] | Zie ook Federaal actieplan circulaire economie 2021-2024, maatregel 3 («Verstrekking van informatie over de handhaving van softwarecompatibiliteit. De consument moet weten wat de levensduur van de software-updates van zijn toestel is; Deze informatie zal worden verstrekt door de fabrikant en de verkoper.»). |
| [97] | Zie https://ec.europa.eu/info/law/better-regulation/have-your-say/initiatives/12852-Energy-efficiency-and-circular-economy-ecodesign-and-energy-labelling-working-plan-2020-2024. |
| [98] | Zie https://www.ecodesignworkingplan20-24.eu/. |
| [99] | Een maatregel uit het Federaal Actieplan Circulaire Economie 2020-2024 ligt in dezelfde lijn. Zie Federaal actieplan circulaire economie 2021-2024, maatregel 1 («Wijzigen van de productnormen zodat hergebruik en/of reparatie en/of recyclage vergemakkelijkt kan worden»). |
| [100] | Resolutie van het Europees Parlement van 31 mei 2018 over de uitvoering van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp, Pb.C. 9 maart 2020, nr. 76, 192-199, L. |
| [101] | Verordening (EU) 2017/1369 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2017 tot vaststelling van een kader voor energie-etikettering en tot intrekking van Richtlijn 2010/30/EU, Pb.L. 28 juli 2017, nr. 198, 1-23. |
| [102] | Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/340 van de Commissie van 17 december 2020 tot wijziging van de Gedelegeerde Verordeningen (EU) 2019/2013, (EU) 2019/2014, (EU) 2019/2015, (EU) 2019/2016, (EU) 2019/2017 en (EU) 2019/2018 wat betreft de eisen inzake energie-etikettering voor elektronische beeldschermen, huishoudelijke wasmachines en huishoudelijke was-droogcombinaties, lichtbronnen, koelapparaten, huishoudelijke afwasmachines en koelapparaten met een directe-verkoopfunctie, Pb.L. 26 februari 2021, nr. 68 62-107. |
| [103] | Https://ec.europa.eu/info/news/focus-improved-eu-energy-label-paving-way-more-innovative-and-energy-efficient-products-2021-lut-16_nl. |
| [104] | Zie A. Michel, «Actualité sur le droit de la consommation en matière d'obsolescence prématurée», DCCR 2020, 86-92. |
| [105] | RDC Environment, L'obsolescence programmée: politiques et mesures belges de protection du consommateur, Rapport final (in opdracht van minister Marie Christine Marghem), 2017, beschikbaar op www.marghem.be/wp-content/uploads/Obsolescence-programmee_rapport-final_RDC-Envrionment_V2_Rapport.pdf. |
| [106] | Zie https://meldpunt.belgie.be/meldpunt/en/welcome. |
| [107] | Art. 2, 3 and 8 Voorstel I, dat een verbod op «geprogrammeerde veroudering» voorstelt; art. 3, 10 en 14 Voorstel II, dat een verbod op «georganiseerde veroudering» en «voortijdige veroudering» voorstelt. |
| [108] | Art. 2 en 10-25 Voorstel III, dat een verbod op «georganiseerde veroudering» voorstelt. |
| [109] | Zie o.m. Shmuel I. Becher en Anne-Lise Sibony, «Confronting product obsolescence», Colombia Journal of European Law 2021, Vol. 27.2, 97-150. |
| [110] | ETC/WMGE Report 3/2020: Electronics and obsolescence in a circular economy, 18 juni 2020, beschikbaar op https://www.eionet.europa.eu/etcs/etc-wmge/products/electronics-and-obsolescence-in-a-circular-economy. |
| [111] | SWD (2016) 163 final, 75-76. |
| [112] | «Geplande veroudering of geprogrammeerde veroudering in de industriële vormgeving, wat een handelsbeleid is waarbij een product bewust wordt gepland of ontworpen met een beperkte gebruiksduur, zodat het na een bepaalde tijd achterhaald raakt of niet-functioneel wordt» en «vroegtijdige veroudering» «waarbij goederen minder lang meegaan dan wat hun normale 'levensduur' zou moeten zijn volgens de redelijke verwachtingen van consumenten». |
| [113] | Zie Mededeling van de Commissie - Richtsnoeren met betrekking tot de uitlegging en toepassing van Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt, C/2021/9320, Pb.C. 29 december 2021, nr. 526, 1-129, sub 4.1.2. |
| [114] | Zie https://ec.europa.eu/info/law/better-regulation/have-your-say/initiatives/12467-Consumentenbeleid-grotere-rol-voor-de-consument-bij-de-groene-transitie_nl. |
| [115] | Https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/ip_21_269. Bij een 'sweep' in verschillende Europese landen begin 2021 kon worden vastgesteld dat 59% van de gecontroleerde 'groene' reclame claims bevatten die niet konden worden bewezen en dat 42% als misleidend kon worden beschouwd. |
| [116] | In het bijzonder art. 6-7 en 12 Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken en de omzettingsbepalingen, art. VI.97-100 WER. |
| [117] | Werkdocument van de diensten van de Europese Commissie, 'Richtsnoeren voor de tenuitvoerlegging/ toepassing van Richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken', Brussel 25 mei 2016, SWD(2016) 163 final (hierna: 'Richtsnoeren 2016'); recent herzien (met nog uitgebreidere aandacht voor milieuclaims): Mededeling van de Commissie - Richtsnoeren met betrekking tot de uitlegging en toepassing van Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt (hierna: 'Richtsnoeren 2021'), Pb.C. 29 december 2021, nr. 526. |
| [118] | Persbericht van 14 juli 2021, https://evadebleeker.be/nl/nieuwsbericht/detail/de-bleeker-gaat-strijd-aan-met-greenwashing, laatste bezocht op 15 juli 2021; FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, 2021. Goede praktijken inzake milieuclaims, https://economie.fgov.be/sites/default/files/files/Entreprises/Praktische-gids-Goede-praktijken-inzake-milieuclaims.pdf. |
| [119] | Zie bv. Voorz. Kh. Antwerpen 7 november 2013, Jaarboek marktpraktijken 2013, 512-521, waar werd geoordeeld dat de reclame 'ecologisch en efficiënter'(voor een wasmiddel) een superlatiefreclame is «waarbij een overdreven uitspraak wordt gedaan, die tot de gangbare, legitieme reclamepraktijken behoort. De consument herkent de inhoud ervan als (waarschijnlijk) overdreven». «De claim is dermate vaag dat de consument in zijn aankoopbeslissing er zich niet zal door laten leiden.» De voorzitter achtte de claim wel problematisch wanneer de claim werd concreet gemaakt: «Het superlatief karakter van 'efficiënter' gaat evenwel verloren wanneer de consument wordt uitgenodigd om de resultaten waarin de kwaliteit van het product vermeend worden bewezen, te bekijken». een dergelijke uitspraak lijkt ondernemingen ertoe aan te zetten vage claims te gebruiken zonder die te substantiëren. Dit gaat net in tegen de richtsnoeren van o.m. de Europese Commissie, die het gebruik van vage claims afraden en net vereisen dat groene claims worden hardgemaakt. |
| [120] | Zie bv. Richtsnoeren 2021: «Milieuclaims kunnen misleidend zijn als ze gebaseerd zijn op vage en algemene verklaringen betreffende milieuvoordelen, zonder fatsoenlijke onderbouwing van het voordeel en zonder te vermelden op welk aspect van het product de claim betrekking heeft.» |
| [121] | Zo is bv. de Nederlandse ACM ('Autoriteit Consument en Markt') midden 2021 een onderzoek gestart naar duurzaamheidsclaims in de sectoren van de voeding, kleding en energie; een vervolgonderzoek werd reeds opgestart in de kledingsector en in de energiesector (persbericht van 25 januari 2022, https://www.acm.nl/nl/publicaties/acm-vervolgt-actie-tegen-misleidende-duurzaamheidsclaims-de-energiesector). |
| [122] | Zie de 'Quick guide' voor milieuclaims van de Deense Consumentenombudsman, https://www.forbrugerombudsmanden.dk/media/56731/kvikguide-om-miljoemarkedsfoering.pdf, 4 e.v. Voor de onderbouwing is vereist (volgende dezelfde gids): «Het product moet uit milieuoogpunt tot de allerbeste gelijkwaardige producten behoren. Zijn alle producten op de markt even goed, mag u uw product niet met algemene milieuclaims worden aangeprezen. Als algemene regel geldt daarom dat u moet kunnen aantonen dat uw product over het geheel genomen een aanzienlijk geringer effect op het klimaat of het milieu heeft dan soortgelijke producten. De documentatie moet normaliter gebaseerd zijn op een levenscyclusanalyse van het product en ondersteund door adviezen of studies van onafhankelijke deskundigen. Een levenscyclusanalyse brengt de (milieu)situatie in kaart en beoordeelt de significante (milieu)effecten gedurende de levenscyclus van het product, vanaf de aanschaf van de grondstoffen en de productie, het gebruik en de verwijdering van het product, alsmede het vervoer binnen en tussen deze fasen.» (vertaald met DeepL). |
| [123] | Https://www.acm.nl/sites/default/files/documents/leidraad-duurzaamheidsclaims.pdf, 14-15. Ook de Deense 'Quick guide' vraagt informatie over de klimaatcompensatieregeling én verifieerbaarheid, https://www.forbrugerombudsmanden.dk/media/56731/kvikguide-om-miljoemarkedsfoering.pdf. |
| [124] | Zo zijn bv. de Richtsnoeren 2021 minder uitgesproken in de afwijzing van het gebruik van algemene termen dan bv. de Nederlandse of Deense richtsnoeren en bevatten de Belgische richtsnoeren veel minder details of uitgewerkte voorbeelden dan de Nederlandse of Deense. |
| [125] | Gepland voor Q1 2022, zie https://ec.europa.eu/info/law/better-regulation/have-your-say/initiatives/12511-Milieuprestaties-van-producten-en-bedrijven-onderbouwing-van-claims_nl; zie ook EC, «Circular Economy Action Plan - For a cleaner and more competitive Europe» (n. 2), 8, waar aangekondigd wordt dat de Europese Commissie zal voorstellen «that companies substantiate their environmental claims using Product and Organisation Environmental Footprint methods». Zie ook reeds Europese Commissie, Een nieuw actieplan voor een circulaire economie. Voor een schoner en concurrerender Europa, 11 maart 2020, COM(2020) 98 final, 6. |
| [126] | Https://ec.europa.eu/environment/eussd/smgp/ef_pilots.htm. |
| [127] | Aanbeveling (EU) 2021/2279 van de Commissie van 15 december 2021 betreffende het gebruik van milieuvoetafdrukmethoden voor het meten en bekendmaken van de milieuprestatie van producten en organisaties gedurende hun levenscyclus, C/2021/9332, Pb.L. 30 december 2021, nr. 471, 1-396. Deze aanbeveling is gericht tot de lidstaten en organisaties die de milieuprestatie van hun product of organisatie gedurende de levenscyclus meten en/of bekendmaken, maar de aanbeveling sluit niet uit dat er ook in EU-wetgeving naar zou worden verwezen, zie punt 1 doel en toepassingsgebied. |
| [128] | Loi n° 2020-105 du 10 février 2020 relative à la lutte contre le gaspillage et à l'économie circulaire, JO 11 février 2020 ('Loi contre le gaspillage'). |
| [129] | Loi du 22 août 2021 portant lutte contre le dérèglement climatique et renforcement de la résilience face à ses effets, JO 24 août 2021 ('Loi climat et résilience'). |
| [130] | Art. L. 229-61.-I. Code de l'environnement. |
| [131] | Art. L. 229-68.-I. Code de l'environnement. Deze voorwaarden vragen om de volgende informatie te geven (nog verder te concretiseren per decreet): «1° Un bilan d'émissions de gaz à effet de serre intégrant les émissions directes et indirectes du produit ou du service; 2° La démarche grâce à laquelle les émissions de gaz à effet de serre du produit ou du service sont prioritairement évitées, puis réduites et enfin compensées. La trajectoire de réduction des émissions de gaz à effet de serre est décrite à l'aide d'objectifs de progrès annuels quantifiés; 3° Les modalités de compensation des émissions de gaz à effet de serre résiduelles respectant des standards minimaux définis par décret». |
| [132] | Resp. art. 5 ('gewone' consumentencontracten) en art. 6 (overeenkomsten op afstand en buiten verkoopruimten) Richtlijn 2011/83/EU. |
| [133] | Zie uitgebreid E. Terryn en E. Van Gool, «Kunnen we e-commerce vergroenen door het consumentencontractenrecht te herzien?», TvC 2021/1, 19. |
| [134] | Zie uitgebreid E. Terryn en E. Van Gool, «Kunnen we e-commerce vergroenen door het consumentencontractenrecht te herzien?», TvC 2021/1, 19. |
| [135] | Tenzij men de bestaande bepalingen extensief zou interpreteren (zie E. Van Gool, «De nieuwe richtlijn consumentenkoop en duurzame consumptie» in I. Claeys en E. Terryn, Nieuw recht inzake koop & digitale inhoud en diensten, Antwerpen, Intersentia, 2020, 331. Zo zou bv. de verplichting om te informeren over «de voornaamste kenmerken» zo kunnen gelezen worden dat dit ook een verplichting om te informeren over de levensduur inhoudt, zie in deze zin T. Brönneke, «Premature Obsolescence: Suggestions for Legislative Counter-Measures in German and European Sales & Consumer Law», JEEPL 2017, 368). |
| [136] | Dat o.m. een wijziging van de Ecodesign-Richtlijn vooropstelt; zie https://ec.europa.eu/info/law/better-regulation/have-your-say/initiatives/12567-Sustainable-products-initiative_en. |
| [137] | Zie ook de 'New Consumer Agenda', waarin dit als deel van de maatregelen in het kader van de groene transitie wordt aangekondigd, COM (2020) 696 final. |
| [138] | Gepland voor Q1 2022, https://ec.europa.eu/info/law/better-regulation/have-your-say/initiatives/12567-Sustainable-products-initiative_en. |
| [139] | Zie art. 4 Wetsvoorstel om geprogrammeerde veroudering tegen te gaan en de repaireconomie te steunen, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 55-0193/00: «De Koning kan, voor de door Hem vastgelegde goederen en met het oog op het informeren van de consument over de levensduur van de producten, de publicatie opleggen van een productpaspoort in een onlinedatabase met publieke gegevens of, bij ontstentenis daarvan, op de verpakking. Dat paspoort vermeldt minstens de volgende informatie: 1° de levensduur van het product; 2° de herstelbaarheid ervan; 3° de beschikbaarheid van de vervangstukken.» |
| [140] | Zie het «Empowering the consumer for the green transition initiative» als deel van het Actieplan Circulaire Economie, dat als een van de mogelijke maatregelen overweegt informatieverplichtingen in te voeren over levensduur en herstelbaarheid; https://ec.europa.eu/info/law/better-regulation/have-your-say/initiatives/12467-Consumer-policy-strengthening-the-role-of-consumers-in-the-green-transition_en; zie ook reeds een eerdere studie naar een 'repairability score': Analysis and development of a scoring system for repair and upgrade of products, https://publications.jrc.ec.europa.eu/repository/bitstream/JRC114337/jrc114337_report_repair_scoring_system_final_report_v3.2_pubsy_clean.pdf. |
| [141] | Het gaat in eerste instantie om wasmachines, smartphones, laptops, tv's en grasmachines. |
| [142] | Zie Décret n° 2020-1757 du 29 décembre 2020 relatif à l'indice de réparabilité des équipements électriques et électroniques, dat uitvoering geeft aan art. L. 541-9-2 du Code de l'environnement, dat werd ingevoegd door Loi 10 februari 2020 relative à la lutte contre le gaspillage et à l'économie circulaire. |
| [143] | Federaal actieplan circulaire economie 2021-2024, goedgekeurd door de Ministerraad op 17 december 2021, https://emis.vito.be/sites/emis/files/articles/91/2021/PAF%2016%20dec%202021_NL%20Clean%5B1%5D.docx. Verschillende wetsvoorstellen die informatie over herstelbaarheid, beschikbaarheid van reserveonderdelen en levensduur verplichten, zijn reeds hangende: artt. 4-8 Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van economisch recht, teneinde geprogrammeerde en voortijdige veroudering tegen te gaan en in meer herstellingsmogelijkheden te voorzien, 19 november 2019, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 55-0771/001; artt. 3-5 Wetsvoorstel om georganiseerde veroudering tegen te gaan en de circulaire economie te steunen, 7 januari 2020, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 55-0914/001. |
| [144] | Zie Federaal actieplan circulaire economie 2021-2024, doelstelling 1, maatregel 2 'bevordering van de herstelbaarheid door invoering van een verplichte score', 15-16. |
| [145] | Art. L. 541-9-11 Code de l'environnement. |
| [146] | Art. L. 541-9-12 Code de l'environnement. |
| [147] | Zie art. 2, II Loi Climat et Résilience. |
| [148] | Zie Eco-score - Etiquettable (eco2initiative.com). |
| [149] | Zoals Colruyt, zie uitgebreid: corporate.colruytgroup.com/corp/static/assets/eco/ECOSCORE_NL.pdf; ook Lidl kondigde aan de Eco-score te gaan gebruiken: gondola.be/nl/news/lidl-belgie-test-eco-score. |
| [150] | Zie o.m. (in een experimentele setting) J. De Temmerman, E. Heeremans en H. Slabbinck, «The impact of Nutri-Score nutrition label on perceived healthiness and purchase intentions», Appetite 157 (2021), https://doi.org/10.1016/j.appet.2020.104995. Een Spaanse supermarkt rapporteert wijzigingen van tot 15% gezondere keuzes (in dezelfde categorie) door het gebruik van de Nutri-Score. Eroski: «Nutri-Score leidt tot gezonder koopgedrag», RetailDetail, 7 juli 2021. Een wetenschappelijk analyse van de verkoopscijfers van Delhaize geeft genuanceerdere resultaten, zie S. Vandevijvere en N. Berger, «The impact of shelf tags with Nutri-Score on consumer purchases: a difference-in-difference analysis of a natural experiment in supermarkets of a major retailer in Belgium», International Journal of Behavioral Nutrition and Physical Activity 2021, vol. 18, 150, https://ijbnpa.biomedcentral.com/articles/10.1186/s12966-021-01207-7. Het ging in dit 'real life'-onderzoek wel om 'shelf label' (en niet om 'front of pack'-labels) in zwart-wit. Voor 17 op 58 categorieën van voedingsmiddelen (29% van de totaliteit) kon een positieve impact worden vastgesteld; voor 16 op 58 categorieën van voedingsmiddelen (24% van de totaliteit) een negatieve impact. Een positieve impact kon o.m. worden vastgesteld voor groenten, fruit, melkproducten en snoep. Een negatieve impact voor brood en bakkerijproducten. De auteurs achten het weinig waarschijnlijk dat een etikettering op de schappen op zich een significante invloed kan hebben op het gedrag van consumenten. |
| [151] | Https://ec.europa.eu/environment/eussd/smgp/pdf/2019_EF_commtest_report.pdf, 88. |
| [152] | M. De Bauw, C. Matthys, V. Poppe en L. Vranken, «A combined Nutri-Score and 'Eco-Score' approach for more nutritious and more environmentally friendly food choices? Evidence from a Belgian consumer experiment», https://ees.kuleuven.be/bioecon/working-paper-series/BioeconWP_2021_01_submitted.pdf. |
| [153] | In de psychologie beter bekend als «Telltale heart effect», zie G. Loewenstein, C. Sunstein en R. Golman, «Disclosure, Psychology Changes Everything», Annual Review of Economics 2014, https://www.cmu.edu/dietrich/sds/docs/loewenstein/DisclosureChgsEverything.pdf, 403-404. |
| [154] | In de VS kon een versnelde overgang naar energie efficiëntere producten worden vastgesteld nu de invoering van een verplicht label, zie R. Newell, A. Jaff, R. Stavins, «The induced innovation hypothesis and energy-saving technological change», Q.J. Econ. 1999, 114, 941-975; voor meer voorbeelden, onder meer wat betreft hygiëne in restaurants na de invoering van een verplichte hygiëne score, zie G. Loewenstein, C. Sunstein en R. Golman, «Disclosure, Psychology Changes Everything», Annual Review of Economics 2014, Vol. 6:391-419. |
| [155] | M. Vermote e.a., «Nutritional content, labelling and marketing of breakfast cereals on the Belgian markt and their reformulation in anticipation of the implementation of the Nutri-Score Front-of-Pack labelling system», Nutrients 2020, 12, 884. Deze vaststelling moet wel enigszins genuanceerd worden omdat parallel met de invoering van de Nutri-Score ook andere initiatieven in de sector aanstuurden op een gezondere samenstelling. Niettemin bevestigen studies in verschillende andere landen dit effect van FOP-voedingslabelling: zie Kanter e.a. 2016, die in Chili vaststelden dat de samenstelling van voedingsmiddelen in 17 categorieën (licht) wijzigde voorafgaand aan de invoering van wetgeving op voedingslabels (R. Kanter e.a., «Anticipatory effect of the implementation of the Chilean Law on Food Labeling and Advertising on food beverage product reformulation», Obes. Rev. 2019, 20, 129-140); in Nieuw-Zeeland konden significante verschillen in gemiddelde energiewaarde, zoutgehalte en vezels worden vastgesteld twee jaar na de invoering van een vrijwillig label «Health Start Rating» en de grootste verschillen betroffen producten die effectief het label gebruikten (N. Mhurchu e.a., «Effect of a voluntary front-of-pack nutrition labelling system on packaged food reformulation: the health star rating system in New-Zealand», Nutrients 2017, 9, 918). |
| [156] | Zie bv. Ellen MacArthur Foundation, «Towards the Circular Economy - Part 1: Economic and business rationale for an accelerated transition», 2013, https://www.ellenmacarthurfoundation.org/assets/downloads/publications/Ellen-MacArthur-Foundation-Towards-the-Circular-Economy-vol.1.pdf, 22-30. |
| [157] | Uit studies blijkt immers dat de gemiddelde levensduur recent eerder daalt dan stijgt, een overzicht van recente studies is te vinden bij: S. Prakash, G. Dehoust, M. Gsell, T. Schleicher en R. Stamminger, Influence of the service life of products in terms of their environmental impact: Establishing an information base and developing strategies against «obsolescence», 2020. https://www.umweltbundesamt.de/sites/default/files/medien/1410/publikationen/2020-01-16_texte_09-2020_obsolescense_en_0.pdf; zie ook Coolproducts don't cost the Earth - Report, European Environmental Bureau (18 september 2019), https://eeb.org/library/coolproducts-report/. |
| [158] | Coolproducts don't cost the Earth - Report, European Environmental Bureau (18 september 2019), https://eeb.org/library/coolproducts-report/, 18. |
| [159] | Art. 10, lid 1 Richtlijn 2019/771. |
| [160] | Art. 10, lid 6 Richtlijn 2019/771. |
| [161] | Art. 3, lid 5, a) Richtlijn 2019/771. |
| [162] | Zie E. Van Gool en A. Michel, «The New Consumer Sales Directive 2019/771 and Sustainable Consumption», Journal of European Consumer and Market Law (EuCML) 2021, 136-147; E. Van Gool, «De nieuwe richtlijn consumentenkoop en duurzame consumptie» in I. Claeys en E. Terryn (eds.), Nieuw recht inzake koop & digitale inhoud en diensten, Antwerpen, Intersentia, 2021, 303-386. |
| [163] | Wetsontwerp tot wijziging van de bepalingen van het oud Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de verkopen aan consumenten, tot invoeging van een nieuwe titel VIbis in boek III van het oude Burgerlijk Wetboek en tot wijziging van het Wetboek van economisch recht, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 55-2355/001. |
| [164] | E. Van Gool, A. Michel, «The New Consumer Sales Directive 2019/771 and Sustainable Consumption: A Critical Analysis», EuCML 2021, 136. |
| [165] | E. Van Gool, «De nieuwe richtlijn consumentenkoop en duurzame consumptie» in I. Claeys en E. Terryn (eds.), Nieuw recht inzake koop & digitale inhoud en diensten, Antwerpen, Intersentia, 2021, 370. |
| [166] | Https://www.ceguide.org/Strategies-and-examples/Make/Refurbishing. |
| [167] | Https://www.ceguide.org/Strategies-and-examples/Make/Remanufacturing. |
| [168] | Zoals dit bv. in een eerder wetsvoorstel wél was voorzien, zie Wetsvoorstel houdende de bescherming van de consumenten bij verkoop van consumptiegoederen, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 55-693/001. Allicht was dit ook voorzien in een eerdere versie van de omzettingswetgeving, in de memorie van toelichting wordt immers nog naar de bevoegdheid van de Koning verwezen om de termijn uit te breiden, zie MvT, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 55-2355/001, 56. |
| [169] | Zie ook de analyse van het Europese Milieuagentschap over de absolute nood aan verlenging van de levensduur en wettelijke minimumtermijnen als een van de mogelijke oplossingen: https://eeb.org/wp-content/uploads/2019/09/Coolproducts-report.pdf. |
| [170] | E. Van Gool en A. Michel, «The New Consumer Sales Directive 2019/771 and Sustainable Consumption», EUCmL 2021, 142-143. |
| [171] | Zie Implementatiewet richtlijnen verkoop goederen en levering digitale inhoud https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35734-3.html_ (laatst bezocht op 2 februari 2022). |
| [172] | Cf. art. 5 Wetsvoorstel om geprogrammeerde veroudering tegen te gaan en voor een repaireconomie, 19 juli 2019, Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 55-0193/001 (termijn van 5 jaar). |
| [173] | Ontwerpart. 1649 quater, § 4 oud BW (art. 5 Wetsontwerp consumentenkoop). |
| [174] | E. Van Gool en A. Michel, «The New Consumer Sales Directive 2019/771 and Sustainable Consumption», EUCmL 2021, 142-143. |
| [175] | Zie over het belang van updates voor de levensduur (afhankelijk van het soort goed), de studie voor het Duitse Milieuagentschap, «Influence of the service life of products in terms of their environmental impact: Establishing an information base and developing strategies against obsolescence», https://www.umweltbundesamt.de/sites/default/files/medien/1410/publikationen/2020-01-16_texte_09-2020_obsolescense_en_0.pdf. |
| [176] | PS11009-PS11039 - Apple, Samsung, 25 september 2018, https://en.agcm.it/en/media/press-releases/2018/10/PS11009-PS11039. DGCCRF, persbericht van 7 februari 2020, https://www.economie.gouv.fr/files/files/directions_services/dgccrf/presse/communique/2020/CP-Ralentissement-fonctionnement-iPhone200207.pdf (geraadpleegd op 10 februari 2022). |
| [177] | Art. 7(3) Richtlijn Consumentenkoop 2019/771; art. 4 en 5 Wetsontwerp consumentenkoop en ontwerpart. 1649ter, § 5 oud BW en ontwerpart. 1649quater, § 1 oud BW. |
| [178] | Overw. 31 Richtlijn 2019/771; MvT Wetsontwerp consumentenkoop, 22-23. |
| [179] | Zie opnieuw uitgebreid E. Van Gool en A. Michel, «The New Consumer Sales Directive 2019/771 and Sustainable Consumption», Journal of European Consumer and Market Law (EuCML), 2021, 136-147; E. Van Gool, «De nieuwe richtlijn consumentenkoop en duurzame consumptie» in I. Claeys en E. Terryn (eds.), Nieuw recht inzake koop & digitale inhoud en diensten, Antwerpen, Intersentia, 2021, 303-386. |
| [180] | Namelijk wanneer een herstelling of vervanging door de verkoper niet voltooid of geweigerd werd; wanneer er toch nog een conformiteitsgebrek is na een poging tot herstel of vervanging; wanneer het conformiteitsgebrek zo ernstig is dat een onmiddellijke prijsvermindering of ontbinding gerechtvaardigd is of wanneer de verkoper heeft verklaard of uit de omstandigheden duidelijk blijkt dat de verkoper de goederen niet binnen een redelijke termijn of zonder ernstige overlast voor de consument zal herstellen of vervangen (art. 13(4) Richtlijn 2019/771). |
| [181] | Zie Europees Milieuagentschap, 2019, https://eeb.org/wp-content/uploads/2019/09/Coolproducts-report.pdf. |
| [182] | Art. 13(2) Richtlijn 2019/771. |
| [183] | V. Mak en E. Terryn, «Circular Economy and Consumer Protection: The Consumer as a Citizen and the Limits of Empowerment Through Consumer Law», Journal of Consumer Policy 2020, 236; E. Van Gool, «De nieuwe richtlijn consumentenkoop en duurzame consumptie» in I. Claeys en E. Terryn (eds.), Nieuw recht inzake koop & digitale inhoud en diensten, Antwerpen, Intersentia, 2021, 361; E. Van Gool en A. Michel, 2021, 145. Zie ook de beslissing van het Noorse hoogste gerechtshof (17 februari 2006, Rt. 2006, § 179) en de bespreking ervan bij E. Maitre-Ekern en C. Dalhammar, «A Scandinavian perspective on the role of consumers in the circular economy» in E. Terryn en B. Keirsbilck (eds.), Consumer protection in a circular economy, Antwerpen, Intersentia, 2019, 179 - waarbij het hof bij de afweging tussen vervanging en herstel wel degelijk rekening hield met milieu-overwegingen. |
| [184] | Art. L-217-13 Code de la Consommation, ingevoerd door Loi n° 2020-105 van 10 februari 2020 voor een circulaire economie. |
| [185] | Rb. Amsterdam 8 juli 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:4197, TvC 2017, 183, noot V. Mak; Rb. Amsterdam 18 april 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:2519, https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBAMS:2017:2519. |
| [186] | E. Van Gool, «De nieuwe richtlijn consumentenkoop en duurzame consumptie» in I. Claeys en E. Terryn (eds.), Nieuw recht inzake koop & digitale inhoud en diensten, Antwerpen, Intersentia, 2021, 372-373. |
| [187] | Zie ook het advies van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, «Advies nr. 2019-1660 van BRC Verbruik inzake omzetting van de Europese richtlijnen inzake consumentenkoop van zowel goederen als digitale inhoud en diensten», 2019, https://www.ccecrb.fgov.be/dpics/fichiers/2019-09-19-03-21-55_CRB20191660omzettingrichtlijnen.pdf, 15, waar er op wordt gewezen dat bepaalde Europese bepalingen 'fully refurbished goods' als nieuw kwalificeren: Commission notice - The 'Blue Guide' on the implementation of EU product rules, 2016, Medische hulpmiddelenverordening 2017/745/EU. |
| [188] | E. Terryn, «A Right to Repair? Towards Sustainable Remedies in Consumer Law», European Review of Private Law 2019, 861; E. Van Gool, «De nieuwe richtlijn consumentenkoop en duurzame consumptie» in I. Claeys, E. Terryn (eds.), Nieuw recht inzake koop & digitale inhoud en diensten, Antwerpen, Intersentia, 2021, 374. |
| [189] | E. Terryn, «A Right to Repair? Towards Sustainable Remedies in Consumer Law», European Review of Private Law 2019, 861. |
| [190] | Zie uitgebreid S. Vandemaele, Commerciële garanties in de verschillende koopregimes: naar een uniforme regeling?, proefschrift KU Leuven, 2019, nrs. 253 e.v. Zie ook K. Tonner en R. Malcolm, How a EU lifespan guarantee model could be implemented across the EU, Brussel, 2017, 59 p. |
| [191] | In art. 17, lid 1 Richtlijn 2019/771. |
| [192] | Art. 14 en 17 Richtlijn 2019/771. |
| [193] | Zie K. Tonner en R. Malcolm, «How an EU Lifespan Guarantee Model Could Be Implemented Across the European Union» (2017) www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2017/583121/IPOL_STU(2017)583121_EN.pdf. |
| [194] | Zie het verzoek om input voor een effectenbeoordeling, Duurzame consumptie van goederen - stimuleren van reparatie en hergebruik, 11 januari 2022, https://ec.europa.eu/info/law/better-regulation/ (laatst bezocht op 2 februari 2022). |
| [195] | Naast het behouden van de status quo en het stimuleren van vrijwillige acties door bedrijven. |
| [196] | E. Terryn, «A Right to Repair: Towards Sustainable Remedies in Consumer Law», ERPL 2019, 851-861. |
| [197] | Zie https://ec.europa.eu/info/law/better-regulation/have-your-say/initiatives/12467-Consumentenbeleid-grotere-rol-voor-de-consument-bij-de-groene-transitie_nl. |
| [198] | Zie voor een overzicht van de stand van zaken in de VS: «Nixing the fix: An FTC Report to Congress on Repair Restrictions», mei 2021, https://www.ftc.gov/system/files/documents/reports/nixing-fix-ftc-report-congress-repair-restrictions/nixing_the_fix_report_final_5521_630pm-508_002.pdf?_page=; voor Massachusetts gaat het om de 2013 Motor Vehicle Right to Repair Law. In een referendum van 3 november 2020 hebben de kiezers in Massachusetts wel beslist om het toepassingsgebied van deze wetgeving uit te breiden tot telematica, zie final Summary for 19-06 Initiative Law to Enhance, Update and Protect the 2013 Motor Vehicle Right to Repair Law, https://www.mass.gov/info-details/ballot-initiatives-submitted-for-the-2020-biennial-statewide-election-proposed-laws-and-2022-biennial-statewide-election-proposed-constitutional-amendments_19-06-initiative-law-to-enhance,-update-and-protect-the-2013-mot or-vehicle-right-to-repair-law- (laatst bezocht op 2 februari 2022). |
| [199] | Zie het overzicht in het vermelde FTC report, 48-49. |
| [200] | Zie Model State Right-to-Repair Law, www.repair.org en het vermelde FTC report, 48. |
| [201] | Dit onderdeel van het artikel herneemt deels de eerdere bijdrage van E. Terryn en E. Van Gool, «Kunnen we e-commerce vergroenen door het consumentencontractenrecht te herzien?», TvC 2021/1, 15-28. |
| [202] | Richtlijn 2011/83/EU van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten (Pb.L. 2011, nr. 304/64) (hierna: Richtlijn Consumentenrechten). |
| [203] | Tal van factoren zijn hier bepalend, zoals de gebruikte transportmiddelen (door consumenten en bedrijven), de efficiëntie op het vlak van logistiek, planning en het combineren van ritten, het aantal mislukte leveringspogingen en het percentage retours …, zie o.a. J. Edwards, A. McKinnon en S. Cullinane, «Comparative analysis of the carbon footprints of conventional and online retailing», Int. J. Phys. Distr. Log. Mgmt. 2010, nr. 1/2, 103, 107-108 en 112-114; H. Pélsson, F. Pettersson en L. Hiselius, «Energy consumption in e-commerce versus conventional trade channels: Insights into packaging, the last mile, unsold products and product returns», J. Clean. Prod. 2017, nr. 164, 765-766, 773 en 776; O. Rotem-Mindali en J. Weltevreden, «Transport effects of e-commerce: What can be learned after years of research?», Transportation 2013, nr. 40, 867, 869-872 en 876-877; P. van Loon e.a., «A comparative analysis of carbon emissions from online retailing of fast moving consumer goods», J. Clean. Prod. 2015, 478, 482-484; R. Mangiaracina e.a., «A review of the environmental implications of B2C e-commerce», Int. J. Phys. Distr. Log. Mgmt. 2015, nr. 6, 565, 575-589. |
| [204] | De cijfers variëren weliswaar per land en per sector, maar ze zijn hoog in absolute cijfers en ook veel hoger dan in gewone winkels (zie Edwards, McKinnon en Cullinane (n. 6) 108). Een Europese studie uit 2016 geeft aan dat 12,08% van de elektronische apparaten en 16,50% van de online bestelde modeartikelen worden geretourneerd (E-commerce Foundation e.a., 'Ecommerce Benchmark & Retail Report 2016' (2016) 28, ecommerce-europe.eu/wp-content/uploads/2016/06/Ecommerce-Benchmark-Retail-Report-2016.pdf, geraadpleegd op 3 november 2020). Nederlands onderzoek vermeldt retourpercentages tussen 20 en 50% voor modeartikelen en tot 70% voor schoenen (Expertgroep GetRidofReturns (n 83) 6). Volgens een enquête van de Duitse Händlerbund is bij 21% van de retours de originele verpakking beschadigd en bij 44% zouden de goederen op een of andere wijze beschadigd zijn en enkel nog mits (substantiële) korting verkocht kunnen worden (Händlerbund, «Returns-study 2016: How fair are customers in online trade?» (2016) 4 en 6, slideshare.net/Haendlerbund/returns-study-2016-how-fair-are-customers-in-online-trade, geraadpleegd op 4 november 2020). |
| [205] | Een deel van de geretourneerde goederen eindigt uiteindelijk op de afvalberg of in de verbrandingsoven, soms alleen al om opslagkosten te vermijden (zie bv. ndr.de/nachrichten/niedersachsen/lueneburg_heide_unterelbe/Winsen-Amazon-verschrottet-containerweise-Neuware,amazon392.html, geraadpleegd op 4 november 2020). Volgens een Duitse studie zou 3,9% van de geretourneerde goederen worden vernietigd, 0,9% geschonken aan goede doelen,en 2.1% verkocht aan de recyclage-industrie (Forschungsgruppe Retourenmanagement, 'Retourentacho 2018/2019' (2019), retourenforschung.de/info-retourentacho2019-ausgewertet.html, geraadpleegd op 4 november 2020). Een Nederlandse studie vermeldt vergelijkbare cijfers (Expertgroep ReturnOnReturns, 'Blue paper' (2020) 4, shoppingtomorrow.nl/nl/themas/logistics/delivery-distribution/return-on-returns-2020_downloads, geraadpleegd op 4 november 2020). |
| [206] | Hierover uitgebreid: E. Terryn, E. Van Gool, «The Role of European Consumer Regulation in Shaping the Environmental Impact of E-commerce», EuCML 3/2021, 89-101; E. Terryn, E. Van Gool, «Kunnen we e-commerce vergroenen door het consumentencontractenrecht te herzien?», TvC 2021/1, 15-28. |
| [207] | Voorstel van resolutie betreffende een duurzaam en evenwichtig herroepingsrecht in het kader van e-commerce, Parl. St. Kamer 2020-2021, DOC 55 2335/001, 23 november; zie in Zwitserland een gelijkaardig voorstel, M. Tönghi, Vente par correspondance. Eviter les transports de colis inutiles en réduisant le nombre des envois en retour, https://www.parlament.ch/fr/ratsbetrieb/suche-curia-vista/geschaeft?AffairId=20214208, november 2021. |
| [208] | VIL, E-green, https://vil.be/wp-content/uploads/2018/06/180516-MVO-Vlaanderen_Koploper-E-commerce_afhaalpunten-als-oplossing-voor-de-hoge-CO2-voetafdruk.pdf (geraadpleegd op 23 april 2020); Verslag, CRB 2019-2298, «Visie van bedrijfsdeskundigen op de toekomst van e-commerceleveringen: A sustainable last mile parcel delivery market», 18 december 2019, www.ccecrb.fgov.be/dpics/fichiers/2020-02-10-05-18-30_doc192298nl.pdf (geraadpleegd op 23 april 2020). |
| [209] | Zie i.h.b. HvJ 27 maart 2019, nr. C-681/17, ECLI:EU:C:2019:255, Slewo: de uitzondering op het herroepingsrecht voor «de levering van verzegelde goederen die niet geschikt zijn om te worden teruggezonden om redenen van gezondheidsbescherming of hygiëne en waarvan de verzegeling na de levering is verbroken» is niet van toepassing op matrassen waarvan de consument de beschermfolie heeft verwijderd (ook al kunnen deze dan niet langer als nieuw worden verkocht). |
| [210] | Art 14(2) Richtlijn Consumentenrechten en art. VI.51, § 2 WER. |
| [211] | Zie art. 6-7 en 10 Richtlijn 2019/771/EU betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de verkoop van goederen, tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2394 en Richtlijn 2009/22/EG, en tot intrekking van Richtlijn 1999/44/EG [2019], Pb.L. 136/28 (Richtlijn Consumentenkoop). |
| [212] | Art. 14(2) Richtlijn Consumentenrechten en art. VI.51, § 2 WER. |
| [213] | RPA, CSES en EPRD, Study on the application of the Consumer Rights Directive 2011/83/EU (European Commission 2017), ec.europa.eu/newsroom/document.cfm?doc_id=44637, 115. |
| [214] | Ibid., 115 (met verwijzing naar een bevraging door de Deense Kamer van koophandel). Zie ook Expertgroep GetRidofReturns, 'Blue Paper' (2020), shoppingtomorrow.nl/nl/themas/logistics/delivery-distribution/get-rid-of-returns, 6. |
| [215] | RPA, CSES en EPRD, Study on the application of the Consumer Rights Directive 2011/83/EU (European Commission 2017), 115. |
| [216] | Dit werd eerder reeds voorgesteld door de Europese Commissie, maar het voorstel haalde de uiteindelijke aangenomen Moderniseringsrichtlijn niet, zie voorstel voor een richtlijn wat betreft de betere handhaving en modernisering van de regels voor consumentenbescherming in de EU, art. 2, punten 14 en 15 van het voorstel COM (2018) 185. |
| [217] | Ook bepaalde handelaars pleiten daarvoor, zie bv. vrt.be/vrtnws/nl/2020/01/03/wouter-torfs-gratis-terugsturen-pakjes-moet-anders-vandaag-ko/. |
| [218] | Zie bv. www.shavatar.be; sizer.me/. |
| [219] | Zie UPS, «2019 Sustainability Progress Report» (2019) sustainability.ups.com/media/2019-progress-report.pdf. |
| [220] | Zie bv. H. Eidenmüller, «Why Withdrawal Rights?», ERCL 2011, vol. 7, 1-24; O. Ben-Shahar en E.A. Posner, «The Right to Withdraw in Contract Law», Journal of Legal Studies 2011, vol. 40, nr. 115, 144-45; O. Bar-Gill en O. Ben-Shahar, «Regulatory Techniques in Consumer Protection. A Critique of European Consumer Contract Law», 50 CML.Rev. 2013, vol. 50, nr. 109, 121. |
| [221] | O. Bar-Gill en O. Ben-Shahar, l.c., 121. |
| [222] | Als een kwaliteitssignaal dat consumenten aanzet tot aankopen op afstand (ibid., 120). |
| [223] | Ibid., 120. |
| [224] | Ibid., 120. |
| [225] | Ibid., 121. |
| [226] | Ibid., 121. |
| [227] | Art. 16(l) Richtlijn Consumentenrechten. |
| [228] | De 'Study on the application of the CRD' vermeldt expliciet dat de uitzondering op het herroepingsrecht een goede zaak is aangezien dit toelaat consumenten te laten genieten van de kostenbesparingen. Study on the application of the Consumer Rights Directive 2011/83/EU (European Commission, 2017) ec.europa.eu/newsroom/document.cfm?doc_id=44637 118. |
| [229] | RPA, CSES en EPRD, Study on the application of the Consumer Rights Directive 2011/83/EU (European Commission, 2017), 118. |
| [230] | Eidenmüller pleitte al eerder voor zo'n verplicht optioneel herroepingsrecht. H. Eidenmüller, «Why Withdrawal Rights?», ERCL 2011, vol. 7, 10-11. |
| [231] | Art. L. 541-15-10, III, para. 5 Code de l'environnement (zoals ingevoegd door art. 42 Loi n° 2020-105 du 10 février 2020 relative à la lutte contre le gaspillage et à l'économie circulaire, JORF 11 februari 2020, n0035), dat handelaars verplicht om lagere prijzen aan te rekenen voor afhaaldrankjes in een herbruikbare beker dan in een wegwerpbeker. |
| [232] | UPS, «2019 Sustainability Progress Report» (2019), sustainability.ups.com/media/2019-progress-report.pdf (geraadpleegd op 1 november 2020), 7. |
| [233] | Expertgroep GetRidofReturns, 'Blue Paper', 2020 8. |
| [234] | Zie voetnoot 246. |
| [235] | Art. L. 541-15-8 Code de l'environnement zoals ingevoegd door art. 35 Loi n° 2020-105 du 10février 2020 relative à la lutte contre le gaspillage et à l'économie circulaire, JORF 11 februari 2020, n0035. Zie ook voor vergelijkbare wetgeving in Duitsland: § 23.2.(11) Kreislaufwirtschaftsgesetz. |
| [236] | Dit onderdeel van het artikel herneemt deels de eerdere bijdrage van H. Slachmuylders, B. Keirsbilck, E. Terryn en E. Van Gool, «Duurzaam ondernemen en het recht: circulaire bedrijfsmodellen - juridische knelpunten» in De rol van de bedrijfsjurist in de duurzame ontwikkeling van de onderneming / Le rôle du juriste d'entreprise dans le développement durable, Brussel, Larcier, 2021, 7-39. |
| [237] | M. Geissdoerfer, P. Savaget, N.M.P. Bocken en E.J. Hultink, «The Circular Economy - A new sustainability paradigm?», J.Clean.Prod. 2017, (757) 759. |
| [238] | Zie bv. Europese Commissie, Maak de cirkel rond - Een EU-actieplan voor de circulaire economie, 2 december 2015, COM(2015) 614 final, 8: «innovatieve vormen van consumptie kunnen ook de ontwikkeling van een circulaire economie ondersteunen, bv. […] het afnemen van diensten in plaats van producten […]». Zie ook Ellen Macarthur Foundation, Towards the Circular Economy Vol. 2: Opportunities for the consumer goods sector, 2013, 26. |
| [239] | Federaal actieplan circulaire economie 2021-2024, 5. |
| [240] | VITO, Business Models in a Circular Economy, Eionet Report - ETC/WMGE 2021/2, 28 januari 2021. |
| [241] | E.T. Freeman, «Buying quarter inch holes: public support through results», Archival Issues 2000, 91-100; T. Levitt, The Marketing Imagination, New York, Free Press, 1983, Ch. 7, 1. |
| [242] | R. Oliva en R. Kallenberg, «Managing the transition from products to services», IJSIM 2003, 160-172. |
| [243] | S.J. Lawson, M.R. Gleim, R. Perren en J. Hwang, «Freedom from ownership: An exploration of access-based consumption», J.Bus.Res. 2016, 2615-2623. |
| [244] | Zie bv. M.B. Amor, M. Lindahl, P. Frankelius en H.B. Abdennebi, «Revisiting industrial organization: Product service systems insight», J.Clean.Prod. 2018, 1459-1477; F.H. Beuren, M.G. Gomes Ferreira en P.A. Cauchick Miguel, «Product-Service Systems: A Literature Review on Integrated Products and Services», J.Clean.Prod. 2013, 222-231 en M.J. Goedkoop, C.J.G. Van Halen, H.R.M. Te Riele en P.J.M. Rommens, Product service systems: Ecological and economic basics, Report for Dutch Ministries of Environment (VROM) and Economic Affairs (EZ), 1999, 1-118. |
| [245] | A. Tukker en U. Tischner, «Product-services as a research field: past, present and future. Reflections from a decade of research», J.Clean.Prod. 2006, (1552) 1552. |
| [246] | A. Tukker, «Eight Types of Product-Service System: Eight Ways to Sustainability? Experiences from Suspronet», Bus.Strat.Env. 2004, (246) 248. |
| [247] | W. Reim, V. Parida en D. Örtqvist, «Product-Service Systems (PSS) business models and tactics - a systematic literature review», J.Clean.Prod. 2015, 61-75; A. Tukker, «Eight Types of Product-Service System: Eight Ways to Sustainability? Experiences from Suspronet», Bus.Strat.Env. 2004, (246) 248. |
| [248] | B. Keirsbilck, E. Terryn en E. Van Gool, «Consumentenbescherming bij servitisation en product-dienst systemen (PDS)», TPR 2019, (817) 820-821. |
| [249] | A. Azarenko, R. Roy, E. Shehab en A. Tiwari, «Technical Product-Service systems: some implications for the machine tool industry», JMTM 2009, (700) 703. |
| [250] | B. Keirsbilck en S. Rousseau, «The Marketing Stage: Fostering Sustainable Consumption Choices» in B. Keirsbilck and E. Terryn (eds.), Consumer Protection in a Circular Economy, Antwerpen, Intersentia, 2019, 112. |
| [251] | B. Keirsbilck, E. Terryn en E. Van Gool, «Consumentenbescherming bij servitisation en product-dienst systemen (PDS)», TPR 2019, (817) 822. |
| [252] | Https://mudjeans.eu/pages/lease-a-jeans. |
| [253] | Https://instantink.hpconnected.com/be/nl/l/. |
| [254] | Https://bundles.nl/. |
| [255] | Http://bluemovement.nl. |
| [256] | Zie ook het initiatief 'Papillon' in Vlaanderen, specifiek gericht op mensen met energieschulden: https://vlaanderen-circulair.be/nl/doeners-in-vlaanderen/detail/papillon. |
| [257] | Https://live-light.com/. |
| [258] | Https://press.ikea.be/ikea-test-in-2020-het-verhuren-van-meubels-in-30-markten. |
| [259] | Https://swapfiets.be/. |
| [260] | O.K. Mont, «Clarifying the concept of product-service systems», J.Clean.Prod. 2002, (237) 243-244. |
| [261] | Zie bv. European Environment Agency, EAA Report 2017/6 Circular by Design - Products in the Circular Economy, Luxembourg, EU Publications Office, 2017, 26; A. Richter en M. Steven, «On the Relation Between Industrial Product-Service Systems and Business Models», Oper.Res.Proc. 2008, (97) 97-98; H. Gebauer, E. Fleisch en T. Friedli, «Overcoming the Service Paradox in Manufacturing Companies», European Management Journal 2005, 14-26. |
| [262] | B. Keirsbilck, E. Terryn en E. Van Gool, «Consumentenbescherming bij servitisation en product-dienst systemen (PDS)», TPR 2019, (817) 824. |
| [263] | Zie bv. E. Vaittinen, M. Martinsuo en R. Ortt, «Business customers' readiness to adopt manufacturer's new services», Journal of Service Theory and Practice 2018, 52-78. |
| [264] | Zie voor een meer uitgebreide analyse: B. Keirsbilck, E. Terryn en E. Van Gool, «Consumentenbescherming bij servitisation en product-dienst systemen (PDS)», TPR 2019, (817) 823-826 en B. Keirsbilck en S. Rousseau, «The Marketing Stage: Fostering Sustainable Consumption Choices» in B. Keirsbilck and E. Terryn (eds.), Consumer Protection in a Circular Economy, Antwerpen, Intersentia, 2019, (93) 114-119. |
| [265] | F. Bardhi en G.M. Eckhardt, «Access-Based Consumption: The Case of Car Sharing», J.Consu.Res. 2012, 881-898. |
| [266] | Zie voor een overzicht: J. Hojnik, «Ecological modernization through servitisation: EU regulatory support for sustainable product-service systems», RECIEL 2018, (162) 164-165. Zie ook: A. Plepys, E. Heiskranen en O. Mont, «European Policy Approaches to Promote Servicizing», J.Clean.prod. 2015, (117) 118. |
| [267] | J. Hojnik, «Ecological modernization through servitisation: EU regulatory support for sustainable product-service systems», RECIEL 2018, (162) 164. |
| [268] | J. Hojnik, «Ecological modernization through servitisation: EU regulatory support for sustainable product-service systems», RECIEL 2018, (162) 165-166; A. Tukker, «Product services for a resource-efficient and circular economy - a review», J.Clean.Prod. 2015, (76) 85-87. |
| [269] | A. Tukker, «Eight Types of Product-Service System: Eight Ways to Sustainability? Experiences from Suspronet», Bus.Strat.Env. 2004, 246-260. |
| [270] | European Environment Agency, EAA Report 2017/6 Circular by Design - Products in the Circular Economy, Luxembourg, EU Publications Office, 2017, 18-19 en 26-28. European Environment Agency, EAA Report 2016/2 Circular by design - Products in the circular economy, Luxembourg, EU Publications Office, 2016, 15-16. |
| [271] | B. Keirsbilck, E. Terryn en E. Van Gool, «Consumentenbescherming bij servitisation en product-dienst systemen (PDS)», TPR 2019, (817) 826-828; B. Keirsbilck en S. Rousseau, «The marketing stage: fostering sustainable consumption choices in a 'circular' and 'functional' economy», in B. Keirsbilck en E. Terryn (eds.), Consumer Protection in a Circular Economy, Antwerpen, Intersentia, 2019), 113-115; V. Mak en E. Terryn, «Circular Economy and Consumer Protection: The Consumer as a Citizen and the Limits of Empowerment Through Consumer Law», JCP 2020, 227, 239. |
| [272] | «Nieuwe bedrijfsmodellen die gebaseerd zijn op het huren en delen van goederen en diensten, zullen een rol spelen, mits ze echt duurzaam en betaalbaar zijn», », De Europese Green Deal, 11 december 2019, COM(2019) 640 final, 9. |
| [273] | Zie Europese Commissie, Een nieuw actieplan voor een circulaire economie. Voor een schoner en concurrerender Europa, 11 maart 2020, COM(2020) 98 final, waar «incentivering van 'product-als-dienst'-modellen en andere modellen waarbij producenten de eigendom van het product behouden of de verantwoordelijkheid voor de levenslange prestaties ervan» wordt naar voren geschoven en zie ook Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad, Nieuwe consumentenagenda - De weerbaarheid van de consument versterken met het oog op duurzaam herstel, 13 november 2020, COM(2020) 696 final, 9, die stelt dat de «promotie van … nieuwe bedrijfsmodellen die consumenten de mogelijkheid bieden een dienst te kopen in plaats van een goed» een belangrijke bijdrage kan leveren aan de «groene transitie». |
| [274] | Zie ook Federaal actieplan circulaire economie 2021-2024, maatregel 7 («De mogelijkheid onderzoeken om een juridisch kader te scheppen voor het 'ontwerpen' van bepaalde nieuwe diensten») en 8 («Ontwikkeling en verspreiding (via opleidingen, informatiesessies enz.) van een methodologie voor ondernemingen die een bedrijfsmodel van het type 'PAAS' (Product/Performance As A Service) willen opzetten»). |
| [275] | B. Keirsbilck, E. Terryn en E. Van Gool, «Consumentenbescherming bij servitisation en product-dienst systemen (PDS)», TPR 2019, (817) 844. |
| [276] | J. De Vogel, «Private Lease: Consumer Credit in Disguise? », EuCML 2020, (51) 51-54. |
| [277] | Art. 2, § 2, d) Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad, Pb.L. 22 mei 2008, nr. 133, 66-92. |
| [278] | Zie https://ec.europa.eu/info/law/better-regulation/have-your-say/initiatives/12465-Consumer-Credit-Agreement-review-of-EU-rules. Zie Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende consumentenkrediet, 30 juni 2021, COM(2021) 347 final. |
| [279] | B. Verheye, «Toekomst van de circulaire vastgoedeconomie», TPR 2019, (107) 183; I. Samoy, «financieren op eigen risico? (noot onder Kh. Hasselt 2 juli 1997 en Antwerpen 22 maart 1999)», TBBR 2000, (238) 246. |
| [280] | Zie over onroerende natrekking art. 3.64 NBW. |
| [281] | Zie ook B. Keirsbilck en S. Rousseau, «The marketing stage: fostering sustainable consumption choices in a 'circular' and 'functional' economy» in B. Keirsbilck en E. Terryn (eds.), Consumer Protection in a Circular Economy, Antwerpen, Intersentia, 2019, 119-123. |
| [282] | B. Keirsbilck, E. Terryn en E. Van Gool, «Consumentenbescherming bij servitisation en product-dienst systemen (PDS)», TPR 2019, (817) 831. |
| [283] | Dit criterium bepaalt dat wanneer de karakteristieke prestatie geen standaardvorm aanneemt, maar moet beantwoorden aan specifieke en contextgebonden vereisten, er sprake is van aanneming en geen koop (en omgekeerd). Zie o.a. Cass. 25 februari 1985, Pas. 1985, I, 613; Cass. 19 juni 1980, JT 1980, 616; Luik 26 januari 2009, T.Aann. 2009, 366; Bergen 9 oktober 2000, AJT 2001-02, 87; Kh. Brussel 13 januari 1988, JT 1988, 587. |
| [284] | A. Van Oevelen, Overeenkomsten. 2: Bijzondere overeenkomsten: E. Aanneming van werk, lastgeving in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Mechelen, Wolters Kluwer, 2017, 22; P. Brulez, Koop en aanneming: faux amis?, Antwerpen, Intersentia, 2015, 76. |
| [285] | B. Kohl, Contrat d'entreprise, Brussel, Bruylant, 2016, 74; W. Goossens, Aanneming van werk: het gemeenrechtelijk dienstencontract, Brugge, die Keure, 2003, 77-78; B. Tilleman, Overeenkomsten. 2: Bijzondere overeenkomsten. A: Verkoop. 1: Totstandkoming en kwalificatie van de koop in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Antwerpen, Story-Scientia, 2001, 314. Zie echter ook P. Brulez, Koop en aanneming: faux amis?, Antwerpen, Intersentia, 2015, 85 en 122-124, die voor deze categorie ook het belang van de absorptietheorie in de praktijk aanhaalt. |
| [286] | B. Keirsbilck, E. Terryn en E. Van Gool, «Consumentenbescherming bij servitisation en product-dienst systemen (PDS)», TPR 2019, (817) 833-834. |
| [287] | Cass. 20 mei 1994, Arr.Cass. 19h94, 507, T.Vred. 1996, 57, noot K. Creyf. |
| [288] | Zie Brussel 7 oktober 1961, JT 1962 (kortstondig gebruik van wasmachines in automatisch wassalon tegen betaling is huur van goederen); B. Keirsbilck, E. Terryn en E. Van Gool, «Consumentenbescherming bij servitisation en product-dienst systemen (PDS)», TPR 2019, (817) 825. |
| [289] | B. Keirsbilck, E. Terryn en E. Van Gool, «Consumentenbescherming bij servitisation en product-dienst systemen (PDS)», TPR 2019, (817) 836. |
| [290] | W. Goossens, Aanneming van werk: het gemeenrechtelijk dienstencontract, Brugge, die Keure, 2003, 110. |
| [291] | A. Van Vaerenbergh en F. Leyman, «'Product als dienst'-overeenkomsten, een stap in de richting van de circulaire economie», MER 2019, (20) 23; B. Keirsbilck, E. Terryn en E. Van Gool, «Consumentenbescherming bij servitisation en product-dienst systemen (PDS)», TPR 2019, (817) 838. |
| [292] | Art. 1649bis-1649octies BW. |
| [293] | Cass. 8 april 1943, Arr.Cass. 1943, 85; Antwerpen 6 september 2010, NJW 2011, 339, noot M. Dambre; Vred. Wolvertem 19 oktober 1995, AJT 1995-96, 231, noot B. Cattoir. |
| [294] | M. Dambre, Handboek bijzondere overeenkomsten, Brugge, die Keure, 2020, 252-253. |
| [295] | Art. 1719 BW. |
| [296] | Art. 1721 BW. |
| [297] | Art. 1720 BW. |
| [298] | Art. 1754 BW. |
| [299] | H. De Page, Traité élémentaire de droit civil belge, IV, Bruxelles, Bruylant, 1972, 874-985; B. Kohl, Contrat d'entreprise, Bruxelles, Bruylant, 2016, 31; A. Van Oevelen, Overeenkomsten. 2: Bijzondere overeenkomsten: E. Aanneming van werk, lastgeving in Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Mechelen, Wolters Kluwer, 2017, 22. |
| [300] | Richtlijn (EU) 2019/771 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de verkoop van goederen, tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2394 en Richtlijn 2009/22/EG, en tot intrekking van Richtlijn 1999/44/EG, Pb.L. 22 mei 2019, nr. 136, 28-50. |
| [301] | Richtlijn (EU) 2019/770 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de levering van digitale inhoud en digitale diensten, Pb.L. 22 mei 2019, nr. 136, 1-27. |
| [302] | Art. 6-9 Richtlijn Digitale Inhoud en Digitale Diensten. |
| [303] | Art. 11-14 Richtlijn Digitale Inhoud en Digitale Diensten. |
| [304] | Art. 15-18 Richtlijn Digitale Inhoud en Digitale Diensten. |
| [305] | Art. 2, § 2 Richtlijn Digitale Inhoud en Digitale diensten definieert een 'digitale dienst' als «a) een dienst die de consument in staat stelt gegevens in digitale vorm te creëren, te verwerken of op te slaan, of toegang tot die gegevens te krijgen; of b) een dienst die voorziet in de mogelijkheid van het delen van gegevens of andere interactie met gegevens in digitale vorm die door de consument of door andere gebruikers van die dienst worden geüpload of gecreëerd;». |
| [306] | B. Keirsbilck, E. Terryn en E. Van Gool, «Consumentenbescherming bij servitisation en product-dienst systemen (PDS)», TPR 2019, (817) 830, 838 en 839. |
| [307] | Art. 3, § 6 Richtlijn Digitale Inhoud en Digitale Diensten. |
| [308] | Overw. 33 Richtlijn Digitale Inhoud en Digitale Diensten. |
| [309] | A. Van Vaerenbergh en F. Leyman, «'Product als dienst'-overeenkomsten, een stap in de richting van de circulaire economie», MER 2019, (20) 26. |
| [310] | A. Van Vaerenbergh en F. Leyman, «'Product als dienst'-overeenkomsten, een stap in de richting van de circulaire economie», MER 2019, (20) 26. |
| [311] | Dit is immers afhankelijk van de concrete omstandigheden, zoals de kwalificatie die de partijen aan de verbintenis hebben gegeven en het aleatoire karakter van het beoogde resultaat (B. Kohl, Contrat d'entreprise, Bruxelles, Bruylant, 2016, 283). |
| [312] | S. Stijns, Verbintenissenrecht, Boek 1, Brugge, die Keure, 2015, 8-9. |
| [313] | Bij levering van internettoegang wordt in de rechtspraak aangenomen dat er sprake is van een resultaatsverbintenis en dat de leverancier aansprakelijk is bij onderbreking behoudens bewijs van overmacht (zie Antwerpen 22 november 2004, RW 2007-08, 1079). |
| [314] | B. Keirsbilck, E. Terryn en E. Van Gool, «Consumentenbescherming bij servitisation en product-dienst systemen (PDS)», TPR 2019, (817) 870-871. |
| [315] | Art. 1754 BW. |
| [316] | Zo maakte Mudjeans bij haar 'Lease a Jeans'-formule tot voor kort gebruik van een opstartkost. Consumenten betaalden eenmalig 20 euro lidmaatschap, waarna ze een jeans konden leasen voor 7,5 euro per maand. Momenteel wordt echter enkel een periodieke vergoeding van 9,95 euro per maand aangerekend. Zie https://mudjeans.eu/pages/lease-a-jeans. |
| [317] | A. Van Vaerenbergh en F. Leyman, «'Product als dienst'-overeenkomsten, een stap in de richting van de circulaire economie», MER 2019, (20) 26-27. |
| [318] | A. Van Vaerenbergh en F. Leyman, «'Product als dienst'-overeenkomsten, een stap in de richting van de circulaire economie», MER 2019, (20) 27. |
| [319] | Zo maakt het 'Papillon'-project (zie voetnoot 37) gebruik van een document 'gebruiksbewijs wasmachine', waarin op een duidelijke en transparante manier aanwijzingen staan voor onderhoud, dagelijks gebruik, tips voor goedkoop gebruik en informatie over wat de consument moet doen bij problemen. Dit document moet door de consument worden ondertekend bij de aanvang van de overeenkomst. |
| [320] | Zie art. 7, d) en 8, §§ 2-3 Richtlijn Digitale Inhoud en Digitale Diensten. |
| [321] | A. Van Vaerenbergh en F. Leyman, «'Product als dienst'-overeenkomsten, een stap in de richting van de circulaire economie», MER 2019, (20) 27. |
| [322] | A. Van Vaerenbergh en F. Leyman, «'Product als dienst'-overeenkomsten, een stap in de richting van de circulaire economie», MER 2019, (20) 27. |
| [323] | Zie voor een uitgebreide bespreking: A. Van Oevelen, «Exoneratiebedingen en vrijwaringsbedingen» in V. Sagaert en D. Lambrecht (eds.), Actuele Ontwikkelingen inzake Verbintenissenrecht, Vlaams Pleitgenootschap, Antwerpen, Intersentia, 2009, 1-36. |
| [324] | S. Stijns, Verbintenissenrecht, Boek 1, Brugge, die Keure, 2015, 175-179. |
| [325] | E. Terryn, «Onrechtmatige bedingen tussen ondernemingen» in W. Devroe, E. Terryn en B. Keirsbilck, Nieuw economisch recht in b2b-relaties, Antwerpen, Intersentia, 2020, 106 en 142-143. |
| [326] | Art. VI. 82-84 WER. |
| [327] | Zie Titel 3/1. Overeenkomsten gesloten tussen ondernemingen (art. VI.91/1-VI.91/10) WER. |
| [328] | B. Keirsbilck, E. Terryn en E. Van Gool, «Consumentenbescherming bij servitisation en product-dienst systemen (PDS)», TPR 2019, (817) 849-850. |
| [329] | Zie voor het masterplan: https://justitie.belgium.be/nl/bwcc. |
| [330] | Zie MB 15 juni 2021 houdende oprichting van Commissies tot hervorming van het overeenkomstenrecht en het verjaringsrecht, BS 2 juli 2021. De Commissie tot hervorming van het overeenkomstenrecht wordt voorgezeten door Bernard Tilleman en Paul-Alain Foriers. De Commissie tot hervorming van het verjaringsrecht wordt voorgezeten en samengesteld door Geert Jocqué en Maxime Marchandise. Eric Dirix en Patrick Wéry worden belast met de coördinatie van de werkzaamheden van deze twee Commissies. |
| [331] | Zie ook in die zin M. Storme, «Remedies bij digitale inhoud en diensten» in I. Claeys en E. Terryn, Nieuw recht inzake koop en digitale diensten, Antwerpen, Intersentia, (233) 259. |
| [332] | HvJ 14 maart 2013, ECLI:EU:C:2013:164, Mohamed Aziz. |
| [333] | In die zin is het interessant om op te merken dat duurzaamheidsvereisten steeds vaker het privaatrecht binnenkomen. Zie bv. art. 1833 Franse Code Civil: «Toute société doit avoir un objet licite et être constituée dans l'intérêt commun des associés. La société est gérée dans son intérêt social, en prenant en considération les enjeux sociaux et environnementaux de son activité» (eigen onderlijning). Ook art. 509 van het nieuwe Chinese BW is in deze zin interessant: «Each party shall fully perform its own obligations as agreed. The parties shall abide by the principle of good faith, and perform obligations of notification, assistance, confidentiality, etc. in accordance with the nature and purpose of the contract and the usage of trade. In performing a contract, the parties shall avoid wasting resources, polluting the environment, and compromising ecology» (eigen onderlijning). Het Chinese BW is beschikbaar via https://npcobserver.com/legislation/civil-code/. |
| [334] | B. Keirsbilck, E. Terryn en E. Van Gool, «Consumentenbescherming bij servitisation en product-dienst systemen (PDS)», TPR 2019, (817) 885-886. |
| [335] | F. Zoll, «From a Product-Based Economy to Services? - Legal Aspects of an Economy in Transition» in B. Keirsbilck en E. Terryn (eds.), Consumer Protection in a Circular Economy, Antwerpen, Intersentia, 2019, (149) 156. |
| [336] | Zie https://ec.europa.eu/growth/single-market/services/service-standards_en. |
| [337] | H. Schepel, The Constitution of Private Governance: Product Standards in the Regulation of Integrating Markets, Oxford, Hart Publishing, 2005, 460 p. |
| [338] | Zie o.a. British Standard 8001; http://ecostandard.org/news_events/first-standard-on-circular-economy/. |
| [339] | Beschikbaar op www.donellameadows.org/wp-content/userfiles/Limits-to-Growth-digital-scan-version.pdf. |

