Grondwettelijk Hof 28 januari 2021
|
ALTERNATIEVE GESCHILLENREGELING
Arbitrage - Uitspraak - Nietigheid - Vordering tot vernietiging - Termijn - Bedrog - Grondwet - EVRM - Gelijkheid en niet-discriminatie - Inperking van rechten
In zoverre artikel 1717, § 4 van het Gerechtelijk Wetboek de partij, die meer dan 3 maanden na de mededeling van de uitspraak ontdekt dat die door bedrog is verkregen, niet toelaat de vernietiging van de in het geding zijnde uitspraak te vorderen, leidt de in het geding zijnde bepaling tot een onevenredige beperking van de rechten van de partij die het slachtoffer is van het bedrog.
|
RÉSOLUTION ALTERNATIVE DES LITIGES
Arbitrage - Sentence - Nullité - Demande d'annulation - Délai - Fraude - Constitution - CEDH - Egalité et non-discrimination - Restriction des droits
Pour autant que l'article 1717, § 4, du Code judiciaire ne permette pas à la partie qui découvre, plus de 3 mois après la communication de la sentence, que celle-ci a été obtenue par fraude, de demander l'annulation de la sentence litigieuse, la disposition en cause entraîne une limitation disproportionnée des droits de la partie victime de la fraude.
|
| Zet.: F. Daoût en L. Lavrysen (voorzitters), J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Paques en Y. Kherbache (rechters) |
| Pl.: Mrs. M. Grégoire, J.-F. Moreau, T. Afschrift, M. Igalson, S. Depré en E. de Lophem |
| Zaak: 14/2021 |
(…)
| Onderwerp van de prejudiciële vraag |
Bij vonnis van 19 juni 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 juli 2019, heeft de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld:
“Schendt artikel 1717, § 4 van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in voorkomend geval in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre het een vervaltermijn invoert die het een partij bij een arbitrageprocedure niet langer mogelijk maakt de uitspraak opnieuw in het geding te brengen wanneer zij meer dan 3 maanden na de mededeling ervan ontdekt dat die uitspraak door bedrog is verkregen, terwijl, krachtens de artikelen 1132 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, een partij bij een gerechtelijke procedure beschikt over een termijn van 6 maanden vanaf het ontdekken van het bedrog om een verzoek tot herroeping van het gewijsde in te stellen?”
(…)
| De feiten |
Bij de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel is een beroep ingesteld tot vernietiging van verschillende arbitrale uitspraken. Volgens de eisende partij zouden die uitspraken door bedrog zijn verkregen. Krachtens artikel 1717, § 4 van het Gerechtelijk Wetboek dient een dergelijk beroep te worden ingesteld binnen 3 maanden na de mededeling van de in het geding zijnde uitspraak, verplichting waaraan de eisende partij te dezen niet heeft voldaan. Het beroep tot vernietiging is dus onontvankelijk.
In die context stelt de rechtbank de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. In het verwijzingsvonnis preciseert zij niettemin dat, daar het beroep tot vernietiging is ingesteld na het verstrijken van een termijn van 3 maanden vanaf het ontdekken van het aangevoerde bedrog, maar binnen een termijn van 6 maanden vanaf datzelfde ogenblik, een controle van de verenigbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens te dezen alleen relevant zou zijn indien het Hof zou oordelen dat, in plaats van een termijn van 3 maanden, een termijn van 6 maanden dient te worden toegepast, zoals voor het verzoek tot herroeping van het gewijsde.
| In rechte |
| - A - |
(…)
| - B - |
(…)
B.2. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel 1717, § 4 van het Gerechtelijk Wetboek met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het een vervaltermijn invoert die het een partij bij een arbitrageprocedure niet langer mogelijk maakt de vernietiging van de uitspraak te vorderen wanneer zij, meer dan 3 maanden na de mededeling van de uitspraak, ontdekt dat die door bedrog is verkregen. De verwijzende rechter verzoekt het Hof de situatie van die partij te vergelijken met die van een partij bij een gerechtelijke procedure, die beschikt over een termijn van 6 maanden vanaf het ontdekken van het bedrog om een verzoek tot herroeping van het gewijsde tegen een vonnis in te stellen, op grond van de artikelen 1132 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.
B.3.1. Uit het verwijzingsvonnis blijkt dat, te dezen, de vordering tot vernietiging van de in het geding zijnde arbitrale uitspraken is ingesteld na het verstrijken van een termijn van 3 maanden vanaf het ontdekken van het vermeende bedrog. In die omstandigheden lijkt de verwijzende rechter ervan uit te gaan dat een controle van de verenigbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre die bepaling de termijn voor het instellen van de vordering tot vernietiging doet ingaan op de datum waarop de uitspraak is meegedeeld, alleen relevant zou zijn indien het Hof oordeelt dat het bestaan van verschillende termijnen voor het instellen van een vordering tot vernietiging van een arbitrale uitspraak, enerzijds, en voor het instellen van een verzoek tot herroeping van het gewijsde, anderzijds, niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De ministerraad en de eisende partij voor de verwijzende rechter besluiten hieruit dat, indien dat niet het geval is, het Hof het verschil in behandeling met betrekking tot het aanvangspunt van de termijn niet moet onderzoeken.
B.3.2. Gelet op de bewoordingen van de prejudiciële vraag en het onlosmakelijke verband dat bestaat tussen de duur van een termijn en het aanvangspunt ervan, beantwoordt het Hof de prejudiciële vraag zoals die is gesteld door de verwijzende rechter, door de twee hem voorgelegde aspecten van het verschil in behandeling te onderzoeken.
B.4.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan: de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden.
B.4.2. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.
Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
B.5.1. Artikel 6, 1. van het Europees verdrag voor de rechten van de mens waarborgt het recht op toegang tot een bevoegde rechter en het recht op een eerlijk proces.
B.5.2. Het recht op toegang tot de rechter is echter niet absoluut. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens “leent het zich tot impliciet aangenomen beperkingen aangezien het door de aard zelf ervan, een regeling door de Staat vereist”, waarbij die Staat ter zake een zekere beoordelingsmarge geniet (EHRM 2 oktober 2018, Mutu en Pechstein / Zwitserland, § 93).
B.5.3. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelt dat artikel 6 van het verdrag zich niet verzet tegen de oprichting van scheidsgerechten om te oordelen over bepaalde geschillen van vermogensrechtelijke aard tussen particulieren (ibid., § 94). Aldus, wanneer zij vrij instemmen met een arbitrageclausule, “zien de partijen vrijwillig af van sommige door het verdrag gewaarborgde rechten. Een dergelijke afstand druist niet in tegen het verdrag op voorwaarde dat die vrij, geoorloofd en eenduidig is” (ibid., § 96). “Bovendien, om in aanmerking te komen in het licht van het verdrag, dient de afstand van sommige door het verdrag gewaarborgde rechten gepaard te gaan met een minimum aan waarborgen die overeenstemmen met de ernst ervan” (ibid.; Besl. 1 maart 2016, Tabbane / Zwitserland, § 24-27; Besl. 15 september 2009, Eiffage SA en anderen / Zwitserland).
B.5.4. Het recht op toegang tot de rechter kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden. Die beperkingen mogen geen afbreuk doen aan de essentie zelf van het recht op toegang tot de rechter (EHRM 12 november 2002, Zvolsky en Zvolska / Tsjechische Republiek, § 47; 2 juni 2016, Papaioannou / Griekenland, § 40). Zij moeten ook een gewettigd doel nastreven en redelijk evenredig zijn met dat doel (EHRM 24 februari 2009, L'Erabliere ASBL / Belgie, § 35; 10 maart 2009, Anakomba Yula / Belgie, § 31; 29 maart 2011, R.T.B.F. / Belgie, § 69; (gr. k.) 5 april 2018, Zubac / Kroatie, § 78). De toepassing van de ontvankelijkheidsvoorwaarden zoals die zijn bepaald door het toepasselijk recht, is overigens noodzakelijk wegens het beginsel van de rechtsstaat (EHRM (gr. k.), Zubac / Kroatie, voormeld, § 96 en 123). Het recht op toegang tot de rechter is in essentie aangetast wanneer de reglementering ervan niet langer de doelstellingen inzake “rechtszekerheid” en “behoorlijke rechtsbedeling” nastreeft en een zekere hindernis vormt die belet dat het geschil van de rechtzoekende ten gronde door het bevoegde rechtscollege wordt beslecht (ibid., § 98).
B.6.1. Arbitrage is een manier van geschillenbeslechting die steunt op de autonomie van de partijen, die beslissen om de bevoegdheid om recht te spreken toe te vertrouwen aan een of meer scheidsrechters teneinde definitief een einde te maken aan een geschil tussen hen. Krachtens artikel 1681 van het Gerechtelijk Wetboek is “een arbitrageovereenkomst [...] een overeenkomst waarin de partijen alle geschillen of sommige geschillen die tussen hen gerezen zijn of zouden kunnen rijzen met betrekking tot een bepaalde, al dan niet contractuele, rechtsverhouding aan arbitrage voorleggen”. Met toepassing van artikel 1682, § 1 van hetzelfde wetboek verklaart “de rechter bij wie een geding aanhangig is gemaakt waarop een arbitrageovereenkomst betrekking heeft, [...] zich, op verzoek van een partij, zonder rechtsmacht, tenzij de overeenkomst ten aanzien van dat geschil niet geldig is of geëindigd is”.
B.6.2. Door hun geschil aan arbitrage voor te leggen, wensen de partijen, na afloop van een snelle procedure en, in voorkomend geval, volgens procedurele regels die zijn aangepast aan hun situatie, een beslissing te verkrijgen die op definitieve wijze een einde maakt aan hun geschil en die alle waarborgen biedt die noodzakelijk zijn wat betreft de rechtszekerheid.
Om die reden zijn de rechtsmiddelen tegen een arbitrale uitspraak beperkt. Aldus is een arbitrale uitspraak alleen vatbaar voor hoger beroep indien de partijen in die mogelijkheid hebben voorzien in de arbitrageovereenkomst (art. 1716 Ger.W.). Een uitspraak kan eveneens het voorwerp uitmaken van een beroep tot vernietiging voor de rechtbank van eerste aanleg (art. 1717 van hetzelfde wetboek). Het gaat niet om een beroep met volle rechtsmacht. Daarnaast kan de rechtbank de uitspraak alleen vernietigen om limitatief opgesomde redenen, en met name wanneer zij vaststelt dat de uitspraak door bedrog is verkregen (art. 1717, § 3, b), iii) van hetzelfde wetboek). In beginsel moet de vordering tot vernietiging worden ingesteld binnen een termijn van 3 maanden te rekenen vanaf de datum waarop de uitspraak werd meegedeeld aan de partij die deze vordering instelt (art. 1717, § 4 van hetzelfde wetboek).
B.7. Het verzoek tot herroeping van het gewijsde is een buitengewoon rechtsmiddel dat een partij bij een gerechtelijke procedure toelaat een zaak aanhangig te maken bij het burgerlijk rechtscollege dat een in kracht van gewijsde gegane beslissing heeft gewezen, teneinde de herroeping ervan te verkrijgen (art. 1132 en 1134 Ger.W.). In beginsel moet het verzoek tot herroeping van het gewijsde, op straffe van verval, worden ingediend binnen 6 maanden na het ontdekken van de ingeroepen grond (art. 1136 van hetzelfde wetboek). Het staat open voor limitatief opgesomde gronden, waaronder het persoonlijk bedrog (art. 1133 van hetzelfde wetboek).
B.8.1. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.
B.8.2. De gerechtelijke geschillenbeslechting en de arbitrage zijn onderscheiden manieren van geschillenbeslechting die onderworpen zijn aan verschillende procedureregels. Door te kiezen voor arbitrage aanvaarden de partijen hun geschil te onderwerpen aan specifieke procedureregels, met name ten aanzien van de mogelijkheden en modaliteiten van beroep tegen de arbitrale uitspraak, met volle kennis van de voor- en nadelen die uit die keuze resulteren. Hieruit vloeit evenwel niet voort dat de partijen, door te kiezen voor arbitrage, afstand hebben gedaan van alle waarborgen betreffende het recht op toegang tot de rechter en het recht op een eerlijk proces. Het staat aan het Hof na te gaan of de beperking van de rechten van die partijen een gewettigd doel nastreeft en of die redelijk evenredig is met dat doel.
B.9.1. De termijn van 3 maanden om de vernietiging te vorderen van een arbitrale uitspraak, is ingevoerd bij de wet van 4 juli 1972 “tot goedkeuring van de Europese overeenkomst houdende een eenvormige wet inzake arbitrage, ondertekend te Straatsburg op 20 januari 1966, en tot invoering in het Gerechtelijk Wetboek van een Zesde Deel betreffende de arbitrage”.
Uit de parlementaire voorbereiding van die wet blijkt dat “de vordering [...] binnen een betrekkelijk korte termijn [moet] worden ingesteld om de partij die zich op de uitspraak wil beroepen niet te lang in de onzekerheid te laten omtrent de geldigheid ervan” (Parl.St. Kamer 1970-71, nr. 988/1, p. 28). Oorspronkelijk moest het beroep tot vernietiging van een door bedrog verkregen uitspraak worden ingesteld binnen 3 maanden na het ontdekken van het bedrog, op voorwaarde evenwel dat een termijn van 5 jaar na de kennisgeving van de uitspraak niet verlopen is (vroeger art. 1707, § 3 Ger.W., voor de vervanging ervan bij art. 39 van de wet van 24 juni 2013 “tot wijziging van het Zesde Deel van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de arbitrage”).
B.9.2. Bij de voormelde wet van 24 juni 2013 heeft de wetgever de arbitrageregeling hervormd, naar het voorbeeld van de modelwet van de Commissie van de Verenigde Naties voor het internationaal handelsrecht van 21 juni 1985 inzake de internationale handelsarbitrage (hierna: de modelwet van 21 juni 1985).
Ten aanzien van het nagestreefde doel wordt in de memorie van toelichting van die wet aangegeven:
“Het voorliggend wetsontwerp heeft tot doel om [de modelwet van 21 juni 1985 van de Commissie van de Verenigde Naties voor het internationaal handelsrecht inzake de internationale handelsarbitrage], met inbegrip van de wijzigingen die op 7 juli 2006 werden goedgekeurd, in het Zesde Deel van het Gerechtelijk Wetboek over te nemen. Het is nodig om onze wetgeving af te stemmen op de meest vooruitstrevende wetgevingen inzake arbitrage. Naar het voorbeeld van andere landen, zullen evenwel enkele van de huidige bijzonderheden van het Belgisch recht behouden blijven wanneer zij beantwoorden aan een grote bezorgdheid.
[...]
Door het grootste deel van de modelwet en vaak met de bewoordingen ervan over te nemen in het Gerechtelijk Wetboek, wil België zich een open land tonen voor arbitrage en in het bijzonder voor de internationale arbitrage en als een land dat beschikt over een vooruitstrevende wetgeving inzake arbitrage. Dit zou van ons land een aantrekkelijke plaats voor internationale arbitrages moeten maken met de positieve gevolgen die daaruit volgen zowel inzake dienstverleningen op hoog intellectueel niveau als inzake economische en financiële doorwerkingen” (Parl.St. Kamer 2012-13, Doc. 53-2743/001, p. 5-6).
Artikel 51 van de voormelde wet van 24 juni 2013 voegt een nieuw artikel 1717 in het Gerechtelijk Wetboek in. Met betrekking tot die bepaling wordt in de parlementaire voorbereiding aangegeven:
“Dit artikel voegt artikel 1717 in in [het] nieuwe Deel van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de arbitrage.
Artikel 1717 in ontwerp zet artikel 34 van de modelwet om dat, behoudens enkele nuances, werd overgenomen door de Duitse, de Oostenrijkse en de Spaanse wet. De ontwerptekst voegt aan de vernietigingsgronden voorzien in de modelwet nog het gebrek aan motivering toe conform ons huidig recht (art. 1704, § 2, i) Ger.W.). De motivering is een vereiste van interne openbare orde, maar belet niet dat een niet met redenen omklede arbitrale uitspraak in België kan erkend worden, wanneer volgens het toepasselijk procedurerecht de motivering niet vereist is.” (ibid., p. 40).
Het nieuwe artikel 1717 van het Gerechtelijk Wetboek is dus grotendeels overgenomen van artikel 34 van de voormelde modelwet van 21 juni 1985. De wetgever heeft aan de vernietigingsgronden waarin die modelwet voorziet, verschillende gronden die specifiek zijn voor het Belgisch recht toegevoegd, waaronder de hypothese van de door bedrog verkregen uitspraak. Hij heeft de vereiste volgens welke de vordering tot vernietiging moet worden ingesteld binnen een termijn van 3 maanden vanaf de mededeling van de uitspraak aan de betrokken partij echter als dusdanig overgenomen, zonder te voorzien in een bijzondere termijn wanneer de vernietiging wordt gevorderd om reden dat de uitspraak door bedrog is verkregen (art. 1717, § 4 Ger.W.).
B.10.1. De relatief korte termijn van 3 maanden om de vernietiging te vorderen van een arbitrale uitspraak, is redelijk verantwoord door de wil van de wetgever om de partijen die vrij beslissen om gebruik te maken van arbitrage, snel een definitieve beslissing te geven over het geschil tussen hen, zoals in B.9.1. is vermeld. Die termijn is niet overdreven kort en kan de betrokkenen niet beletten een vordering tot vernietiging in te stellen.
B.10.2. De vaststelling van het aanvangspunt van die termijn op de datum waarop de arbitrale uitspraak wordt meegedeeld, is in beginsel relevant ten aanzien van dat doel. In zoverre zij echter de partij die meer dan 3 maanden na de mededeling van de uitspraak ontdekt dat die door bedrog is verkregen niet toelaat de vernietiging van de in het geding zijnde uitspraak te vorderen, en zulks in elke hypothese, leidt de in het geding zijnde bepaling tot een onevenredige beperking van de rechten van de partij die het slachtoffer is van het bedrog. Daar artikel 1717 van het Gerechtelijk Wetboek de partijen toelaat de vernietiging van een arbitrale uitspraak te vorderen om reden dat die door fraude zou zijn verkregen, dienen die partijen te beschikken over een nuttige termijn om een dergelijke vordering in te stellen, anders wordt hun een beroep ontzegd waarop zij in beginsel recht hebben.
B.11. In die mate dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord.
B.12. Wanneer de vaststelling van een lacune is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen die toelaten de in het geding zijnde bepaling toe te passen met inachtneming van de referentienormen op grond waarvan het Hof zijn toetsingsbevoegdheid uitoefent, geeft het Hof aan dat het aan de rechter staat een einde te maken aan de schending van die normen.
Zulks is te dezen niet het geval. Het Hof kan de vaststelling van een lacune immers niet nader preciseren aangezien het niet beschikt over een beoordelingsbevoegdheid die gelijkwaardig is aan die van de wetgever. Het komt aan de wetgever toe om een einde te maken aan de vastgestelde ongrondwettigheid.
In afwachting van het optreden van de wetgever, dient de rechter naar gelang van de omstandigheden te oordelen of de vordering tot vernietiging van een arbitrale uitspraak is ingesteld binnen een redelijke termijn na de vaststelling dat de uitspraak is verkregen door bedrog.
Om die redenen, het Hof zegt voor recht:
Artikel 1717, § 4 van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het een partij bij een arbitrageprocedure niet toelaat de vernietiging van een uitspraak te vorderen wanneer die partij, meer dan 3 maanden na de mededeling van de uitspraak, ontdekt dat die is verkregen door bedrog.
(...)

