|
ALTERNATIEVE GESCHILLENREGELING
Arbitrage - Uitspraak - Nietigheid - Vordering tot vernietiging - Termijn - Bedrog - Grondwet - EVRM - Gelijkheid en niet-discriminatie - Inperking van rechten
In zoverre artikel 1717, § 4 van het Gerechtelijk Wetboek de partij, die meer dan 3 maanden na de mededeling van de uitspraak ontdekt dat die door bedrog is verkregen, niet toelaat de vernietiging van de in het geding zijnde uitspraak te vorderen, leidt de in het geding zijnde bepaling tot een onevenredige beperking van de rechten van de partij die het slachtoffer is van het bedrog.
|
RÉSOLUTION ALTERNATIVE DES LITIGES
Arbitrage - Sentence - Nullité - Demande d'annulation - Délai - Fraude - Constitution - CEDH - Egalité et non-discrimination - Restriction des droits
Pour autant que l'article 1717, § 4, du Code judiciaire ne permette pas à la partie qui découvre, plus de 3 mois après la communication de la sentence, que celle-ci a été obtenue par fraude, de demander l'annulation de la sentence litigieuse, la disposition en cause entraîne une limitation disproportionnée des droits de la partie victime de la fraude.
|
Artikel 1717, § 4 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de partijen beschikken over een termijn van 3 maanden om een vordering tot vernietiging van een arbitrale uitspraak in te stellen. Deze termijn begint te lopen vanaf de mededeling van de uitspraak aan de partij die de vordering heeft ingesteld. [2]
In het arrest van 28 januari 2021 beantwoordt het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel, die ertoe strekt te achterhalen of de hierboven vermelde termijn van 3 maanden artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM, schendt daar zij een partij die na meer dan 3 maanden ontdekt dat de arbitrale uitspraak door bedrog is verkregen, niet toelaat de vernietiging van deze uitspraak te vorderen. Het vergelijkingspunt in casu is een partij bij een gerechtelijke procedure, die over een termijn van 6 maanden beschikt om een verzoek tot herroeping van het gewijsde in te stellen. Deze termijn begint bovendien pas te lopen vanaf het ontdekken van het bedrog. [3]
Bedrog is een vernietigingsgrond die niet uitdrukkelijk voorkomt in de modelwet [4] waarop de huidige Belgische arbitragewetgeving is gebaseerd. [5] Bedrog kwam voor als vernietigingsgrond onder de oude wetgeving [6] en werd behouden door de wetgever bij de invoering van de nieuwe arbitragewet van 24 juni 2013. [7], [8] Onder de oude arbitragewetgeving was er voor het instellen van een vordering tot vernietiging in geval van bedrog voorzien in een bijzondere termijn, die net zoals in de andere gevallen 3 maanden bedroeg, maar die slechts inging op het moment van het ontdekken van het bedrog, van het stuk of van ander bewijs of na de dag waarop het bewijsmiddel vals werd verklaard of als zodanig werd erkend. Bovendien moest de vordering ingesteld worden binnen een uiterste termijn van 5 jaar te rekenen vanaf de dag waarop er kennis aan de partijen werd gegeven van de uitspraak. [9]
Hoewel bedrog werd behouden als vernietigingsgrond, werd de bijzondere termijn voor het inroepen ervan niet opgenomen in de nieuwe arbitragewet, waar de wetgever in navolging van de modelwet opteerde voor een termijn van 3 maanden vanaf de mededeling van de uitspraak, ongeacht de ingeroepen vernietigingsgrond. [10] De parlementaire voorbereiding van de nieuwe arbitragewet laat na te vermelden waarom de bijzondere termijn in geval van bedrog niet behouden werd in de nieuwe arbitragewet. [11] In de rechtsleer werd er voorafgaandelijk aan het geannoteerde arrest gesuggereerd dat een vordering tot vernietiging op basis van bedrog, ingesteld na verloop van meer dan 3 maanden na de mededeling van de uitspraak, toch ontvankelijk zou kunnen zijn op basis van het algemene rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit. [12]
In het geannoteerde arrest brengt het Grondwettelijk Hof eerst en vooral in herinnering dat een verschil in behandeling tussen partijen die voor arbitrage kiezen en partijen die voor gerechtelijke geschillenbeslechting kiezen, slechts discriminatie uitmaakt indien het verschil in behandeling een onevenredige beperking van de rechten van de partijen zou voortbrengen. [13]
Daaropvolgend stelt het Hof dat wanneer partijen voor arbitrage kiezen, zij hun geschil met volle kennis onderwerpen aan specifieke procedureregels, inclusief de beperkte mogelijkheden tot beroep tegen de arbitrale uitspraak, die ingegeven zijn door de wens van de partijen om een snelle procedure te doorlopen, waarbij zij aan het eind daarvan een definitieve beslissing bekomen, die alle waarborgen biedt die noodzakelijk zijn voor rechtszekerheid. De keuze voor arbitrage houdt echter niet in dat de partijen afstand doen van hun recht op toegang tot de rechter of hun recht op een eerlijk proces. [14]
Het Hof acht de korte termijn van 3 maanden gerechtvaardigd, aangezien de wetgever hiermee partijen die kiezen voor arbitrage de mogelijkheid wou bieden om snel over een definitieve beslissing te beschikken. Ook de aanvang van de termijn op de datum van mededeling van de arbitrale beslissing is in dat opzicht verantwoord. [15]
Waar artikel 1717 van het Gerechtelijk Wetboek echter een partij, die na meer dan 3 maanden na de mededeling van de arbitrale uitspraak ontdekt dat deze door bedrog is verkregen, niet toelaat om de vernietiging ervan te vorderen, beperkt het op onevenredige wijze de rechten van de partij die het slachtoffer is van het bedrog en schendt het aldus artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM. Aangezien artikel 1717 van het Gerechtelijk Wetboek de partijen toelaat om de vernietiging te vorderen op basis van bedrog, moet het immers ook een nuttige termijn bieden om deze in te stellen, zo niet wordt aan de partijen een beroep ontzegd waar zij in beginsel recht op hebben. [16]
Het geannoteerde arrest volgt de vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, die stelt dat wanneer de wet bepaalde rechtsmiddelen voorziet, de termijn om deze in te stellen niet mag verlopen zijn voordat de partijen redelijkerwijze kennis hebben kunnen nemen van de voor de vordering relevante feiten. [17] Bovendien ligt dit arrest ook in lijn met een recente beslissing van het Hof van Cassatie waarin er werd beslist dat het recht om beroep in te stellen onevenredig wordt beperkt door deze termijn te laten ingaan op een tijdstip waarop de partij nog geen kennis kan hebben genomen van de beslissing waartegen het beroep kan worden ingesteld. [18]
Het Grondwettelijk Hof vraagt aan de wetgever om een einde te maken aan de vastgestelde ongrondwettigheid, daar de vaststelling van de lacune niet is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen om de in het geding zijnde bepaling toe te passen met inachtneming van artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM. Desalniettemin stelt het Hof dat, in afwachting van wetgevend optreden, rechters naar gelang de omstandigheden moeten oordelen of de vordering tot vernietiging van de arbitrale uitspraak werd ingesteld binnen een redelijke termijn na de vaststelling dat de uitspraak verkregen is door bedrog. [19]
Het voorgaande is opmerkelijk, aangezien in het verleden het een vereiste was dat de lacune in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen was uitgedrukt, opdat de gewone rechter de getoetste norm in een concreet geschil zelf kon aanvullen. [20] Wanneer er in voorgaande arresten van het Hof niet voldaan was aan de voornoemde voorwaarde, werd er niet voorzien in voorlopige maatregelen en werd er steeds gesteld dat het aan de wetgever, en alleen aan hem, was om de ongrondwettigheid te verhelpen. [21]
Het is naar mening van de auteur zeer de vraag of een beslissing van een rechter, die de in casu door het Hof opgelegde voorlopige maatregel uitvoert en daarbij tot de beslissing komt dat de vordering tot vernietiging werd ingesteld binnen een redelijke termijn na het ontdekken van het bedrog, ondanks dat de vordering werd ingesteld na het verlopen van de termijn van 3 maanden vanaf de mededeling van de uitspraak, een toetsing door het Hof van Cassatie zou doorstaan. Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie is een rechter immers niet in staat om een leemte in de wet op te vullen, wanneer hiervoor een nieuwe regeling ingevoerd moet worden die een hernieuwde afweging van maatschappelijke belangen door de wetgever vereist. [22] In het huidige geval is een dergelijke belangenafweging naar mening van de auteur echter vereist, aangezien er een middenweg gevonden moet worden tussen het beschermen van de integriteit van het arbitrale proces en de handhaving van het algemene rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit aan de ene kant en de finaliteit van de arbitrale uitspraak aan de andere kant. [23] Bovendien zorgt de voorlopige maatregel die hier wordt opgelegd door het Grondwettelijk Hof voor rechtsonzekerheid bij de partijen, daar er niet wordt voorzien in een vaste termijn, maar in een redelijke termijn, die moet beoordeeld worden aan de hand van de concrete omstandigheden. Welke deze omstandigheden zijn wordt niet gespecifieerd door het Hof.
Hoewel de modelwet niet voortvloeit uit een verdrag maar slechts een model biedt waarop de Belgische wetgever zich heeft gebaseerd, is het desalniettemin interessant om na te gaan in hoeverre de beslissing van het Hof verenigbaar is met de modelwet. [24] Indien België van een groot deel van de bepalingen van de modelwet zou afwijken zou het immers artificieel zijn om het te kwalificeren als een modelwetjurisdictie. Het geannoteerde arrest hoeft echter niet als onverenigbaar met de modelwet te worden gezien. Artikel 34, 3. van de modelwet bepaalt immers: “An application for setting aside may not be made after three months have elapsed (…)” [25]Het gebruik van het woord “may” lijkt de rechter enige beslissingsruimte te bieden wanneer deze wordt geconfronteerd met een vordering tot vernietiging die is ingesteld na het verstrijken van de termijn van 3 maanden, wat verklaard kan worden aan de hand van het belang van deze vordering voor de in het ongelijk gestelde partij. [26]
Een blik over de grenzen naar Frankrijk en Duitsland leert ons dat beide landen de termijnen voor het instellen van een vernietigingsberoep, respectievelijk 1 maand [27] en 3 maanden vanaf de mededeling van de uitspraak, strikt hanteren, ook in geval van bedrog. [28] In beide landen beschikt een partij die het slachtoffer is van bedrog echter over bijkomende procedurele mogelijkheden om op te komen tegen het bedrog wanneer de termijn om de vernietiging te vorderen verstreken is. [29] Ook in België zijn er alternatieve procedurele stappen mogelijk, maar deze zijn niet altijd bevredigend. [30]
Met het geannoteerde arrest zorgt het Grondwettelijk Hof ervoor dat partijen voortaan beschikken over een nuttige termijn voor het instellen van een vordering tot vernietiging in geval van bedrog, al is het onzeker hoe deze concreet zal worden ingevuld en valt het te betwijfelen of het Hof van Cassatie zal toestaan dat de rechter een dergelijke belangenafweging maakt, die normaal aan de wetgever is voorbehouden. Het is nu aan de wetgever om voor rechtszekerheid te zorgen door artikel 1717, § 4 van het Gerechtelijk Wetboek zo aan te passen dat er in geval van bedrog een nuttige termijn wordt geboden die een compromis vormt tussen de bescherming van de integriteit van het arbitrale proces en de handhaving van het algemene rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit aan de ene kant en de finaliteit van de arbitrale uitspraak aan de andere kant.
| [1] | LL.M. kandidaat, Queen Mary University of London (School of International Arbitration). |
| [2] | Art. 1717, § 4 Ger.W. |
| [3] | Art. 1136 Ger.W. |
| [4] | Modelwet van de Commissie van de Verenigde Naties voor het internationaal handelsrecht van 21 juni 1985 inzake de internationale handelsarbitrage (hierna: modelwet). |
| [5] | C. Verbruggen, “Commentary on part VI of the Belgian Judicial code, Chapter VII: Article 1717” in N. Bassiri en M. Draye (eds.), Arbitration in Belgium. A practitioner's guide, Mechelen, Wolters Kluwer, 2016, 483-484 en L. Demeyere en H. Verbist, “De nieuwe Belgische arbitragewet van 24 juni 2013”, RW 2014, 100. Zie ook art. 34 modelwet 1985. |
| [6] | Art. 1704, 3, a) Ger.W. (oud). |
| [7] | Wet 24 juni 2013 tot wijziging van het zesde deel van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de arbitrage (BS 28 juni 2013, p. 41.263). |
| [8] | H. Verbist, “De vordering tot vernietiging van de arbitrale uitspraak na de hervorming van het Belgische arbitragerecht door de wet van 24 juni 2013” in H. Verbist en M. Piers (eds.), De nieuwe arbitragewet 2013, Antwerpen, Intersentia, 2013, 129. |
| [9] | Art. 1707, 3 Ger.W. (oud). |
| [10] | S. Goldman, “Dans quel délai le recours en annulation d'une sentence arbitrale doit-il être introduit?” (noot onder Rb. Brussel 19 juni 2014), b-Arbitra 2016, 95-96. |
| [11] | MvT bij het wetsontwerp tot wijziging van het zesde deel van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de arbitrage (Parl.St. Kamer 2012-13, 2743/001, 40-42). |
| [12] | C. Verbruggen, “Commentary on part VI of the Belgian Judicial code, Chapter VII: Article 1717” in N. Bassiri en M. Draye (eds.), Arbitration in Belgium. A practitioner's guide, Mechelen, Wolters Kluwer, 2016, 484 en G. De Buyzer, “Art. 1717 Ger.W.” in Comm.Ger., 2018, afl. 109, 188. |
| [13] | GwH 28 januari 2021, nr. 14/2021, 11, overw. B.8.1. |
| [14] | Ibid., overw. B.8.2. |
| [15] | GwH 28 januari 2021, nr. 14/2021, 13, overw. B.10.1. en B.10.2. |
| [16] | Ibid., overw. B.10.2. |
| [17] | Zie o.m. GwH 6 april 2011, nr. 54/2011; GwH 6 november 2014, nr. 164/2014; GwH 10 maart 2016, nr. 38/2016; GwH 18 januari 2018, nr. 3/2018. |
| [18] | Cass. 28 januari 2021, C.20.0007.F. |
| [19] | GwH 28 januari 2021, nr. 14/2021, 13-14, overw. B.12. |
| [20] | Zie o.m. GwH 11 januari 2012, nr. 1/2012, overw. B.12.2.; J. De Jaegere, “Actieve rechtsvorming door het Grondwettelijk Hof. Waar ligt de grens?”, TBP 2014, 26-27; M. Melchior en C. Courtoy, “Het verzuim van de wetgever of de lacune in de grondwettelijke rechtspraak”, TBP 2008, 601; S. Verstraelen, “Constitutionele dialoog als een lens: onderzoek naar het wetgevend optreden na de vaststelling van een ongrondwettige lacune door het Grondwettelijk Hof”, TVW 2016, 13-15 en R. Jafferali, La rétroactivité dans le contrat, Brussel, Bruylant, 2014, 155-158. |
| [21] | GwH 5 december 2019, nr. 197/2019, 17, overw. B.9.; GwH 12 oktober 2017, nr. 118/2017, 13, overw. B.12.; zie ook GwH 11 januari 2012, nr. 1/2012, overw. B.12.2. |
| [22] | Cass. 3 november 2008, S.07.0013.N en Cass. 14 oktober 2008, P.08.1329.N. |
| [23] | Zie F. De Ly, “The 2013 Belgian Arbitration Law in a comparative perspective” in D. De Meulemeester, M. Berlingin en B. Kohl, Liber Amicorum Cepani (1969-2019): 50 Years of Solutions, Den Haag, Kluwer Law International, 2019, 108. |
| [24] | Zie L. Demeyere en H. Verbist, “De nieuwe Belgische arbitragewet van 24 juni 2013”, RW 2014, 84 en F. De Ly, “The 2013 Belgian Arbitration Law in a comparative perspective” in D. De Meulemeester, M. Berlingin en B. Kohl, Liber Amicorum Cepani (1969-2019): 50 Years of Solutions, Den Haag, Kluwer Law International, 2019, 103. |
| [25] | Art. 34, 3. modelwet (eigen benadrukking). |
| [26] | J. Lew, L. Mistelis en S. Kroll, Comparative International Commercial Arbitration, Den Haag, Kluwer Law International, 2003, 671. |
| [27] | Deze termijn wordt overeenkomstig art. 643 van het Frans Gerechtelijk Wetboek met 2 maanden verlengd voor buitenlandse partijen. |
| [28] | G. Matray, “La fraude et la sentence” in D. Matray en E. Vancampenhoudt (eds.), L'Arbitrage & la Fraude, Luik, Wolters Kluwer, 2020, 179-180. |
| [29] | Zie art. 1502 van het Frans Gerechtelijk Wetboek (herziening van de uitspraak) en S. Goldman, “Dans quel délai le recours en annulation d'une sentence arbitrale doit-il être introduit?” (noot onder Rb. Brussel 19 juni 2014), b-Arbitra 2016, 98 voor Frankrijk en art. 826 van het Duits Burgerlijk Wetboek (aansprakelijkheidsvordering) en S. Kroll en P. Kraft, “Recourse against the award, § 1059 - Application for setting aside” in P. Nacimiento, S. Kroll en K.-H. Bockstiegel (eds.), Arbitration in Germany: The model law in practise (second edition), Den Haag, Kluwer Law International, 2015, 419-420 voor Duitsland. |
| [30] | Zie uitgebreider G. Matray, “La fraude et la sentence” in D. Matray en E. Vancampenhoudt (eds.), L'Arbitrage & la Fraude, Luik, Wolters Kluwer, 2020, 180-190. |

