Article

Hof van Cassatie (1e k.), 05/09/2019, C.18.0248.N, R.D.C.-T.B.H., 2021/1, p. 59-61

Hof van Cassatie 5 september 2019

EUROPEES EN INTERNATIONAAL GERECHTELIJK RECHT
Bevoegdheid en executie - Verordening (EG) nr. 44/2001 - Bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken - Bijzondere bevoegdheid - Artikel 5, 3. - Bevoegdheid ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad - Plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen - Belegger die zijn woonplaats in België heeft en die heeft belegd in een Amerikaans fonds - Bevoegdheid om kennis te nemen van de vordering die door deze belegger is ingesteld met betrekking tot de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van het fonds en zijn beheerder
Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat kan in een andere lidstaat worden opgeroepen, ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen; als plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, moet, volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, worden begrepen hetzij de plaats van de veroorzakende gebeurtenis die aan de schade ten grondslag ligt, hetzij de plaats waar de schade is ingetreden; met het begrip “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” wordt niet gedoeld op de plaats waar de verzoeker woont enkel op grond dat deze aldaar financiële schade heeft geleden die voortvloeit uit het in een andere verdragsluitende staat ingetreden en door hem geleden verlies van onderdelen van zijn vermogen; daarentegen is de bevoegdheid van de gerechten van de woonplaats van de verzoeker gerechtigd voor zover deze woonplaats inderdaad de plaats is van de schadebrengende gebeurtenis of het intreden van de schade.
INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT
Nationale regels - Verbintenissen
Krachtens artikel 96, 2° WIPR zijn de Belgische rechters bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen aangaande verbintenissen, naast de gevallen voorzien in de algemene bepalingen van deze wet, betreffende een verbintenis voortvloeiend uit een onrechtmatige daad, a) indien de schadelijke handeling zich geheel of gedeeltelijk in België heeft voorgedaan of dreigt zich te zullen voordoen of b) indien en voor zover de schade zich in België heeft voorgedaan of dreigt zich te zullen voordoen; uit voormeld artikel en de wetsgeschiedenis blijkt dat deze bepaling gebaseerd is op de interpretatieve rechtspraak van het Hof van Justitie bij artikel 5, 3. EEX-Verordening, thans artikel 7, 2. Brussel Ibis-Verordening.
DROIT JUDICIAIRE EUROPÉEN ET INTERNATIONAL
Compétence et exécution - Règlement (CE) n° 44/2001 - Compétence judiciaire en matière civile et commerciale - Compétences spéciales - Article 5, 3. - Compétence en matière délictuelle ou quasi délictuelle - Lieu où le fait dommageable s'est produit ou risque de se produire - Investisseur, domicilié en Belgique, ayant investi dans un fonds américain - Compétence pour connaître du recours introduit par cet investisseur au titre de la responsabilité délictuelle du fonds et de son gestionnaire
Une personne domiciliée sur le territoire d'un Etat membre peut être attraite dans un autre Etat membre en matière délictuelle ou quasi délictuelle, devant le tribunal du lieu où le fait dommageable s'est produit ou risque de se produire; le lieu où le fait dommageable s'est produit doit, selon la jurisprudence constante de la Cour de justice de l'Union européenne, s'entendre soit du lieu de l'événement causal qui est à l'origine du dommage, soit du lieu où le dommage est survenu; la notion de « lieu où le fait dommageable s'est produit » ne vise pas le lieu du domicile du demandeur au seul motif qu'il y aurait subi un préjudice financier résultant de la perte d'éléments de son patrimoine intervenue et subie dans un autre Etat membre; en revanche, l'attribution de compétence aux juridictions du lieu du domicile du demandeur est justifiée dans la mesure où le domicile du demandeur constitue effectivement le lieu de l'événement causal ou celui de la matérialisation du dommage.
DROIT INTERNATIONAL PRIVÉ
Règles nationales - Obligations
En vertu de l'article 96, 2°, de la loi du 16 juillet 2004 portant le Code de droit international privé, les juridictions belges sont compétentes pour connaître de toute demande en matière d'obligations, outre dans les cas prévus par les dispositions générales de ce code, lorsque cette demande concerne une obligation dérivant d'un fait dommageable a) si le fait générateur de l'obligation est survenu ou menace de survenir, en tout ou en partie, en Belgique ou b) si et dans la mesure où le dommage est survenu ou menace de survenir en Belgique; il ressort de l'article précité et de la genèse de la loi que cette disposition se base sur la jurisprudence interprétative de la Cour de justice de l'Union européenne concernant l'article 5, 3., du règlement n° 44/2001, actuellement article 7, 2., du règlement n° 1215/2012 du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2012 concernant la compétence judiciaire, la reconnaissance et l'exécution des décisions en matière civile et commerciale.

P.A. e.a. / (1) The Life Assets Funds PLC, (2) J.B. e.a., (3) City Financial Investment Company Limited, (4) SWiCapital LP, (5) N.E. et (6) P.D.

Zet.: E. Dirix (voorzitter), A. Smetryns, K. Mestdagh, G. Jocqué, en K. Moens (raadsheren)
OM: A. Van Ingelgem
Pl.: Mrs. B. Maes, J. Verbist et H. Geinger
Zaak: C.18.0248.N
III. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Eerste middel

(...)

Tweede onderdeel

2. Krachtens artikel 5, 3. EEX-Verordening kan een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, in een andere lidstaat worden opgeroepen, ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen.

3. Als plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, moet, volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, worden begrepen hetzij de plaats van de veroorzakende gebeurtenis die aan de schade ten grondslag ligt, hetzij de plaats waar de schade is ingetreden (arresten 30 november 1976, C-21/76, Bier; 27 oktober 1998, C-51/97, Réunion européenne SA; 28 januari 2015, C-375/13, Harald Kolossa; 16 juni 2016, C-12/15, Universal Music International Holding BV).

4. Het Hof van Justitie oordeelt in vaste rechtspraak dat met het begrip “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” niet wordt gedoeld op de plaats waar de verzoeker woont enkel op grond dat deze aldaar financiële schade heeft geleden die voortvloeit uit het in een andere verdragsluitende staat ingetreden en door hem geleden verlies van onderdelen van zijn vermogen. Daarentegen is de bevoegdheid van de gerechten van de woonplaats van de verzoeker gerechtvaardigd voor zover deze woonplaats inderdaad de plaats is van de schadebrengende gebeurtenis of het intreden van de schade (arresten 28 januari 2015, C-375/13, Harald Kolossa, r.o. 48-50; 12 september 2018, C-304/17, Löber, r.o. 23-25).

5. De appelrechters stellen vast en oordelen dat:

- de eisers als beleggers een vordering tot betaling van schadevergoeding hebben ingesteld tegen de verweerders omwille van de aantasting van de waarde van het onderpand van de beleggingsfondsen waarin zij hadden geïnvesteerd, met name Amerikaanse levensverzekeringen, ten gevolge van een slecht beheer ervan door de verweerders;

- de beweerde tekortkomingen die de eisers aan de grondslag van hun vorderingen leggen, niets met het Belgisch grondgebied te maken hebben, aangezien zij hetzij in Ierland, het Verenigd Koninkrijk of de Verenigde Staten van Amerika hebben plaatsgevonden;

- de beweerde schade werd veroorzaakt aan het beleggingsobject, zijnde Amerikaanse levensverzekeringen, die, zoals de eisers perfect wisten, in Amerikaanse trusts werden ondergebracht;

- de eisers hun inbreng van 50.000 euro op een rekening van de Amerikaanse trustee P. betaalden;

- de ingeroepen schade derhalve in Amerika intrad en enkel door weerkaatsing gevoeld kon worden in het vermogen van voor een groot deel in België wonende of gevestigde eisers;

- dit laatste echter geen voldoende aanknopingspunt vormt, opdat de schade in België is ingetreden.

6. Door aldus te oordelen dat het verlies van de vermogensbestanddelen van de eisers in de Verenigde Staten is ingetreden, zodat de rechtstreekse schade zich aldaar heeft voorgedaan, en op die grond te beslissen dat de Belgische rechtbanken geen rechtsmacht hebben krachtens artikel 5, 3. EEX-Verordening, schenden de appelrechters die bepaling niet.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

(...)

Tweede middel

7. Krachtens artikel 96, 2° WIPR zijn de Belgische rechters bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen aangaande verbintenissen, naast de gevallen voorzien in de algemene bepalingen van deze wet, betreffende een verbintenis voortvloeiend uit een onrechtmatige daad, a) indien de schadelijke handeling zich geheel of gedeeltelijk in België heeft voorgedaan of dreigt zich te zullen voordoen of b) indien en voor zover de schade zich in België heeft voorgedaan of dreigt zich te zullen voordoen.

8. Uit voormeld artikel 96, 2° en de wetsgeschiedenis blijkt dat deze bepaling gebaseerd is op de interpretatieve rechtspraak van het Hof van Justitie bij artikel 5, 3. EEX-Verordening, thans artikel 7, 2. Brussel Ibis-Verordening.

9. In zoverre het middel ervan uitgaat dat voor de interpretatie van artikel 96, 2° WIPR niet bij analogie kan worden teruggegrepen naar de rechtspraak van het Hof van Justitie met betrekking tot artikel 5, 3. EEX-Verordening, faalt het naar recht.

10. Voor het overige is het middel gesteund op de in het tweede onderdeel van het eerste middel vergeefs aangevoerde grief.

In zoverre is het middel afgeleid en mitsdien niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.