Article

De Catch 22 van de gerechtelijke reorganisatie: balanceren tussen een open portaal en misbruikbestrijding, R.D.C.-T.B.H., 2021/6, p. 817-827

INSOLVABILITÉ
Réorganisation judiciaire en général - Conditions d'ouverture de la procédure - Liste des créanciers
Parmi les pièces à joindre à sa requête, le débiteur doit déposer une liste complète des créanciers sursitaires reconnus ou se prétendant tels (art. XX.41, § 2, 7°, CDE).
Le débiteur ne peut se fonder sur le fait que la créance était contestée pour l'omettre de la liste des créanciers et de ne pas informer son créancier complètement de l'ouverture de la procédure. L'information qui doit parvenir aux créanciers doit l'être en application de l'article XX.48 du CDE. L'obligation d'information envers les créanciers, tout autant qu'envers le tribunal, qui pèse sur le débiteur fait inévitablement partie des formalités requises par la loi et constitue une véritable obligation dans son chef, obligation passible de sanctions pénales (art. 490ter C. pén.).
La loi indique que le débiteur doit informer les créanciers « dûment » durant le sursis. Ce devoir d'information ne peut être réputé accompli que pour autant que le créancier ait été à tout le moins expressément touché, au moyen d'une communication expresse, non équivoque, qui lui permet à son tour de s'informer raisonnablement de l'existence et de l'état de la procédure de réorganisation judiciaire. A défaut de cette information, le créancier n'a pas été dûment informé au cours du sursis, et doit être payé selon les modalités et dans la mesure prévue par le plan homologué pour des créances similaires (art. XX.82, 3°, CDE).
Compte tenu de l'intégration de la créance du créancier à la procédure de réorganisation en cours, conformément à l'article XX.82, 3°, du CDE, il est prématuré de considérer que le débiteur resterait en défaut de s'exécuter conformément au plan (art. XX.83 CDE).
INSOLVENTIE
Gerechtelijke reorganisatie - Voorwaarden voor de opening van de procedure - Lijst van de schuldeisers
De schuldenaar moet onder meer een volledige lijst van de erkende of beweerde schuldeisers in de opschorting voegen bij zijn verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie (art. XX.41, § 2, 7°, WER).
De schuldenaar mag het betwiste karakter van een schuldvordering niet aanwenden om deze vordering niet op te nemen in de lijst van de schuldeisers, noch om deze schuldeiser niet volledig te informeren over de opening van de reorganisatieprocedure. De informatie die bezorgd moet worden aan de schuldeiser is deze zoals bedoeld in artikel XX.48 WER. De informatieplicht ten aanzien van de schuldeisers, evenals ten aanzien van de rechtbank, is een onvermijdelijk onderdeel van de plichten van de schuldenaar, waarop inbreuken strafrechtelijk gesanctioneerd kunnen worden (art. 490ter Sw.)
De wet bepaalt dat de schuldenaar zijn schuldeisers “behoorlijk” moet informeren tijdens de opschorting. Deze informatieplicht is enkel vervuld indien de schuldeiser uitdrukkelijk en ondubbelzinnig werd ingelicht, op een manier die de schuldeiser redelijkerwijze toelaat om zich te informeren over het bestaan en de stand van de reorganisatieprocedure. Bij gebrek daaraan, werd de schuldeiser niet behoorlijk ingelicht tijdens de opschorting, en moet hij betaald worden op de wijze en in de mate die het gehomologeerde reorganisatieplan bepaalt voor gelijkaardige schuldvorderingen (art. XX.82, derde lid WER).
Gelet op de opname van de schuldvordering in het lopende reorganisatieplan overeenkomstig artikel XX.82, derde lid WER, is het voorbarig om uitspraak te doen over de niet stipte uitvoering en de intrekking van het reorganisatieplan (art. XX.83 WER).
De Catch 22 van de gerechtelijke reorganisatie: balanceren tussen een open portaal en misbruikbestrijding
Cedric Haspeslagh [1] [2]
I. Inleiding

1.Bij de invoering van de wet continuïteit ondernemingen (WCO) wilde de wetgever de procedure zo toegankelijk en aantrekkelijk mogelijk maken. Al snel werd vastgesteld dat een ongebreidelde toegang tot misbruik leidde. Daartegen werd opgetreden door de rechtspraak, die daarin werd gevolgd door de wetgever. De toegangspoort tot de reorganisatieprocedure werd hierdoor geleidelijk aan versmald. Dat vertaalde zich medio 2020 in een wetsvoorstel [3] om de toegangsdrempel tijdelijk [4] opnieuw te verlagen, om het hoofd te bieden aan de verwachte golf van reorganisatieverzoeken door de impact van de COVID-19-crisis. Het Catch 22 gehalte daarvan is de Raad van State [5] en de pers [6] niet ontgaan.

Ook de rechtsleer onderkent het delicaat evenwicht tussen enerzijds een open portaal en de bescherming van ondernemingen in moeilijkheden en anderzijds misbruikbestrijding, de belangen van de schuldeisers en een eerlijke mededinging. [7]

De in dit nummer gepubliceerde rechtspraak biedt de kans om deze evenwichtsoefening van naderbij te bekijken. Het laat ook toe om na te gaan of het voormelde evenwicht beter bereikt kan worden door een bijkomend wetgevend ingrijpen, of indien de rechtspraak daarin reeds slaagt.

2.De gepubliceerde uitspraken behandelen de documenten die verplicht gevoegd moeten worden bij een verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie (art. XX.41, § 2 WER), met name de impact van de onvolledigheid of onbetrouwbaarheid van deze documenten op het recht op toegang tot (of voortzetting van) de reorganisatieprocedure.

Hieronder zal eerst de evolutie van de algemene toegangsvoorwaarden van de gerechtelijke reorganisatieprocedure besproken worden (II.). Deze evolutie zal dan toegepast worden op de bij het verzoekschrift te voegen documenten, met een bijzondere aandacht voor de lijst der schuldeisers en de boekhoudkundige stukken (III.). Vervolgens zullen de gepubliceerde vonnissen besproken worden, waarbij zal blijken hoe deze vonnissen het voormelde evenwicht trachten te bereiken (IV.). Daarna wordt ingegaan op het voormelde wetsvoorstel van 10 juni 2020 (V.). De annotatie wordt afgesloten met een besluit (VI.).

II. Van een soepele naar een verstrengde toegang tot de reorganisatieprocedure

3.Open portaal. De procedure van gerechtelijke reorganisatie werd geconcipieerd vanuit een openportaalbenadering. Een van de bedoelingen van de wet continuïteit ondernemingen (WCO) was om de procedure zo toegankelijk mogelijk te maken. Dat uitte zich onder meer in het beperkte aantal toegangsvoorwaarden en het laagdrempelig karakter daarvan. Deze soepele benadering werd, met enkele aanscherpingen, overgenomen in Boek XX van het WER. [8]

Aan de hand van deze soepelheid heeft de wetgever willen breken met de onsuccesvolle procedure van het gerechtelijk akkoord. Daar golden relatief strenge toegangsvoorwaarden. Een afgewezen verzoek hield bovendien het risico in op een ambtshalve faillietverklaring. Dat deed ondernemingen terugdeinzen om een reorganisatieprocedure aan te vragen. [9]

4.Soepele toegangsvoorwaarden. [10] De belangrijkste voorwaarde is nog steeds dat de continuïteit van de onderneming onmiddellijk of op termijn bedreigd moet zijn (art. XX.45, § 1 WER). Voor rechtspersonen wordt de continuïteit in elk geval geacht bedreigd te zijn wanneer de verliezen het netto actief hebben herleid tot minder dan de helft van het maatschappelijk kapitaal (art. XX.45, § 2 WER). De staat van faillissement sluit op zich niet uit dat een reorganisatieprocedure wordt geopend of voortgezet (art. XX.45, § 3 WER), maar er moet wel enig continuïteitsperspectief zijn (zie infra).

Daarnaast is het nodig, maar volstaat het, dat de reorganisatieprocedure een deel van de oplossing moet kunnen bieden voor het behoud van de continuïteit van het geheel of een gedeelte van de activa [11] of activiteiten van de onderneming [12] (art. XX.39, eerste lid WER), ongeacht de vorm of omvang van de activiteit, zodat de rendabiliteit en solvabiliteit op termijn herwonnen kunnen worden. [13]

De beoordelingsvrijheid van de rechtbank op dit vlak is beperkt en marginaal. [14] De toegangsvoorwaarden mogen niet zodanig bevreesd of letterlijk geïnterpreteerd worden dat de toegang geweigerd zou worden bij de minste twijfel over de bedreiging en/of de mogelijkheid tot behoud van de continuïteit. Van de rechters wordt een “intelligente soepelheid” [15] verwacht. Van zodra de toegangsvoorwaarden vervuld “lijken”, moet de onderneming toegelaten worden tot de reorganisatieprocedure (art. XX.46, § 2 WER).

De levensvatbaarheid van de onderneming en de redbaarheid van de continuïteit mogen dus in principe niet beoordeeld worden aan de toegangspoort. Deze beoordeling gebeurt pas later, tijdens de periode van de opschorting. [16] In de laatstgenoemde fase kan een negatieve beoordeling leiden tot een voortijdige beëindiging van de procedure (art. XX.62 WER) (zie ook infra). [17]

Manifest misbruik van de procedure en fraude moeten evenwel van bij aanvang vermeden worden. Het is niet de bedoeling om reddeloos verloren ondernemingen in stand te houden, noch om de vereffening van een vennootschap voor te bereiden. [18] Er moet sprake zijn van een noemenswaardige economische activiteit met een minimum aan levensvatbaarheid. [19] De onderneming moet een zekere hoop op overleven hebben, volledig of gedeeltelijk. [20] Een reorganisatieprocedure kan dus niet geopend worden wanneer blijkt dat er geen (continuïteit van de) onderneming (meer) is. [21]

Het hof van beroep te Luik heeft deze invulling van de toegangsvoorwaarden getemperd. Volgens dit hof moet de verzoeker niet bewijzen dat er op het moment van de neerlegging van het verzoekschrift een actueel bestaande en te reorganiseren ondernemingsactiviteit is. De reorganisatieprocedure mag er ook toe strekken om een opgeschorte of stopgezette activiteit opnieuw op te starten, en zelfs om nieuwe activiteiten te beginnen. De werkelijke slaagkansen daarvan dienen pas beoordeeld te worden tijdens de opschortingsperiode, die in dergelijke gevallen kort gehouden kan worden om voldoende opvolging mogelijk te maken. [22]

5.Onmiddellijke bescherming. Een bijkomend middel om de slaagkansen en de aantrekkelijkheid van de reorganisatieprocedure te verhogen, bestaat in de onmiddellijke bescherming die aan de verzoeker wordt geboden tegen zijn schuldeisers [23], zelfs indien het verzoek later zou worden afgewezen. [24] Vanaf de neerlegging van het verzoekschrift tot opening van een reorganisatieprocedure is er een mini-opschorting. [25], [26] Zolang de rechtbank geen uitspraak doet over het verzoek, wat moet gebeuren binnen de 15 dagen na de neerlegging, kan de onderneming niet failliet verklaard worden. Een gerechtelijke ontbinding kan evenmin. Een tegeldemaking van de onroerende of roerende goederen van de onderneming, wegens een middel van tenuitvoerlegging, is ook uitgesloten (art. XX.44, § 1 WER). Deze mini-opschorting loopt verder tijdens de beroepsprocedure tegen een afgewezen verzoek (art. XX.47, derde lid WER).

6.Misbruik. De hierboven besproken soepele benadering en mini-opschorting zijn verdedigbaar voor een schuldenaar die te goeder trouw de continuïteit van zijn onderneming nastreeft. [27] Het omgekeerde doet zich evenwel ook voor. Een frequent vastgesteld misbruik is een verzoek om toegelaten te worden tot de reorganisatieprocedure met als enige bedoeling een faillissement te vermijden [28] of uitvoeringsmaatregelen door schuldeisers te blokkeren. [29] Van een werkelijke intentie tot reorganisatie is dan vaak [30] geen sprake.

7.Misbruikbestrijding. De rechtspraak heeft als eerste een dam opgeworpen tegen dat misbruik. Wanneer het reorganisatieverzoek of de reorganisatieprocedure kennelijk wordt afgewend van haar doel, tergend en/of roekeloos is, dan kan de toegang geweigerd worden. [31]

Met een wet van 27 mei 2013 [32] werden middelen ingevoerd om misbruik te vermijden. Onder meer het toenmalig artikel 17 WCO werd aangescherpt. Dat artikel, dat de stukken opsomt die gevoegd moeten worden bij een verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie, gold voortaan op straffe van niet-ontvankelijkheid. De geannoteerde rechtspraak heeft voornamelijk betrekking op deze bepaling die grotendeels werd overgenomen in artikel XX.41 WER. [33] Dat zal hieronder nader besproken worden.

Voortbouwend op dat elan [34] werden met ingang van 1 mei 2018 bijkomende antimisbruikbepalingen ingevoerd in het Boek XX van het Wetboek van economisch recht. [35], [36] Deze bepalingen gaan het bestek van deze bijdrage te buiten. Daarvoor wordt kortheidshalve verwezen naar de in voetnoot vermelde rechtsleer. [37]

III. Tendens tot verstrenging nopens de bij het verzoekschrift te voegen stukken

8.Initiële soepelheid. Het voormeld artikel 17 WCO was aanvankelijk niet voorgeschreven op straffe van niet-ontvankelijkheid. [38] Het was bovendien mogelijk om bepaalde stukken 14 dagen na de neerlegging van het verzoekschrift alsnog toe te voegen (oud art. 17, § 4 WCO). Een gebrek aan tijdige neerlegging van de stukken kon leiden tot een voortijdige beëindiging van de procedure (oud art. 41, § 2 WCO). De rechtbank kon evenwel beslissen om dat niet te doen indien de schuldenaar goede redenen had voor het niet (tijdig) neerleggen van bepaalde stukken. [39] Dat beperkte formalisme was een veruitwendiging van de openportaalbenadering.

9.Misbruik. Na de eerste jaren toepassing van de WCO werd vastgesteld dat oneigenlijke reorganisatieverzoeken zich onder meer uitten in inderhaast neergelegde, geïmproviseerde en onvolledige verzoeken. [40]

Dat leidde tot een gebrek aan informatie van de rechtbank en de gedelegeerd rechter. Hierdoor kon de rechtbank de toegangsvoorwaarden niet beoordelen, kon de gedelegeerd rechter geen nuttig advies geven en gingen tijd en middelen verloren. [41]

10.Verstrenging. De wetgever heeft daaraan willen verhelpen door het toenmalig artikel 17 WCO te verstrengen. De bedoeling was dat de rechtbank vanaf het begin over alle nodige informatie zou beschikken om prima facie te beoordelen of het verzoek tot gerechtelijke reorganisatie al dan niet bedrieglijk voorkomt of oneerlijk zou wegen op de concurrentie. [42]

Om dat doel te bereiken voorzag artikel 17, § 2 WCO voortaan dat alle daarin opgesomde stukken op straffe van niet-ontvankelijkheid gelijktijdig met het verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie neergelegd moeten worden ter griffie. [43] De mogelijkheid die voordien bestond om bepaalde stukken nog neer te leggen na de neerlegging van het verzoekschrift werd door de wetgever weloverwogen afgeschaft. [44]

De gefaseerde aanpak waarin de WCO aanvankelijk voorzag werd dus verlaten. Dat was een gedeeltelijke terugkeer naar de vereisten die golden onder de wet betreffende het gerechtelijk akkoord. [45]

De hierboven besproken wetsbepaling werd overgenomen in artikel XX.41, § 2 WER. [46] De ratio legis van deze bepaling is ongewijzigd. De rechtspraak en rechtsleer over artikel 17, § 2 WCO blijven dus relevant. Dat geldt ook voor de twee wetsbepalingen die hierna besproken zullen worden. [47]

11.Verzachting van de verstrenging. Om de niet-ontvankelijkheidssanctie te verzachten werd een remediëringsmogelijkheid voorzien (oud art. 24, § 1, vierde lid WCO; thans art. XX.46, § 1, vierde lid WER).

Wanneer (bepaalde van) de in artikel XX.41, § 2 WER opgesomde stukken niet gelijktijdig met het verzoekschrift worden neergelegd, dan kan het verzoekschrift toch ontvankelijk verklaard worden indien voldaan is aan twee cumulatieve voorwaarden.

Ten eerste moet de schuldenaar te goeder trouw zijn. Een bewust nalatige schuldenaar voldoet in principe niet aan deze voorwaarde. [48]

Ten tweede moet het verzuim of de onregelmatigheid relatief klein zijn: het verzuim (i) mag de rechtbank niet verhinderen om te onderzoeken of de in artikel XX.45 WER bepaalde toegangsvoorwaarden vervuld zijn en (ii) moet door de schuldenaar op korte termijn hersteld kunnen worden. Het verzuim mag de globale behandeling van het verzoekschrift dus niet vertragen, noch de rechten van de schuldeisers in het gedrang brengen. [49] De niet neergelegde informatie moet met andere woorden slechts bijkomstig zijn voor de beoordeling van de wettelijke voorwaarden. Het moet gaan om een niet essentiële kleinigheid [50] of om kleine materiële vergissingen. [51], [52]

Volgens een bepaalde strekking moet deze herstelmogelijkheid restrictief geïnterpreteerd worden. [53]

Er moet evenwel ook rekening gehouden worden met het doel van de reorganisatieprocedure. Dat is er op gericht om een onderneming in moeilijkheden te redden, niet om haar te bestraffen. [54], [55] Een overdreven formalisme is dus uit den boze. De rechtbank moet rekening houden met de concrete omstandigheden van de zaak, zoals de bereidheid van de schuldenaar om aan de rechtbank de meest nauwkeurige informatie te bezorgen over zijn werkelijke financiële toestand en de tijdsdruk die bestond ten tijde van de neerlegging van het verzoekschrift. [56]

12.Volledigheid en betrouwbaarheid van de stukken. Een bijkomende rem op misbruik werd ingevoerd door de rechtspraak, voor wie het niet volstaat om louter alle door de wet opgesomde stukken te voegen bij het verzoekschrift. Deze stukken moeten bovendien volledig en betrouwbaar zijn. [57]

Zo moet “een volledige lijst van de erkende of beweerde schuldeisers” neergelegd worden (art. XX.41, § 2, 7° WER). Ook de betwiste (i.e. beweerde) vorderingen [58] en die welke op het eerste gezicht niets te maken hebben met de opschorting moeten vermeld worden. Dat omvat bijvoorbeeld ook de vordering in rekening-courant van de bestuurder op zijn vennootschap en definitief achtergestelde schuldeisers. [59] Nieuwe schulden, die ontstaan zijn na de toelating tot de reorganisatieprocedure, moeten logischerwijze niet vermeld worden. [60]

Deze volledigheid is ten eerste noodzakelijk voor de rechtbank en de gedelegeerd rechter om een volledig en juist overzicht te krijgen van de situatie van de schuldenaar. [61] Ten tweede is deze lijst van cruciaal belang voor de schuldeisers. Het is immers de basis voor de informatieverstrekking aan de schuldeisers tijdens de reorganisatieprocedure, voor het opnemen en bepalen van het bedrag van hun schuldvordering in het reorganisatieplan en voor het bepalen van hun stemrechten over het reorganisatieplan. [62] Volgens de ondernemingsrechtbank te Luik is deze lijst daarom “le document clé de la procédure”. [63]

Een beperkte onvolledigheid of onnauwkeurigheid van deze lijst, die de rechtbank niet verhindert om een juist beeld te krijgen van de schuldenaar, leidt niet automatisch tot de niet-ontvankelijkheid. Dat kan nog worden rechtgezet. Indien daarentegen blijkt dat de zaken (bewust) verkeerd werden voorgesteld of dat informatie werd weggelaten, zoals het niet vermelden van bepaalde (belangrijke) schulden of schuldeisers, dan kan dat wel leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het verzoek en zelfs tot strafsancties (art. 490ter, 3° Sw.). [64]

Daarnaast moeten verschillende boekhoudkundige documenten worden neergelegd, die werden opgesteld met de bijstand van een economische beroepsbeoefenaar (art. XX.41, § 2, 5°-6° WER). Deze verplichte bijstand moet bijdragen aan de objectivering en betrouwbaarheid van de stukken en de volledige informatieverschaffing aan de rechtbank. [65]

Ook hier is er ruimte voor een zekere soepelheid. Wanneer een schuldenaar een boekhoudkundige staat en jaarrekeningen neerlegt die fouten en onvolledigheden bevatten, maar dat lopende de (beroeps)procedure rechtzet en blijk geeft van de wil om de rechtbank volledig in te lichten, dan kan hij toch worden toegelaten tot de reorganisatieprocedure. [66]

De niet-ontvankelijkheid kan zich daarentegen wel opdringen wanneer manifest en substantieel onregelmatige jaarrekeningen worden neergelegd, waarin bijvoorbeeld enkel de aankopen en verkopen geboekt werden maar niet de uitgaven. [67]

13.Voortijdige beëindiging of weigering homologatie. Indien de reorganisatieprocedure geopend wordt, en pas later wordt vastgesteld dat de voorgelegde informatie “kennelijk” onvolledig of onjuist is, dan “kan” de procedure voortijdig beëindigd worden (art. XX.62, § 1 WER). Tijdens de reorganisatieprocedure kan dus ook opgetreden worden tegen misbruik. [68] De geciteerde woorden tonen aan dat de rechtbank in deze gevallen moet overgaan tot een marginale toetsing. De onvolledigheid of onjuistheid moet prima facie duidelijk zijn. Bij het beoordelen van de ernst en zwaarwichtigheid van de onjuistheden of onvolledigheden zal de rechter rekening moeten houden met de concrete omstandigheden van de zaak. De ernst van de tekortkomingen moeten worden afgewogen tegen de praktische gevolgen van de voortijdige beëindiging van de procedure. [69]

Wanneer de onvolledigheden of onjuistheden nog later worden vastgesteld, bijvoorbeeld wanneer het reorganisatieplan reeds werd neergelegd ter griffie, dan kan dat leiden tot een weigering van de homologatie van het reorganisatieplan omdat de pleegvormen (die de gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord beheersen [70]) niet werden nageleefd of omdat het plan de openbare orde schendt (art. XX.79, § 2 WER). [71]

Wanneer pas na de homologatie blijkt dat een schuldeiser niet werd opgenomen in de lijst der schuldeisers en dat hij niet werd ingelicht over de reorganisatieprocedure, dan moet de regeling van artikel XX.82, derde lid WER toegepast worden. [72]

IV. De vonnissen van de ondernemingsrechtbanken

14.Onvolledige lijst der schuldeisers: ontdekt bij aanvang. Het vonnis van 14 januari 2020 van de ondernemingsrechtbank te Luik biedt een mooie toepassing van de hierboven besproken principes. Eerst werd herinnerd aan de wil van de wetgever om de rechtbank en de gelegeerd rechter van bij aanvang zo volledig mogelijk te informeren, waarvoor de lijst der schuldeisers het basisdocument is volgens deze rechtbank. De vordering van een belangrijke schuldeiser bleek evenwel bewust niet opgenomen te zijn in deze lijst. [73] Dat zou volgens de verzoeker niet nodig geweest zijn, omdat het een betwiste vordering betrof en omdat deze schuldeiser de rechtbank kon vatten om zijn schuldvordering alsnog te laten opnemen. Deze argumenten hebben de rechtbank terecht niet kunnen overtuigen. Het is de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever dat de schuldenaar zelf de rechtbank volledig inlicht over zijn financiële toestand, ook over de “beweerde schuldeisers” (art. XX.41, § 2, 7° WER) en dus ook over betwiste vorderingen. Van een schuldenaar te goeder trouw, die kan genieten van een open portaal en een (mini-)opschorting, mag verwacht worden dat hij geen informatie achterhoudt in een poging om de reorganisatieprocedure voor zichzelf te vergemakkelijken (art. 490ter, 1° en 3° Sw.).

Een volledige lijst is bovendien van belang voor de schuldeisers in de opschorting. Daardoor krijgen zij een duidelijk zicht op de omvang van het passief en op het risico dat zij nemen door in te stemmen met het reorganisatieplan en de van hen gevraagde inspanningen. Bij gebrek daaraan dreigen zij misleid te worden en kunnen hun rechten in het gedrang komen.

Hoewel het ging om een bewuste weglating, zou aangenomen kunnen worden dat de schuldenaar zich te goeder trouw had vergist over de noodzaak om een betwiste vordering op te nemen in de lijst der schuldeisers. De rechtbank tilde er evenwel aan dat de verzoeker niet had aangeboden om zijn vergissing recht te zetten door de lijst aan te passen en de betwiste vordering alsnog op te nemen, zelfs niet na de vrijwillige tussenkomst door de weggelaten schuldeiser.

Het bewuste karakter van de weglating (en het gebrek aan goede trouw) werd volgens de rechtbank versterkt doordat de verzoeker de vordering wel (gedeeltelijk) had opgenomen in de boekhoudkundige staat [74] (art. XX.41, § 2, 5° WER). Niettemin was zelfs deze (lagere) vordering niet opgenomen in de lijst der schuldeisers.

In deze omstandigheden oordeelde de rechtbank dat er geen plaats was voor de door de wet voorziene remediërings­mogelijkheid. Het reorganisatieverzoek werd afgewezen als niet-ontvankelijk.

Op het eerste gezicht kan deze uitspraak niets verweten worden. De hierboven besproken principes werden consequent toegepast. Samen met Pasteger kan men zich evenwel afvragen of het niet pragmatischer was geweest om de verzoeker te vragen om de lijst der schuldeisers aan te vullen en de zaak daartoe kort uit te stellen, in plaats van te verwachten dat de (niet juridisch geschoolde) verzoeker dat spontaan zou aanbieden naar aanleiding van de vrijwillige tussenkomst van zijn schuldeiser. De afwijzing van het verzoek als niet-toelaatbaar, zou de schuldenaar er immers toe kunnen brengen om hoger beroep in te stellen en voor de beroepsrechter alsnog een volledige lijst der schuldeisers neer te leggen. [75] Zo gaat tijd verloren: tijdens de beroepsprocedure blijft de verzoeker genieten van de mini-opschorting (art. XX.47, derde lid WER) terwijl de rechtbank en de gedelegeerd rechter de onderneming niet opvolgen en geen oplossing wordt uitgewerkt voor het behoud van de continuïteit en de betaling van de schuldeisers. [76] Een kort uitstel met een mogelijkheid tot herstel zou bovendien beter stroken met de bedoeling om de verzoeker - wiens werkelijke wil het bleek te zijn om de bedreigde continuïteit van zijn onderneming te redden, en die niet louter een faillissement of gedwongen tenuitvoerlegging wilde vermijden - op een soepele manier toegang te verlenen tot de reorganisatieprocedure in plaats van hem onmiddellijk te bestraffen. De slaagkansen van de reorganisatieprocedure en de juiste behandeling van zijn schuldeisers kunnen beter op een later tijdstip beoordeeld worden.

De schuldenaar is evenwel niet bij de pakken blijven zitten. Uit het Belgisch Staatsblad blijkt dat hij geen kosten- en tijdrovend hoger beroep heeft aangetekend, maar zelf pragmatisch heeft gehandeld door een nieuw verzoekschrift neer te leggen voor de ondernemingsrechtbank te Luik (dat in principe geen schorsende werking had gelet op art. XX.45, § 5, tweede lid WER). Ditmaal werd het verzoek wellicht wel vergezeld door een volledige lijst der schuldeisers. De reorganisatieprocedure werd immers geopend bij vonnis van 11 februari 2020. Kennelijk met succes, nu het reorganisatieplan gehomologeerd werd op 9 februari 2021.

15.Onvolledige lijst der schuldeisers: ontdekt na homologatie. In de zaak die aanleiding gaf tot het vonnis van 30 oktober 2020 van de ondernemingsrechtbank te Charleroi was een gelijkaardige problematiek aan de orde. Ook hier was een belangrijke betwiste schuldvordering bewust niet opgenomen in de lijst der schuldeisers. De schuldeiser ontdekte dat pas enkele jaren na de homologatie van het reorganisatieplan en vatte de rechtbank. Hij vorderde ten eerste om, als niet behoorlijk ingelichte schuldeiser, te worden betaald op de wijze en in de mate die het gehomologeerde reorganisatieplan bepaalt voor gelijkaardige schuldvorderingen (art. XX.82, derde lid WER). Ten tweede vorderde hij om het reorganisatieplan daarna meteen in te trekken (art. XX.83, eerste lid WER) omdat zijn vordering, die ondertussen reeds enige tijd vastlag in een vonnis, niet betaald werd conform het reorganisatieplan.

De schuldenaar antwoordde dat een betwiste vordering niet opeisbaar zou zijn, en daarom niet opgenomen diende te worden in de lijst der schuldeisers. Dat argument werd afgewezen om dezelfde redenen als deze die werden aangehaald in het voormelde vonnis van de ondernemingsrechtbank te Luik van 14 januari 2020.

Vervolgens oordeelde de rechtbank dat de schuldeiser niet behoorlijk was ingelicht over de opening en de stand van de reorganisatieprocedure en bijgevolg betaald diende te worden op de wijze en in de mate zoals voorzien in het reorganisatieplan voor gelijkaardige schuldvorderingen.

De rechtbank vond het evenwel voorbarig om daarnaast reeds uitspraak te doen over de tweede vordering van de schuldeiser. Nu de vordering van de schuldeiser nog maar net geïntegreerd was in het reorganisatieplan, was het te vroeg om vaststellingen te doen over het gebrek aan naleving en de intrekking van het reorganisatieplan. De schuldenaar kreeg de kans om zijn schuldeiser alsnog te betalen conform het reorganisatieplan. De debatten werden heropend om tijdens een volgende zitting na te gaan of de schuldenaar dat had gedaan.

Deze pragmatische aanpak verdient goedkeuring. Het leidt tot een bescherming van de belangen van zowel de schuldenaar (die een mislukking van de reorganisatie en een faillissement kan vermijden) als de schuldeiser (die betaald kan worden zoals voorzien in het reorganisatieplan). [77]

16.Betrouwbaarheid van de boekhoudkundige stukken. Het vonnis van 10 februari 2020 van de Franstalige ondernemingsrechtbank te Brussel getuigt eveneens van een pragmatische en soepele aanpak. In deze zaak voerde het Openbaar Ministerie aan dat weliswaar alle door artikel XX.41, § 2 WER vereiste stukken waren neergelegd, maar dat de boekhoudkundige stukken onvoldoende betrouwbaar waren. Dat zou onder andere zo zijn omdat de voormalige bestuurder en meerderheidsaandeelhouder van de verzoeker recent (in dezelfde maand waarin het reorganisatieverzoek was neergelegd) strafrechtelijk was veroordeeld wegens het opstellen van valse jaarrekeningen voor de boekjaren 2009 tot 2015. Een andere reden zou gelegen zijn in het gebrek aan neerlegging van de jaarrekening voor het boekjaar 2015 bij de Balanscentrale van de NBB, wat de daaropvolgende jaarrekeningen onbetrouwbaar zou maken. Volgens het Openbaar Ministerie diende het reorganisatieverzoek daarom afgewezen te worden als ontoelaatbaar.

De rechtbank bevestigde het principe dat de onbetrouwbaarheid of valsheid van de stukken, in het bijzonder van de boekhouding, gelijkgesteld kan worden met de niet-neerlegging van de vereiste stukken en bijgevolg kan leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het reorganisatieverzoek. De rechtbank heeft deze sanctie evenwel niet toegepast.

Ten eerste omdat de verzoeker de onregelmatigheden waarvoor de strafrechtelijke veroordeling was uitgesproken inmiddels had rechtgezet. De verzoeker had weliswaar een zekere slordigheid vertoond bij het voeren van zijn boekhouding, maar dat mag volgens de rechtbank geen beletsel zijn om te worden toegelaten tot de reorganisatieprocedure. Er was bovendien hoger beroep aangetekend tegen het strafvonnis, waardoor volgens de rechtbank het vermoeden van onschuld speelde. Er werd geoordeeld dat het bestaan van een strafrechtelijke veroordeling in deze omstandigheden niet automatisch betekent dat de boekhoudkundige stukken onbetrouwbaar zouden zijn of dat het reorganisatieverzoek ontoelaatbaar zou zijn. [78] Dat strookt met de bedoeling van de wetgever om de toegang tot de reorganisatieprocedure niet te verbinden aan een moraliteitsvoorwaarde. [79], [80]

Ten tweede wees de rechtbank er op dat artikel XX.41, § 2, 4° WER enkel vereist om bij het verzoekschrift de jaarrekeningen te voegen die “hadden moeten neergelegd zijn”. Het gebrek aan publicatie van een jaarrekening bij de Balanscentrale leidt dus niet tot (de niet-betrouwbaarheid van de jaarrekening en) de niet-ontvankelijkheid van een reorganisatieverzoek. [81]

De rechtbank oordeelde vervolgens dat de continuïteit van de verzoeker bedreigd was, stelde vast dat er geen sprake was van rechtsmisbruik en liet de verzoeker toe tot de reorganisatieprocedure. De rechtbank deed geen uitspraak over de slaagkansen van de reorganisatieprocedure, die door de gedelegeerd rechter als mager werden ingeschat, nu dat pas tijdens een latere fase van de procedure beoordeeld moet worden. [82] De ondergeschikte vordering van het Openbaar Ministerie tot aanstelling van een voorlopig bewindvoerder (art. XX.31 WER) werd afgewezen. Dat is volgens de rechtbank immers een ingrijpende maatregel die leidt tot de beschikkingsonbevoegdheid van de verzoeker en slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden opgelegd. [83]

V. Versoepeling van de verstrenging

17.In een wetsvoorstel van 10 juni 2020 werd voorgesteld om tijdelijk [84] terug te keren naar de situatie van 2009, door de reorganisatieprocedure “wat laagdrempeliger” te maken. Dat moet toelaten om de economische impact van de COVID-19-crisis en de verwachte toename van reorganisatieaanvragen op te vangen. Volgens de indieners van het voorstel zijn de formele vereisten die nu gelden “van die aard dat heel wat kmo's ervoor terugdeinsden een reorganisatie aan te vragen”. Er werd onder meer voorgesteld om de niet-ontvankelijkheidssanctie van artikel XX.41, § 2 WER af te schaffen. Volgens de indieners is deze sanctie “overdreven en juridisch onjuist” en zijn de “opgelegde beperkingen […] niet verantwoord gelet op de noodzaak van herstructureringen zeker in een periode van economische crisis”. [85]

Waarom deze sanctie “juridisch onjuist” zou zijn werd niet toegelicht door de indieners van het wetsvoorstel. Gelet op de hierboven besproken evolutie van (oud art. 17 WCO en) artikel XX.41 WER kan de niet-ontvankelijkheidssanctie bezwaarlijk ondoordacht of juridisch onjuist genoemd worden. Ook de term “overdreven” gaat ver. De niet-ontvankelijkheid is weliswaar een ingrijpende sanctie die niet in alle omstandigheden verantwoord is, maar daarvoor bieden artikel XX.46, § 1, vierde lid WER en de hierboven besproken rechtspraak een oplossing. [86]

18.Het wetsvoorstel werd goedkeurd en het merendeel van de aanpassingen zijn in werking getreden op 26 maart 2021. [87] De versoepeling geldt tot minstens 30 juni 2021 en kan bij KB verlengd worden. [88] Een ontwerp van KB voorziet in een verlenging tot 16 juli 2022. [89]

Naast de tijdelijke afschaffing van de niet-ontvankelijkheidssanctie, werden de volgende versoepelingen aangenomen die ook tot minstens 30 juni 2021 (of, na verlenging bij KB, tot minstens 16 juli 2022) zullen gelden [90]:

    • De verzoeker krijgt meer tijd om de door artikel XX.41, § 2, 5° tot 9° vereiste stukken neer te leggen. Indien hij deze stukken niet onmiddellijk bij zijn verzoekschrift kan voegen, dan moeten deze stukken uiterlijk 2 dagen voor de zitting bedoeld in artikel XX.46 WER neergelegd worden (i.e. de zitting waarop het reorganisatieverzoek wordt behandeld). Indien de verzoeker ondanks deze termijn niet in staat is om de gevraagde documenten te verstrekken, dan moet hij binnen dezelfde termijn (dus uiterlijk 2 dagen voor de voornoemde zitting) een nota neerleggen in RegSol waarin gedetailleerd wordt aangegeven waarom hij deze documenten niet heeft kunnen verstrekken (art. XX.41, § 3/1 WER).
    • Wanneer het reorganisatieverzoek strekt tot overdracht van de onderneming onder gerechtelijk gezag, dan moeten de stukken van artikel XX.41, § 2, 6° en 8°, niet neergelegd worden (art. XX.41, § 3/2 WER).

    19.Door deze tijdelijke crisiswetgeving wordt de toegangspoort opnieuw ruimer opengezet. [91] Hierdoor stijgt niet alleen het risico op misbruik, maar ook op een gebrekkige informatieverstrekking aan de rechtbank en de gedelegeerd rechter. [92] Dat komt niemand ten goede. De evaluatie van deze wijzigingen door de minister van Justitie werd voorzien op uiterlijk 15 juni 2021. [93] Het betreft een relatief korte evaluatieperiode, die zal moeten uitwijzen of deze wetswijziging al dan niet voor verlenging of verbetering vatbaar is. De eerste signalen wijzen op een verlenging van de tijdelijke maatregelen met 1 jaar. Het mag evenwel gehoopt worden dat de bestaande antimisbruikbepalingen, die werden ingevoerd na een doordachte evolutie, niet definitief verloren gaan.

    VI. Besluit

    20.De bedoeling van de wetgever is en blijft dat ondernemingen op een laagdrempelige wijze, zonder te veel formaliteiten en hindernissen, toegang moeten kunnen krijgen tot de procedure van gerechtelijke reorganisatie. Misbruiken moeten weliswaar vermeden worden, maar dat mag niet leiden tot een overdreven formalisme of een al te snelle bestraffing aan de toegangspoort. Het beschermen van ondernemingen in moeilijkheden moet voorop staan.

    In deze optiek mag de onvolledigheid of onbetrouwbaarheid van de bij het verzoekschrift te voegen stukken niet te snel leiden tot de niet-ontvankelijkheid. Wanneer geen sprake is van manifest misbruik of manifeste onregelmatigheden - en indien de schuldenaar er werkelijk op uit is om de continuïteit van zijn onderneming te redden, en dus niet enkel om een faillissement, gerechtelijke ontbinding of gedwongen tenuitvoerlegging te verhinderen - is het aangewezen om de schuldenaar toegang te verlenen. De slaagkansen moeten in een later stadium beoordeeld worden. Bij twijfels over de slaagkansen, of over de betrouwbaarheid van de voorgelegde stukken, kan dat gepaard gaan met een goede opvolging van de schuldenaar. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren door de periode van opschorting kort te houden en zo nodig enkele keren te verlengen en/of door een voorlopige bewindvoerder aan te stellen.

    21.De wetgeving opnieuw (definitief) aanpassen, waarbij stilaan terechtgekomen wordt in een slingerbeweging van “soepel naar strenger naar soepeler”, in een blijvende zoektocht naar het perfecte evenwicht tussen een open portaal en misbruikbestrijding, dreigt te leiden tot een Catch 22.

    Punctuele en/of tijdelijke aanpassingen kunnen weliswaar nuttig zijn, maar meer nog dan dat is het aangewezen om te blijven inzetten op de basisprincipes van de gerechtelijke reorganisatie en op een evenwichtige toepassing daarvan door de rechtspraak.

    De geannoteerde en eerder gepubliceerde uitspraken tonen aan dat de rechtspraak in deze evenwichtsoefening slaagt. De hakbijl van de niet-ontvankelijkheid wordt niet meteen bovengehaald. Ook andere sancties (zoals de intrekking van het reorganisatieplan) worden niet zomaar uitgesproken. De verzoeker krijgt vaak nog een kans om onvolledigheden of onjuistheden recht te zetten, zodat hij toch kan genieten van de bescherming die de reorganisatieprocedure biedt, terwijl ook gewaakt wordt over de belangen van de schuldeisers en de maatschappij.

    [1] Advocaat, balie Gent.
    [2] Deze bijdrage werd afgesloten op 28 juni 2021.
    [3] Wetsvoorstel van 10 juni 2020 tot wijziging van Boek XX van het Wetboek van economisch recht (Parl.St. Kamer 2019-20, nr. 55-1337/001, 3 en 5). Zie ook het verslag van de eerste lezing van 25 februari 2021 (Parl.St. Kamer 2019-20, nr. 55-1337/008, 6). Het voorstel werd goedgekeurd en heeft geleid tot de wet van 21 maart 2021 tot wijziging van Boek XX van het Wetboek van economisch recht en het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (hierna afgekort als “de wet van 21 maart 2021 tot wijziging van Boek XX”) (BS 26 maart 2021, ed. 1). Voor een bespreking van deze wet, zie: A. Van Hoe, I. Verougstraete en J.-Ph. Lebeau, “De wet van 21 maart 2021 tot wijziging van Boek XX WER en WIB 1992”, TBH 2021, afl. 3, 274-283; Y. Brulard, “Le preinsolvency à la suite de la loi du 21 mars 2021 réformant le Livre XX du Code de droit économique: une opportunité de mettre en oeuvre des techniques de restructuring créatives”, RGFCP 2021, afl. 6, 5-20; Z. Pletinckx en C. Alter, “La loi du 21 mars 2021 modifiant le Livre XX du Code de droit économique et le Code des impôts sur les revenus 1992”, JT 2021, afl. 6858, 365-372; D. Bruloot, “Kroniek van het insolventierecht tijdens de corona-epidemie: is het insolventierecht in crisis?”, TBH 2020, afl. 10, (1387) 1401-1403, nrs. 53-62.
    [4] Art. 17, tweede lid van de wet van 21 maart 2021 tot wijziging van Boek XX. Zie ook de amendementen nrs. 16-19 bij het wetsvoorstel tot wijziging van Boek XX van het Wetboek van economisch recht (Parl.St. Kamer 2019-20, nr. 55-1337/004, 23-26). Een deel van de voorgestelde wetswijzigingen - waaronder de wijziging van art. XX.41 WER - zal buiten werking treden op 30 juni 2021. Tijdens de ministerraad van 11 juni 2021 werd evenwel een ontwerp van KB goedgekeurd dat voorziet in een verlenging van de tijdelijke maatregelen tot 16 juli 2022. Dat ontwerp van KB werd voorgelegd aan de Raad van State voor advies (www.news.belgium.be/nl/verlenging-van-de-tijdelijke-maatregelen-genomen-ten-voordele-van-ondernemingen-moeilijkheden (consultatie 28 juni 2021)).
    [5] Advies van de Raad van State van 8 juli 2020, nr. 67.623/2 (Parl.St. Kamer 2019-20, nr. 55-1337/002, 10-12).
    [6] “Tijdige verwittiging is beste maatregel tegen faillissement”, De Standaard, jaargang 98, afl. 25, 30 en 31 januari 2021, 34: “Nu zouden de criteria te streng zijn. Het is een delicate oefening. Als men de procedure te gemakkelijk maakt, dreigt misbruik. In het verleden betaalden sommigen niet omdat ze wisten dat als de deurwaarder hun spullen kwam inladen, je per direct bescherming kon zoeken bij de rechtbank, waardoor de deurwaarder weer mocht uitladen. Van Quickenborne denkt dat beide kunnen: de drempel verlagen en misbruiken tegengaan. […] 'Je moet heel wat documenten in orde hebben om groen licht te krijgen voor een gerechtelijke reorganisatie. We willen niet dat ondernemingen die doorstartkansen hebben, het niet redden omdat ze niet snel genoeg toe kwamen aan alle formaliteiten', zegt een woordvoerder. […] Ondernemers zullen ook meer tijd krijgen om alle vereiste documenten voor te leggen. Ze kunnen zelf de rechtbank vragen om toch al hun dossier goed te keuren en pas later alles rond te hebben. Het is maar de vraag of in dossiers van praatjesmakers of waar sprake was van een puinhoop […] dat niet tot (pogingen tot) misbruik gaat leiden.”
    [7] D. Pasteger, “Les annexes à la requête en réorganisation judiciaire: fiabilité des comptes ou du débiteur?”, JLMB 2020, afl. 5, (197) 201-202, nr. 8.
    [8] Wetsontwerp houdende invoeging van het Boek XX “Insolventie van ondernemingen”, in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX, en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX, in Boek I van het Wetboek van economisch recht (hierna “wetsontwerp Boek XX”') (Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 54-2407/001, 60); M. Vanmeenen en S. Jacmain, “La procédure de réorganisation judiciaire: something old, something new, something borrowed, something blue”, TBH 2018, afl. 3, 237-238 en 243, nrs. 1 en 15.
    [9] Wetsvoorstel betreffende de continuïteit van de ondernemingen (Parl.St. Kamer 2007, nr. 52-160/001, 6); V. Frémat, S. Berg, G. De Sauvage en J.-F. Goffin, Continuïteit van ondernemingen. Artikelsgewijze commentaar bij Boek XX WER en COA nr. 102, Antwerpen, Intersentia, 2018, 143, nr. 1; M. Tison en I. Verougstraete, “Conceptuele zwaartepunten van de Wet Continuïteit Ondernemingen” in K. Byttebier (et al.), Gerechtelijke reorganisatie. Getest, gewikt en gewogen, Antwerpen, Intersentia, 2010, 3 en 7, nr. 5 en 12; P. Coussement, “De Wet op de Continuïteit van de Ondernemingen van 31 januari 2009”, TBH 2009, afl. 4, (283) 286 en 288-289, nrs. 3-5 en 12-15.
    [10] C. Van Den Brouck, “De WCO en boek XX WER: inleiding, algemeen concept en inwerkingtreding” in X, Faillissement & Reorganisatie, Mechelen, Kluwer, losbl., 2017, afl. 60, 32-34, nrs. 34-36.
    [11] Over (de bedoeling van) de wijziging in vergelijking met art. 16 WCO: I. Verougstraete, “Doel van de reorganisatie: behoud van de continuiteit” (noot onder Antwerpen 17 mei 2018), TBH 2019, afl. 4, (564) 566, nr. 7: “De bedoeling is de vrijwaring van een socio-economische entiteit. Activa en activiteiten zijn twee facetten van een economische entiteit en kunnen niet van elkaar gescheiden worden. Het louter behoud van een patrimoniaal element zonder dat daar tegenover het behoud van enige zinvolle economische activiteit zou staan, is niet bestaanbaar met het doel een vorm van continuïteit te vrijwaren”; V. Fremat, S. Berg, G. De Sauvage en J.-F. Goffin, Continuïteit van ondernemingen. Artikelsgewijze commentaar bij Boek XX WER en COA nr. 102, Antwerpen, Intersentia, 2018, 122; M. Vanmeenen en S. Jacmain, “La procédure de réorganisation judiciaire: something old, something new, something borrowed, something blue”, TBH 2018, afl. 3, (237) 240-241, nr. 6.
    [12] Wetsvoorstel betreffende de continuïteit van de ondernemingen (Parl.St. Kamer 2007, nr. 52-160/001, 16); V. Fremat, S. Berg, G. De Sauvage en J.-F. Goffin, Continuïteit van ondernemingen. Artikelsgewijze commentaar bij Boek XX WER en COA nr. 102, Antwerpen, Intersentia, 2018, 143-145, nrs. 1 en 3. 
    [13] Luik 27 maart 2014, DAOR 2014, afl. 112, 125; I. Verougstraete et al., Manuel de l'insolvabilité de l'entreprise, Mechelen, Kluwer, 2019, 408, nr. 407.
    [14] Luik 8 november 2016, TRV-RPS 2017, afl. 5, (603) 604; Gent 25 november 2013, TRV 2014, (728) 735, nr. 22; Brussel 23 februari 2010, TBH 2010, afl. 6, (542) 543, nr. 10; Bergen 28 september 2009, JLMB 2010, afl. 8, (369) 371, nr. 2.
    [15] Wetsvoorstel betreffende de continuïteit van de ondernemingen (Parl.St. Kamer 2007, nr. 52-160/001, 16 en 18).
    [16] Wetsontwerp Boek XX (Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 54-2407/001, 56).
    [17] Brussel 8 december 2010, DAOR 2011, afl. 9, 425; Bergen 28 september 2009, JLMB 2010, afl. 8, (369) 372, nr. 2; Bergen 2 juni 2009, TBH 2009, afl. 7, (649) 651; A. Van Hoe, “De voortijdige beëindiging van de gerechtelijke reorganisatie: enkele opmerkingen”, DAOR 2011, afl. 99, (430) 430-432, nrs. 3 en 5-6; M. Tison en I. Verougstraete, “Conceptuele zwaartepunten van de Wet Continuïteit Ondernemingen” in K. Byttebier (et al.), Gerechtelijke reorganisatie. Getest, gewikt en gewogen, Antwerpen, Intersentia, 2010, 9-10, nrs. 17-18; P. Coussement, “De Wet op de Continuïteit van de Ondernemingen van 31 januari 2009”, TBH 2009, afl. 4, (283) 289, nr. 14.
    [18] Kh. Hasselt 21 februari 2011, NJW 2011, afl. 244, 431.
    [19] Gent 25 januari 2016, DAOR 2016, afl. 118, 98; M. Gregoire, “La réorganisation judiciaire aux mains des juges: premières récoltes”, TBH 2009, afl. 7, (637) 644, nr. 17; P. Coussement, « De Wet op de Continuïteit van de Ondernemingen van 31 januari 2009 », TBH 2009, afl. 4, (283) 287, nr. 10.
    [20] Wetsontwerp Boek XX (Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 54-2407/001, 60).
    [21] Antwerpen 18 februari 2016, NJW 2017, afl. 361, 316; Gent 13 juli 2012, TGR 2013, afl. 5, 346; Antwerpen 25 februari 2010, RW 2010-11, afl. 20, 848; Antwerpen 19 november 2009, RW 2010-11, afl. 26, 1097; Antwerpen 27 juli 2009, TBH 2009, afl. 7, 655, nr. 2.
    [22] Luik 8 november 2016, TRV-RPS 2017, afl. 5, (603) 605; Luik 27 maart 2014, DAOR 2014, afl. 112, 125; S. Jacmain, F. Caspar, C. Gregoire, L. Maistriaux en A. Roels, “Chronique. Droit de l'insolvabilité (2017-2018)”, TRV-RPS 2019, afl. 1, (29) 38-39, nr. 29; A. Houet en C. Sartori, “Peut-on sauver une société holding? Retour sur la notion d'activité au sens de la loi sur la continuité des entreprises”, TRV-RPS 2017, afl. 5, (607) 609-610, nrs. 10-14.
    [23] I. Verougstraete et al., Manuel de l'insolvabilité de l'entreprise, Mechelen, Kluwer, 2019, 429, nr. 427.
    [24] V. Fremat, S. Berg, G. De Sauvage en J.-F. Goffin, Continuïteit van ondernemingen. Artikelsgewijze commentaar bij Boek XX WER en COA nr. 102, Antwerpen, Intersentia, 2018, 138-139, nr. 1.
    [25] Wetsvoorstel betreffende de continuïteit van de ondernemingen (Parl.St. Kamer 2007, nr. 52-160/001, 17); D. Bruloot en L. Van Coillie, “Innovaties in reorganisatieland na boek XX WER” in D. Bruloot en H. De Wulf, Het nieuwe ondernemingsrecht, Mechelen, Kluwer, 2020, 377, nr. 17.
    [26] Een amendement bij het voornoemd wetsvoorstel van 10 juni 2020 wilde ondernemingen die vanaf 1 februari 2021 tot en met 31 december 2021 een reorganisatieverzoek indienen, onmiddellijk laten genieten van een volledige opschorting zoals bedoeld in art. XX.50 et seq. WER. Dat amendement werd verworpen. De minister van Justitie zag het nut daarvan niet in, omdat art. XX.44 WER reeds voorziet in een maximale bescherming voor de schuldenaar (Parl.St. Kamer 2019-20, nr. 55-1337/008, 22-23 en 27-28).
    [27] D. Bruloot en L. Van Coillie, “Innovaties in reorganisatieland na boek XX WER” in D. Bruloot en H. De Wulf, Het nieuwe ondernemingsrecht, Mechelen, Kluwer, 2020, 377, nr. 18.
    [28] Zie bv. Antwerpen 18 februari 2016, NJW 2017, afl. 361, 316.
    [29] S. Brijs, “Gerechtelijke reorganisatie onder Boek XX WER: begin er op tijd aan!”, TBH 2019, afl. 4, 585, nr. 1.
    [30] Voor een mooie nuancering: D. Bruloot en L. Van Coillie, “Innovaties in reorganisatieland na boek XX WER” in D. Bruloot en H. De Wulf, Het nieuwe ondernemingsrecht, Mechelen, Kluwer, 2020, 378, nr. 20. 
    [31] Orb. Brussel (Fr.) 10 februari 2020, AR Q/20/4, gepubliceerd in dit nummer; D. Pasteger, “Les annexes à la requête en réorganisation judiciaire: fiabilité des comptes ou du débiteur?”, JLMB 2020, afl. 5, (197) 199-200, nr. 5; S. Brijs en R. Lindemans, “Kroniek. Insolventierecht (2015-2016)”, TRV-RPS 2017, afl. 3, (288) 293 en 296, nrs. 15, 18 en 24-25; C. Verbruggen en S. Van Ommeslaghe, “Abus de droit et loi sur la continuité des entreprises” in A. Zenner en M. Dal (eds.), Actualité de la continuité, continuité de l'actualité, Brussel, Larcier, 2012, 99-140; M. Gregoire, “La réorganisation judiciaire aux mains des juges: premières récoltes”, TBH 2009, afl. 7, (637) 644-645, nr. 18. Zie ook de hierboven besproken rechtspraak (randnr. 4).
    [32] Wet van 27 mei 2013 tot wijziging van verschillende wetgevingen inzake de continuïteit van ondernemingen (BS 22 juli 2013).
    [33] Voor een overzicht van de aanpassingen en aanvullingen: I. Verougstraete (ed.), Manuel de l'insolvabilité de l'entreprise, Mechelen, Kluwer, 2019, 416-423, nr. 414; D. De Marez en C. Stragier, Boek XX. Een commentaar bij het nieuwe insolventierecht, Brugge, die Keure, 2018, 153-154, nr. 272.
    [34] I. Verougstraete (ed.), Manuel de l'insolvabilité de l'entreprise, Mechelen, Kluwer, 2019, 407, nr. 405.
    [35] Art. XX.44, § 2-4, XX.45, § 5 en XX.51, § 2-4 WER.
    [36] Art. 8 van de wet van 21 maart 2021 tot wijziging van Boek XX voorziet in een tijdelijke versoepeling door de opheffing van art. XX.45, § 5, eerste lid WER en de aanpassing van art. XX.45, § 5, derde lid WER (Parl.St. Kamer 2019-20, nr. 55-1337/001, 11; Parl.St. Kamer 2019-20, nr. 55-1337/008, 45; Parl.St. Kamer 2019-20, nr. 55-1337/009, 7).
    [37] Zie onder meer S. Brijs, R. Lindemans, A. Van Hoe, K. Paridaen, A. Roels en J. Cardinaels, “Kroniek. Insolventierecht (2019-2020)”, TRV-RPS 2020, afl. 5, (559) 563-564, nrs. 13-15; D. Bruloot en L. Van Coillie, “Innovaties in reorganisatieland na boek XX WER” in D. Bruloot en H. De Wulf, Het nieuwe ondernemingsrecht, Mechelen, Kluwer, 2020, 378-387, nrs. 22-39; S. Brijs, “Gerechtelijke reorganisatie onder Boek XX WER: begin er op tijd aan!”, TBH 2019, afl. 4, 585-588; I. Verougstraete et al., Manuel de l'insolvabilité de l'entreprise, Mechelen, Kluwer, 2019, 431-434, nrs. 430-434; R. Jansen, “Het nieuwe insolventierecht in de notariële praktijk (deel 1)”, Not.Fisc.M. 2018, afl. 8, (226), 233-235, nrs. 21-24; S. Brijs, “Beslag- en insolventieprocedures” in V. Sagaert (ed.), Vraagpunten op de grens van insolventierecht, goederenrecht en verbintenissenrecht. Opstellen opgedragen aan Prof. dr. Eric Dirix, Antwerpen, Intersentia, 2018, (137) 140-147.
    [38] Er werd evenwel verdedigd dat de stukken van art. 17, 1°-4° WCO op straffe van niet-ontvankelijkheid bij het verzoekschrift gevoegd dienden te worden. Zie bv. M. Tison en I. Verougstraete, “Conceptuele zwaartepunten van de Wet Continuïteit Ondernemingen” in K. Byttebier (et al.), Gerechtelijke reorganisatie. Getest, gewikt en gewogen, Antwerpen, Intersentia, 2010, 12-13, nr. 20; H. Geinger en P. Vanlersberghe, “De gerechtelijke reorganisatie: procedurele aspecten” in K. Byttebier (et al.), Gerechtelijke reorganisatie. Getest, gewikt en gewogen, Antwerpen, Intersentia, 2010, 131-133, nrs. 16-18; P. Coussement, “De Wet op de Continuïteit van de Ondernemingen van 31 januari 2009”, TBH 2009, afl. 4, (283) 299-300, nr. 50. Contra: Antwerpen 1 april 2010, RW 2010-11, afl. 20, 848; Brussel 23 februari 2010, TBH 2010, afl. 6, (542) 543-544, nr. 12.
    [39] M. Tison en I. Verougstraete, “Conceptuele zwaartepunten van de Wet Continuïteit Ondernemingen” in K. Byttebier (et al.), Gerechtelijke reorganisatie. Getest, gewikt en gewogen, Antwerpen, Intersentia, 2010, 10, nr. 18.
    [40] Kh. Dendermonde 7 oktober 2013, RW 2013-14, afl. 28, (1109) 1110; S. Brijs, “Gerechtelijke reorganisatie onder Boek XX WER: begin er op tijd aan!”, TBH 2019, afl. 4, (585) 587, nr. 6, vn. 17; M. Vanmeenen, “In de ban van continuïteit”, TBH 2015, afl. 6, (487) 497, nr. 16; J. Malekzadem, “Commentaar bij art. 17 WCO” in J. Embrechts, Wet en duiding. Economisch recht, Deel 7, Insolventie , Brussel, Larcier, 2014, 181, nr. 9; T. Lysens, De gewijzigde wet continuïteit van ondernemingen: een eerste commentaar, Mechelen, Kluwer, 2013, 2 en 20; A. Van Hoe, “Continuïteit voor de Wet Continuïteit Ondernemingen”, RW 2013-14, afl. 31, (1202) 1207, nr. 11.
    [41] T. Lysens, De gewijzigde wet van continuïteit van ondernemingen: een eerste commentaar, Mechelen, Kluwer, 2013, 20-21; A. Van Hoe, “Continuïteit voor de Wet Continuïteit Ondernemingen”, RW 2013-14, afl. 31, (1202) 1209, nr. 14.
    [42] Wetsontwerp Boek XX (Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 54-2407/001, 55); T. Lysens, De gewijzigde wet van continuïteit van ondernemingen: een eerste commentaar, Mechelen, Kluwer, 2013, 20-21.
    [43] Wetsontwerp tot wijziging van verschillende wetgevingen inzake de continuïteit van de ondernemingen (Parl.St. Kamer 2012-13, nr. 2692/001, 13).
    [44] J. Malekzadem, “Commentaar bij art. 17 WCO” in J. Embrechts, Wet en duiding. Economisch recht, Deel 7, Insolventie , Brussel, Larcier, 2014, 181, nr. 9.
    [45] P. Coussement, “De Wet op de Continuïteit van de Ondernemingen van 31 januari 2009”, TBH 2009, afl. 4, (283) 298-299, nr. 46.
    [46] Wetsontwerp Boek XX (Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 54-2407/001, 54): “Bepaalde schuldenaars hebben te vlug de bescherming gezocht van het uitstel van betaling, wat de relatief strenge formulering uitlegt van dit artikel.”
    [47] Art. XX.46, § 1, vierde lid WER (oud art. 24, § 1, vierde lid WCO) en art. XX.62, § 1 WER (oud art. 41, § 1 WCO).
    [48] Wetsontwerp Boek XX (Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 54-2407/001, 57); A. Van Hoe, “Continuïteit voor de Wet Continuïteit Ondernemingen”, RW 2013-14, afl. 31, (1202) 1209, nr. 14.
    [49] Wetsontwerp tot wijziging van verschillende wetgevingen inzake de continuïteit van de ondernemingen (Parl.St. Kamer 2012-13, nr. 2692/001, 15-16); I. Verougstraete et al., Manuel de l'insolvabilité de l'entreprise, Mechelen, Kluwer, 2019, 416, nr. 413, vn. 440; J. Malekzadem, “Commentaar bij art. 17 WCO” in J. Embrechts, Wet en duiding. Economisch recht, Deel 7, Insolventie , Brussel, Larcier, 2014, 184, nr. 14; T. Lysens, De gewijzigde wet van continuïteit van ondernemingen: een eerste commentaar, Mechelen, Kluwer, 2013, 28. 
    [50] M. Vanmeenen, “In de ban van continuïteit”, TBH 2015, afl. 6, (487) 498, nr. 18.
    [51] V. Fremat, S. Berg, G. De Sauvage en J.-F. Goffin, Continuïteit van ondernemingen. Artikelsgewijze commentaar bij Boek XX WER en COA nr. 102, Antwerpen, Intersentia, 2018, 229, nr. 2.
    [52] I. Verougstraete et al., Manuel de l'insolvabilité de l'entreprise, Mechelen, Kluwer, 2019, 415, nr. 413: “Ceci n'implique pas d'ailleurs que la moindre inexactitude devra être sanctionnée d'une irrecevabilité de la requête. Certains éléments resteront nécessairement imprécis à ce stade.”
    [53] Bergen 3 november 2014, TBH 2015, afl. 6, (603) 604; P. Walraevens en J.-P. Renard, “Commentaar bij art. 24 WCO” in J. Embrechts (eds.), Wet en duiding. Economisch recht, Deel 7, Insolventie, Brussel, Larcier, 2014, 194, nr. 5.
    [54] Luik 18 december 2018, JLMB 2020, afl. 5, (193)196, nr. 2; Luik 27 maart 2014, DAOR 2014, afl. 112, 125.
    [55] Zie ook het wetsvoorstel betreffende de continuïteit van de ondernemingen (Parl.St. Kamer 2007, nr. 52-160/001, 16-17): “De schuldenaar moet zeker alle documenten overleggen die de rechtbank de mogelijkheid bieden een idee te krijgen van de situatie van de schuldenaar. In deze fase is het echter illusoir en weinig productief procedurele hinderpalen op te werpen: de radeloze schuldenaar is zelden in staat om heel betrouwbare gegevens voor te leggen; wanordelijke zaken vormen overigens soms de oorzaak van zijn moeilijkheden. De reorganisatie heeft niet tot doel hem te bestraffen, maar hem een oplossing te bieden voor het probleem van de onderneming.”
    [56] Luik 18 december 2018, JLMB 2020, afl. 5, (193)196, nr. 3; S. Brijs, R. Lindemans, A. Van Hoe, K. Paridaen, A. Roels en J. Cardinaels, “Kroniek. Insolventierecht (2019-2020)”, TRV-RPS 2020, afl. 5, (559) 563, nr. 11.
    [57] Gent 17 november 2014, DAOR 2015, afl. 113, 97 (samenvatting); Bergen 3 november 2014, TBH 2015, afl. 6, (603) 604-605; Orb. Henegouwen (afd. Charleroi), AR A/20/00496, gepubliceerd in dit nummer; Orb. Brussel (Fr.) 10 februari 2020, AR Q/20/4, gepubliceerd in dit nummer; Orb. Luik (afd. Luik) 16 maart 2018, JLMB 2019, afl. 27, 1288; D. Pasteger, “Les annexes à la requête en réorganisation judiciaire: fiabilité des comptes ou du débiteur?”, JLMB 2020, afl. 5, 197.
    [58] Orb. Henegouwen (afd. Charleroi), AR A/20/00496, gepubliceerd in dit nummer; Orb. Luik (afd. Luik) 14 januari 2020, AR Q/17/78, gepubliceerd in dit nummer; S. Brijs en R. Lindemans, “Draaiboek collectief akkoord en overdracht onder gerechtelijk gezag” in H. Braeckmans (et al.), Curatoren en vereffenaars: actuele ontwikkelingen, IV, Antwerpen, Intersentia, 2017, 4, nr. 6.
    [59] Gent 17 november 2014, DAOR 2015, afl. 113, 97 (samenvatting); S. Brijs en R. Lindemans, “Kroniek. Insolventierecht (2015-2016)”, TRV-RPS 2017, afl. 3, (288) 295, nr. 22.
    [60] S. Brijs en R. Lindemans, “Draaiboek collectief akkoord en overdracht onder gerechtelijk gezag” in H. Braeckmans (et al.), Curatoren en vereffenaars: actuele ontwikkelingen, IV, Antwerpen, Intersentia, 2017, 5, nr. 6; M. Vanmeenen, “Communicatie- en informatietekorten binnen de wet continuïteit ondernemingen: de schuldeisers blijven te vaak in de kou staan …”, TBH 2010, afl. 6, (551) 553, nr. 6.
    [61] Wetsontwerp Boek XX (Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 54-2407/001, 57); wetsvoorstel betreffende de continuïteit van de ondernemingen (Parl.St. Kamer 2007, nr. 52-160/001, 17).
    [62] Zie daarover nader: C. Van Den Brouck, “De WCO en boek XX WER: inleiding, algemeen concept en inwerkingtreding” in X, Faillissement & Reorganisatie, Mechelen, Kluwer, losbl., 2017, afl. 60, 48-52, nr. 62; R. Jansen, “Het nieuwe insolventierecht in de notariële praktijk (deel 1)”, Not.Fisc.M. 2018, afl. 8, (226), 242, nr. 41; M. Vanmeenen, “Communicatie- en informatietekorten binnen de wet continuïteit ondernemingen: de schuldeisers blijven te vaak in de kou staan …”, TBH 2010, afl. 6, 551-556, in het bijzonder randnrs. 6-9.
    [63] Orb. Luik (afd. Luik) 14 januari 2020, AR Q/17/78, gepubliceerd in dit nummer.
    [64] Wetsontwerp Boek XX (Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 54-2407/001, 57); Orb. Luik (afd. Luik) 14 januari 2020, AR Q/17/78, gepubliceerd in dit nummer; V. Fremat, S. Berg, G. De Sauvage en J.-F. Goffin, Continuïteit van ondernemingen. Artikelsgewijze commentaar bij Boek XX WER en COA nr. 102, Antwerpen, Intersentia, 2018, 229, nr. 2.
    [65] Wetsontwerp Boek XX (Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 54-2407/001, 55-57); wetsontwerp tot wijziging van verschillende wetgevingen inzake de continuïteit van de ondernemingen (Parl.St. Kamer 2012-13, nr. 2692/001, 13); Antwerpen 20 februari 2014, RW 2015-16, afl. 8, 310.
    [66] Luik 18 december 2018, JLMB 2020, afl. 5, 193. Anders: Luik 20 november 2014, DAOR 2015, afl. 115, 77.
    [67] Brussel 8 mei 2020, JLMB 2020, afl. 30, (1409) 1411 en 1413, nrs. 8 en 10; Orb. Luik (afd. Luik) 16 maart 2018, JLMB 2019, afl. 27, (1288) 1289-1290; I. Verougstraete (ed.), Manuel de l'insolvabilité de l'entreprise, Mechelen, Kluwer, 2019, 415, nr. 413.
    [68] Luik 8 november 2016, TRV-RPS 2017, afl. 5, (603) 605-606.
    [69] V. Fremat, S. Berg, G. De Sauvage en J.-F. Goffin, Continuïteit van ondernemingen. Artikelsgewijze commentaar bij Boek XX WER en COA nr. 102, Antwerpen, Intersentia, 2018, 229, nrs. 2-3; P. Coussement, “De Wet op de Continuïteit van de Ondernemingen van 31 januari 2009”, TBH 2009, afl. 4, (283) 305-306, nr. 70.
    [70] GwH 18 januari 2012, nr. 8/2012, Arr.GwH 2012, afl. 1, 121.
    [71] De volgende rechtspraak weigerde de homologatie wegens de onvolledigheid en/of onjuistheid van de lijst der schuldeisers en/of de boekhoudkundige stukken: Brussel 15 januari 2013, DAOR 2014, afl. 111, 182 (samenvatting) (weigering wegens strijdigheid met de openbare orde gelet op art. 490ter, 3° Sw.); Brussel 5 oktober 2012, TRV 2014, afl. 8, 806 (weigering wegens schending pleegvormen); Kh. Tongeren 15 maart 2010, TBH 2010, afl. 6, 549 (schending pleegvormen). Anders: Antwerpen 22 november 2012, RABG 2013, afl. 4, 195 (geen weigering tot homologatie); Kh. Gent (afd. Brugge) 5 april 2019, TIBR 2020, afl. 1, RS-8 (de verzoeker kreeg de toelating om een aangepast reorganisatieplan en een aangepaste lijst der schuldeisers neer te leggen). Meer algemeen: V. Fremat, S. Berg, G. De Sauvage en J.-F. Goffin, Continuïteit van ondernemingen. Artikelsgewijze commentaar bij Boek XX WER en COA nr. 102, Antwerpen, Intersentia, 2018, 306, nr. 3; R. Aydogdu, “La fin anticipée d'une réorganisation judiciaire par accord collectif: un chameau peut-il passer par le chas d'une aiguille?” (noot onder Kh. Brussel 20 oktober 2010), JLMB, 2011, 1689.
    [72] Orb. Henegouwen (afd. Charleroi), AR A/20/00496, gepubliceerd in dit nummer; Kh. Antwerpen (afd. Tongeren) 17 mei 2017, NJW 2018, afl. 374, (29) 30; V. Fremat, S. Berg, G. De Sauvage en J.-F. Goffin, Continuïteit van ondernemingen. Artikelsgewijze commentaar bij Boek XX WER en COA nr. 102, Antwerpen, Intersentia, 2018, 328, nr. 2; J. Daelman, “Commentaar bij art. 57 WCO” in J. Embrechts, Wet en duiding. Economisch recht, Deel 7, Insolventie, Brussel, Larcier, 2014, 257, nr. 3; M. Vanmeenen, “Communicatie- en informatietekorten binnen de wet continuïteit ondernemingen: de schuldeisers blijven te vaak in de kou staan …”, TBH 2010, afl. 6, (551) 555-556, nr. 10.
    [73] Het betrof een vordering van een voormalige bestuurder tot betaling van een ontslagvergoeding, die hij provisioneel begroot had op ongeveer 865.000,00 EUR.
    [74] Er werd een ontslagvergoeding van 209.000,00 EUR geboekt als provisie voor risico's en kosten.
    [75] Vgl. Luik 18 december 2018, JLMB 2020, afl. 5, 193 (hierboven besproken).
    [76] D. Pasteger, “Les annexes à la requête en réorganisation judiciaire: fiabilité des comptes ou du débiteur?”, JLMB 2020, afl. 5, (197) 203, nr. 10.
    [77] Kennelijk met succes. De debatten werden heropend op de zitting van 22 januari 2021. Tijdens het laatste nazicht van het Belgisch Staatsblad (op 28 februari 2021) was geen beslissing gepubliceerd tot intrekking van het reorganisatieplan (art. XX.83, tweede lid WER). Dat doet vermoeden dat de schuldenaar zijn verplichtingen is nagekomen en dat het reorganisatieplan behouden kon worden.
    [78] Vgl. Brussel 8 mei 2020, JLMB 2020, afl. 30, (1409) 1413, nr. 10: “La motivation adoptée par le premier juge pour ne pas prendre en compte les pièces comptables produites à l'appui de la requête ne peut être suivie en ce qu'elle aboutit à ce que toute entreprise dont les dirigeants feraient l'objet de poursuites judiciaires pour des préventions de faux en écriture dans la comptabilité serait ipso facto exclue de toute procédure de réorganisation judiciaire jusqu'à ce qu'il ait été définitivement statué sur les prétendues infractions alléguées par le ministère public.”
    [79] Luik 18 juni 2009, TBH 2009, afl. 7, (652) 653; D. Pasteger, “Les annexes à la requête en réorganisation judiciaire: fiabilité des comptes ou du débiteur?”, JLMB 2020, afl. 5, (197) 202, nr. 8 en vn. 25 en 26; P. Coussement, “De Wet op de Continuïteit van de Ondernemingen van 31 januari 2009”, TBH 2009, afl. 4, (283) 300, nr. 51.
    [80] Iets anders is het geval waar een reorganisatieverzoek ertoe strekt om een illegale situatie in stand te houden of een illegaal voordeel te behalen (S. Brijs en R. Lindemans, “Kroniek. Insolventierecht (2015-2016)”, TRV-RPS 2017, afl. 3, (288) 293, nr. 17). In het geannoteerde vonnis werd geoordeeld dat daarvan geen sprake was.
    [81] Wetsontwerp tot wijziging van verschillende wetgevingen inzake de continuïteit van de ondernemingen (Parl.St. Kamer 2012-13, nr. 2692/001, 13); I. Verougstraete et al., Manuel de l'insolvabilité de l'entreprise, Mechelen, Kluwer, 2019, 417, nr. 414; J. Malekzadem, “Commentaar bij art. 17 WCO” in J. Embrechts, Wet en duiding. Economisch recht, Deel 7, Insolventie, Brussel, Larcier, 2014, 182, nr. 11.
    [82] De reorganisatieprocedure kende geen succes. Uit het Belgisch Staatsblad blijkt dat de reorganisatieprocedure bij vonnis van 22 april 2020 voortijdig beëindigd werd. Op dezelfde datum werd het faillissement uitgesproken.
    [83] Brussel 21 september 2010, TRV 2011, afl. 4, 285; Brussel 29 april 2010, TBH 2011, afl. 9, 904.
    [84] Zie hierboven en hieronder: de wijziging van art. XX.41 WER zal buiten werking treden op 30 juni 2021, behoudens verlenging bij KB (art. 17, tweede en derde lid wet 21 maart 2021 tot wijziging van Boek XX; Parl.St. Kamer 2019-20, nr. 55-1337/008, 52; Parl.St. Kamer 2019-20, nr. 55-1337/009). Deze temporele beperking lijkt er gekomen te zijn na het advies van de Raad van State (Parl.St. Kamer 2019-20, nr. 55-1337/002, 12).
    [85] Wetsvoorstel van 10 juni 2020 tot wijziging van Boek XX van het Wetboek van economisch recht (Parl.St. Kamer 2019-20, nr. 55-1337/001, 3 en 5).
    [86] Zie ook het advies van de Raad van State van 8 juli 2020, nr. 67.623/2 (Parl.St. Kamer 2019-20, nr. 55-1337/002, 10-12).
    [87] Art. 17, eerste lid van de wet van 21 maart 2021 tot wijziging van Boek XX (BS 26 maart 2021, ed. 1).
    [88] Art. 17, tweede en derde lid van de wet van 21 maart 2021 tot wijziging van Boek XX; A. Van Hoe, I. Verougstraete en J.-Ph. Lebeau, “De wet van 21 maart 2021 tot wijziging van Boek XX WER en WIB 1992”, TBH 2021, afl. 3, (274) 282, nrs. 44-45.
    [89] Zie vn. 4 en www.news.belgium.be/nl/verlenging-van-de-tijdelijke-maatregelen-genomen-ten-voordele-van-ondernemingen-moeilijkheden (consultatie 28 juni 2021).
    [90] Art. 7 van de wet van 21 maart 2021 tot wijziging van Boek XX.
    [91] A. Van Hoe, I. Verougstraete en J.-Ph. Lebeau, “De wet van 21 maart 2021 tot wijziging van Boek XX WER en WIB 1992”, TBH 2021, afl. 3, (274) 281, nrs. 38-39.
    [92] D. Bruloot, “Kroniek van het insolventierecht tijdens de corona-epidemie: is het insolventierecht in crisis?”, TBH 2020, afl. 10, (1387) 1401-1402, nr. 55.
    [93] Art. 16 van de wet van 21 maart 2021 tot wijziging van Boek XX.