Article

Leidt het arrest nr. 16/2021 van 28 januari 2021 van het Grondwettelijk Hof tot nieuwe inzichten i.v.m. de schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring ex artikel 43bis Sw. in relatie tot de conclusieregeling in strafzaken ex artikel 152 Sv.?, R.D.C.-T.B.H., 2021/8, p. 1018-1027

STRAFRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN
Straffen - Verbeurdverklaring - Neerleggen van conclusies - Termijn - Openbaar Ministerie - Niet in conclusie vervatte vorderingen - Bijzondere verbeurdverklaring
Het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel in samenhang gelezen met het beginsel van de wapengelijkheid verzet er zich niet tegen dat het Openbaar Ministerie indien er vaste conclusietermijnen werden bepaald overeenkomstig artikel 152 Sv., in zijn mondelinge vordering op de terechtzitting straffen vordert of argumenten ontwikkelt die het niet voorafgaandelijk schriftelijk in conclusie heeft ontwikkeld. De omstandigheid dat de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen overeenkomstig artikel 43bis Sw. een schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie vereist, verandert daar niets aan. Afhankelijk van de inhoud van de mondelinge vordering van het Openbaar Ministerie, kan de strafrechter in dat geval evenwel besluiten tot het bestaan van nieuw een en ter zake dienend feit dat overeenkomstig artikel 152, § 2, Sv. kan nopen tot het vastleggen van nieuwe conclusietermijnen.
DROIT PÉNAL - PRINCIPES GÉNÉRAUX
Peines - Confiscation - Dépôt de conclusions - Délai - Ministère public - Réquisitions non contenues dans les conclusions - Confiscation spéciale
Le principe constitutionnel d'égalité lu conjointement avec le principe de l'égalité des armes ne s'oppose pas à ce que le ministère public, si des délais fixes pour conclure ont été déterminés en vertu de l'article 152 du C.i. cr., réclame des peines ou développe des arguments lors de sa réquisition orale à l'audience qu'il n'a pas développé dans ses conclusions écrites. La circonstance que la confiscation d'avantages patrimoniaux exige une réquisition écrite du ministère public en vertu de l'article 43bis C. pén., ne change rien à ce fait. En fonction du contenu de la réquisition orale du ministère public, le juge pénal peut dans ce cas cependant décider de l'existence d'un fait nouveau et pertinent justifiant selon l'article 152, § 2, C.i. cr. la fixation de nouveaux délais pour conclure.
Leidt het arrest nr. 16/2021 van 28 januari 2021 van het Grondwettelijk Hof tot nieuwe inzichten i.v.m. de schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring ex artikel 43bis Sw. in relatie tot de conclusieregeling in strafzaken ex artikel 152 Sv.?
Joost Huysmans [1] et Patrick Waeterinckx [2]
I. Inleiding

1.Sinds de Potpourri-II [3]-hervorming van 2016, zijn penalisten bekend(er) geraakt met het fenomeen “conclusietermijnen”. Daar waar in strafzaken vroeger conclusies werden neergelegd op de zitting, is dit sindsdien niet (noodzakelijk) meer het geval. [4]

Artikel 152 Sv. maakt het sinds die hervorming mogelijk dat de strafrechter voortaan bindende conclusietermijnen kan opleggen. [5] Gaandeweg ontstonden daarbij diverse rechtsvragen, waaronder de vraag of de schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring van vermogensvoordelen als conclusie is te kwalificeren? [6] En indien bevestigend wordt geantwoord, of deze al dan niet binnen de vooropgestelde conclusietermijnen moet worden neergelegd (art. 43bis Sw.)?

Gelet op de evolutie die het voorschrift tot schriftelijk vorderen van de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen sinds de invoering ervan in 2003 had meegemaakt, liet het resultaat zich wellicht enigszins voorspellen …

De kernvraag is of het hier geannoteerde arrest van het Grondwettelijk Hof leidt tot nieuwe inzichten.

II. De ratio legis van het vereiste van een schriftelijke vordering onder artikel 43bis van het Strafwetboek

2.Het is nuttig om voorafgaand aan de analyse van het arrest van het Grondwettelijk Hof nog eens het geheugen op te frissen waarom de wetgever de schriftelijke vordering voor de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen heeft ingevoerd.

3.Sinds de inwerkingtreding van de “kaalplukwet” [7] op 24 februari 2003, is een verbeurdverklaring van vermogensvoordelen in de zin van artikel 42, 3° Sw. op basis van artikel 42, derde lid Sw. alleen maar mogelijk als een voorafgaande schriftelijke ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie voorligt. Die vereiste geldt ook voor de verbeurdverklaring van een equivalent bedrag of waardeconfiscatie (art. 43bis, tweede lid Sw.) en de verbeurdverklaring met teruggave/toewijzing aan de burgerlijke partij (art. 43bis, derde lid Sw.). [8]

Artikel 43bis, eerste lid Sw. bepaalt:

Bijzondere verbeurdverklaring toepasselijk op de zaken bedoeld in artikel 42, 3°, kan door de rechter in elk geval worden uitgesproken, maar slechts voor zover zij door de procureur des Konings schriftelijk wordt gevorderd.”  [9]

4.In de memorie van toelichting benadrukte de wetgever dat waar het voor de verbeurdverklaring van het voorwerp, het instrument en het product van het misdrijf, nog kon worden aangenomen dat deze ambtshalve kunnen worden bevolen door de rechtbank, dit moeilijker aanneembaar is voor vermogensvoordelen omwille van de zeer grote impact die deze straf kan hebben. De wetgever voegde eraan toe dat deze impact ook de reden was waarom de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen door de wetgever in 1990 bewust als een facultatieve straf werd geconcipieerd. Daarom wenste de wetgever dat de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen uit een misdrijf slechts kan worden bevolen voor zover zij door het Openbaar Ministerie uitdrukkelijk wordt gevorderd. Dit impliceert dat het Openbaar Ministerie in zijn schriftelijke vordering zal moeten preciseren van welke vermogensvoordelen, goederen en waarden die ervan in de plaats zijn gesteld en/of inkomsten uit belegde voordelen het de verbeurdverklaring vordert. Deze verplichting geldt uiteraard ook in geval het Openbaar Ministerie de verbeurdverklaring wil zien uitspreken bij equivalent (waardeconfiscatie). [10]

5.In het verslag namens de Commissie voor de Justitie in de Senaat werd daaraan toegevoegd dat de inverdenkinggestelde niet meer zou kunnen worden verrast door een verbeurdverklaring die niet werd gevorderd en waarover hij zich niet heeft kunnen verdedigen. [11]

Op een vraag van een lid herinnerde de minister van Justitie aan de ratio legis van de vereiste van een schriftelijke vordering vanwege de procureur des Konings en verwees hij naar:

het feit dat de advocaten deze invoeging gunstig zijn gezind. De verbeurdverklaring is immers in een aantal gevallen een facultatieve sanctie. Artikel 43bis, eerste lid bepaalt dat de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen facultatief is, in tegenstelling tot de verbeurdverklaring van het voorwerp en het product van het misdrijf. De bestaande regeling bestaat erin dat de rechtbank ambtshalve de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen kan uitspreken zonder dat het parket het heeft gevraagd. Dit zet de advocaat van de beklaagde in een moeilijke positie. Indien het parket de verbeurdverklaring niet vordert, weet hij immers niet wat te doen. Indien hij er zelf over concludeert, maakt hij misschien slapende honden wakker. Indien hij er niets over zegt, kan de rechtbank toch ambtshalve de verbeurdverklaring uitspreken en heeft hij zich op dat vlak niet kunnen verdedigen. Aldus stelt voorliggend ontwerp de vereiste in van een specifieke, schriftelijke vordering vanwege het parket. Aldus weet de verdachte precies waar hij aan toe is bij zijn verschijning voor de rechtbank”. [12]

Het essentiële doel van de schriftelijke vordering was dat de verdachte precies (!) zou weten waarop hij zich dient te verdedigen bij de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen. [13] Hoe precies “precies” is, zal hierna blijken uit de geconsulteerde rechtspraak.

6.Hoewel het Hof van Cassatie het uitgangspunt van de wetgever in zijn rechtspraak getrouw verwoordt [14], heeft het zich doorheen de jaren toch enigszins verwijderd van de wettelijke regeling i.v.m. de schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring zoals bepaald onder artikel 43bis, eerste lid Sw.

Volgend exemplatief overzicht illustreert dit:

    • De vordering kan mondeling ter zitting worden geformuleerd en worden geacteerd op het proces-verbaal van de terechtzitting. [15] Dat dit zou volstaan werd al vrij vroeg opgemerkt in gezaghebbende rechtsleer. [16]
    • De schriftelijke vordering moet niet in elke aanleg worden genomen en kan voor het eerst in hoger beroep worden genomen. [17]
    • De vordering hoeft het te verbeuren bedrag zelfs niet te bepalen omdat dit toekomt aan de rechter. [18] De omvang van het bedrag is altijd in het debat en behoort tot de soevereine beoordeling van de rechter die niet gebonden is door het gevorderde bedrag. [19] Meer nog, de rechter moet de beklaagde ook niet verwittigen als hij beslist tot het verbeuren van een hoger bedrag dan gevorderd. [20]

    Hiermee klaart het Hof van Cassatie min of meer een controverse uit die in de rechtsleer was ontstaan net na het invoeren van de vereiste tot schriftelijke vordering. R. Verstraeten en D. Dewandeleer bepleitten toen - o.i. terecht - dat toch enige graad van precisie mag worden verwacht wat betreft de identificatie en/of waardering van de vermogensvoordelen. [21] G. Stessens en P. Traest betoogden zelfs dat een schriftelijke vordering zou impliceren dat de rechter geen zaken kan ontnemen die niet in de vordering zijn opgenomen. [22] C. Caliman daarentegen had in diezelfde periode al benadrukt dat evalueren van vermogensvoordelen een soms moeilijke aangelegenheid kan zijn waarbij de nodige preciseringen pas opduiken bij het onderzoek ter terechtzitting. [23] Dat dit effectief in sommige gevallen mogelijk zou zijn, verhindert o.i. echter niet dat een behoorlijke begroting van het vermogensvoordeel een onderdeel moet zijn van een behoorlijk onderzoek. Overigens wijst de praktijk toch enigszins uit dat die “precisering ter zitting” er meestal komt door de beklaagde die in ingewikkelde financiële strafzaken - waarop C. Caliman doelde - uiteindelijk een technisch raadsman moet bekostigen om alsnog een behoorlijke begroting aan de rechter te kunnen voorleggen. Men kan R. Verstraeten en D. Dewandeleer volgen waar zij benadrukken dat een loyale proceshouding toch een enigszins behoorlijk gefundeerde ontnemingsvordering vereist. [24], [25]

    Het Openbaar Ministerie kan een door de eerste rechter geweerde mondelinge vordering in hoger beroep hernemen. [26]

    De rechtspraak van het Hof van Cassatie legt enige soepelheid aan de dag bij de wissel van de grondslag voor de vordering tot verbeurdverklaring. Dergelijke wissel is een bijzonder aandachtspunt in het geval het Openbaar Ministerie - hoewel niet verplicht maar getuigend van een behoorlijke procesvoering - een vordering tot verbeurdverklaring neemt i.v.m. het voorwerp van het witwassen. In die hypothese zou het kunnen dat de rechter oordeelt dat het zogenaamd voorwerp een voordeel is uit de omzettingswitwas als bedoeld onder artikel 505, eerste lid, 3° Sw. In dergelijk geval is het resultaat van de omzetting niet het voorwerp van de witwas, maar een vermogensvoordeel uit de witwas dat valt onder de facultatieve verbeurdverklaring ex artikel 42, derde lid Sw. jo. 43bis Sw. [27] In die hypothese kan de rechter verbeurdverklaren op grond van laatst vermelde wettelijke basis en zonder dat het Openbaar Ministerie een nieuwe vordering neemt omdat ook de rechtsgrond in het debat is. [28] Echter vereist dergelijke verbeurdverklaring een bijzondere motivering (art. 195, tweede lid Sv.). [29]

    Op 6 november 2018 nam het Hof van Cassatie trouwens een zeer belangrijk standpunt in i.v.m. de verhouding tussen de verplichte en de facultatieve verbeurdverklaring[30] Zuiver legaal beschouwd rees er immers een probleem. In dergelijke hypothese is de verbeurdverklaring van het omgezette vermogensvoordeel dat is verdwenen verplicht, en de verbeurdverklaring van het omzettingsresultaat facultatief. D. Vandermeersch was de mening toegedaan dat in dergelijke hypothese de facultatieve verbeurdverklaring niet kon worden uitgesproken wegens ondergeschikt aan de verplichte. [31] V. Truillet wees er dan weer terecht op dat bij deze legalistische oplossing uitvoeringsmoeilijkheden kunnen ontstaan. [32]

    Het Hof van Cassatie oordeelde op 6 november 2018 dat een effectieve ontneming primeert. Zulks blijkt uit volgende heldere overweging:

    19. Uit het voorgaande volgt dat niets zich ertegen verzet dat de rechter lastens de dader van een witwasmisdrijf niet de verplichte bijzondere verbeurdverklaring beveelt van het goed dat wordt omgezet als voorwerp van het witwasmisdrijf, maar wel de facultatieve bijzondere verbeurdverklaring van het goed na omzetting als uit het witwasmisdrijf voorkomende vermogensvoordelen.”  [33]

    7.Wat betreft de actuele draagwijdte van de “plicht” tot het nemen van een schriftelijke vordering op basis van artikel 42, derde lid jo. 43bis Sw., kan lering worden gepuurd uit een cassatiearrest van 28 september 2018. Zo heeft de vordering enkel betrekking op goederen en gelden die kunnen worden gelieerd aan de tenlasteleggingen waarvoor het Openbaar Ministerie vervolgt; m.a.w. binnen saisine. Binnen saisine geldt echter geen beperking tot de goederen en gelden waarvoor het Openbaar Ministerie op basis van de tenlasteleggingen de verbeurdverklaring vordert. Het is de rechter die binnen de perken van de tenlasteleggingen bepaalt waarvoor het Openbaar Ministerie de verbeurdverklaring vordert van bepaalde vermogensvoordelen, wat de geldwaarde ervan is en of deze finaal in object dan wel in waarde verbeurd moeten worden verklaard. [34] Of zoals F. Van Volsem het treffend verwoordde in een noot bij dit arrest:

    (…) het Hof van Cassatie (ziet) de schriftelijke vordering van artikel 43bis, eerste lid Strafwetboek slechts (…) als een toegangsticket voor het opleggen van de bijkomende straf van de bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen en dus niet als een bovengrens.” [35]

    Dit sluit aan bij wat C. Caliman al net na de inwerkingtreding van de wet opmerkte, nl. dat de vormvereiste van de schriftelijke vordering moet worden beoordeeld vanuit de doelstelling, zijnde het voorbereiden van een contradictoir debat. [36]

    III. De (schriftelijke) vordering tot verbeurdverklaring, een (soort) conclusie?
    § 1. De visie van het Hof van Cassatie

    8.Bij de invoering van dwingende conclusietermijnen in strafzaken (cf. supra, randnr. 1), was bepaalde rechtsleer van mening dat het Openbaar Ministerie zich wat betreft de schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring naar de nieuwe regeling diende te schikken. [37] Volgens die stelling moest de vordering in de vereiste vorm worden opgesteld en binnen de conclusietermijn voor het Openbaar Ministerie ter griffie worden neergelegd en meegedeeld aan de partijen. Die stelling werd door andere rechtsleer dan weer in twijfel getrokken. [38]

    Het was dus met spanning afwachten hoe onze hoogste rechtscolleges een eventuele inpassing van de vordering tot verbeurdverklaring in de regeling van conclusietermijnen in strafzaken zouden beoordelen.

    9.Het Hof van Cassatie oordeelde daarover een eerste maal op 29 januari 2019. [39] Het Hof oordeelde conform zijn gevestigde rechtspraak dat de schriftelijke vordering in elke stand van de rechtspleging kan worden genomen, bijvoorbeeld door de voeging van een stuk aan het strafdossier, de opname ervan in de vordering tot regeling van de rechtspleging of in de dagvaarding. Het is alleen vereist dat de vordering voorafgaand aan het vonnis of het arrest aan de rechtspleging wordt toegevoegd zodat de beklaagde er kennis kan van nemen en zich ertegen kan verdedigen. Zelfs een mondelinge vordering waarvan de inhoud regelmatig wordt vastgesteld in het proces-verbaal van de terechtzitting, kan voldoende zijn opdat de beklaagde zijn recht van verdediging kan uitoefenen. Dit is het geval als uit dit proces-verbaal blijkt dat het Openbaar Ministerie de bijzondere verbeurdverklaring heeft gevorderd van vermogensvoordelen en niet blijkt dat de beklaagde uitstel heeft gevraagd om daarop te antwoorden. [40]

    10.Het Hof herhaalde (bevestigde) die rechtspraak op 28 mei 2019. [41] In de zaak die aanleiding gaf tot dit arrest, had de eerste rechter de schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring uit de debatten geweerd omdat zij niet was neergelegd binnen de opgelegde conclusietermijn. Voor het hof van beroep (dat geen conclusietermijnen oplegde) had het Openbaar Ministerie diezelfde vordering, die zich al fysiek in het dossier bevond, hernomen. Die vordering werd door hof van beroep ook zonder enig probleem aanvaard in het debat.

    Tegen dit oordeel tekende de beklaagde cassatieberoep aan, maar hij werd niet gevolgd door het Hof van Cassatie. Het Hof overliep nog eens de kernprincipes van zijn rechtspraak (cf. supra, randnr. 6) en benadrukte dat:

      • een schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring kan genomen worden in elke stand van het geding;
      • desnoods een mondelinge vordering door de griffier schriftelijk kan worden geacteerd op het proces-verbaal van de terechtzitting;
      • het Openbaar Ministerie een door de eerste rechter geweerde mondelinge vordering in hoger beroep kan hernemen; maar
      • de beklaagde zich wel effectief moet kunnen verweren waarvoor hem desgevallend een uitstel moet worden verleend.

      Het is bijgevolg aan de verdediging om alert te zijn en erover te waken dat de rechten van verdediging van de beklaagde worden gevrijwaard. Dit kan, nadat de mondelinge vordering tot verbeurdverklaring werd geacteerd, door te verzoeken om een uitstel als dit nodig blijkt om zich effectief te kunnen verweren op de vordering. Een weigering van dergelijk uitstel zou strijdig zijn met artikel 6 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel van het recht op verdediging.

      § 2. Kan de visie van het Grondwettelijk Hof een kentering brengen in de rechtspraak van het Hof van Cassatie?

      11.Op 26 november 2019 stelde de correctionele rechtbank van Tongeren een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. De aanleiding voor de verdediging om de rechtbank hiertoe te bewegen was de houding van het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie had in wat toch een complex en technisch geschil was, binnen de op basis van artikel 152 Sv. door de correctionele rechtbank opgelegde conclusietermijnen een nota van één pagina neergelegd i.v.m. de verbeurdverklaring. Daarin werd weliswaar vermeld dat het Openbaar Ministerie de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen vorderde, maar voor het overige ontbrak elke verdere toelichting of berekening. Bovendien voldeed die nota niet aan de vormvereisten waaraan een conclusie moet voldoen overeenkomstig artikel 744 Ger.W. [42]

      Ter zitting had het Openbaar Ministerie dan een lang mondeling pleidooi gehouden over de verbeurdverklaring op basis van een nota die veel omstandiger was dan de neergelegde nota van één bladzijde en die niet op voorhand was meegedeeld of neergelegd.

      12.Naar aanleiding hiervan stelde de rechtbank op verzoek van de verdediging volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof:

      Schendt artikel 152 Wetboek van Strafvordering de artikelen 10, 11 en 14 van de Grondwet, in de lezing dat de conclusies van het Openbaar Ministerie niet de schriftelijke opgave van al zijn aanspraken dienen te bevatten - ook inzake de gebeurlijk gevorderde bijzondere verbeurdverklaring op grond van artikel 42 Strafwetboek - in de mate dergelijke lezing afbreuk zou doen aan de krachtens de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gewaarborgde 'wapengelijkheid' tussen de partijen tot het strafproces en aan het bij artikel 14 van de Grondwet gegarandeerde strafrechtelijke legaliteitsbeginsel?”  [43]

      13.Het was afwachten of het Grondwettelijk Hof zich (min of meer) zou aansluiten bij de rechtspraak van het Hof van Cassatie dan wel eerder oog zou hebben voor de bekommernis van de verdediging om de wapengelijkheid met het Openbaar Ministerie. Immers, had de wetgever met de invoering van de dwingende conclusietermijnen niet net de bedoeling gehad om de wapengelijkheid te bewerkstelligen? [44]

      IV. Het Grondwettelijk Hof neemt standpunt in
      § 1. Het antwoord van het Grondwettelijk Hof

      14.Voorafgaandelijk merken we op dat het Openbaar Ministerie in casu binnen de door de correctionele rechtbank opgelegde conclusietermijnen wel een schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring had neergelegd. Zoals hoger aangeven (zie supra, randnr. 6), legt het Hof van Cassatie niet erg veel vormvoorschriften op aan de schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring in de zin van artikel 43bis Sw. Meer nog, het beschouwt die vordering in essentie louter als een “toegangsticket” opdat de strafrechter de facultatieve bijkomende straf van de verbeurdverklaring zou kunnen opleggen. In dit geval had dit toegangsticket de vorm van een nota van één bladzijde neergelegd binnen afgesproken conclusietermijnen. Aldus stond vast dat deze nota alleszins niet kon worden geweerd op basis van artikel 152 Sv.

      15.De verdediging vroeg in dit verband om de wering van de nota omdat deze niet voldeed aan de vormvoorschriften van artikel 744 Ger.W. Maar de miskenning van die vormvoorschriften leidt er krachtens artikel 780, 3° Ger.W. hoogstens toe dat de rechter niet verplicht is de nota te beantwoorden. Zij kan niet leiden tot een wering van de nota [45]; overigens voor zover deze sanctie al toepassing zou vinden in strafzaken. [46]

      16.Wat de verdediging het Openbaar Ministerie in essentie aldus verweet, was het deloyaal handelen door de schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring zeer beknopt te houden om daarna op de terechtzitting ruim mondeling te vorderen over de verbeurdverklaring op basis van een duidelijk zeer omstandige schriftelijke tekst die het niet had neergelegd. De prejudiciële vraag had aldus primair betrekking op de ruimere problematiek van wat ambush arguments [47] zou kunnen worden genoemd. Hiermee bedoelen we de situatie waarin een procespartij - in dit geval het Openbaar Ministerie - (al dan niet bewust) belangrijke argumenten “achterhoudt” tot op de terechtzitting, zodat de andere procespartijen zich niet (of minstens zeer moeilijk) kunnen voorbereiden op de weerlegging ervan. Dit blijkt zowel uit de concrete formulering van de prejudiciële vraag als uit de debatten die voor het Grondwettelijk Hof plaatsvonden. [48]

      Dit volgens de verdediging deloyaal gedrag van het Openbaar Ministerie, had in casu weliswaar plaatsgevonden in de context van de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen waarvoor artikel 43bis Sw. naar een schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie verwijst. Bijgevolg lag inherent bij het Grondwettelijk Hof ook de vraag voor in hoeverre de Grondwet vereist dat een schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring in de zin van artikel 43bis Sw. te beschouwen is als een “conclusie” in de zin van artikel 152 Sv.

      17.Niettemin zondert het Grondwettelijk Hof in het geannoteerde arrest de vraag naar de grondwettelijkheid van artikel 152 Sv. in zoverre het ambush arguments van het Openbaar Ministerie toelaat, af van de vraag naar de grondwettelijkheid van het niet beschouwen van een schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring in de zin van artikel 43bis Sw. als een conclusie in de zin van artikel 152 Sv., en focust het vooral op de problematiek van de ambush arguments van het Openbaar Ministerie.

      18.Wat betreft de grondwettelijkheid van het niet als een conclusie beschouwen van een schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring, beperkt het Hof zich immers tot een beknopte weergave van de cassatierechtspraak waarin werd beslist dat een dergelijke vordering geen conclusie is in de zin van artikel 152 Sv. Deze vaststelling volstaat voor het Hof vervolgens om alvast die kwestie meteen terzijde te schuiven en zich te beperken tot de ruime(re) vraag in hoeverre artikel 152 Sv. ongrondwettig is in zoverre het ambush arguments van het Openbaar Ministerie toelaat. [49]

      19.Na in herinnering te hebben gebracht dat het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel niet uitsluit dat er een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld voor zover dat steunt op een objectief criterium en redelijk is verantwoord [50], en na ook een kort overzicht van enkele aspecten van het beginsel van de wapengelijkheid te hebben gegeven [51], buigt het Hof zicht over de ratio legis van het systeem van vaste conclusietermijnen in strafzaken. Het stelt hierbij vast artikel 152 Sv. tot doel heeft een ordentelijk verloop van een strafproces te waarborgen en een beter beheer van de zittingskalender in strafzaken mogelijk te maken. Het Hof onderstreept daarbij dat in de voorbereidende werken wel werd benadrukt dat het systeem van vaste conclusietermijnen geen afbreuk doet aan de mogelijkheid om middelen mondeling uiteen te zetten in pleidooien. [52]

      Vervolgens geeft het Grondwettelijk Hof aan dat artikel 152 Sv. geen wettelijk verschil in behandeling tussen het Openbaar Ministerie en de beklaagde heeft ingevoerd. Het systeem van vaste conclusietermijnen is immers ook van toepassing op het Openbaar Ministerie. Daarnaast zijn noch de beklaagde noch het Openbaar Ministerie verplicht om conclusies te nemen en geldt de sanctie van de wering van laattijdig neergelegde conclusies zowel voor de beklaagde als voor het Openbaar Ministerie. Finaal hebben het Openbaar Ministerie en de beklaagde allebei de mogelijkheid om in hun pleidooi bijkomende middelen te ontwikkelen die niet reeds in hun conclusie werden uiteengezet. [53]

      Daarop verwijst het Grondwettelijk Hof naar de uitzondering op de door artikel 152 Sv. ingestelde principiële onmogelijkheid om nog conclusies neer te leggen na afloop van de conclusietermijnen in geval van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit dat nieuwe besluiten rechtvaardigt. Het Hof geeft daarbij aan dat de inhoud van de mondelinge vordering van het Openbaar Ministerie de strafrechter in het licht van het beginsel van wapengelijkheid kan nopen tot het opleggen van nieuwe conclusietermijnen en het bepalen van een nieuwe rechtsdag. [54]

      Ten slotte citeert het Grondwettelijk Hof een passage uit de parlementaire voorbereiding bij artikel 152 Sv. waarin net een schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring van het Openbaar Ministerie wordt aangehaald als een voorbeeld van een “nieuw en ter zake dienend stuk of feit” in de zin van artikel 152 Sv. dat noopt tot nieuwe conclusietermijnen. [55]

      Al deze overwegingen volstaan voor het Grondwettelijk Hof om tot de conclusie te komen dat artikel 152 Sv. niet strijdig is met het Grondwettelijk gelijkheidsbeginsel (art. 10-11 Gw.), gelezen in samenhang met het beginsel van de wapengelijkheid. [56]

      § 2. Kritische bedenkingen bij het arrest

      20.De vraag rijst of het Grondwettelijk Hof in het geannoteerde arrest niet voorbij is gegaan aan de kern van de kwestie die de correctionele rechtbank aan het Hof wenste voor te leggen. Het is immers weinig controversieel dat het Openbaar Ministerie op de terechtzitting - ook in het licht van de wijze waarop de behandeling ten gronde is verlopen - in zijn requisitoir vrij de veroordeling of vrijspraak kan vorderen en kan aangeven welke straf of straffen (gevangenisstraf, geldboete, …) het opportuun acht, zonder daarbij te zijn gebonden door eerdere (schriftelijke) standpunten van het ambt. [57] Dit is immers precies wat het aloude adagium: “la plume est serve, mais la parole est libre” inhoudt. [58] Het is evenmin controversieel, en het wordt in het burgerlijk procesrecht ook expliciet onderstreept door artikel 756bis Ger.W. [59], dat procespartijen die geen conclusie hebben neergelegd of wiens conclusie als laattijdig werd geweerd op de zitting in hun pleidooi volledig vrij middelen kunnen ontwikkelen. [60]

      Als het Grondwettelijk Hof daar anders over had geoordeeld, dan zou dit overigens in de praktijk een aanzienlijke invloed hebben gehad op de werking van het Openbaar Ministerie. Het komt immers frequent voor dat zelfs als de strafrechter conclusietermijnen heeft toegekend, het Openbaar Ministerie geen conclusie neemt, tenzij in de strafzaak technische en/of principiële kwesties aan bod komen die het Openbaar Ministerie écht nopen tot het nemen van een conclusie. En zelfs als het Openbaar Ministerie concludeert, leert de ervaring dat het zich in beginsel veelal beperkt tot het innemen van een standpunt over die technische of principiële kwesties en zich niet verder uitlaat over de vordering tot bestraffing die het ter zitting zal nemen. Deze houding (of beleid) lijkt niet alleen te zijn ingegeven door de doelstelling om de handen vrij te houden tijdens de terechtzitting, maar ook door meer praktische overwegingen. Het Openbaar Ministerie beschikt immers niet over de nodige personele en logistieke middelen om in alle strafzaken waarin overeenkomstig artikel 152 Sv. vaste conclusietermijnen worden opgelegd, ook daadwerkelijk grondig te concluderen. [61]

      Dergelijke conclusietermijnen worden immers in beginsel [62] toegekend wanneer op de inleidingszitting één van de partijen daarom vraagt. [63] Bovendien hebben sommige rechtbanken er zelfs een min of meer vast gebruik van gemaakt om (bepaalde types van) strafzaken op te roepen voor een inleidingszitting met het oog op het vaststellen van vaste conclusietermijnen overeenkomstig artikel 152 Sv. indien één van de procespartijen daarom verzoekt.

      21.In het geval van de vordering tot verbeurdverklaring van vermogensvoordelen is het echter de wetgever zelf geweest die het Openbaar Ministerie de verplichting heeft opgelegd om die vordering schriftelijk te nemen; dit opdat de verdediging zich adequaat tegen die vordering zou kunnen verdedigen (zie supra, randnr. 5). Het was m.a.w. de wetgever zelf die bij de invoering van artikel 43bis Sw. van oordeel was dat het recht van verdediging van de beklaagde in casu noopte tot een ongelijke behandeling van de beklaagde en het Openbaar Ministerie, in de zin dat het Openbaar Ministerie - in afwijking van de algemene regeling [64] - wordt verplicht om een schriftelijke argumentatie te voeren, terwijl de beklaagde volgens de algemene regeling ook de mogelijkheid heeft om enkel mondeling standpunt in te nemen tijdens zijn pleidooi over de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen. De rechtspraak heeft echter deze door de wetgever uitdrukkelijk geregelde ongelijke behandeling van het Openbaar Ministerie volledig uitgevlakt door de schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring te decimeren tot een louter “toegangsticket” tot die straf. Meer nog, de vordering hoeft zich ook niet in te schakelen in de conform artikel 152 Sv. bepaalde vaste termijnen voor het voeren van een schriftelijke argumentatie (zie supra, randnr. 6).

      22.De kernproblematiek die het Grondwettelijk Hof in het geannoteerde arrest o.i. had dienen te beantwoorden maar waaraan het betreurenswaardig genoeg volledig is voorbijgegaan, bestaat er aldus in of het fundamenteel beginsel van het recht van verdediging op het vlak van de verbeurdverklaring effectief vereist dat aan het Openbaar Ministerie een specifieke bijkomende verplichting wordt opgelegd om de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen schriftelijk te vorderen, wat ook de opvatting was van de wetgever in 2003.

      Als dat het geval is, en de wetgever in 2003 dus gelijk had dat het recht van verdediging een specifieke bijkomende verplichting voor het Openbaar Ministerie vereist om de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen schriftelijk te vorderen, dan zou de erosie van de draagwijdte van de noodzaak van een schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring en de ook door het Grondwettelijk Hof in het geannoteerde arrest vastgestelde gelijke behandeling van het Openbaar Ministerie en de beklaagde het gelijkheidsbeginsel schenden in samenhang gelezen met het recht van verdediging. Het gelijkheidsbeginsel vereist immers niet alleen dat rechtssubjecten die zich in een vergelijkbare situatie bevinden in beginsel gelijk worden behandeld, maar ook dat rechtssubjecten die zich fundamenteel in een verschillende situatie bevinden die een verschil in behandeling vereist, ongelijk worden behandeld. [65]

      Indien dat daarentegen niet het geval is en de wetgever in 2003 bijgevolg een hoger beschermingsniveau voor de beklaagde zou hebben ingesteld dan wat het recht van verdediging vereiste, dan creëert de navolgende restrictieve interpretatie van die vereiste van een schriftelijke vordering door de rechtspraak niet (noodzakelijk) een grondwettelijk probleem.

      23.Een tweede bijkomende vraag waaraan de verwijzende rechtbank in zijn prejudiciële vraag ook leek te refereren met de (weliswaar eerder ongelukkige) [66] verwijzing naar artikel 14 Gw. [67], is de kwestie of het onverenigbaar is met het strafprocesrechtelijk legaliteitsbeginsel dat de rechtspraak een door de wetgever gewilde verplichting voor het Openbaar Ministerie om schriftelijke argumentatie te ontwikkelen over de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen, volledig uitkleedt tot een niet aan bijkomende inhoudelijke of termijnvereisten gebonden “toegangsticket” tot de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen.

      24.Het antwoord van het Grondwettelijk Hof op deze vragen zou zeker niet a priori evident bevestigend zijn geweest. [68] De motivering van het Hof in het geannoteerde arrest laat echter niet toe die vragen te behandelen, zodat o.i. de vraag naar de grondwettigheid van de uitsluiting van de schriftelijke vordering ex artikel 43bis Sw. van het regime van vaste conclusietermijnen van artikel 152 Sv. alleszins nog niet definitief is beslecht. Voer voor een nieuwe prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof?

      25.Afgezien van deze toch wel fundamentele kritiek die o.i. kan worden geuit op de wijze waarop het Grondwettelijk Hof in het geannoteerde arrest de prejudiciële vraag heeft beantwoord, kunnen er niettemin reeds enkele praktisch relevante gevolgtrekkingen worden gemaakt. We behandelen er hieronder twee.

      26.Ten eerste reikt het arrest van het Grondwettelijk Hof de strafrechter een criterium aan om te beoordelen of de ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit noopt tot het vastleggen van nieuwe conclusietermijnen overeenkomstig artikel 152, § 2, tweede lid Sv. Het Hof geeft immers aan dat de strafrechter bij zijn beslissing om al dan niet nieuwe conclusietermijnen toe te kennen rekening dient te houden met het recht op wapengelijkheid, dat het in navolging van de rechtspraak van het EHRM [69] invult als: “een billijk evenwicht tussen de partijen, die elk een redelijke mogelijkheid moeten krijgen om hun zaak voor te leggen onder voorwaarden die hen niet in een duidelijk nadelige positie ten opzichte van de tegenpartijen brengen”. [70]

      Als er sprake is van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit, een procespartij om een bijkomende conclusietermijn verzoekt, [71] en het fundamenteel beginsel van de wapengelijkheid dat vereist, dan zal de strafrechter ondanks het gebruik van het woord “kan” in artikel 152, § 2, tweede lid Sv., bijgevolg een uit artikel 6 EVRM afgeleide verplichting hebben om de behandeling van de strafzaak uit te stellen en nieuwe conclusietermijnen vast te leggen. Daarbuiten heeft de strafrechter bij de ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit de soevereine mogelijkheid om nieuwe conclusietermijnen vast te leggen indien hij dat nuttig acht in het licht van de goede rechtsbedeling. [72] M.a.w., een strafrechter die bij de ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit niet wenst in te gaan op een verzoek van een procespartij tot het vastleggen van nieuwe conclusietermijnen, zal afdoende en aan de hand van de concrete elementen van de zaak moeten motiveren waarom zijn weigering het beginsel van de wapengelijkheid niet schendt.

      27.Ten tweede volgt uit het arrest van het Grondwettelijk Hof eveneens dat volgende “gebeurtenissen” ipso facto te beschouwen zijn als een “nieuw en ter zake dienend stuk of feit” in de zin van artikel 152, § 2, tweede lid Sv.:

        • een schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie tot de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen die werd neergelegd na afloop van de laatste conclusietermijn van een in die vordering betrokken procespartij; of
        • een mondelinge argumentatie van het Openbaar Ministerie over de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen die op een essentieel punt afwijkt van de schriftelijke vordering of deze substantieel uitbreidt.

        Het Grondwettelijk Hof ziet in het geannoteerde arrest de in artikel 152, § 2, tweede lid Sv. voorziene mogelijkheid voor de strafrechter om nieuwe conclusietermijnen vast te stellen immers als een compenserende waarborg voor de vrijheid van het Openbaar Ministerie om ter zitting bijkomende en/of gewijzigde vorderingen voor te dragen en citeert zelfs uitdrukkelijk een passage uit de voorbereidende werken bij artikel 152 Sv. waaruit i.v.m. de schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring van vermogensvoordelen hetzelfde kan worden afgeleid. [73]

        Als het Openbaar Ministerie na afloop van de vastgestelde conclusietermijnen nog een schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring van vermogensvoordelen heeft neergelegd, of in zijn requisitoir een argumentatie heeft ontwikkeld over de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen die in belangrijke mate verschilt van de inhoud van de schriftelijke vordering en een betrokken procespartij daarop om nieuwe conclusietermijnen verzoekt, dan zal de strafrechter bijgevolg de behandeling van de strafzaak dienen uit te stellen en nieuwe conclusietermijnen dienen vast te leggen tenzij hij in concreto vaststelt dat en motiveert waarom het fundamenteel beginsel van de wapengelijkheid hem daartoe niet noopt.

        [1] Advocaat balie Antwerpen; vrijwillig wetenschappelijk medewerker, Instituut voor strafrecht, KULeuven.
        [2] Advocaat balie Antwerpen.
        [3] Wet 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (BS 19 februari 2016).
        [4] De “oude” regeling zorgde niet zelden voor vertragingen en het nodige uitstel omdat de tijdige mededeling voor de zitting van conclusies afhing van de loyaliteit van het Openbaar Ministerie resp. de confraterniteit van de raadslieden.
        [5] Art. 72 wet 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (BS 19 februari 2016).
        [6] P. Traest en S. Vandromme, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen. Potpourri, Antwerpen, Maklu, 2016, 82; T. De Meester, I. Augustyns, K. Beirnaert en P. Tersago (eds.), Potpourri II. Strafrecht en strafprocesrecht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 80 en R. Verstraeten, A. Bailleux, J. Huysmans en S. De Hert, “Stevige verbouwingen in het strafprocesrecht: de procedure met voorafgaande erkenning van schuld, de invoering van conclusietermijnen in strafzaken en een vernieuwd stelsel van rechtsmiddelen” in F. Verbruggen (ed.), Straf- en strafprocesrecht, Themis, nr. 97, Brugge, die Keure, 156.
        [7] Wet tot uitbreiding van de mogelijkheden tot inbeslagneming en verbeurdverklaring in strafzaken (BS 14 februari 2003, inw. 24 februari 2003). Noteer dat art. 15 van de kaalplukwet ook art. 6 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie aanpaste en bepaalde dat: “De bijzondere verbeurdverklaring kan op schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie worden uitgesproken.” Intussen luidt die bepaling: “Het onderzoeks- of vonnisgerecht kan of moet de verdachte, de inverdenkinggestelde of de beklaagde veroordelen tot bijzondere verbeurdverklaring overeenkomstig de op de feiten toepasselijke wetgeving.” (wijziging door art. 51 wet 11 februari 2014 houdende diverse maatregelen ter verbetering van de invordering van de vermogensstraffen en de gerechtskosten in strafzaken (BS 11 februari 2014, inw. 18 april 2014).
        [8] J. Rozie en P. Waeterinckx, “Actualia verbeurdverklaring 2010-2015: alles stroomt, niets is blijvend”, NC 2015, afl. 5, nrs. 39-40. Noteer dat de schriftelijke vordering ook vereist is voor een verbeurdverklaring van vermogensvoordelen die zich buiten het Belgische grondgebied bevinden (art. 43ter Sw.; cf. voor een toepassing Cass. 23 november 2010, NC 2012, 220 met noot E. Van Dooren) en bij de verruimde verbeurdverklaring (art. 43quater Sw.).
        [9] Deze bepaling werd in 2003 ingevoerd door art. 2 van de “kaalplukwet”.
        [10] Parl.St. Kamer 2001-02, nr. 50-1601/001, p. 41 (memorie van toelichting).
        [11] Parl.St. Senaat 2002-03, nr. 2-1197/3, p. 3 (verslag namens de Commissie voor de Justitie).
        [12] Parl.St. Senaat 2002-03, nr. 2-1197/3, p. 21 (verslag namens de Commissie voor de Justitie).
        [13] Parl.St. Kamer 2001-02, nr. 50-1601/006, p. 5 (verslag namens de Commissie voor de Justitie in de Kamer). Cf. S. De Meulenaer, “Kaalplukwet geeft stevige klap aan zware misdaad”, Juristenkrant 2003, afl. 66, p. 6; M.-A. Beernaert, “La loi du 19 décembre 2002 portant extension des possibilités de saisie et de confiscation en matière pénale”, RDPC 2003, afl. 5, 565-566.
        [14] Zo luidt het bv. in een arrest van 4 maart 2014: “De wetgever beoogde met de invoering van de verplichting van een schriftelijke vordering door het Openbaar Ministerie het recht van verdediging beter te waarborgen door te vermijden dat een beklaagde zou worden geconfronteerd met een bijzondere verbeurdverklaring die niet was gevorderd en waarover hij zich niet had verdedigd. De rechter kan niet op eigen initiatief een facultatieve bijzondere verbeurdverklaring uitspreken, maar slechts nadat de beklaagde is verwittigd door middel van een schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie” (Cass. 4 maart 2014, P.13.1775.N).
        [15] Cass. 23 november 2010, P.10.1371.N. Dit verlengt uiteraard de doorlooptijd van de zaak aangezien de rechtbank of het hof de beklaagde moet toelaten om hierover alsnog te concluderen.
        [16] G. Stessens en P. Traest, “Meer mogelijkheden tot inbeslagneming en verbeurdverklaring in strafzaken”, RW 2004, afl. 27, 1052; R. Verstraeten en D. Dewandeleer, “Enkele knelpunten inzake de 'kaalplukwet' van 19 december 2002” in M.J. De Samblanx, B. De Bie en P. Waeterinckx (eds.), De wet van 19 december 2002 tot uitbreiding van de mogelijkheden tot inbeslagneming en verbeurdverklaring in strafzaken. Kaalpluk: haarpluk?, Antwerpen, Intersentia, 2004, 131; C. Caliman, “La loi du 19 décembre 2002 portant extension des possibilités de saisie et de confiscation” in X, Financieel rechercheren - L'enquête financière. Custodes. Cahiers, Brussel, Politeia, 70.
        [17] Cass. 5 april 2016, P.15.1645.N; Cass. 27 mei 2008, P.08.0362.N; Cass. 17 juni 2003, P.03.0611.N. Cf. J. Rozie, Voordeelsontneming, Antwerpen, Intersentia, 2005, nr. 95.
        [18] Cass. 22 december 2015, P.14.1306.N; Cass. 13 november 2007, P.07.0929.N.
        [19] Cass. 28 november 2018, P.18.0729.F.
        [20] Cass. 4 maart 2014, P.13.1775.N; Cass. 11 september 2013, P.13.0505.F.
        [21] R. Verstraeten en D. Dewandeleer, “Enkele knelpunten inzake de 'kaalplukwet' van 19 december 2002” in M.J. De Samblanx, B. De Bie en P. Waeterinckx (eds.), De wet van 19 december 2002 tot uitbreiding van de mogelijkheden tot inbeslagneming en verbeurdverklaring in strafzaken. Kaalpluk: haarpluk?, Antwerpen, Intersentia, 2004, 131. C. Caliman oordeelde dat dergelijke graad van precisie niet hoeft en dat het zou volstaan dat het Openbaar Ministerie refereert aan de procedurestukken, in het bijzonder de processen-verbaal van inbeslagneming en de bijhorende inventarissen (C. Caliman,“La loi du 19 décembre 2002 portant extension des possibilités de saisie et de confiscation” in X, Financieel rechercheren - L'enquête financière. Custodes. Cahiers, Brussel, Politeia, 71).
        [22] G. Stessens en P. Traest, “Meer mogelijkheden tot inbeslagneming en verbeurdverklaring in strafzaken”, RW 2004, afl. 27, 1053.
        [23] C. Caliman, “La loi du 19 décembre 2002 portant extension des possibilités de saisie et de confiscation” in X, Financieel rechercheren - L'enquête financière. Custodes. Cahiers, Brussel, Politeia, 72.
        [24] R. Verstraeten en D. Dewandeleer, “Enkele knelpunten inzake de 'kaalplukwet' van 19 december 2002” in M.J. De Samblanx, B. De Bie en P. Waeterinckx (eds.), De wet van 19 december 2002 tot uitbreiding van de mogelijkheden tot inbeslagneming en verbeurdverklaring in strafzaken. Kaalpluk: haarpluk?, Antwerpen, Intersentia, 2004, 132.
        [25] J. Rozie, Voordeelsontneming, Antwerpen, Intersentia, 2005, p. 131-134, nr. 94.
        [26] Het hier besproken cassatiearrest: Cass. 28 mei 2019, p. 48-49, nr. 105, P.19.0113.N.
        [27] Cass. 28 februari 2017, P.16.0261.N; Cass. 10 september 2014, P.14.0475.F, RDPC 2015, 1067, Concl. D. Vandermeersch, noot. V. Truillet; Cass. 27 april 2010, P.10.0104.N, T.Strafr. 2010, afl. 5, noot D. Libotte; Cass. 12 januari 2010, P.09.1458.N, T.Strafr. 2010, afl. 5, 267, noot. Voor een meer uitgebreide commentaar, cf. F. Deruyck, “Verbeurdverklaring bij witwassen: een steeds wonderbaarlijkere visvangst. De zoektocht naar het voorwerp van het witwasmisdrijf” in F. Deruyck (ed.), Strafrecht meer … dan ooit, Brugge, die Keure, 2011, 265-267; P. Waeterinckx, “Het onroerend goed als vermogensvoordeel” in J. Rozie (ed.), Het onroerend goed in het straf(proces)recht, Antwerpen, Intersentia, 2012, 79-85.
        [28] Cass. 20 maart 2019, P.18.0273.F.
        [29] Cass. 17 december 2019, P.19.0845.N.
        [30] Cass. 6 november 2018, P.18.0551.N. Cf. P. Waeterinckx, Ondernemingsstrafrecht. Capita selecta aan de hand van recente rechtspraak, Antwerpen, Intersentia - Faculteit Rechten UA, 2020, nr. 105.
        [31] Concl. D. Vandermeersch bij Cass. 10 september 2014, P.14.0475.F, RDPC 2015, 1069. Hij besloot dan ook: “Dès lors que l'opération de blanchiment reprochée au demandeur consistait en la conversion en titres d'une somme d'argent provenant d'un abus de confiance, les juges d'appel ont à bon droit prononcé à charge du demandeur la confiscation - au reste obligatoire - de cette somme d'argent en tant qu'objet du blanchiment, et non celle des titres obtenus au terme de l'opération de blanchiment qui constituaient un avantage patrimonial tiré de cette infraction.” (RDPC 2015, 1070).
        [32] V. Truillet, “Confiscation en matière de blanchiment” (noot onder Cass. 10 september 2014), RDPC 2015, 1082-1086. Cf. ook C. De Valkeneer en V. Truillet,“Blanchiment et confiscation - Enjeux et prospectives”, Dr.pén.entr., 2018/4, 307.
        [33] Cass. 6 november 2018, P.18.0551.N.
        [34] Cass. 28 september 2018, P.18.0281.N.
        [35] F. Van Volsem, “Een beknopt overzicht van de cassatierechtspraak betreffende de schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring van vermogensvoordelen”, RABG 2019, afl. 1, (44) 49.
        [36] C. Caliman, “La loi du 19 décembre 2002 portant extension des possibilités de saisie et de confiscation” in X, Financieel rechercheren - L'enquête financière. Custodes. Cahiers, Brussel, Politeia, 70.
        [37] P. Thiriar, “Conclusies en conclusietermijnen in strafzaken na Potpourri II”, NC 2018, (110) 113; A. Masset, “Les réformes relatives au déroulement de la procédure devant les juridictions de jugement, y compris la cour d'assises” in X (ed.), La loi pot-pourri II. Un an après, Brussel, Larcier, 2017, (145) 159; J. Meese, “Conclusietermijnen in strafzaken en een nieuwe regeling inzake hoger beroep” in Permanente Vorming van de Vlaamse Conferentie van de Balie te Gent (ed.), De potpourri-wetten, Brussel, Larcier, 2017, (137) 141; R. Verstraeten, A. Bailleux, J. Huysmans en S. De Hert, “Stevige verbouwingen in het strafprocesrecht: de procedure van voorafgaande erkenning van schuld, de invoering van conclusietermijnen in strafzaken en een vernieuwd stelsel van rechtsmiddelen” in F. Verbruggen (ed.), Themis straf- en strafprocesrecht 2015-2016, Brugge, die Keure, 2016, (123) 156.
        [38] I. Couwenberg en F. Van Volsem, Concluderen voor de strafrechter, Antwerpen, Intersentia, 2018, 34-36; G. Schoorens, “V.7 Invoering van dwingende termijnen voor conclusies in strafzaken” in J. Decoker, L. Gyselaers, P. Hoet, J. Coppens, F. Vroman, M. Vandermeersch, T. Decaigny, T. Bauwens, C. Van de Heyning, B. De Smet, G. Schoorens, B. Meganck, H. Van Bavel, E. Baeyens, I. Mennes en J. Millen, “De wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (Potpourri II), gewikt en gewogen”, T.Strafr. 2016, (2) 29.
        [39] Cass. 29 januari 2019, P.18.0422.N, RABG 2019, afl. 8, 654, noot V. Vereecke.
        [40] Cass. 29 januari 2019, P.18.0422.N, Dr.pén.entr. 2019 (samenvatting), afl. 3, 183, NC 2019, afl. 2, 159 en RABG 2019, afl. 8, 654. Noten: V. Vereecke, “De schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring van vermogensvoordelen en de conclusietermijnen in strafzaken”, RABG 2019, afl. 8, 656-662; A. Verheylesonne, “Le réquisitoire de confiscation des avantages patrimoniaux ne doit pas être déposé dans le délai fixé au parquet pour conclure en application de l'article 152 du Code d'instruction criminelle“, Dr.pén.entr. 2019, afl. 3, 183-185.
        [41] Cass. 28 mei 2019, P.19.0113.N.
        [42] Art. 744 Ger.W.: “De conclusies bevatten tevens, achtereenvolgens en uitdrukkelijk:

        1° de uiteenzetting van de voor de beslechting van het geschil pertinente feiten;

        2° de aanspraken van de concluderende partij;

        3° de middelen die worden ingeroepen ter ondersteuning van de vordering of het verweer, waarbij in voorkomend geval verschillende middelen genummerd worden en hun voordracht in hoofdorde of in ondergeschikte orde wordt vermeld;

        4° het gevraagde beschikkende gedeelte van het vonnis, waarbij in voorkomend geval de hoofdorde of ondergeschikte orde van de verschillende onderdelen wordt vermeld.

        De in een andere zaak of in een andere aanleg genomen conclusies waarnaar wordt verwezen of waaraan wordt gerefereerd worden niet beschouwd als conclusies in de zin van artikel 780, eerste lid, 3°.”
        [43] Corr. Tongeren 26 november 2019, nr. 19T000087.
        [44] MvT bij de wet houdende wijzigingen van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie, Parl.St. Kamer 2015-16, nr. 54-1418/001, 69; Concl. L. Decreus bij Cass. 14 november 2017, NC 2018, 116.
        [45] N. Colette-Basque en E. Delhase, “La phase de jugement et les voies de recours: éléments neufs” in M. Cadelli en T. Moreau (eds.), La loi « potpourri II »: un recul de civilisation?, Limal, Anthemis, 2016, (149) 156-157; D. Scheers en P. Thiriar, Potpourri I - Gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2015, 82-84.
        [46] In de rechtsleer wordt immers betwijfeld of de sanctie van art. 780, 3° Ger.W. wel verenigbaar is met de beginselen van de strafrechtspleging en dus overeenkomstig art. 2 Ger.W. toepassing vindt in strafzaken (zie onder meer: M.-A. Beernaert, H. Bosly en D. Vandermeersch, Droit de la procédure pénale, 9de ed., Brugge, la Charte, 2021, 1500; I. Couwenberg en F. Van Volsem, Concluderen voor de strafrechter, Antwerpen, Intersentia, 2018, 74-78). Bovendien heeft ook het Hof van Cassatie, zij het in iets verschillende contexten, reeds beslist dat art. 780, 3° Ger.W. geen toepassing vindt in strafzaken (Cass. 4 oktober 2016, P.15.1284.N; Cass. 10 november 2020, P.20.0714.N).
        [47] Deze terminologie is gebaseerd op het begrip “ambush defences” in de Engelse strafprocedure, waarmee wordt bedoeld het ontwikkelen van argumenten of het bijbrengen van nieuw bewijsmateriaal op een moment in de Engelse adversaire strafprocedure dat de andere procespartijen niet toelaat dat argument of bewijsmateriaal aan een grondig onderzoek en repliek te onderwerpen. Zie hierover: J. Huysmans, Legitieme verdediging, Antwerpen, Intersentia, 2017, 77-81.
        [48] GwH 28 januari 2021, nr. 16/2021, overw. A.1.1.-A.4.
        [49] Ibid., overw. B.5.2.
        [50] Ibid., overw. B.6.1.
        [51] Ibid., overw. B.6.2.
        [52] Ibid., overw. B.7.
        [53] Ibid., overw. B.8.1.
        [54] Ibid., overw. B.8.2.
        [55] Ibid.
        [56] Ibid., overw. B.9.
        [57] Zie: M. Matthijs, Het Openbaar Pinisterie in APR, Gent, E.Story-Scientia, 1983, 118.
        [58] Zie: M.-A. Beernaert, H. Bosly en D. Vandermeersch, Droit de la procédure pénale, 9de ed., Brugge, la Charte, 2021, 169; L. Huybrechts, Openbaar Ministerie: art. & commentaar, Mechelen, Wolters Kluwer, 2014, 28.
        [59] Zie over deze bepaling: J. Englebert, “La mise en état de la cause et l'audience des plaidoiries” in J. Englebert (ed.), Le procès civil accéléré? Premiers commentaires de la loi du 26 avril 2007 modifiant le Code judiciaire en vue de lutter contre l'arriéré judiciaire, Brussel, Larcier, 2007, 156-159; S. Sobrie, “Commentaar bij artikel 756bis Ger.W.” in Comm.Ger., 6 p.
        [60] R. Bruno, “Les modifications de la phase de jugement: refonte salutaire ou débâcle judiciaire” in X (ed.), La réforme « pot-pourri II » en droit pénal et en procédure pénale: premiers commentaires, Limal, Anthemis, 2016, (81) 85; I. Couwenberg en F. Van Volsem, Concluderen voor de strafrechter, Antwerpen, Intersentia, 2018, 5.
        [61] I. Couwenberg en F. Van Volsem, Concluderen voor de strafrechter, Antwerpen, Intersentia, 2018, 38.
        [62] In principe dient de strafrechter in te gaan op tijdens de eerste zitting geformuleerd verzoek van één van de partijen om de behandeling van de strafzaak uit te stellen en conclusietermijnen toe te kennen. Het Hof van Cassatie heeft evenwel geoordeeld dat de strafrechter in het licht van de omstandigheden eigen aan de zaak op gemotiveerde wijze kan beslissen dat het recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet vereist dat conclusietermijnen worden bepaald. Daarbij kan hij rekening houden met de volgende niet-limitatieve lijst van criteria: 1° het tijdsverloop tussen de betekening van de dagvaarding en de inleidende rechtszitting welke partijen in de gelegenheid moet hebben gesteld hun verdediging voor te bereiden; 2° het weinig complex karakter van de te beoordelen zaak; 3° de verjaring van de strafvordering; 4° de verplichting een overschrijding of een verdere overschrijding van de redelijke termijn te vermijden; en 5° de hechtenistoestand van één of meerdere beklaagden (Cass. 7 november 2017, P.17.0127.N, RABG 2018, 465, noot C. Van de Heyning, T.Strafr. 2018, afl. 1, 41, noot B. Meganck). Zie: B. Meganck, “Om te besluiten: over conclusies en bindende en niet-bindende conclusietermijnen” (noot onder Cass. 7 november 2017), T.Strafr. 2018, (30) 32.
        [63] De toepassing van art. 152 Sv. vereist immers dat ten minste één van de partijen op de inleidingszitting om het opleggen van vaste conclusietermijnen verzoekt: I. Couwenberg en F. Van Volsem, Concluderen voor de strafrechter, Antwerpen, Intersentia, 2018, 37-39; P. Thiriar, “Conclusies en conclusietermijnen in strafzaken na potpourri II en recente cassatierechtspraak”, NC 2018, (110) 112.
        [64] I. Couwenberg en F. Van Volsem, Concluderen voor de strafrechter, Antwerpen, Intersentia, 2018, 7.
        [65] Zie onder meer: GwH (Arb.H.) 23 januari 1992, nr. 4/92, overw. B.2.3.; GwH 13 oktober 2011, nr. 156/2011, overw. B.3.; GwH 21 januari 2021, nr. 7/2021, overw. B.5. Zie ook: G. Rosoux, Contentieux constitutionnel, Brussel, Larcier, 2021, 345-346; S. Sotiaux, Grondwettelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 20106, 409.
        [66] Gezien de prejudiciële vraag betrekking heeft op de uitholling door de rechtspraak van de wettelijke vereiste dat het Openbaar Ministerie de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen schriftelijk vordert - wat, hoewel ze in het Strafwetboek staat, een regel van de strafprocedure uitmaakt - lijkt een toetsing aan het strafprocesrechtelijk legaliteitsbeginsel aan de orde te zijn. Dit laatste beginsel wordt in de Grondwet evenwel niet gewaarborgd door art. 14 Gw. maar wel door art. 12, tweede lid, in fine Gw.: “Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen bij wet bepaald en in de vorm die zij voorschrijft.” Zie over het strafprocesrechtelijk legaliteitsbeginsel: J. Huysmans, Legitieme verdediging, Antwerpen, Intersentia, 2017, 770-772, en de verdere verwijzingen aldaar.
        [67] Art. 14 Gw.: “Geen straf kan worden ingevoerd dan krachtens de wet.” Art. 14 Gw. drukt aldus het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel uit, in zoverre dat betrekking heeft op straffen (nulla poena sine lege).
        [68] Dergelijk bevestigend antwoord zou erin bestaan dat de door de Grondwet gewaarborgde fundamentele rechten vereisen dat het Openbaar Ministerie binnen de vaste conclusietermijnen zoals bepaald door art. 152 Sv. zijn argumentatie over de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen volledig uitwerkt.
        [69] Zie onder meer: EHRM (gr. k.) 7 juni 2001, nr. 39594/98, Kress / Frankrijk, § 72; EHRM (gr. k.) 23 mei 2016, nr. 17502/07, Avotins / Letland, § 119; EHRM 15 december 2020, nr. 33399/18, Piskin / Turkije, § 134.
        [70] GwH 28 januari 2021, nr. 16/2021, overw. B.6.2.
        [71] Gezien het opleggen van vaste conclusietermijnen overeenkomstig art. 152, § 1 Sv. slechts mogelijk is op verzoek van één van de procespartijen en art. 152, § 2, eerste lid Sv. voor het opleggen van conclusietermijnen in geval van een “nieuw en ter zake dienend stuk of feit” uitdrukkelijk verwijst naar die eerste paragraaf, geldt deze bijkomende voorwaarde ook in deze hypothese.
        [72] De strafrechter is immers in beginsel steeds gerechtigd om in het belang van de goede rechtsbedeling de behandeling van een strafzaak uit te stellen naar een volgende zitting, voor zover hij daarbij de grenzen van de verboden rechtsweigering niet overschrijdt: B. De Smet, “Uitstel van berechting in correctionele zaken”, RW 2006-07, (742) 743; D. De Wolf, Handboek correctioneel procesrecht, Antwerpen, Intersentia, 2013, 107.
        [73] GwH 28 januari 2021, nr. 16/2021, overw. B.8.2.