|
INSOLVENTIE
Faillissement - Kwijtschelding - Verzoek - Kennelijk grove fout - Gedeeltelijke kwijtschelding
Het verzoek tot kwijtschelding is een verzoekschrift sui generis dat kadert in de doelstelling van de wetgever om de regeling van de kwijtschelding laagdrempelig te houden voor de gefailleerde. Het moet niet gemotiveerd worden.
Indien de gefailleerde kennelijk grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement kan de kwijtschelding ambtshalve worden geweigerd.
De kennelijk grove fout betreft een onbetwistbaar manifeste fout waarvan elk redelijk mens wist of moest weten dat ze schade zou veroorzaken.
De kwijtschelding kan geweigerd worden ten aanzien van bepaalde schuldeisers die dit hadden verzocht maar kan voor het overige toegestaan worden ten aanzien van de overige schuldeisers, die niet zijn opgekomen tegen de kwijtschelding.
|
INSOLVABILITÉ
Faillite - Effacement - Requête - Faute grave et caractérisée - Effacement partiel
La requête en effacement est une requête sui generis qui doit être vue dans le contexte de l'objectif de faciliter l'effacement au profit du failli. La requête ne doit pas être motivée.
L'effacement peut être refusé si le failli a commis des fautes graves et caractérisées qui ont contribué à la faillite. La faute grave et caractérisée est celle qui est manifeste et commise par une personne qui savait ou devait savoir qu'elle aurait causé du dommage.
L'effacement peut être refusé envers certains créanciers mais peut être accordé pour le surplus à l'égard d'autres créanciers qui ne s'étaient pas opposés à l'effacement.
|
1.De schuldeisers die opkwamen tegen de beslissing van kwijtschelding hebben laten gelden dat hun weigering over de kwijtschelding beperkt bleef tot hun eigen schuldvorderingen.
De ondernemingsrechtbank (waarvan de beslissing weergegeven is in dit nummer p. ??? ) en het hof van beroep te Antwerpen hebben over de gedeeltelijke kwijtschelding schijnbaar twee verschillende opvattingen. Ook al zijn de twee in eenklank wat betreft de kennelijk grove fout begaan door de gefailleerde.
2.De rechtbank benadert de vraag als een probleem dat de economische openbare orde en de afhandeling van een collectieve procedure aanbelangt. Als een kennelijk grove fout van die aard is dat zij het faillissement zelf kan veroorzaken, kan, volgens de rechtbank, het verzoek tot kwijtschelding verworpen worden.
Deze lezing kan inderdaad verzoend worden met de tekst van de wet (art. XX.173 WER). Uit de parlementaire voorbereiding volgt ook dat kwijtschelding bedoeld was om een tweede kans te geven aan de onderneming en dat wie niet in aanmerking komt voor een tweede kans het voordeel van de kwijtschelding kan verliezen.
De ondernemingsrechtbank kon ongetwijfeld de volledige kwijtschelding weigeren. Een weigering van kwijtschelding is niet alleen mogelijk wanneer de curator of het Openbaar Ministerie hiervoor het initiatief nemen, maar ook wanneer een individuele schuldeiser dit vraagt. Het beschikkingsbeginsel speelt in dit geval niet; het gaat om een collectieve procedure en de beoordeling van de tweede kans overstijgt het individueel belang van een bepaalde schuldeiser, zelfs wanneer die schuldeiser de enige is die opkomt tegen de kwijtschelding.
3.Nochtans is de beslissing van het hof van beroep eveneens verantwoord in rechte. Wanneer een bepaalde schuldeiser opkomt tegen kwijtschelding komt hij in werkelijkheid niet op tegen een kwijtschelding die betrekking heeft op zijn schuldvordering als dusdanig maar wel op het deel van het passief dat zijn schuldvordering inhoudt. Het saldo van het passief blijft dan buiten bereik van zijn verzoek en de rechter kan, al dan niet, beslissen dat dit saldo in aanmerking komt voor kwijtschelding (zie in die zin: I. Verougstraete et al., Manuel de l'insolvabilité de l'entreprise, Kluwer, 2019, nr. 1707; D. Pasteger, “De l'excusabilité à l'effacement: le point sur les mécanismes de fresh start et de décharge des cautions dans le Livre XX du Code de droit économique”, TBH 2018, 266, 271; contra: J. Vandenbogaerde, “De groeipijn van de kwijtschelding van restschulden. Een bloemlezing uit recente rechtspraak', in TIBR, 2021/2, nr. 30; F. Reynaert, “De tweedekansdoctrine binnen het nieuwe insolventierecht”, DAOR 2020, (19) 26, nr. 22).
De beslissing van het hof van beroep beantwoordt ook beter aan de benadering van de wetgever volgens wie de restschulden quasi automatisch kwijtgescholden worden en het in een soort inversie van taken aan de schuldeisers behoort op te komen tegen die kwijtschelding, zodat bij stilzitten de restschulden worden kwijtgescholden.
4.Na de vernietiging op 21 oktober 2021 door het Grondwettelijk Hof van artikel XX.173, § 2, van het WER blijft dit probleem bestaan, hoewel het de facto aan belang zal verliezen. Uit de voorstellen die thans worden voorbereid om tegemoet te komen aan de vernietiging door het Grondwettelijk Hof blijkt dat de optie is genomen van een vol automatische kwijtschelding zodat het zeer zelden zal voorkomen dat een kwijtschelding verworpen wordt.
| [1] | Erkend bemiddelaar. |

