Article

Hof van beroep Brussel, 30/01/2020, 2014/AR/2077, R.D.C.-T.B.H., 2021/9, p. 1987-1991

Hof van beroep Brussel 30 januari 2020

VERZEKERINGEN
Andere verzekeringen dan de landverzekeringsovereenkomst - Kredietverzekering - Verjaring - Omzetaangifte - Suppletief recht voor buitenlandse vorderingen - Opzegging polis na faillissement verzekerde
In het gemeen verzekeringsrecht geldt een verjaringstermijn van 3 jaar, maar bij de kredietverzekering geldt voor de buitenlandse vorderingen de wet van 11 juni 1874 (thans Deel 5 W.Verz. van 4 april 2014) die van suppletief recht is. Partijen kunnen hier dus van afwijken, zodat de in de polis bepaalde verjaringstermijn van 180 dagen geldig is. Het begint te lopen vanaf het ogenblik dat de verzekerde of zijn vervanger (in casu: de curator) definitief en ondubbelzinnig van de kredietverzekeraar te horen heeft gekregen dat de onbetaalde schuldvorderingen niet verzekerd waren.
ASSURANCES
Autres assurances que les assurances terrestres - Assurance-crédit - Prescription - Déclaration du chiffre d'affaires - Droit supplétif pour les créances sur l'étranger - Résiliation de la police après la faillite de l'assuré
En droit commun des assurances, un délai de prescription de 3 ans s'applique, mais dans le cas de l'assurance-crédit, la loi du 11 juin 1874 (devenue Partie 5 de la loi sur les assurances du 4 avril 2014) s'applique aux créances sur des débiteurs étrangers, qui est une loi supplétive. Les parties peuvent donc s'en écarter, de sorte que le délai de prescription de 180 jours prévu dans la police est valable. Il commence à courir à partir du moment où l'assuré ou son remplaçant (en l'occurrence le curateur) a été définitivement et sans ambiguité informé par l'assureur-crédit que les créances impayées n'étaient pas assurées.

V.M. / NV Credimundi

Zet.: B. Veeckmans (voorzitter), F. Gillijns (raadsheer), S. de Coninck van Noyen (plv. raadsheer)
Pl.: Mrs. L. Schuermans, S. Torfs en J. De Winne
Zaak: 2014/AR/2077.

Het hof neemt kennis van het dossier van de rechtspleging en meer in het bijzonder van:

- het vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van koophandel te Brussel op tegenspraak gewezen op 25 juni 2014, waarvan geen exploot van betekening wordt voorgelegd en waartegen hoger beroep werd ingesteld door de heer V.M., handelend in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de NV Prodac, per verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof van beroep op 10 september 2014;

- de door beide partijen ingediende syntheseconclusies in hoger beroep;

- de door hen neergelegde dossierstukken.

Op de zitting van 9 januari 2020 hebben de partijen gepleit en werd de zaak vervolgens in beraad genomen.

Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken werd nageleefd.

De procedure in eerste aanleg

Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 8 maart 2013 heeft de heer V.M., handelend in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de NV Prodac, een inleidende vordering tegen de NV Delcredere ingesteld.

Vanaf haar aanvullende conclusie van 20 december 2013 heeft de NV Delcredere de procedure verder gezet onder haar nieuwe vennootschapsnaam, de NV Credimundi.

In zijn laatste conclusie vorderde de heer V.M. q.q. de NV Prodac om de NV Credimundi te veroordelen tot betaling van 165.796,52 EUR, te vermeerderen met de wettelijke interesten vanaf 13 februari 2013 tot de dag van de volledige betaling en van 3.274,04 EUR ten titel van invorderingskosten, te vermeerderen met de wettelijke interesten vanaf de data van de respectievelijke betalingen, en tot een provisioneel bedrag van 5.000 EUR ten titel van nog te maken invorderingskosten alsook tot de kosten van het geding.

De NV Credimundi concludeerde in hoofdorde tot de onontvankelijkheid, in ondergeschikte orde tot de ongegrondheid en in nog meer ondergeschikte orde tot de vermindering van de vordering en tot de veroordeling van de heer V.M. q.q. de NV Prodac tot de kosten van het geding.

De Nederlandstalige rechtbank van koophandel te Brussel heeft in haar vonnis van 25 juni 2014 de vordering onontvankelijk verklaard en de heer V.M. q.q. de NV Prodac veroordeeld tot de kosten van het geding.

De procedure in hoger beroep

Tegen dit vonnis heeft de heer V.M. q.q. de NV Prodac per verzoekschrift van 10 september 2014 hoger beroep ingesteld teneinde zijn oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, en bijgevolg de NV Credimundi te veroordelen tot betaling van 165.796,52 EUR, te vermeerderen met de wettelijke interesten vanaf 13 februari 2013 tot de dag van de volledige betaling en van 3.274,04 EUR ten titel van invorderingskosten, te vermeerderen met de wettelijke interesten vanaf de data van de respectieve betalingen, en tot een provisioneel bedrag van 5.000 EUR ten titel van nog te maken invorderingskosten alsook tot de kosten van de beide aanleggen, in zijn hoofde begroot op p.m. dagvaardingskosten, 5.500 EUR rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg, p.m. rolrecht hoger beroep en 5.500 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

Met een ter zitting van 9 januari 2020 neergelegde nota heeft de heer V.M. q.q. de NV Prodac gevraagd om zijn vordering globaal te verminderen tot 151.757,81 EUR provisioneel.

De NV Credimundi concludeert:

(i) de vordering van de curator af te wijzen als onontvankelijk, minstens ongegrond;

(ii) in ondergeschikte orde: eiser te veroordelen tot overlegging van alle gegevens en documenten betreffende de invordering van de Emira- en Cynckmet-facturen, en bijkomendeconclusietermijnen toe te staan zodat beide partijen standpunt kunnen innemen omtrent hetal dan niet vervuld zijn van de dekkingsvoorwaarden;

(iii) in meer ondergeschikte orde, als de vordering van de curator ontvankelijk en gegrond zou zijn:

(a) de vordering van de curator m.b.t. de onbetaalde facturen te herleiden tot 102.727,02 EUR en de interesten op deze som pas te laten lopen vanaf 8 maart 2013;

(b) de bijkomende vordering van eiser m.b.t. de invorderingskosten alleszins af te wijzen als ongegrond, minstens:

- de interesten op deze sommen pas te laten lopen vanaf 20 maart 2014;

- de curator op te leggen om het correcte nettobedrag btw inbegrepen in het bedrag van 780,87 EUR (kosten dagvaarding en rolstelling in de procedure Cynckmet) in deze procedure bij te brengen conform artikel 877 Ger.W.;

- de vordering van eiser m.b.t. de buitengewone kosten te verminderen met de door de curator gerecupereerde btw;

- de vergoeding voor de invorderingskosten te beperken tot 90% van de door de curator gemaakte invorderingskosten.

(c) Tegenvordering van Credimundi ontvankelijk en gegrond te verklaren, en bijgevolg:

- de curator op grond van artikel 6.1.1. van de algemene voorwaarden te veroordelen tot de som van 1.424,72 EUR, als premiebedrag voor de vorderingen op Cynckmet en Emira;

- desgevallend te zeggen voor recht dat ten belope van 1.424,72 EUR compensatie plaatsvindt met de som die Credimundi verschuldigd is aan de curator;

(iv) de curator te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op 5.500 EUR voor de procedure voor de eerste rechter en 5.500 EUR voor de beroepsprocedure voor Uw Hof.”

De feiten

De NV Prodac was een vennootschap die handelde in staalproducten.

Met de NV Delcredere, thans de NV Credimundi, sloot de NV Prodac een kredietverzekeringsovereenkomst, waarbij zij zich onder bepaalde voorwaarden liet verzekeren tegen de niet-betaling door haar schuldenaars.

Op 11 juli 2012 deed de NV Prodac aangifte van de niet-betaling van haar facturen door haar klanten Cynckmet en Emira Packaging van maart, april en mei 2012.

De NV Prodac deed pas op 17 juli 2012 aangifte van haar omzet voor de maanden maart, april en mei 2012, terwijl zij deze omzet al ten laatste op 30 juni 2012 had moeten declareren.

Bij vonnis van 2 augustus 2012 van de rechtbank van koophandel van Antwerpen werd de NV Prodac in staat van faillissement verklaard en de heer V.M. als curator aangesteld.

De NV Delcredere zegde de polis op.

Op 16 augustus 2012 vond een ontmoeting plaats tussen de curator en de heer N. van de NV Delcredere. De NV Delcredere stelt dat zij op deze vergadering aan de curator duidelijk heeft meegedeeld dat zij de dekking voor de schadegevallen Cynckmet en Emira Packaging weigerde omdat deze schuldvorderingen niet verzekerd waren.

Per brief van 17 augustus 2012 bevestigde de curator de inhoud van de bespreking van 16 augustus 2012. Hij vermeldde in deze brief dat hij noteerde dat de NV Delcredere weigert dekking te verlenen voor de twee schadegevallen betreffende de debiteurs Cynckmet en Emira Packaging.

Per brief van 19 september 2012 liet de curator weten dat hij de weigering van de NV Delcredere tot dekking van deze schadegevallen betwist.

Op 20 september 2012 antwoordde de NV Delcredere dat de NV Prodac haar omzet niet tijdig heeft aangegeven zodat de onbetaalde schuldvorderingen op Cynckmet en Emira Packaging geen verzekerde schuldvorderingen zijn.

Per brief van zijn advocaat van 13 februari 2013 vorderde de curator alsnog betaling van de volgens hem gedekte schuldvorderingen voor 137.513,54 EUR, te vermeerderen met de interesten vanaf 17 augustus 2012.

De NV Delcredere heeft deze aanspraak betwist per brief van 27 februari 2013, waarin zij in eerste orde de verjaring van de vordering inriep.

Vervolgens liet de curator op 8 maart 2013 tot dagvaarding van de NV Delcredere overgaan.

De beoordeling

1. Het hoger beroep is ontvankelijk.

2. De eerste rechter heeft de vordering van de heer V.M. q.q. de NV Prodac onontvankelijk verklaard op grond van het door de NV Credimundi opgeworpen verweermiddel van de verjaring.

Dit middel van verjaring is gesteund op een conventionele verjaringstermijn van 180 dagen, die bepaald werd in artikel 19 van de algemene polisvoorwaarden, luidend als volgt:

Elke vordering tot uitkering van schadevergoeding die uit deze polis voortvloeit, verjaart 180 dagen na de datum waarop de verzekeraar zijn weigering tot betalen heeft medegedeeld en uiterlijk 3 jaar na de vervaldag van de verzekerde vordering.

Artikel 136, 1° van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen (voorheen art. 72, 1° van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst) bepaalt dat Onderafdeling 4 “Krediet- en borgverzekering” niet toepasselijk is op de kredietverzekering en de borgtochtverzekering tot dekking van schuldvorderingen op het buitenland.

De dwingendrechtelijke bepalingen van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, zoals thans opgenomen in de wet van 4 april 2014, zijn dan ook niet van toepassing op de kredietverzekering tot dekking van schuldvorderingen op het buitenland.

De kredietverzekering tot dekking van schuldvorderingen op het buitenland is onderworpen aan de wet van 11 juni 1874 betreffende de verzekeringen in het algemeen, thans opgenomen in de artikelen 225 en volgende van de wet van 4 april 2014.

Het wordt niet betwist dat de in artikel 256 van de wet van 4 april 2014 (voorheen art. 32 van de wet van 11 juni 1874) bepaalde verjaringstermijn van drie jaar van aanvullend recht is, zodat partijen conventioneel een kortere verjaringstermijn kunnen bedingen.

De geldigheid van artikel 19 van de algemene polisvoorwaarden staat als zodanig dan ook niet ter discussie.

De betwisting tussen partijen heeft betrekking op de aanvangsdatum van deze conventionele verjaringstermijn.

3. Naar luid van artikel 19 van de algemene polisvoorwaarden verjaart de vordering “180 dagen na de datum waarop de verzekeraar zijn weigering tot betalen heeft medegedeeld.

Deze contractsbepaling is geschreven in heldere bewoordingen, die geen verdere interpretatie behoeven.

Dit artikel 19 van de algemene polisvoorwaarden stelt geen formele voorwaarden aan de mededeling van de weigering van dekking door de verzekeraar en vereist meer bepaald niet dat deze mededeling schriftelijk en/of gemotiveerd moet zijn opdat de verjaringstermijn van 180 dagen begint te lopen.

De interpretatie door de heer V.M. q.q. de NV Prodac van deze contractsbepaling, die inhoudt dat de conventionele verjaringstermijn maar begint te lopen na de datum waarop de verzekeraar zijn weigering tot betalen schriftelijk en/of gemotiveerd heeft meegedeeld, voegt aan de heldere bewoordingen van deze clausule een voorwaarde toe, die niet werd bedongen, en miskent aldus de bewijskracht van de onderhandse akte, die de verzekeringsovereenkomst uitmaakt.

Wel vereist de contractuele goede trouw dat de mededeling door de verzekeraar van zijn weigering van dekking definitief en ondubbelzinnig is en als zodanig ook door de verzekeringnemer wordt begrepen of behoort te worden begrepen, zodat laatstgenoemde weet of minstens behoort te weten dat als gevolg van deze mededeling de conventionele verjaringstermijn van 180 dagen begint te lopen.

De bewijslast van een ondubbelzinnige mededeling van een definitieve weigering tot dekking rust op de verzekeraar, die zich op de verjaring overeenkomstig artikel 19 van de algemene polisvoorwaarden beroept.

De NV Credimundi voert aan dat deze mededeling is gebeurd op 16 augustus 2012.

De heer V.M. q.q. de NV Prodac betwist dit door de NV Credimundi aangevoerde feit.

4. Het meest volmaakte bewijs van een betwist feit is de (gerechtelijke of buitengerechtelijke) bekentenis.

Een bekentenis is een eenzijdige daad waaruit een bewijs kan worden gehaald, die uitgaat van de persoon tegen wie ze wordt ingeroepen en die betrekking heeft op een persoonlijk en betwist feit met nadelige rechtsgevolgen.

De wil van degene die bekent om de realiteit van een feit te bevestigen volstaat, zelfs indien deze partij zich niet bewust is van een betwisting in verband met dit feit en ook al heeft zij niet de intentie om haar tegenpartij een bewijs van dit feit tegen haar te verschaffen. De omstandigheid dat een verklaring als bewijs ten gunste van de tegenpartij kan dienen, is een rechtsgevolg dat niet door haar auteur, maar wel door de wet aan die verklaring wordt gehecht.

De objectieve bewijslast heeft enkel betwiste feiten tot voorwerp. De bekentenis moet dan ook betrekking hebben op een betwist feit. Maar dit kan ook een toekomstige betwisting betreffen. Op het ogenblik dat de bekentenis wordt gedaan, moet het feit dat het voorwerp ervan uitmaakt, nog niet betwist zijn. De betwisting over dit feit kan pas later ontstaan.

Verder moet de bekentenis betrekking hebben op een feit waarvan degene die de bekentenis doet, persoonlijk kennis heeft.

Ten slotte is enkel sprake van een bekentenis wanneer een persoon een voor hem nadelig feit beaamt, hoewel hij er belang bij had dit feit te ontkennen.

Binnen de grenzen van haar voorwerp, zijnde het (aanvankelijk) betwist feit, heeft de bekentenis absolute bewijskracht. Tegenbewijs door degene die de bekentenis heeft afgelegd, is uitgesloten. Omdat haar bewijskracht absoluut is, is ook de rechter gebonden door de bekentenis. Hij mag er noch de bewijswaarde, noch de oprechtheid, noch de geloofwaardigheid van beoordelen. De innerlijke overtuiging van de rechter doet hier niets ter zake.

Ook het voorhanden zijn van andersluidende bewijsmiddelen doet verder niets ter zake. De bekentenis kan worden ingeroepen in de plaats van het schriftelijk bewijs en ook tegen en boven de inhoud van een akte, zelfs in de gevallen waarin artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek het bewijs door geschrift voorschrijft.

De bekentenis kan in principe ok niet worden herroepen.

5. Per fax en e-mailbericht van 17 augustus 2012 schreef de heer V.M. q.q. de NV Prodac aan de NV Delcredere:

Ik verwijs naar onze aangename bespreking van gisteren.

Ik noteerde:

1. (...)

2. dat Delcredere weigert dekking te verlenen voor de (enige) 2 schadegevallen aangegeven door Prodac (in vele jaren). Het betreft de debiteurs Emira Packaging en Cynckmet.

Ik behoud mij ter zake alle rechten voor. U weet dat ik overtuigd ben dat de faillissementstoestand beslissend is geweest bij het weigeren van de dekking.

Per e-mailbericht van 19 september 2012 schreef de heer V.M. q.q. de NV Prodac aan de NV Delcredere:

Ik verwijs naar mijn telefax van 17 augustus 2012 en de weigering van Delcredere om dekking te verlenen voor de 2 schadegevallen die door Prodac werden aangegeven, met name de debiteurs Emira Packaging en Cynckmet.

(…)

Ik verzoek u dan ook te willen bevestigen dat Delcredere dekking zal verlenen voor deze 2 schadegevallen.

Per brief van 13 februari 2013, gericht aan de NV Delcredere, gaf de advocaat van de heer V.M. q.q. de NV Prodac vooreerst een chronologische opsomming van de feiten.

Daarin vermeldde hij:

(…)

11. Op 16 augustus 2012 vond een bespreking plaats tussen curator Mr. V.M. en de heer N. (Delcredere NV).

Op 17 augustus 2012 akteerde Mr. V.M. dat Delcredere NV dekking weigerde te verlenen voor de debiteurs Emira Packaging en Cynckmet.

(…)

Het bericht van de heer V.M. q.q. de NV Prodac van 17 augustus 2012 houdt een buitengerechtelijke bekentenis in van een persoonlijk en in deze procedure betwist feit met voor hem nadelige rechtsgevolgen, meer bepaald dat de NV Delcredere (thans NV Credimundi) op 16 augustus 2012 aan hem heeft meegedeeld dat zij weigerde om voor de schadegevallen betreffende de debiteurs Cynckmet en Emira Packaging dekking te verlenen.

De heer V.M. q.q. de NV Prodac heeft dit feit nogmaals bevestigd in zijn bericht van 19 september 2012 en opnieuw in de brief van 13 februari 2013 van zijn advocaat.

De NV Credimundi laat gelden dat haar mededeling op 16 augustus 2012 een definitieve weigering inhield die ondubbelzinnig werd geformuleerd.

Uit de berichten van de heer V.M. q.q. de NV Prodac van 17 augustus 2012 en 19 september 2012 en de brief van zijn advocaat van 13 februari 2013 kan alleen maar worden afgeleid dat de curator dit als zodanig ook perfect heeft begrepen.

De curator vroeg helemaal niet om een schriftelijke bevestiging door de NV Delcredere van haar op 16 augustus 2012 meegedeelde standpunt. Het voorbehoud dat de curator in zijn bericht van 17 augustus 2012 formuleerde had betrekking op de inhoud van de mededeling (de weigering tot dekking door de verzekeraar) maar niet op de fysieke persoon die namens de NV Delcredere deze mededeling heeft gedaan, de vorm van deze mededeling of het juiste begrip ervan.

Dit wordt nog duidelijker, wanneer de curator in zijn navolgend bericht van 19 september 2012, verwijzend naar zijn vorig bericht, argumenten ontwikkelde om deze weigering tot dekking inhoudelijk te betwisten, waarmee hij te kennen gaf dat hij had begrepen dat de verzekeraar met de mededeling van deze weigering op 16 augustus 2012 geen voorlopig maar een definitief standpunt had ingenomen.

De mededeling van deze definitieve weigeringsbeslissing door de verzekeraar op 16 augustus 2012 werd als mededeling door de curator perfect begrepen en aanvaard.

Evenmin heeft de verzekeraar op de berichten van de curator van 17 augustus 2012 en 19 september 2012 gereageerd door te stellen dat deze mededeling van 16 augustus 2012 werd gedaan door een persoon, die niet gerechtigd was om haar te verbinden en/of slechts een voorlopig standpunt inhield. Integendeel, zij heeft in een omstandig gemotiveerd e-mailbericht van 20 september 2012 bevestigd dat zij bij haar weigering bleef.

Over de draagwijdte van de mededeling van 16 augustus 2012 bestond tussen partijen dan ook geen enkel misverstand.

De NV Delcredere (thans NV Credimundi) heeft dan ook voldaan aan haar verplichting om te goeder trouw te communiceren en haar definitieve weigering tot dekking op 16 augustus 2012 ondubbelzinnig meegedeeld aan de curator, zodat laatstgenoemde wist of minstens behoorde te weten dat als gevolg van deze mededeling de conventionele verjaringstermijn van 180 dagen begon te lopen.

In het licht van bovenstaande overwegingen heeft het eerder e-mailbericht van 17 juli 2012 van de NV Delcredere aan de NV Prodac geen enkel belang meer. In dit bericht meldde de NV Delcredere: “De achterstallige vorderingen op Emira Packaging en op Cynckmet, die betrekking hebben op de facturen van maart, april en mei 2012 zijn dus te laat ingediend en dienen aan ons Comité voorgelegd te worden, hetwelk zal beslissen of deze zaken nog ter verzekering kunnen aanvaard worden.” Dit bericht van 17 juli 2012 hield uiteraard nog geen definitief standpunt in maar gaat vooraf aan de mededeling van 16 augustus 2012, waarvan hierboven werd vastgesteld dat het een ondubbelzinnige kennisgeving van een definitieve weigering tot dekking betrof die door de curator perfect werd begrepen en als kennisgeving werd aanvaard.

6. De eerste rechter besliste dan ook terecht dat de vordering van de heer V.M. q.q. de NV Prodac verjaard is door het verloop van 180 dagen na 16 augustus 2012, hetzij op 13 februari 2013.

Aangezien de inleidende dagvaarding slechts dateert van 8 maart 2013, dit is na het verstrijken van de verjaringstermijn, heeft deze dagvaarding geen stuitende werking meer.

7. De vraag of het verweermiddel van de verjaring procesrechtelijk moet worden gekwalificeerd als een middel van niet-ontvankelijkheid dan wel van ongegrondheid van de vordering is een strikt terminologische kwestie.

Indien de rechter beslist dat een vordering verjaard is, heeft noch de eiser, noch de verweerder er belang bij om uitsluitend tegen de procesrechtelijke kwalificatie van deze beslissing op te komen.

Dit hof is van oordeel dat de eerste rechter, gelet op de verjaring, terecht heeft besloten tot de onontvankelijkheid van de vordering.

Een exceptie is een verweermiddel met een beperkte en tijdelijke draagwijdte, gegrond op procesrechtelijke regels, die er toe strekt om de rechtspleging, zoals ze tot dan toe door de eiser werd gevoerd, te vernietigen of op te schorten. Een door de verweerder met succes ingeroepen exceptie tast het vorderingsrecht van de eiser niet aan en kan niet verhinderen dat de vordering nadien opnieuw wordt ingesteld. Aldus begrepen is het verweermiddel van verjaring geen processuele exceptie.

Een middel van niet-ontvankelijkheid is gegrond op de regels van het materieel recht, waarbij de verweerder aan de rechter vraagt te beslissen dat de eiser niet of niet meer over het vorderingsrecht, het ius agendi beschikt, dat zijn mogelijkheid om een vonnis te verkrijgen over de gegrondheid van zijn aanspraak verloren is of niet bestaat. Een door de verweerder met succes ingeroepen middel van niet-ontvankelijkheid brengt voor de eiser het definitief verlies van zijn vorderingsrecht mee; de vordering kan niet opnieuw worden ingesteld.

Aldus begrepen, is het verweermiddel van de verjaring een middel van niet-ontvankelijkheid. Aangezien de bevrijdende verjaring de verbintenis zelf niet teniet doet, maar slechts de opeisbaarheid van de schuld verhindert, volgt hieruit dat het verweermiddel van de verjaring geen verweer is over de gegrondheid van de vordering (cf. A. Van Oevelen, “Algemeen overzicht van de bevrijdende verjaring en de vervaltermijnen in het Belgisch privaatrecht”, TPR 1987, p. 1774).

8. Aangezien de heer V.M. q.q. de NV Prodac ook in hoger beroep de in het ongelijk gestelde partij is, moet hij eveneens tot de gerechtskosten in hoger beroep worden veroordeeld.

Hij moet niet nogmaals worden veroordeeld tot de gerechtskosten in eerste aanleg, vermits de eerste rechter dit al gedaan heeft en zijn vonnis wordt bevestigd.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtsprekend op tegenspraak;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond;

Veroordeelt de heer V.M., handelend in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de NV Prodac, tot alle gerechtskosten in hoger beroep, die voor de NV Credimundi overeenkomstig haar kostenopgave worden vereffend op 5.500 EUR rechtsplegingsvergoeding.