Hof van beroep Brussel 25 juni 2020
|
VERZEKERINGEN
Landsverzekeringsovereenkomst - Schadeverzekering - Verzekering BA uitbating - Bewijslast schadegeval binnen de dekking - Bewijslast uitsluiting en verval van dekking - Artikel 8.4 BW - Bewijs van het bestaan van de verzekeringsovereenkomst - Artikel 64 wet 4 april 2014 - Gerechtelijke bekentenis
Het behoort aan de verzekerde, die van de verzekeraar de uitvoering van een verbintenis vordert, om het bestaan van een schadegeval te bewijzen en om aan te tonen dat dit schadegeval valt binnen de dekking, zoals zij voortvloeit uit de contractuele omschrijving van het risico. Vervolgens is het aan de verzekeraar om het bestaan van een uitsluitingsgrond, waarop hij zich beroept, te bewijzen of om aan te tonen dat de voorwaarden van een verval van recht op dekking verenigd zijn.
De verzekerde voldoet niet aan de op hem rustende bewijslast wanneer uit een gerechtelijke bekentenis blijkt dat het schadegeval niet binnen de dekking valt.
|
ASSURANCES
Assurances terrestres - Assurances de dommages - Assurance RC exploitation - Charge de la preuve que le sinistre est couvert par la garantie - Charge de la preuve de l'exclusion en de la déchéance de garantie - Article 8.4 C. civ. - Preuve de l'existence du contrat d'assurance - Article 64 loi du 4 avril 2014 - Aveu judiciaire
Il appartient à l'assuré, qui réclame l'exécution d'une obligation à l'assureur, de prouver l'existence d'un sinistre et de démontrer que ce sinistre est couvert par la garantie, tel qu'il résulte de la description contractuelle du risque. Il appartient alors à l'assureur de prouver l'existence d'une exclusion qu'il invoque, ou de démontrer que les conditions d'une déchéance de garantie sont réunies.
L'assuré ne répond pas à la charge de la preuve qui lui incombe s'il ressort d'un aveu judiciaire que le sinistre n'est pas couvert par la garantie.
|
BVBA Bas Transport & Garage / CVBA P & V Verzekeringen
| Zet.: B. Veeckmans (voorzitter) |
| Pl.: Mrs. J.-F. Carbonnelle en S. Bertrand |
| Zaak: 2016/AR/907 |
Het hof neemt kennis van het dossier van de rechtspleging en meer in het bijzonder van:
- het vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van koophandel te Brussel op tegenspraak gewezen op 29 maart 2016, waarvan geen exploot van betekening wordt voorgelegd en waartegen hoger beroep werd ingesteld door de BVBA Transport & Garage Bas per verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof van beroep op 20 mei 2016;
- de door beide partijen ingediende syntheseconclusies in hoger beroep;
- de door hen neergelegde dossierstukken.
Op de zitting van 18 juni 2020 werd de zaak gepleit en vervolgens in beraad genomen.
Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken werd nageleefd.
| De procedure in eerste aanleg |
Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 24 september 2010 heeft de BVBA Transport & Garage Bas een inleidende vordering ingesteld tegen de CVBA P & V Verzekeringen.
In haar laatste conclusie vorderde de BVBA Transport & Garage Bas om de CVBA P & V Verzekeringen te veroordelen tot betaling van 79.381,14 EUR, vermeerderd met de interesten tegen de wettelijke interestvoet vanaf 29 september 2014 tot de datum van volledige betaling en tot de kosten van het geding.
In haar laatste conclusie vorderde de CVBA P & V Verzekeringen om de vordering van de BVBA Transport & Garage Bas ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en haar te veroordelen tot de kosten van het geding.
In haar vonnis van 29 maart 2016 heeft de Nederlandstalige rechtbank van koophandel te Brussel de vordering ontvankelijk maar ongegrond verklaard en de BVBA Transport & Garage Bas veroordeeld tot de kosten van het geding.
| De procedure in hoger beroep |
Tegen dit vonnis heeft de BVBA Transport & Garage Bas per verzoekschrift van 20 mei 2016 hoger beroep ingesteld.
In haar laatste conclusie vordert zij om haar oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en de CVBA P & V Verzekeringen te veroordelen tot betaling van 79.381,14 EUR, vermeerderd met de interesten tegen de wettelijke interestvoet vanaf 29 september 2014 tot de datum van volledige betaling en tot de kosten van de beide aanleggen.
In haar laatste conclusie vordert de CVBA P & V Verzekeringen om het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en de BVBA Transport & Garage Bas te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep.
| De feiten |
De BVBA Transport & Garage Bas had een verzekeringsovereenkomst “burgerrechtelijke aansprakelijkheid ondernemingen” (zowel uitbating, na levering als rechtsbijstand) bij de CVBA P & V Verzekeringen onderschreven.
Op het voorblad van de bijzondere polisvoorwaarden wordt het verzekerd risico als volgt omschreven: “commerce de gros de déchets et débris” (“groothandel van afvalmaterialen en wrakstukken”).
Op p. 1 van de bijzondere voorwaarden wordt het voorwerp van het verzekerd risico als volgt omschreven: “garage avec démolition de voitures” (“garage met ontmanteling van voertuigen”).
Op 11 mei 2007 kocht de BVBA Transport & Garage Bas van de BVBA Shardag een tweedehandsvoertuig Mercedes tegen de prijs van 60.000 EUR.
Klaarblijkelijk werd de BVBA Transport & Garage Bas door de BVBA Shardag niet geïnformeerd dat dit voertuig het voorwerp uitmaakte van een leasingovereenkomst die zij op 17 oktober 2006 met de NV ING Car Lease Belgium had gesloten.
De BVBA Shardag liet na om de maandelijkse termijnen te betalen, waarop de NV ING Car Lease Belgium op 6 en 7 december 2007 liet overgaan tot dagvaarding van zowel de BVBA Shardag als de BVBA Transport & Garage Bas voor de (toenmalige) rechtbank van koophandel te Brussel.
Bij vonnis van 29 februari 2008 heeft de rechtbank van koophandel te Brussel de BVBA Shardag bij verstek veroordeeld tot betaling aan de NV ING Car Lease Belgium van 56.824,63 EUR ten titel van onbetaalde huurgelden en verbrekingsvergoeding, vermeerderd met de conventionele interesten tegen 10% per jaar vanaf 23 oktober 2007 op 4.193,83 EUR en met de gerechtelijke interesten op 52.625,80 EUR alsook tot de kosten van het geding. De vordering tegen de BVBA Transport & Garage Bas werd naar de rol verzonden.
De BVBA Shardag werd bij vonnis van 11 maart 2008 van de rechtbank van koophandel te Leuven in staat van faillissement verklaard.
Bij op tegenspraak gewezen vonnis van 31 maart 2010 heeft de rechtbank van koophandel te Brussel de BVBA Transport & Garage Bas in solidum met de reeds veroordeelde BVBA Shardag veroordeeld tot betaling aan de NV ING Car Lease Belgium van 56.824,63 EUR, vermeerderd met de gerechtelijke interesten alsook tot de kosten van het geding.
Tegen dit vonnis heeft de BVBA Transport & Garage Bas per verzoekschrift van 22 september 2010 hoger beroep ingesteld. Per gerechtsdeurwaardersexploot van 28 september 2010 liet de BVBA Transport & Garage Bas overgaan tot dagvaarding tot gedwongen tussenkomst van de CVBA P & V Verzekeringen teneinde het uit te spreken arrest aan laatstgenoemde gemeen en tegenstelbaar te verklaren.
In zijn definitief geworden arrest van 16 september 2014 heeft de 8ste kamer van dit hof van beroep het principaal hoger beroep van de BVBA Transport & Garage Bas ongegrond verklaard en het incidenteel hoger beroep van de NV ING Car Lease Belgium gedeeltelijk gegrond verklaard. Het bestreden vonnis werd bevestigd met deze wijziging dat op het bedrag van 56.824,63 EUR vergoedende interest tegen de wettelijke interestvoet is verschuldigd vanaf 23 oktober 2007 tot de datum van het arrest en vervolgens moratoire interest tegen dezelfde interestvoet tot de datum van de volledige betaling. De BVBA Transport & Garage Bas werd veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep. Het arrest werd gemeen verklaard aan de CVBA P & V Verzekeringen en de BVBA Transport & Garage Bas werd veroordeeld tot de kosten van de vordering tot gemeenverklaring.
Dit arrest bevat onder meer volgende overwegingen:
“(…)
Volgens haar statuten heeft appellante onder meer tot doel tweedehandsvoertuigen aan te kopen en te verkopen en in- en uit te voeren.
Volgens de gegevens van de Kruispuntbank van Ondernemingen bestaan haar activiteiten onder meer uit het onderhoud en de herstelling van wagens en uit de groothandel en detailhandel in motorvoertuigen.
Op haar website wordt vermeld dat zij al dan niet geaccidenteerde voertuigen aankoopt en verkoopt.
In de jaren 2006 en 2007 heeft zij telkens voor ongeveer 270.000 EUR aan tweedehandswagens aangekocht - volgens haar in werkelijkheid uitsluitend autowrakken - en qua verkoop van wagens een omzet gerealiseerd van respectievelijk 346.586,56 EUR en 253.554,10 EUR.
De artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek leggen aan alle deelnemers van het rechtsverkeer een algemene zorgvuldigheidsnorm op.
In het kader van de algemene zorgvuldigheidsnorm kan van een bedachtzame en normaal voorzichtige en zorgvuldige professionele handelaar in de autobranche, zoals appellante, worden verwacht dat hij een voldoende gezonde kritische zin aan de dag legt om een onderzoek in te stellen omtrent de herkomst van een voertuig dat hij wenst aan te kopen en om niet over te gaan tot de aankoop van een wagen van een verkoper die geen eigenaar is ervan, ten nadele van de eigenaar van dat voertuig.
Appellante diende als professionele handelaar in de autobranche vertrouwd te zijn met de courante praktijk van de leasing van voertuigen, zodat zij niet louter op het materiële bezit van een wagen in hoofde van de verkoper daarvan en het feit dat hij zich uitgaf als de eigenaar, kon afgaan om in redelijkheid te concluderen dat de verkoper tevens de eigenaar was van het verkochte voertuig.
Zelfs indien de aangekochte Mercedes bestemd was voor het privégebruik door de zaakvoerder van appellante, hetgeen zelfs niet wordt gestaafd, kan zij gelet op het voorwerp van de door haar gevoerde activiteiten en de omvang van de hiermee gerealiseerde omzet niet voorhouden dat zij niet als een professioneel maar als een leek heeft gehandeld bij de aankoop ervan.
Op haar rustte derhalve een bijzondere onderzoeksplicht.
Dat de door appellante aangekochte wagens grotendeels of zelfs uitsluitend wrakken waren of beschadigde voertuigen - het gaat hier niet noodzakelijk om oude auto's - en dat zij ook andere activiteiten voerde, zoals personenvervoer, dat haar hoofdactiviteit zou hebben uitgemaakt, en de herstelling en het onderhoud van voertuigen en de verkoop van tweedehandse wisselstukken, doet hieraan geen afbreuk.
Ook op de professionele aankoper van autowrakken rust immers voormelde bijzondere onderzoeksverplichting.
De te verzekeren activiteiten die appellante heeft aangegeven aan haar verzekeraar sluiten dit niet uit en dit kan in ieder geval niet worden tegengeworpen aan geïntimeerde.
Er kan in de gegeven concrete omstandigheden dan ook niet worden beaamd dat appellante op grond van de aard van haar activiteiten vrijgesteld zou zijn geweest van deze bijzondere onderzoeksplicht.
(…)
Appellante bewijst niet dat zij om de voorlegging van de aankoopfactuur heeft verzocht en roept dit zelfs niet in.
Door over te gaan tot de aankoop van de wagen Mercedes zonder zich de oorspronkelijke aankoopfactuur ervan te laten overleggen en daarmee een minimum aan controle uit te voeren naar de hoedanigheid van de verkoper (in casu naar de vraag of deze wel eigenaar was van het verkochte voertuig), heeft appellante zich niet gedragen als een bedachtzame en normaal voorzichtige en zorgvuldige professionele handelaar, geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden.
Zij kan bijgevolg niet voorhouden dat zij de contractuele situatie niet kende noch behoorde te kennen, noch dat er sprake is geweest van overmacht in haar hoofde. Niettemin heeft zij bewust en met kennis van zaken actief meegewerkt of deelgenomen aan de contractbreuk van Shardag.
Het besluit luidt dan ook dat appellante een fout heeft begaan in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, zodat zij op grond van deze wettelijke bepalingen gehouden is tot vergoeding van de schade die ten gevolge van haar fout werd geleden door geïntimeerde.
Dat elk intentioneel element in hoofde van appellante zou hebben ontbroken en dat zij bijna geen winst zou hebben gemaakt, is niet ter zake dienend.
(…)”
De BVBA Transport & Garage Bas vordert dat de CVBA P & V Verzekeringen op grond van de door haar onderschreven waarborg burgerrechtelijke aansprakelijkheid uitbating haar verzekeringsdekking zou verlenen voor deze veroordeling, uitgesproken op grond van haar buitencontractuele aansprakelijkheid jegens de NV ING Car Lease Belgium.
De CVBA P & V Verzekeringen stelt dat dit schadegeval niet tot het voorwerp van de door haar gewaarborgde verzekeringsdekking behoort of minstens van de verzekeringsdekking is uitgesloten.
| De beoordeling |
1. Het hoger beroep is ontvankelijk.
2. Naar luid van artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek moet hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan bewijzen.
Hieruit volgt dat het behoort aan de verzekerde, die van de verzekeraar de uitvoering van een verbintenis vordert, om het bestaan van een schadegeval te bewijzen en om aan te tonen dat dit schadegeval valt binnen de dekking, zoals zij voortvloeit uit de contractuele omschrijving van het risico.
Vervolgens is het aan de verzekeraar om het bestaan van een uitsluitingsgrond, waarop hij zich beroept, te bewijzen of om aan te tonen dat de voorwaarden van een verval van recht op dekking verenigd zijn.
In dit geval betwist de CVBA P & V Verzekeringen in de eerste plaats dat het schadegeval binnen de dekking, zoals zij voortvloeit uit de contractuele omschrijving van het risico, valt.
Gelet op deze proceshouding, behoort het aan de BVBA Transport & Garage Bas om hiervan het bewijs te leveren.
3. De bijzondere polisvoorwaarden omschrijven het verzekerd risico als “groothandel van afvalmaterialen en wrakstukken” of als “garage met ontmanteling van voertuigen”.
Artikel 1 van de algemene polisvoorwaarden bepaalt:
“De maatschappij dekt de verzekerden tegen de geldelijke gevolgen van de vorderingen die gegrond zijn op wettelijke of reglementaire bepalingen van het Belgisch of buitenlands recht voor de schade aan derden veroorzaakt, die voortspruit uit de activiteiten van de omschreven onderneming.
De waarborg wordt eveneens toegestaan:
a) (...);
b) voor alle bijkomende activiteiten van de omschreven onderneming.”
In het kader van het door de CVBA P & V Verzekeringen aangevoerde subsidiaire middel, gesteund op artikel 7.a van de algemene polisvoorwaarden, betwist de BVBA Transport & Garage Bas dat zij op datum van de contractsluiting van deze algemene polisvoorwaarden heeft kennis genomen en deze heeft aanvaard.
De BVBA Transport & Garage Bas kan niet tegelijk haar gebondenheid aan deze algemene polisvoorwaarden betwisten en er zich op beroepen.
4. In de motieven van de inleidende dagvaarding van 24 september 2010 stelde de BVBA Transport & Garage Bas:
“(…)
Dat zeer duidelijk blijkt dat de hoofdactiviteit van concluante bestaat uit het personenvervoer (47,54% van haar omzetcijfer in 2007) en bijkomstig uit het onderhoud en de herstelling van voertuigen (28,93% van haar omzetcijfer in 2007), evenals de gelijksoortige activiteit inzake carrosserie (7% van haar omzetcijfer in 2007);
Dat de verkoop van voertuigen slechts 10,52% van haar omzetcijfer in 2007 vertegenwoordigde, terwijl de totaliteit van aankopen van wrakken 28,38% van haar kosten vertegenwoordigde, hetgeen bevestigt dat zij bijkomstig geen voertuigen koopt om ze opnieuw te verkopen, maar dat zij wrakken koopt om ze te herstellen en te demonteren;
Dat voor haar bijkomende activiteit inzake aankoop van voertuigen om deze te demonteren en om alle nog bruikbare stukken te recupereren, concluante alleen maar wrakken van verongelukte voertuigen aankoopt; (...)
Dat zij, in deze omstandigheden, een voertuig met standing wou kopen voor haar eigen noden;
Dat deze aankoop dus volkomen buiten haar werkelijke hoofd- en bijkomstige activiteiten stond;
(…)”
Terecht voert de CVBA P & V Verzekeringen aan dat de verklaring van de BVBA Transport & Garage Bas in de inleidende dagvaarding dat de aankoop van dit voertuig met standing gebeurde voor haar eigen noden en volkomen buiten haar werkelijke hoofd- en bijkomstige activiteiten stond, een gerechtelijke bekentenis uitmaakt.
Een bekentenis is immers een eenzijdige daad waaruit een bewijs kan worden gehaald, die uitgaat van de persoon tegen wie ze wordt ingeroepen en die betrekking heeft op een persoonlijk en betwist feit met nadelige rechtsgevolgen.
De wil van degene die bekent om de realiteit van een feit te bevestigen volstaat, zelfs indien deze partij zich niet bewust is van een betwisting in verband met dit feit en ook al heeft zij niet de intentie om haar tegenpartij een bewijs van dit feit tegen haar te verschaffen. De omstandigheid dat een verklaring als bewijs ten gunste van de tegenpartij kan dienen, is een rechtsgevolg dat niet door haar auteur, maar wel door de wet aan die verklaring wordt gehecht.
De objectieve bewijslast heeft enkel betwiste feiten tot voorwerp. De bekentenis moet dan ook betrekking hebben op een betwist feit. Maar dit kan ook een toekomstige betwisting betreffen. Op het ogenblik dat de bekentenis wordt gedaan, moet het feit dat het voorwerp ervan uitmaakt, nog niet betwist zijn. De betwisting over dit feit kan pas later ontstaan.
Bij toepassing van artikel 1356, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek kan een bekentenis ook worden afgelegd door de bijzondere gevolmachtigde van de partij tegen wie ze wordt ingeroepen. Uit artikel 850 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat het niet aan de rechter toekomt om ambtshalve de eventuele afwezigheid van een bijzonder mandaat in te roepen.
Deze bekentenis in de dagvaarding van 24 september 2010 van de BVBA Transport & Garage Bas werd afgelegd voor de rechter in het geding dat betrekking heeft op het feit waarover de bekentenis gaat.
Bijgevolg gaat het om een gerechtelijke bekentenis, waarvan artikel 1356, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat ze een volledig bewijs oplevert tegen hem die de bekentenis gedaan heeft.
Binnen de grenzen van haar voorwerp, zijnde het (aanvankelijk) betwist feit, heeft de bekentenis absolute bewijskracht. Tegenbewijs door degene die de bekentenis heeft afgelegd, is uitgesloten. Omdat haar bewijskracht absoluut is, is ook de rechter gebonden door de bekentenis. Hij mag er noch de bewijswaarde, noch de oprechtheid, noch de geloofwaardigheid van beoordelen. De innerlijke overtuiging van de rechter doet hier niets ter zake.
Ook het voorhanden zijn van andersluidende bewijsmiddelen doet verder niets ter zake. De bekentenis kan worden ingeroepen in de plaats van het schriftelijk bewijs en ook tegen en boven de inhoud van een akte, zelfs in de gevallen waarin artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek het bewijs door geschrift voorschrijft.
Krachtens artikel 1356, vierde lid van het Burgerlijk Wetboek is de gerechtelijke bekentenis in beginsel onherroepelijk.
Overigens wordt door de BVBA Transport & Garage Bas noch aangevoerd noch bewezen dat haar gerechtelijke bekentenis van 24 september 2010 door een dwaling omtrent de feiten zou zijn aangetast.
5. Gelet op deze gerechtelijke bekentenis, bewijst de BVBA Transport & Garage Bas niet dat het schadegeval binnen de dekking, zoals zij voortvloeit uit de contractuele omschrijving van het risico, valt.
Het wordt niet bewezen dat tot het verzekerd risico, zoals door de verzekeringnemer in de bijzondere polisvoorwaarden aangegeven, de aankoop valt van een luxevoertuig voor eigen noden, waarvan de verzekeringnemer zelf stelt dat dit volkomen buiten haar werkelijke hoofd- en bijkomstige activiteiten stond.
Het wordt evenmin bewezen dat dit schadegeval voortspruit uit de bijkomende activiteiten van de onderneming/verzekeringnemer, in de zin van artikel 1.b van de algemene polisvoorwaarden (waarvan de toepasselijkheid overigens door de BVBA Transport & Garage Bas wordt betwist), gelet op de bekentenis van laatstgenoemde dat deze aankoop ook volkomen buiten haar werkelijke bijkomstige activiteiten stond.
In haar syntheseconclusie preciseert de BVBA Transport & Garage Bas dat deze aankoop buiten haar gebruikelijke hoofd- en bijkomstige activiteiten maar wel binnen het kader van haar maatschappelijk doel viel.
Betreffende de vraag of de CVBA P & V Verzekeringen gehouden is om voor dit schadegeval dekking te verlenen, is het echter niet van belang om na te gaan of de aankoop van dit voertuig tot het statutair doel van de verzekerde onderneming behoorde. Bepalend is of deze aankoop binnen de contractuele omschrijving van het risico in de verzekeringsovereenkomst valt. Gelet op de bekentenis van de BVBA Transport & Garage Bas is het antwoord op deze vraag negatief.
In haar syntheseconclusie verwijst de BVBA Transport & Garage Bas eveneens naar de overweging in het in kracht van gewijsde getreden arrest van 16 september 2014 van de 8ste kamer van dit hof, naar luid waarvan, door over te gaan tot aankoop van de wagen Mercedes zonder zich de oorspronkelijke aankoopfactuur ervan te laten overleggen, zij zich niet als een normaal voorzichtige en zorgvuldige professionele handelaar heeft gedragen.
In zijn arrest van 16 september 2014 heeft dit hof van beroep zich niet uitgesproken over de verzekeringsbetwisting tussen de BVBA Transport & Garage Bas en de CVBA P & V Verzekeringen maar wel over de buitencontractuele aansprakelijkheid van eerstgenoemde tegenover de NV ING Car Lease Belgium. Het hof overwoog in dat verband dat zelfs indien de aangekochte Mercedes bestemd was voor het privégebruik door de zaakvoerder van de BVBA Transport & Garage Bas, zij gelet op het voorwerp van de door haar gevoerde activiteiten en de omvang van de hiermee gerealiseerde omzet niet kan voorhouden dat zij niet als een professioneel maar als een leek heeft gehandeld bij de aankoop ervan.
De vaststelling dat dit hof van beroep in zijn arrest van 16 september 2014 oordeelde dat de handelwijze van de BVBA Transport & Garage Bas bij de aankoop van het voertuig getoetst moet worden aan die van een normaal zorgvuldige professionele handelaar in de autobranche en niet aan die van een normaal zorgvuldige leek, impliceert niet dat de CVBA P & V Verzekeringen voor dit schadegeval verzekeringsdekking moet verlenen. Voor dit laatste is enkel bepalend of het schadegeval valt binnen de contractuele omschrijving van het risico in de verzekeringsovereenkomst. Gelet op de voormelde bekentenis van de BVBA Transport & Garage Bas is het antwoord op deze dekkingsaanvraag negatief.
6. Aangezien de BVBA Transport & Garage Bas niet bewijst dat het schadegeval onder het verzekerde uitbatingsrisico van de onderneming valt, is het overbodig om het door de CVBA P & V Verzekeringen in subsidiaire orde aangevoerd middel, gesteund op de uitsluiting of het verval van dekking, te onderzoeken.
De vordering van de BVBA Transport & Garage Bas is in hoger beroep ongegrond gebleven.
Als in het ongelijk gestelde partij moet de BVBA Transport & Garage Bas eveneens tot de gerechtskosten in hoger beroep worden veroordeeld.
Het is niet nodig haar opnieuw tot de gerechtskosten in eerste aanleg te veroordelen, aangezien de eerste rechter dit al heeft gedaan en zijn vonnis wordt bevestigd.
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Rechtsprekend op tegenspraak;
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond;
Veroordeelt de BVBA Transport & Garage Bas tot de gerechtskosten in hoger beroep;
Vereffent deze gerechtskosten voor de CVBA P & V Verzekeringen overeenkomstig haar kostenopgave op 2.500 EUR rechtsplegingsvergoeding;

