In een arrest van 30 april 2026 (eur-lex.europa.eu/) beoordeelt het Hof van Justitie of een afspraak tussen Portugese voetbalclubs, gemaakt in samenspraak met de Portugese voetbalbond, om geen spelers van elkaar af te werven, strijdig is met het mededingingsrecht (artikel 101, lid 1, VWEU). Die afspraak kwam tot stand in een bijzondere context: wegens de COVID-19-pandemie was de voetbalcompetitie geschorst, terwijl onduidelijk was of en wanneer de resterende wedstrijden nog zouden worden gespeeld. Tegelijk liepen bepaalde arbeidsovereenkomsten van spelers af op 30 juni van dat jaar, zijnde de oorspronkelijk voorziene einddatum van het seizoen.
Het arrest bevat vele vermeldenswaardige overwegingen, waarvan hier enkele worden uitgelicht.
Gedragingen, waaronder het Hof zowel een overeenkomst, een besluit van een ondernemersvereniging als een onderling afgestemde feitelijke gedraging verstaat, hebben een “mededingingsbeperkende strekking” wanneer zij “naar hun aard voldoende schadelijk kunnen worden geacht voor de goede werking van de normale mededinging”. Er moet duidelijk sprake zijn van een “mededingingsverstorende rationaliteit”, hetgeen een begrip is dat nog niet eerder in de EU rechtspraak voorkomt (punt 41). Het arrest illustreert dat de vaststelling van een dergelijke strekking een drievoudig onderzoek vereist, namelijk naar: (i) de bewoordingen of strekking van het gedrag, (ii) de economische en juridische context, en (iii) de doelstellingen. Een enkel onderzoek van de inhoud volstaat niet (punt 56). Het Hof benadrukt dat de context “hoe dan ook” moet worden onderzocht (punt 46). In gevallen waarin een gedraging bijzonder schadelijk is voor de mededinging, kan dat onderzoek van de context beperkt blijven tot hetgeen strikt noodzakelijk is (punt 47). Voor bepaalde gedragingen, die mogelijk maar niet noodzakelijk voldoende schadelijk zijn om te kunnen spreken van een mededingingsbeperkende strekking, is een “grondiger” onderzoek van de context vereist. Het besproken arrest illustreert dat een dergelijk grondig onderzoek van de context tot de conclusie zou kunnen leiden dat geen sprake is van een mededingingsbeperking naar strekking, ook al blijkt uit de inhoud van een bepaalde overeenkomst een manifeste beperking van de mededinging.
Het Hof kwalificeert de betrokken afspraak als een niet-wervingsovereenkomst (“no-poaching agreement”), die voor de betrokken voetbalclubs neerkomt op “een kennelijke beperking van een mededingingsparameter”, namelijk de mogelijkheid om spelers aan te trekken. De overwegingen van het Hof reiken evenwel verder dan de sportsector alleen.
Het Hof benadrukt immers dat “werknemers” (er is niet langer sprake van enkel ‘spelers’) voor ondernemingen “voorzieningsbronnen” of “hulpbronnen” zijn. Wanneer ondernemingen onderling kunstmatige afspraken maken over die hulpbronnen, bestaat het risico dat zij niet efficiënt worden ingezet (punt 54). Opvallend is bovendien dat het Hof uitdrukkelijk aandacht besteedt aan de concrete gevolgen voor werknemers. Dergelijke afspraken beperken de mogelijkheden voor werknemers om hun diensten aan andere ondernemingen aan te bieden, zij verliezen onderhandelingsmacht ten aanzien van zowel hun huidige werkgever als potentiële andere werkgevers en zijn “indirect en potentieel” van invloed op de lonen (punt 55).
Bij het onderzoek van de economische en juridische context houdt het Hof rekening met verschillende “specifieke kenmerken” van de sportsector. Eén daarvan is dat clubvoetbalcompetities per kalenderjaar of seizoen verlopen en dat sportbonden regels kunnen vaststellen om een “zekere stabiliteit” in de samenstelling van de ploegen te waarborgen “in de loop van een bepaald seizoen” (punt 64; zie ook punt 85). Volgens het Hof moet daarbij rekening worden gehouden met de “concurrentiële werking” van het verloop van de voetbalcompetitie. Het Hof suggereert duidelijk dat in de bijzondere context van de COVID-19-pandemie maatregelen konden worden genomen om te vermijden dat de samenstelling van ploegen en de integriteit van de competities zouden worden aangetast (punten 73 en 76).
Wat betreft het onderzoek naar de doelstellingen geeft het Hof aan dat de afspraken tussen de voetbalclubs zowel een “objectief mededingingsbeperkend doel” nastreefden, nl. een beperking van de mededinging voor het rekruteren van spelers, als een “objectief mededingingsbevorderend doel”, nl. het behoud van de stabiliteit van het spelersbestand van de betrokken clubs zolang het seizoen niet effectief was geëindigd (punten 80-86). Het Hof geeft uitdrukkelijk aan dat een doelstelling die mogelijk legitiem is maar “neutraal ten aanzien van de mededinging” niet kan worden gelijkgesteld met een mededingingsbevorderend doel (punt 87).

