Actualités

Geschillenbeslechting

Belgische rechtbank bevestigt de arbitreerbaarheid van een franchiseovereenkomst ondanks het beschermingsregime voor de franchisenemer onder Belgisch recht

Guillaume Croisant en Simon Taeleman –

Inleiding

In het vonnis van 26 juni 2026 oordeelde de ondernemingsrechtbank Antwerpen dat zij geen rechtsmacht had om kennis te nemen van de vordering van een franchisenemer tot nietigverklaring van een franchiseovereenkomst. Volgens de rechtbank hadden de partijen immers geldig afgesproken om hun geschil te onderwerpen aan arbitrage in India, overeenkomstig de Indiase Arbitrage- en Bemiddelingswet van 1996. Dat vonnis past in een evoluerende tendens in de Belgische rechtspraak naar meer eerbied voor partijautonomie in grensoverschrijdende handelsgeschillen.

De franchisenemer had aangevoerd dat artikel X.33 WER, dat bepaalt dat de precontractuele fase van een commerciële samenwerkingsovereenkomst wordt beheerst door Belgisch recht en onder de bevoegdheid valt van de Belgische rechtbanken wanneer de verkrijger van het recht zijn activiteit hoofdzakelijk in België uitoefent, voorrang moest krijgen op het arbitragebeding.

De Rechtbank verwierp dit argument en baseerde zich daarbij op het arrest van het Hof van Cassatie van 7 april 2023 inzake een vergelijkbaar, dwingend beschermingsregime dat van toepassing is op de voor onbepaalde tijd verleende concessies voor alleenverkoop. Op basis van dat arrest oordeelde de ondernemingsrechtbank Antwerpen dat artikel X.33 WER, dat van toepassing is op franchiseovereenkomsten, het arbitragebeding niet ongeldig maakt, ook al zou de arbiter Indiaas recht toepassen in plaats van Belgisch recht.

Het extrapoleren van de redenering van het Hof van Cassatie van 7 april 2023 naar andere commerciële overeenkomsten, waaronder franchise- en handelsagentuurovereenkomsten, lijkt logisch en wordt ondersteund door een groot deel van de rechtsleer. Het Hof van Cassatie heeft deze uitbreiding evenwel nog niet bevestigd.

Achtergrond

De naar Belgisch recht opgerichte eiser sloot op 1 april 2022 een franchiseovereenkomst met de verweerder, opgericht in India, met betrekking tot de uitbating van een vegetarisch restaurant.

De eiser voerde aan dat de verweerder tijdens de precontractuele fase bepaalde informatie die op grond van Belgisch recht vereist is, niet had verstrekt en vorderde bijgevolg de nietigverklaring van de franchiseovereenkomst voor de ondernemingsrechtbank Antwerpen.

De verweerder stelde op diens beurt dat de ondernemingsrechtbank Antwerpen niet geldig gevat kon worden, op grond dat de franchiseovereenkomst een arbitragebeding bevat dat voorziet in arbitrage overeenkomstig de Indiase Arbitrage- en Bemiddelingswet van 1996.

Beslissing

Bij de beoordeling van de geldigheid van het arbitragebeding, in overeenstemming met het Verdrag van New York van 1958, besloot de Ondernemingsrechtbank Antwerpen te toetsen aan het Belgisch recht als lex fori.

Krachtens art. X.33 WER geniet de franchisenemer een bijzondere bescherming op grond waarvan enig dispuut voortspruitend uit de precontractuele fase van de commerciële relatie wordt beheerst door Belgisch recht en onder de bevoegdheid valt van de Belgische rechtbanken wanneer de franchisenemer zijn bedrijfsactiviteiten hoofdzakelijk op Belgisch grondgebied uitoefent.

De Ondernemingsrechtbank Antwerpen bevestigde dat het arbitragebeding, dat “enig geschil of onenigheid tussen de partijen” naar arbitrage verwees, ruim genoeg was geformuleerd om ook het door de eiser opgeworpen precontractuele geschil te omvatten, en niet beperkt was tot geschillen die rechtstreeks uit de overeenkomst zelf voortvloeien.

Zoals al eerder aangehaald, bestaat al geruime tijd discussie over de vraag in hoeverre een Belgische rechtbank zich onbevoegd mag verklaren en een zaak naar arbitrage mag verwijzen wanneer beschermingsmechanismen spelen zoals bij handelsagentuur of alleenverkoopconcessies van onbepaalde duur.

Met betrekking tot alleenverkoopovereenkomsten vereiste het Hof van Cassatie aanvankelijk dat de arbiters Belgisch recht of een gelijkwaardig beschermingsregime zouden toepassen. In het baanbrekende arrest van 7 april 2023 oordeelde het Hof van Cassatie evenwel dat het beschermingsregime dat van toepassing is op voor onbepaalde duur verleende concessies voor alleenverkoop enkel private belangen beschermt en derhalve niet kan gekwalificeerd worden als een bepaling van bijzonder dwingend recht, wat betekent dat een Belgische rechtbank de arbitreerbaarheid van een geschil niet afhankelijk mag maken van de toepassing door de arbiter van de relevante dwingende, Belgische bepalingen of van een gelijkwaardige, buitenlandse bescherming.

In het voorliggende vonnis breidt de ondernemingsrechtbank Antwerpen die redenering uit naar franchiseovereenkomsten en oordeelt zij dat artikel X.33 WER geen afbreuk doet aan een geldig arbitragebeding, zelfs wanneer de arbiter het geschil zal beoordelen onder een regeling die de franchisenemer niet dezelfde bescherming biedt, in casu het Indiase recht.

Vooruitblik

De Belgische rechtspraak evolueert steeds meer in de richting van een benadering die de partijautonomie voorrang geeft boven de waarborgen die de lex fori biedt. Partijen bij commerciële overeenkomsten waarvoor het Belgisch recht bijzondere bescherming biedt, waaronder franchisenemers, alleenverkopers en handelsagenten, moeten er zich dan ook van bewust zijn dat dwingende Belgische beschermingsregels niet onvermijdelijk zullen worden toegepast wanneer een zaak wordt verwezen naar een scheidsgerecht of een buitenlandse rechter.

Het valt nog af te wachten of deze nieuwe stap naar een grotere partijautonomie geen eendagsvlieg uitmaakt, dan wel of het Hof van Cassatie de uitbreiding zal bevestigen van de principes die reeds gelden voor alleenverkoopovereenkomsten naar andere commerciële overeenkomsten, zoals franchiseovereenkomsten.

Een dergelijke uitbreiding zou niet betekenen dat commerciële partijen wier instemming met het arbitragebeding zou zijn afgedwongen, zonder rechtsmiddel zouden staan naar Belgisch recht. Naast de klassieke rechtsmiddelen waarover een partij beschikt wanneer haar toestemming is aangetast, kunnen die partijen zich beroepen op de Belgische regeling inzake onrechtmatige bedingen tussen ondernemingen (B2B), die onder meer verbiedt clausules te stipuleren die ertoe leiden dat een partij afziet van alle rechtsmiddelen, evenals bedingen die een kennelijk onevenwicht tussen de rechten van partijen creëren.

Comments are closed.