In een arrest van 4 juni 2026 heeft het Hof van Cassatie uitspraak gedaan over de interpretatie van het begrip ‘schriftelijk ingestelde vordering tot vergoeding’ in de zin van artikel 78, §2 Wet Landverzekeringsovereenkomst (hierna WLVO), thans artikel 142, §2 Wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen (hierna W.Verz.).
Het arrest houdt verband met de zgn. dekking in de tijd in verzekeringen, d.w.z. de afbakening in de tijd van de verbintenissen van de verzekeraar. Deze kwestie is relevant voor elke verzekeringsovereenkomst, maar is van bijzonder belang in aansprakelijkheidsverzekeringen omdat de realisatie van het aansprakelijkheidsrisico (schadeverwekkende gebeurtenis, ontstaan van schade, manifestatie van schade, eis tot vergoeding en aansprakelijkheidsstelling) zich vaak in de tijd uitstrekt en niet altijd voltooid is binnen de looptijd van één en dezelfde aansprakelijkheidsverzekeringsovereenkomst.
De Belgische wetgever heeft deze problematiek voor aansprakelijkheidsverzekeringen op grotendeels dwingende wijze geregeld in artikel 78 WLVO, thans artikel 142 W.Verz. De wetgever heeft daarbij in eerste instantie gekozen voor een loss occurrence systeem op grond waarvan de verzekeringswaarborg slaat op schade voorgevallen tijdens de duurtijd van de verzekeringsovereenkomst en zich uitstrekt tot vorderingen die na het einde van de verzekeringsovereenkomst worden ingediend (artikel 78, §1 WLVO, thans artikel 142, §1 W.Verz.). In dit systeem is de dekking van het posterioriteitsrisico of uitlooprisico (d.w.z. dekking voor vorderingen ingesteld na het einde van de verzekeringsovereenkomst) in principe onbeperkt, zij het voor zover het schade betreft die voorgevallen is tijdens de duurtijd van de verzekeringsovereenkomst én voor zover de verzekeraar de dekking niet contractueel heeft uitgesloten voor schade tijdens de overeenkomst die veroorzaakt is door schadeverwekkende feiten die dateren van vóór het sluiten van de verzekeringsovereenkomst (anterioriteits- of inlooprisico) (zie hierover onze eerdere bedenkingen in C. Van Schoubroeck en T. Meurs, ‘Art. 78 Wet Landverzekeringsovereenkomst regelt dwingend het uitlooprisico en niet het inlooprisico’ (noot onder Cass. 28 juni 2012), RW 2012-13, 1386 e.v.).
Voor bepaalde aansprakelijkheidsverzekeringen, waaronder bijvoorbeeld de beroepsaansprakelijkheidsverzekering van advocaten zoals in het hier besproken Cassatiearrest, laat de wetgever evenwel de mogelijkheid dat contractueel afgeweken wordt van het loss occurrence systeem en kunnen partijen een claims made systeem bedingen (artikel 78, §2 WLVO (thans artikel 142, §2 W.Verz.), samen gelezen met artikel 6bis van het Koninklijk Besluit van 24 december 1992 tot uitvoering van de WLVO).
Partijen komen dan overeen dat de verzekeringswaarborg alleen slaat op de vorderingen die schriftelijk worden ingesteld tegen de verzekerde of de verzekeraar tijdens de duur van de overeenkomst voor schade voorgevallen tijdens diezelfde duur. Echter voorziet artikel 78, §2, tweede lid WLVO (thans artikel 142, §2, tweede lid W.Verz.) daarbij wel in een verplichte (beperkte) posterioriteitsdekking:
In dat geval worden ook in aanmerking genomen, op voorwaarde dat ze schriftelijk worden ingesteld tegen de verzekerde of de verzekeraar binnen zesendertig maanden te rekenen van het einde van de overeenkomst, de vorderingen tot vergoeding die betrekking hebben op:
- schade die zich tijdens de duur van deze overeenkomst heeft voorgedaan indien bij het einde van deze overeenkomst het risico niet door een andere verzekeraar is gedekt;
- daden of feiten die aanleiding kunnen geven tot schade, die tijdens de duur van deze overeenkomst zijn voorgevallen en aan de verzekeraar zijn aangegeven.
Het Cassatiearrest van 4 juni 2026 heeft betrekking op de interpretatie en draagwijdte van het ‘schriftelijk instellen tegen de verzekerde of verzekeraar’ van een ‘vordering tot vergoeding’ in de zin van dit artikel.
Het Hof van Cassatie oordeelt dat uit artikel 78, §2 WLVO volgt dat een schriftelijke kennisgeving van de vordering aan de verzekerde of de verzekeraar volstaat voor de toepassing van deze bepaling, en dat het instellen van de vordering in rechte niet vereist is.
Het hof van beroep te Brussel had in casu geoordeeld dat “de voorwaarden voor de uitbreiding van de dekking na het verstrijken van de duur van de waarborg van de verzekeringsovereenkomst, niet verenigd zijn aangezien de vordering pas werd ingesteld met de dagvaarding betekend op (…)” (eigen nadruk). Het Hof van Cassatie stelt vervolgens dat de appelrechters hiermee, zonder daarbij na te gaan of op een eerder ogenblik van de verzekerde of zijn verzekeraar schadeloosstelling werd geëist, hun beslissing niet naar recht verantwoorden.
Aangezien de tekst van artikel 78, §2, tweede lid WLVO ongewijzigd is overgenomen in artikel 142, §2, tweede lid W.Verz., geldt deze conclusie ook onder Wet Verzekeringen. Het Hof van Cassatie spreekt hiermee dus klare taal over één specifiek aspect van de regeling inzake de dekking in de tijd bij aansprakelijkheidsverzekeringen – regeling die evenwel op vele andere punten bron blijft voor discussie en debat (een greep uit de rechtsleer: R. Deutsch, ‘La notion de sinistre en assurance de la responsabilité civile professionnelle du courtier’ (noot onder Cass. 29 september 2023), JLMB 2024, 1879-1883; C. Van Schoubroeck, ‘Dekking in de tijd in de aansprakelijkheidsverzekering: een bevalling voor het begrip « voorvallen van schade »?’ (noot onder Cass. 25 februari 2020), TBH 2020, 1184-1192; B. Weyts, ‘De dekking in de tijd van aansprakelijkheidsverzekeringen: een delicaat evenwicht tussen contractuele vrijheid en dwingende regelgeving’ in De aansprakelijkheidsverzekering in ontwikkeling. ALLIC II, Intersentia, 2016, 97-120; B. Dubuisson en V. Callewaert, ‘L’étendue de la garantie dans le temps et les assurances de la responsabilité civile’ in Le temps et le droit. Hommage au Professeur Closset-Marchal, Bruylant, 2013, 185-202).

