Article

Hof van Cassatie, 07/11/2019, R.D.C.-T.B.H., 2020/5, p. 654-655

Hof van Cassatie 7 november 2019

VENNOOTSCHAPPEN (OUD)
Vennootschappen met rechtspersoonlijkheid - Gemeenschappelijke bepalingen (opgeheven) - Vereffening - Sluiting van de vereffening - Passief voortbestaan - Lopende procedure ten tijde van de sluiting - Recht van de vennootschap om een rechtsmiddel in te stellen
De vereffende vennootschap wordt geacht voort te bestaan om zich te verweren tegen vorderingen die de schuldeisers conform artikel 198, § 1, derde streepje Wetboek van Vennootschappen tijdig hebben ingesteld tegen de vennootschap, alsook ten aanzien van vorderingen die reeds voor de sluiting van de vereffening tegen de vennootschap werden ingesteld.
Dit passief voortbestaan, dat de bescherming beoogt van de schuldeisers van de vennootschap, laat de vereffende vennootschap ook toe om een rechtsmiddel in te stellen tegen een veroordelende rechterlijke beslissing gewezen na de sluiting van de vereffening in een procedure die nog lopende was ten tijde van de vereffening.
SOCIÉTÉS (ANCIENT DROIT)
Sociétés dotées de la personnalité juridique - Dispositions générales (abrogé) - Liquidation - Clôture de la liquidation - Survie passive - Action pendante lors de la clôture - Droit de la société d'introduire un recours
La société dont la liquidation est clôturée continue d'exister pour répondre tant des actions que les créanciers sociaux peuvent exercer contre elle dans le délai de 5 ans visé à l'article 198, § 1er, 3e tiret, du Code des sociétés que des actions introduites contre elle avant la clôture de la liquidation.
Cette survie passive, qui vise à assurer la protection des créanciers, permet à la société d'introduire un recours contre une condamnation judiciaire prononcée contre elle après la clôture de la liquidation dans une procédure pendante en cours de liquidation.

Architectenbureau Haemers BVBA / J.B., P.S., T.V., Lemco BVBA, Gebr. Maes BVBA, Ver. mede-eigenaars res. P., Federale Verzekeringen CVBA

Zet.: E. Dirix (voorzitter), A. Smetryns en K. Mestdagh (sectievoorzitters), G. Jocqué en K. Moens (raadsheren)
OM: A. Van Ingelgem (advocaat-generaal)
Pl.: Mrs. J. Verbist en H. Geinger
Zaak: C.19.0052.N

(…)

III. Beslissing van het Hof
Beoordeling

1. Krachtens artikel 183, § 1, eerste lid Wetboek van Vennootschappen, wordt een vennootschap na ontbinding geacht voort te bestaan voor haar vereffening.

De sluiting van de vereffening van een vennootschap overeenkomstig de artikelen 194 en 195 Wetboek van Vennootschappen, maakt in beginsel een einde aan het bestaan en de rechtspersoonlijkheid van deze vennootschap.

De verdwijning van de rechtspersoon is evenwel niet absoluut.

De vereffende vennootschap wordt geacht voort te bestaan om zich te verweren tegen vorderingen die de schuldeisers conform artikel 198, § 1, derde streepje Wetboek van Vennootschappen tijdig hebben ingesteld tegen de vennootschap, alsook ten aanzien van vorderingen die reeds voor de sluiting van de vereffening tegen de vennootschap werden ingesteld.

2. Dit passief voortbestaan, dat de bescherming beoogt van de schuldeisers van de vennootschap, laat de vereffende vennootschap ook toe om een rechtsmiddel in te stellen tegen een veroordelende rechterlijke beslissing gewezen na de sluiting van de vereffening in een procedure die nog lopende was ten tijde van de vereffening.

3. De appelrechter stelt vast dat:

- de eiseres bij verzoekschrift neergelegd op 7 september 2012 ter griffie van de rechtbank van koophandel te Dendermonde vrijwillig is tussengekomen in een geding betreffende haar aansprakelijkheid;

- de eiseres op 11 juni 2013 werd ontbonden en in vereffening gesteld met onmiddellijke sluiting van de vereffening;

- bij vonnis van 22 juni 2017 van de rechtbank van koophandel Gent, afdeling Dendermonde, de eiseres, samen met anderen, veroordeeld werd tot schadevergoeding;

- de eiseres op 23 oktober 2017 tegen dit vonnis hoger beroep heeft ingesteld.

4. De appelrechter oordeelt dat de eiseres zichzelf het instellen van het rechtsmiddel van hoger beroep onmogelijk heeft gemaakt door wetens en willens de vereffening vroegtijdig te sluiten, niettegenstaande zij wist dat haar aansprakelijkheid in het geding was in de lopende procedure.

5. Door op die gronden het hoger beroep van de eiseres niet ontvankelijk te verklaren, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.